voorlopig_beeld_homepage_crowdfunding.gent

STAD GENT LANCEERT EERSTE CIVIC CROWDFUNDINGPLATFORM

Overgenomen van 1%Club

Vandaag lanceert de Stad Gent als eerste stad in Vlaanderen een lokaal georienteerd crowdfunding platform. Het platform is bedoeld voor Gentenaars en ondernemingen die een innovatief, duurzaam project willen starten en naar alternatieve financiering zoeken.

Gents idee? Doe er wat mee!
Met de samenwerking tussen de Stad Gent en 1%Club krijgen inwoners en andere betrokkenen de mogelijkheid de stad te maken en te beleven. De Stad Gent wil met het platform mensen ondersteunen die initiatief nemen in hun stad en niet wachten tot de overheid het heft in handen neemt.

Bekijk www.crowdfunding.gent.

Samen iets voor elkaar krijgen
Civic crowdfunding is het online fondsen werven via een grote groep kleine financiers om een verbetering van een publieke dienst of iets in de openbare ruimte te realiseren. Vaak zijn deelnemers aan civic crowdfunding-projecten gemeenten, inwoners, bedrijven, stichtingen, verenigingen en corporaties.

Voor meer info kun je ook op onze civic crowdfunding pagina kijken.

Sezayi Arslan

oshw-logos

Een nieuw verhaal voor links

eerst gepubliceerd in de Wereld Morgen

Links heeft een nieuw, optimistisch verhaal nodig. Het oude werkt niet meer. Welbeschouwd speelt de arbeidersbeweging al minstens drie decennia in verdediging. Met dit defensieve spel verliest ze de ene match na de andere. Als het roer niet snel wordt omgegooid, dreigt de degradatie, of erger. Een heroriëntatie naar nieuwe burgerinitiatieven en -bewegingen dringt zich op.

Het blijft nog wachten op de slaagkansen van de hervormingen in Griekenland en het effect ervan op de rest van Europa, maar tot nu toe is sociale afbraak overal de boodschap. Vaste jobs worden schaarser, studeren duurder, de ongelijkheid neemt toe, solidariteitsmechanismen gaan op de schop, de natuur gaat om zeep en het klimaat slaat op hol.

En er zijn geen sociale zekerheden meer. Leuke tijd om in op te groeien. Jongeren krijgen een negatief sociaal contract aangeboden, en velen concluderen dat de vorige generatie alles heeft opgebrast. Soylent Green, een sciencefictionfilm uit de begin jaren zeventig waarin 65-plussers tot groene koekjes worden verwerkt, komt achter het hoekje gluren.

Destructieve creatie

De creatieve destructie van Schumpeter heeft plaats geruimd voor destructieve creatie. Binnen twintig jaar zullen robots tot 50% van de huidige jobs in België hebben overgenomen. Op zich een leuk vooruitzicht, ware het niet dat alle winst naar de eigenaars van de robotten gaat. Met de automatisering kalft het salariaat zienderogen af. Het vaste arbeidscontract moet wijken voor precaire statuten van freelancers en zzp-ers (zelfstandigen zonder personeel), vandaag al goed voor een derde (tegen 2020 de helft) van de Amerikaanse werkers.

In Nederland, altijd een stapje “voorop”, is dit al een op vier. Velen vinden hun autonomie een pluspunt, maar ze hossen wel zonder sociale bescherming van de ene tijdelijke opdracht naar de andere. Permanent. Ze vallen naast het sociale vangnet van de overheid en kunnen een privéverzekering niet betalen Daarom vonden ze de broodfondsen uit, solidariteitsfondsen van ongeveer 150 man die maandelijks 25 euro in een pot leggen en bij ziekte een uitkering krijgen van 750 euro. Het is de hergeboorte van de negentiende-eeuwse mutualiteiten.

Klusjes en bullshit jobs

Daarnaast groeit het leger dat met de eigen auto taxichauffeur speelt voor Uber, een kamer op overschot verhuurt via Airbnb of (bij)klust voor een habbekrats via Taskrabbit of Mechanical Turk. Denk niet dat het gaat om onkruid wieden of de hond uitlaten: in de VS heb je al platforms voor dokters (Health Tap) en advocaten (Upcounsel).

Voor velen bieden deze platforms nog altijd een leuke bijverdienste, maar steeds meer mensen worden ervan afhankelijk om te overleven. Oorspronkelijk hadden veel platforms een sociale doelstelling: delen tegen kostprijs of zelfs gratis. Maar ze worden zienderogen gekaapt door beleggers die alleen maar uit zijn op financieel gewin. Met hun geld breiden de platforms uit en worden ze professioneler, maar de sociale logica moet wijken voor de winstlogica.

Durfkapitalisten (ze hebben hun naam niet gestolen) hebben een flink deel van de ontluikende deeleconomie gekaapt. De term had oorspronkelijk vooral betrekking op het delen (sharing) van gemeenschappelijke dingen (auto’s, boren, tuinen..) wat zowel het milieu als het sociale weefsel ten goede komt. Gelukkig bestaan er nog altijd heel wat deelplatformen waar de nadruk blijft liggen op dat laatste.

Maar dat geldt al lang niet meer voor de Airbnb’s en Ubers van deze wereld. Airbnb investeert niet in hotels, Uber niet in taxi’s. Het zijn slechts platforms die vraag en aanbod samenbrengen, maar wel met een steeds groter stuk van de koek gaan lopen. Voor jonge mensen die af en toe hun appartement verhuren aan toeristen (en dan tijdelijk bij hun ouders of vrienden logeren), biedt Airbnb een mooi extraatje. Maar als je voor je hele inkomen afhankelijk bent van dergelijke platforms, krijg je al gauw een moderne vorm van feodalisme. “Vazaleconomie” zou misschien een beter woord zijn. Op de keper beschouwd, hebben we hier te maken met een parasitair systeem van de ergste soort.

Basisinkomen

Vandaag verdien je vooral geld met geld (rente), eigendom (aandelen en obligaties) en controle over netwerken via intellectueel eigendom en marketing. Immateriële zaken dus, waarvan de waarde eigenlijk “politiek” bepaald wordt. Volgens Roland Duchatelet is in België maar 7% van de bevolking meer betrokken bij de productie van voedsel en materiële goederen. De rest zijn diensten, vaak verpakt in wat de Amerikaanse antropoloog en anarchist David Graeber “bullshit jobs” noemt: banen waarvan de betrokkenen zelf vinden dat ze eigenlijk overbodig zijn. Winsten vallen steeds minder te rapen in de productie, die grotendeels naar het zuiden is verhuist waar arbeid in overvoed en dus goedkoop is.

Onlangs kwam Rutger Bregman daarover vertellen in Reyers Laat. De Nederlandse golden boy verdedigde er op speelse wijze een andere visie op arbeid die hij koppelde aan een onvoorwaardelijk basisinkomen. Zijn standpunt botste op ongeloof bij een oogbolrollende Liesbeth Homans die zich – mondhoeken richting studiovloer – afvroeg wie dit ging betalen. Rutger Bregman repliceerde gevat dat de minister er negentiende-eeuwse opvattingen op nahield. In onze samenleving bestaan andere herverdelingsmechanismen dan via de overheid.

Er stroomt inderdaad heel wat geld naar boven, naar mensen met “bullshitjobs” die in wezen geen bijdrage leveren tot de reële economie en zelfs welvaart vernietigen. Spreekt er eigenlijk nog iemand over de bankencrisis? Nee, natuurlijk niet. De Islam, ja. En 60-plussers die op hun gat in Benidorm profiteren. Activeren dat zootje!

Rutger Bregman noemt zich liberaal in hart en nieren. Hij gelooft in meritocratie en vindt dat mensen moeten bijdragen voor hun geld. Een basisinkomen is daar niet mee in contradictie omdat dit juist de mogelijkheid biedt om te doen wat je graag doet en waar je het best in bent. Iedereen profiteert daarbij, de maatschappij al zeker. Mensen met minder prettige en zware beroepen zouden juist meer moeten verdienen. Daar kan “de wortel en de stok” nog spelen. Allemaal interessante denkpistes waar ik het in de grond mee eens ben. Alleen hebben we een transitieprogramma nodig dat steunt op een nieuw paradigma, want binnen het oude zie ik het niet gebeuren.

Peer-productie en het gemeengoed

We moeten inderdaad anders gaan aankijken tegen arbeid, maar hoe? Welk werk bedoelen we? Spreken we over loonarbeid, of nuttige bijdragen aan gemeengoed projecten, die tot nu toe meestal onbetaald blijven? Hoe komen we tot een systeem waarin mensen meer beloond worden naar werk (en minder naar bezit), maar met sterke ingebouwde solidariteitsmechanismen die de zwakkeren de nodige bescherming bieden? We bevinden ons immers voor de volgende paradox.

Onze welvaartsstaat steunt op solidariteitsmechanismen die werden uitgevonden, uitgebouwd en uiteindelijk via de staat veralgemeend door de arbeidersbeweging (mutualiteiten, pensioenkassen, werkloosheidskassen). Overal in Europa wordt dit stelsel afgebouwd. Maar dit is maar één zijde van de medaille. De andere blijft tot nu toe onderbelicht.

In de afgelopen twintig jaar zijn we immers ook getuige van een nieuw ontluikend economisch systeem dat een andere logica volgt. Dit systeem wordt aangedreven door het internet dat horizontale communicatie en collaboratie mogelijk maakt tegen zeer lage kostprijs. Daardoor kunnen steeds meer zaken beter en goedkoper geregeld worden via samenwerkingsplatformen dan via traditionele organisaties. Burgers bouwen samen software, kennis en ontwerpen.

Met meer dan 30.000 open-hardwareprojecten, van auto’s over landbouwmachines tot robotten en satellieten zien we dat de logica van delen en produceren via het internet zich ook doorzet in het productieproces. Na de miniaturisering van de computer zijn vandaag de machines aan de beurt. Het delen en kopiëren van digitale muziek, software, film, design, kennis… op het internet vloeit over naar het delen van infrastructuur in fablabs, co-working-, hackers- en makerspaces.

Helaas bestaan er nog geen uitgewerkte studies om al die nieuwe ontwikkelingen in kaart te brengen, maar in Barcelona groeide het aantal co-workingspaces van 3 naar 50 in drie jaar tijd, in Wenen was er drie jaar geleden één hackerspace, vandaag zijn er vijftien, in de VS groeide stadslandbouw door (hoofdzakelijk) collectieve groepen met 48% in twee jaar tijd… De laatste tien jaar groeit het aantal burgerinitiatieven als kool, zoals te zien is in een recente studie van Tine de Moor. Ook de coöperatieve beweging zit in de lift: vandaag werken meer mensen voor coöperatieven dan voor multinationals.

Naar een nieuw model rond de commons

Maar de belangrijkste revolutionaire verandering is volgens mij de opkomst van digitaal gemeengoed: globale, complexe projecten rond open kennis, software en design, die voor iedereen vrij beschikbaar is. Rond dit nieuw gemeengoed groeit een nieuwe economie van freelancers en allerhande bedrijven die deze “commons” als grondstof gebruiken voor het maken van producten en diensten met toegevoegde waarde.

Het gebruik van open software door bedrijven (denk aan IBM en Linux) is vrij bekend, maar nieuw is toch de snelle opkomst van allerhande open-hardwareprojecten. Het idee is eenvoudig: alles dat gemaakt wordt, moet eerst geconcipieerd worden. In klassieke bedrijven wordt die kennis beschermd door patenten. Die zijn bedoeld om innovatie te stimuleren omdat bedrijven hun onderzoekskosten willen recupereren. Maar in de praktijk zijn ze uitgegroeid tot innovatieremmers die patenthouders zolang mogelijk monopoliewinsten bezorgen.

Niet zo bij open hardware: iedereen kan de concepten verbeteren en iedereen kan ze downloaden. Met de nodige machines, eventueel gedeeld in een fablab, kan een doe-het-zelver het product zelf maken. Soms kan je een pakket onderdelen (vaak vervaardigd met 3D-printers) kopen en ze als een meubel van Ikea zelf ineen steken, of je kan het afgewerkte product kopen bij een open hardwarebedrijf. Deze laatste wint dan wel niks op het intellectueel eigendom, aangezien het ontwerp vrij beschikbaar is, maar wordt wel vergoed voor zijn arbeid. Loon naar werk dus.

Open-hardwarebedrijven zijn vaak starters die een klassieke bedrijfsvorm aannemen en voor hun financiering een beroep doen op crowdfunding en durfkapitalisten. Maar niets belet jonge ondernemers om een coöperatieve op te richten, een bedrijfsvorm die veel beter aansluit bij de praktijk van vrije bijdragen aan een gemeengoed en de deelcultuur in de virtuele wereld.

Als die productiecoöperatieven zich dan nog eens met elkaar zouden verbinden in een wereldwijd netwerk rond het open-designgemeengoed, dan krijg je een soort van gedistribueerde multinational die in staat is het klassieke model te verslaan omdat ze efficiënter en goedkoper kan werken. Als je ten slotte ook de boekhouding en aanvoerketen van die coöperatieven open en transparant maakt en alle stakeholders betrekt, dan kom je tot een nieuw economisch model dat zowel de markt als de klassieke planeconomie in de schaduw stelt.

In dit verhaal moet de overheid het geweer van schouder veranderen en evolueren van betuttelende marktstaat naar faciliterende partnerstaat: een overheid die burgerinitiatieven mogelijk maakt en stimuleert. Ook die evolutie is bezig, zij het vooral op plaatselijk vlak. Zo heeft Bologna onlangs een “reglement voor de commons” ingevoerd, die al door 25 andere gemeenten is overgenomen (Michel Bauwens en Dirk Holemans in Knack van 22/2/2015).

Burgers doen voorstellen aan de gemeente, bijvoorbeeld om hun wijk te verfraaien. Na overleg kan de gemeente middelen vrijmaken waarmee die burgers hun plannen zelf kunnen waarmaken. Dat vergt ook een ommekeer in het politieke denken, want de meeste politici willen zich vooral profileren rond wat zij doen voor de burger.

Utopisch? Misschien. Maar op microniveau wordt er al volop geëxperimenteerd en in theorie kunnen we ons vandaag voorstellen hoe dit model op macroniveau zou kunnen werken. Daarom kan het P2P-verhaal vandaag dezelfde rol spelen als het socialistisch verhaal in de negentiende eeuw. Ook toen waren er honderden en duizenden basisinitiatieven.

De arbeiders vochten niet alleen op hun werkplaats voor betere werkomstandigheden, maar creëerden ook machtige organisaties waarmee ze hun politieke stempel drukten op de twintigste eeuw. Maar hun macht kalft af. De productie is voor een groot deel verhuisd naar ontwikkelingslanden en hier proberen bedrijven de syndicale macht verder te breken, gisteren door outsourcing, vandaag door crowdsourcing.

Nieuw links

De erosie van de macht van de arbeidersbeweging weerspiegelt zich in een crisis van de sociaaldemocratie, die probeert afstand te nemen van de syndicale achterban om te kunnen verruimen (met bijzonder weinig succes), maar ook weinig aansluiting vindt bij de nieuwe bewegingen en de vele initiatieven die opborrelen vanuit de civiele maatschappij.

De nieuwe progressieve formaties in Griekenland en Spanje knopen daar wel bij aan. Het is zeer significant dat Gianni Dragasakis, de nieuwe vicepremier van de Syriza-regering in Griekenland, in zijn parlementstoespraak expliciet verwees naar het ontwikkelen van bottom-up, op gemeengoed gebaseerde peerproductiemodellen om tegemoet te komen aan de noden van de Griekse bevolking.

Dr. Vasilis Kostakis, medewerker van de P2P Foundation en samen met Michel Bauwens auteur van het boek Network Society and Future Scenarios for a Collaborative Economy, schrijft: “Het lijkt erop dat Syriza een politiek nastreeft die in de lijn ligt van het idee van de “partnerstaat” en dat op het vlak van onderwijs, overheidsbeleid en R&D. Om er een paar te vernoemen:

– Het vrijgeven van openbare data
– Het vrijgeven van alles kennis die gefinancierd wordt met belastingsgeld
– Het creëren van een omgeving die samenwerking stimuleert tussen kleine ondernemers en coöperatieven, waarbij initiatieven die steunen op open-source-technologieën en -praktijken worden aangemoedigd
– Het ontwikkelen van bepaalde participatieve processen (en het versterken van de bestaande) om burgers te betrekken bij het beleid
– Het aannemen van open standaarden en patronen voor openbare diensten en onderwijs.

Het is bij mijn weten voor de eerste keer dat een Europese regering expliciet een politiek verdedigt die aansluit bij de nieuwe economische logica in wording. Onafhankelijk van de manier waarop in België deze nieuwe politiek gestalte zal krijgen, ben ik hoopvol dat er een progressieve meerderheid kan gevonden worden rond de kernideeën van de nieuwe p2p-logica: de creatie van een nieuwe economie van ethische bedrijven rond collectief gecreëerd gemeengoed, of in de woorden van Jeremy Rifkin, commons-based peer production. Daarbij kan elke politieke partij haar eigen klemtonen leggen: duurzaamheid, sociaal ondernemerschap, solidariteit.

Maar niet alleen de rechtse partijen, ook de vakbonden en de sociaaldemocratie zijn in mijn ogen nog te veel gericht op het verdedigen van het oude systeem dat steunt op arbeid en kapitaal. Veel verder dan een vermogenswinstbelasting komt men niet.

Ik denk echter dat de ommekeer zich niet kan realiseren via een loutere herverdeling binnen het oude systeem, als dit niet gekoppeld wordt aan een heroriëntatie naar het nieuwe systeem. Dit is nu eenmaal nodig om de traditionele links-rechtsverhouding te overstijgen en een zo groot mogelijke politieke meerderheid te verwerven om een begeleide, vreedzame transitie mogelijk te maken.

Jean Lievens

10384532_1545353119069553_4055484845279685930_n

Fietswieders: een open landbouwmachine om organische landbouw leuker te maken

De Fietswieders is een lowtech landbouwmachine die gebaseerd is op open source en het leven van (organische) landbouwers leuker wil maken.

De community rond de Fietswieders is te vinden op Facebook.

Bekijk ook de video

Als bijkomende info vinden we op Facebook nog de volgende “lange” verklaring:

“Wat gebeurt er als twee jonge boeren en een smid de handen in elkaar slaan? Samen ontwikkelen ze een geweldige machine: de fietswieder. Landbouw zal nooit meer hetzelfde zijn. We delen onze zoektocht en trakteren op vage foto’s, onduidelijke schetsen, hard-core engineering en groote ideëen.”

2015-02-19-Figuur-Studie-Maatschappelijke-Impact-Deelinitiatieven_resultaten-1024x576

Deelinitiatieven creëren 4 miljoen euro maatschappelijke impact

overgenomen persbericht van True Price (17 februari 2015)

Achmea en True Price maken impact deeleconomie zichtbaar (for the English version, click here)

De online deelplatforms Peerby, Thuisafgehaald, SnappCar en Croqqer hebben in Nederland samen al meer dan honderdduizend huur-, leen- of deelovereenkomsten tot stand gebracht. Om te meten welke maatschappelijke impact de deelplatforms écht creëren voor klanten en de maatschappij, heeft Achmea samen met True Price en de platforms gekeken naar hun maatschappelijke impact. De studie laat zien dat de vier onderzochte deelinitiatieven samen in 2014 een maatschappelijke impact van 4 miljoen euro creëerden, die hoofdzakelijk bestaat uit meer en betere sociale relaties. Ook laat het onderzoek zien dat iedere transactie ten minste 15 euro oplevert aan sociale waarde.

Online deelplatforms spelen in op de vraag naar het delen van producten of diensten, zoals een auto of gereedschap. Vaak vindt een deelovereenkomst plaats tussen mensen die dichtbij elkaar wonen en leren mensen elkaar kennen. Dat kan zijn tijdens een ontmoeting bij de parkeerplaats voor de overhandiging van de autosleutels, of bij een regelmatige ontmoeting in een keuken voor de overhandiging van eten. Uit het onderzoek blijkt dat het onderlinge contact dat door het delen tot stand komt, bijdraagt aan het vertrouwen tussen mensen én het welzijn en de gezondheid van mensen. Daarnaast kan het delen effect hebben op de ervaren autonomie van mensen. Mensen die geïsoleerd zijn, kunnen op een betekenisvolle wijze met anderen in contact komen. In welke mate het bijdraagt is afhankelijk van de frequentie, en kwaliteit van het contact.

Dit onderzoek maakt duidelijk dat de deeleconomie naast financiële waarde ook belangrijke maatschappelijke waarde oplevert. Ook maakt het zichtbaar dat de deeleconomie in potentie een grote bijdrage kan leveren aan de maatschappij, wanneer de schaal van deze initiatieven verder toeneemt in de toekomst.

Het onderzoek is gebaseerd op de nieuwste principes van True Price om impact te meten, die zijn opgeschreven in het document ‘Principles on Methods for impact Measurement and Valuation’. Als waarderingsmethode is de Life Satisfaction Approach toegepast.

15 euro impact per transactie

De resultaten van de meting laten zien dat de vier deelplatforms een geschatte sociale waarde van 4 miljoen euro hebben gecreëerd over 2014. Ook laat het zien dat iedere transactie gemiddeld ten minste 15 euro heeft gecreëerd aan sociale waarde. De deelinitiatieven scheppen voornamelijk sociale waarde door het tot stand brengen van hogere kwaliteit en kwantiteit van sociaal contact. Bovendien blijkt dat de deelinitiatieven over het algemeen meer maatschappelijke waarde creëren voor de aanbieder dan voor de vrager.

Voor media vragen neem contact op met True Price – Michel Scholte via michel@trueprice.org of Achmea – Bert Rensen via bert.rensen@achmea.com

Voor meer informatie kunt u ook kijken naar deze Q&A.

P1040176

Autonomie, autoriteit en democratie: vrijheid kan niet zonder afgrenzing

Voor het eerst gepubliceerd op De Wereld Morgen, op 2 februari 2015

Door Paul Verhaeghe

In de aanloop naar het OIKOS-feest van 31 januari 2015 publiceerde DeWereldMorgen een open brief van coördinator Dirk Holemans over het begrip “autonomie”, en drie reacties daarop. Tijdens de bijeenkomst werd over datzelfde onderwerp het woord genomen door klinisch psycholoog Paul Verhaeghe. Hier volgt zijn betoog integraal.

‘Autonomie’ is een woord dat zich leent tot sloganesk misbruik, vandaar dat ik het nodig vind eerst duidelijk te maken wat ik ermee bedoel. Autonomie komt voor mij neer op het samen maken van regels en wetten, die zelf naleven en die ook doen naleven. Dat aspect van ‘samen’ moet erbij, anders hebben we het niet over autonomie maar over autisme. Dat aspect van ‘doen naleven’ moet erbij, want anders zal er van die autonomie niet veel overblijven.

‘Doen naleven’ impliceert dat autonomie gekoppeld ligt aan ‘autoriteit’, meteen een tweede beladen begrip. Ik kom daar straks op terug. Autonomie op je eentje bestaat niet, maar de vraag wordt dan tot hoeveel mensen je die autonomie uitbreidt? En welke selectie je daarbij maakt? Als we autonomie beogen voor zoveel mogelijk mensen, dan komen we bij een derde beladen begrip, met name ‘democratie’. Willen we die autonomie voor een beperkte groep, dan kiezen we voor een ander politiek bestel.

Na nauwelijks twee paragrafen hebben we reeds drie beladen begrippen: autonomie, autoriteit, democratie. Dat laatste definieer ik klassiek als volgt: burgers die zichzelf besturen, meestal via een groep die als vertegenwoordiger optreedt voor een altijd heterogene gemeenschap. Die omschrijving maakt het verband met autonomie duidelijk. We kunnen zelfs zeggen dat autonomie ingebakken ligt in het doel van democratie als dusdanig, en dat autonomie daardoor meteen ook botst op net dezelfde moeilijkheid zoals democratie. Haar doel is zoveel mogelijk vrijheid én gelijkheid voor zoveel mogelijk mensen, maar de combinatie tussen die twee installeert in het hart van de democratie een voortdurend spanningsveld.

Als iedereen vrij is, dan gebeurt dat ten koste van de gelijkheid. Als iedereen gelijk is, dan gebeurt dat ten koste van de vrijheid. Een dergelijk spanningsveld vraagt om een regeling, vandaar mijn omschrijving van autonomie: samen met anderen regels en wetten maken, die zelf naleven en die ook doen naleven. Dit illustreert een klassieke wijsheid: vrijheid kan niet zonder een afgrenzing.

Aanhalingstekens

Autonomie, democratie, autoriteit. Als ik nu kijk naar mijn en waarschijnlijk ook uw ervaring op die vlakken, dan is de beste beschrijving van onze tijd nog steeds die van Zygmunt Bauman: “Nooit zijn we zo vrij geweest. Nooit hebben we ons zo machteloos gevoeld.” Het woord ‘machteloos’ betekent hier vooral: aangetast in onze autonomie, aangetast in de mogelijkheid om zelf samen met anderen onze eigen regels te maken. Het is geen toeval dat dit thema boven aan de agenda van deze jubileumviering staat. Als een onderwerp op een agenda komt, dan mag je ervan uitgaan dat er op dat vlak iets verkeerd loopt. Autonomie is vandaag een probleem, en gezien de nauwe verwantschap met de twee andere begrippen, betekent dit dat ook autoriteit en democratie vandaag problematisch zijn.

Vooraleer ik daarop inga, blijf ik kort staan bij de paradox die Bauman aanreikt: vrij en toch machteloos. Onze tijd is er een van verplichte ‘vrijheid’, tussen aanhalingstekens, van verplichte ‘autonomie’, tussen aanhalingstekens, want het woord heeft hier duidelijk een andere betekenis dan de mijne. Een dergelijke verplichte autonomie past perfect binnen de mythe van de maakbare mens, waarbij maakbaarheid voor professioneel en financieel succes staat, en dit binnen een economisch systeem dat roofbouw pleegt op de natuur.

Wie het niet maakt, wie niet autonoom en zelfstandig is, die ‘heeft zijn verantwoordelijkheid niet genomen’. Hij is niet alleen zwak, maar zelfs immoreel. Autonomie krijgt daarbij een heel enge invulling. Tezelfdertijd wordt onze vrijheid steeds meer ingeperkt, en kennen de controlemechanismen en de bijbehorende disciplinering steeds meer uitbreiding. Die disciplinering geldt vooral voor één groep, met name de werkzoekenden. Het heersende discours laat uitschijnen dat ze het niet gemaakt hebben omdat ze niet genoeg inspanningen doen, en de zogenaamde ‘toeleiding’ naar werk bestaat voornamelijk uit schuldinductie en repressie. De bittere waarheid – dat deze vorm van economie en de bijbehorende politieke medeplichtigheid steeds meer mensen overbodig maakt – wordt zorgvuldig verzwegen.

Voor de oorzaken van die toenemende disciplinering vindt iedereen wel een verklaring. Het is de schuld van de economie, het is de schuld van de politici, het is de schuld van de onverschillige burgers, het is de schuld van ‘het systeem’. Tot op zekere hoogte is die uitleg juist, maar wel te algemeen en tezelfdertijd niet algemeen genoeg. Ik mis een structurele verklaring. Zolang die ontbreekt, zullen zogenaamde oplossingen niets anders doen dan het probleem versterken – en dat is volop bezig.

Onderwerping

Ik herneem wat ik hoger reeds schreef: autonomie is slechts mogelijk via afgrenzing en dus via autoriteit. Dit geldt bij uitbreiding ook als het over autonomie voor velen gaat, met name over democratie.

De stelling die ik vandaag naar voor wil schuiven, is de volgende: waar autoriteit verdwijnt, komt er macht in de plaats en zal autonomie pijlsnel dalen. En bijgevolg ook de democratie. Dit is wat wij in onze tijd meemaken.

Mijn stelling verplicht mij het derde begrip, autoriteit, structureel te definiëren. Geïnspireerd door Hannah Arendt plaats ik autoriteit tegenover macht. Macht functioneert als een tweeledige structuur. Iemand heeft macht over mij omdat hij bijvoorbeeld fysiek sterker is. Autoriteit veronderstelt een drieledige structuur. Iemand heeft autoriteit over mij op grond van een externe bron die wij alle twee erkennen. Die gemeenschappelijke erkenning is erg belangrijk, want het impliceert een vrijwillige onderwerping. Macht daarentegen berust op een gedwongen onderwerping.

De verhouding tussen macht en autoriteit kunnen we dan als volgt begrijpen. In autoriteit zit er steevast een aspect van macht; in dat geval spreken we over gewettigde macht. Daartegenover staat dat macht op zich kan functioneren, zonder autoriteit. In dat geval is macht niets anders dan uitgesteld geweld.

Disciplinering

Als autoriteit wegvalt, dan blijft er enkel macht over en dus gedwongen onderwerping. Dit is vandaag het geval, binnen opvoeding, onderwijs, zorg, economie en politiek. Iedereen roept om meer autoriteit, en als resultaat daarvan zien we steeds meer macht en bijgevolg steeds minder autonomie. Ter illustratie: drie uur na de aanslag in Parijs waren er 88.000 zwaar bewapende politieagenten op de been en nauwelijks een week later verschijnen er ook bij ons para’s in het straatbeeld. Dit illustreert wat ik daarstraks aangaf: als we geen structurele verklaring hebben voor die toenemende disciplinering, dan zal elke oplossing het probleem alleen maar vergroten.

Voor alle duidelijkheid: ik vind de vraag naar een herstel van autoriteit terecht, maar de oplossing ligt voor mij in het bevragen van de structuur. Autoriteit functioneert op grond van een externe bron die we samen erkennen. Als die bron wegvalt, zo leert Hannah Arendt, dan verdwijnt de autoriteit. Wat was die vroegere bron, die nu blijkbaar verdwenen is? Het antwoord is niet zo moeilijk. De traditionele bron voor autoriteit was het patriarchaat, met de piramidale pikorde (in het gezin, op school, op de werkvloer, in de politiek) en de bijbehorende medeplichtigheid vermomd als loyauteit en trouw. In het Westen is dit voorbij, wij hebben ons bevrijd van het geloof in de Vader, heilige vader, vader des vaderlands of gewoon huisvader. Op zich is dat zonder twijfel een goede zaak, maar in dezelfde beweging zijn alle vertegenwoordigers van die traditionele autoriteit – van buschauffeurs over leerkrachten en politieagenten tot rechters – hun gezag ook kwijt. Ze moeten terugvallen op pure macht, en dat werkt meestal niet. En als het wel werkt, is het zo mogelijk nog erger.

De conclusie is duidelijk. Als wij autoriteit willen herstellen, dan moeten we een nieuwe grond installeren die we gemeenschappelijk erkennen. Structureel beschouwd is dat de enige oplossing. Patriarchale autoriteit functioneerde steevast piramidaal en verticaal, met een goddelijke vader bovenaan. In mijn oplossing moet de nieuwe autoriteit radicaal omgekeerd functioneren: bottom-up en horizontaal, met als nieuwe grond het collectief.

Onder ‘het collectief’ begrijp ik een groep die in onderling overleg en volgens intern afgesproken regels beslissingen kan nemen. Dat gaat van kleinschalige groepen tot zeer grote, met toepassingen lopende van opvoeding en onderwijs over burgerinitiatieven tot economie en politiek. Dit is vandaag overal bezig, is ontzettend belangrijk en verdient veel meer aandacht. Hier en nu, op deze jubileumviering, kan ik verwijzen naar Michel Bauwens, met de peer-to-peer-groepen, naar Harold Welzer met de vele voorbeelden in Zelf denken, naar Olivier de Schutter met de agro-ecologie. In een ruimer perspectief denk ik aan burgerinitiatieven zoals de St(r)aten-Generaal, aan de nieuwe autoriteit van Omer voor opvoeding en onderwijs, aan het Semco-model in de industrie. Dankzij de digitale evolutie hebben we daar nu ook de technieken voor, denk aan liquid voting, denk aan deliberative poll (James Fishkin) ruimer, aan deliberatieve democratie.

Zelfregulering

Al die voorbeelden tonen dat autoriteit gebaseerd op een collectief maatschappelijk project goed werkt en bovendien economisch rendabel is. Heren politici: er is wel degelijk een alternatief. Structureel beschouwd is dat makkelijk te begrijpen, want deze nieuwe vorm van autoriteit krijgt automatisch erkenning omdat de grond ervan een gedeelde grond is. Het effect op democratie is daardoor ook onmiddellijk duidelijk, samen met dat op autonomie.

Daarmee keer ik terug naar autonomie, het thema van de dag. In mijn invulling van autonomie ligt er een noodzaak aan regels en dus aan autoriteit. Veel mensen zijn geneigd dat over het hoofd te zien. Daardoor ontstaat er een wel bijzonder ironisch gevolg: dat de nieuwe autoriteit gebaseerd op een collectiviteit een variante wordt op de neoliberale illusie inzake spontane zelfregulering (‘de onzichtbare hand’). De illusie dat een groep mensen vanzelf een bestuur zal ontwikkelen in het belang van de gemeenschap.

Zowel ervaring als onderzoek wijzen uit dat een dergelijk collectief slechts kan functioneren binnen duidelijk afgebakende krijtlijnen – denk aan de regels ontdekt door Nobelprijswinnares economie Elinor Ostrom, die ervoor zorgen dat ‘Commons’ duurzaam zijn. Als dergelijke krijtlijnen ontbreken, dan is de mislukking een kwestie van tijd en spreidt dit ontbreken het bedje voor een totalitaire macht.

We moeten beseffen dat we ons op een tijdsgewricht bevinden. Een poging om terug te keren naar de klassieke patriarchale autoriteit zal mislukken – de grond daarvoor is verdwenen. De traditionele piramides zijn ondertussen machtsbastions geworden en zullen dit niet zomaar uit handen geven. Niet alleen autonomie maar ook en vooral democratie ligt vandaag onder vuur.

De geschiedenis leert dat cruciale transities inzake autoriteit altijd conflict beladen zijn en vaak met geweld verlopen. Onze concentratie op een externe dreiging van moslimterrorisme maakt ons blind voor de veel grotere dreiging die van binnenuit komt. Het wordt tijd dat we wakker worden.

Paul Verhaeghe

Jan Rotmans 2015 in Oss

Op maandag 19 januari 2015 om 20.15 uur geeft hoogleraar transitiekunde Jan Rotmans op verzoek van de bibliotheek en gemeente Oss een lezing in theater De Lievekamp over ‘Oefenen in een andere tijd’.

Volgens Jan Rotmans leven we in een verandering van tijdperk. Een zeldzame periode waarin de samenleving en economie onomkeerbaar veranderen. Zo’n kantelperiode wordt gekenmerkt door chaos en onzekerheid. Er ontstaan spanningen en conflicten tussen degenen die mee willen veranderen en diegenen die het oude in stand willen houden. Een belangrijk kenmerk van onze tijd is dat de meeste veranderingen van onderaf komen en veel zaken weer lokaal zullen worden aangepakt.

transitie

Rol van de overheid: samenwerken voor een innovatief materialenbeleid

GASTBLOG door Ann Crabbé en Inge Vermeesch – Steunpunt Duurzaam Materialenbeheer (SuMMa)
Verschenen op 10 december 2014 op Plan C

De overheid zet de laatste jaren vaker in op ‘transitiegovernance': via samenwerking met tal van actoren innovatief beleid ontwikkelen. Dat vergt een andere rol van de overheid: we hebben meer nodig dan een klassieke sturende en controlerende overheid. Het Steunpunt Duurzaam Materialenbeheer (SuMMa) onderzoekt de rol van het beleid en doet aanbevelingen.

Sinds de eeuwwisseling zet de overheid vaker in op ‘transitiegovernance’. Deze aanpak is onder meer gericht op netwerken, uitwisselen van informatie en samenwerken met andere actoren zoals individuele burgers, commerciële bedrijven, sectororganisaties en kennisinstellingen, alsook informele groepen en non-profit organisaties.

Om op een collaboratieve manier beleid te ontwikkelen, is het belangrijk dat de diverse actoren samenwerken in gemengde netwerken. Het belangrijkste principe daarbij is dat zij – via een intensieve interactie, onderhandelingen, conflictbeheersing en reflectief leren – voortbouwen op nieuwe inzichten: over individuele en gedeelde doelen, over verschillende en gelijke perspectieven, en over gedeelde en conflicterende waarden.

Moeilijk te combineren logica’s

Uit ons onderzoek in het steunpunt SuMMa blijkt dat de transitiegovernance een aantal moeilijk te ontwijken valkuilen kent. Karakteristieken van transitiegovernance, die niet gemakkelijk te combineren zijn met de logica van zakelijk bestuur, zijn bijvoorbeeld: maatwerk vertrekkend vanuit bottom-up initiatieven, begeleiden in plaats van controleren, en wicked problems transversaal – over de grenzen van beleidsdomeinen heen – aanpakken.

In het kader van ‘accountability’ is de behoefte groot om resultaten te monitoren. Daardoor lijkt het belangrijker om de transitie top-down te kunnen sturen dan om ‘op maat’ in te spelen op de noden van de acties en de actoren.

In duurzaam materialenbeheer is de uitdaging om – naast duurzamer afvalmanagement – zowel veranderingen te realiseren in duurzame productie als duurzame consumptie. Toch zien we een overheid die vooral het regime wil veranderen en dus op de productiekant focust. Daardoor kan deze transitie moeilijk groeien vanuit niches en bottom-up initiatieven.

Daarnaast merken we dat de overheid toch vooral een hiërarchisch sturende rol opneemt, terwijl in transitiegovernance veeleer een hands-off aanpak wordt geadviseerd. Ondanks het dominante transitiegovernance discours blijft het in de praktijk moeilijk voor een overheid om los te laten. Daardoor dreigt ‘governance’ een modern synoniem voor ‘stakeholdermanagement’ te worden.

Tenslotte valt ons op dat transversaal werken zeker de doelstelling is van de overheid: zij heeft duidelijk de intentie om de verkokering tussen beleidsdomeinen actief te doorbreken via een proces van zoeken en aftasten, en door het actief opzoeken van de samenwerking. Maar ondanks deze inspanningen blijft het silodenken binnen de verschillende beleidsdomeinen groot.

Meerdere rollen opnemen en rollen meer delen

We zien de overheid twijfelen over de vraag of transitiegovernance de juiste, effectieve benadering is om de transitie naar een duurzaam materialenbeheer te realiseren, wat ertoe leidt dat ze soms teruggrijpt naar de voor haar klassieke rol van een sturende, hiërarchische overheid.

De suggestie die wij de overheid daarom meegeven, is om haar inspanningen om actoren bijeen te brengen rond de complexe problematiek van duurzaam materialenbeheer vol te houden. Daarin wordt ze idealiter politiek en maatschappelijk ondersteund. Het is belangrijk dat politici de administraties de ruimte geven om, desnoods legislatuuroverschrijdend, te experimenteren en te leren in de transitie naar duurzaam materialenbeheer.

De andere aanbeveling luidt om ‘contextgevoelig’ te werken via het besef dat er, naast de rol van netwerkregisseur, nog andere mogelijke rollen zijn voor een overheid (initiator, facilitator, catalysator, enabler…). Welke rol geschikt is, ligt niet vooraf vast, maar is afhankelijk van de situatie, de rollen die opgenomen worden door anderen, de fase van het project enz. De overheid neemt idealiter meerdere rollen op en wisselt deze naargelang de omstandigheden. Daarbij moet zij niet te terughoudend zijn om ook andere actoren de taak van facilitator, catalysator… te gunnen of toe te wijzen.

Leren-lopen

Dossier “Burgers nemen het over”

Op www.socialevraagstukken.nl publiceren en debatteren onderzoekers en deskundigen op basis van data en empirie over maatschappelijke kwesties.

De site is een initiatief van Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, de Universiteit van Tilburg (Tranzo), de Instituties van de Open Samenleving (IOS) van de Universiteit Utrecht, het Kenniscentrum Sociale Innovatie van de Hogeschool Utrecht, de Rijksuniversiteit Groningen (Sustainable Society) en MOVISIE. www.socialevraagstukken.nl werkt samen met trouw.nl waarop hier wekelijks artikelen van deze site te lezen zijn.

Op de site werd van start gegaan met ene interessant dossier onder de titel “Burgers nemen het over”. Daarom worden antwoorden geformuleerd op onder andere de volgende vragen: Wat doen mensen die op eigen houtje aan het organiseren slaan? Waaróm doen ze dat, en in welke situaties? Hoe democratisch zijn de door bewoners beheerde zwembaden en buurthuizen? Is er sprake van uitsluiting en meer ongelijkheid? Krijgen ze last of steun van de overheid?

www.socialevraagstukken.nl verkent samen met het ministerie van Binnenlandse Zaken in een een serie artikelen de mooie en donkere kanten van burgers die het heft in eigen handen nemen.

Een deel van dit dossier beslaat de felle polemiek tussen Jan Rotmans en Evelien Tonkens/Jan Willem Duyvendak. Die begon met de stelling van Rotmans dat Nederland kantelt ondanks of danzij de scepsis. Hij verwijt Tonkens en Duyvendak daarin dat ze burgerinitiatieven met dedain beschrijven en de participatiesameleving vooral bezien vanuit de overheid. De twee sociologen reageren daarop met een pleidooi voor een meer empirische kijk op burgerintiatieven en dat dan blijkt dat er geen sprake is van een beweging van onderop.

Hoogleraar transitiekunde Rotmans nodigt Tonkens en Duyvendak vervolgens uit om uit de ivoren toren te komen, en te zien dat de ‘nieuwe wereld’ geen wensdroom is maar een empirische werkelijkheid. De sociologiehoogleraren tonen zich niet onder de indruk en houden wetenschapper Rotmans voor dat hij zich niet moet wagen aan voorspellingen en bij de empirie moet blijven.

In zijn derde bijdrage aan deze polemiek stelt Rotmans dat Tonkens en Duyvendak niet begrijpen dat transitieonderzoek geen kweste is van voorspellen, maar theoretische concepten gebruikt om projecties van een toekomstige samenleving te maken.

Hier volgen links naar de verschillende artikelen van het dossier:

De echte transitie vindt plaats binnen de overheid
De auteurs aan het debat Burgers nemen het over hebben gelijk dat we vooral naar de overheid moeten kijken. Maar zij schrijven daar wel wat te lichtvaardig over, betoogt Jan Schrijver. Want de overheid is ook aan het veranderen. Dat betekent: afscheid nemen van een aantal vanzelfsprekendheden.

Empirisch onderzoek is onvoldoende om transities te begrijpen
Ook in hun tweede reactie blijken Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvendak niet te begrijpen dat transitieonderzoek geen kweste is van voorspellen, maar theoretische concepten gebruikt om projecties van een toekomstige samenleving te maken. Kijk hier voor een overzicht van deze polemiek.

Overheid moet ruimte maken voor burgerinitiatieven, ook bij zichzelf
Een gesprek over burgerinitiatieven gaat onvermijdelijk ook over de overheid. Of zij ongelijkheid tussen burgers moet accepteren of zelfs stimuleren. En hoeveel ruimte zij ondernemende ambtenaren moet bieden om samen met maatschappelijke koplopers aan de weg te timmeren.

Wetenschapper Rotmans moet zich niet wagen aan voorspellingen
Dat burgers zich massaal zelf organiseren in diverse initiatieven, is voor Jan Rotmans de voorbode van een nieuwe werkelijkheid. Volgens Jan Willem Duyvendak en Evelien Tonkens kan de wetenschap echter niet voorspellen, en moet die zich baseren op empirisch onderzoek.

Tijd voor actie! Vijf ijkpunten voor overheidsparticipatie

Imrat Verhoeven volgde de catfight tussen Jan Rotmans en Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvendak met stijgende verbazing. Een heftig debat over burgerinitiatieven en sociaal ondernemerschap. In de hitte van de strijd vergaten de opponenten de overheidsrol.

Kom uit de ivoren toren, welkom in de nieuwe wereld
Hoogleraar Transitiekunde Jan Rotmans weerspreekt de kritiek van de sociologen Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvendak: de kantelende samenleving is geen wensdroom maar een empirische werkelijkheid. Rotmans nodigt hen tot een uitstapje.

Buurtbewoners kunnen veel zelf, maar gemeenten moeten wel de voorwaarden creëren
Na de clash dit weekend tussen Tonkens-Duyvendak en Rotmans vandaag meer wetenschap over burgerinitiatieven: buurtbewoners maken zelf wel uit of zij zich organiseren om de buurttuin te onderhouden. Maar gemeenten doen er wel verstandig aan zelforganisatie te bevorderen.

Graag meer empirische en minder eufore kijk op burgerinitiatieven
Hoogleraar Transitiekunde Jan Rotmans verwijt Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvendak geen oog hebben voor de revolutionaire kanteling van de samenleving. Ze zouden zelfs dedain tonen voor de burgerinitiatieven die alom ontstaan. Een repliek.

Burgers hebben hulp nodig bij het zelf doen
Burgers moeten heel veel zelf gaan doen en velen kunnen dat ook. Toch zijn er groepen die behoefte hebben aan intelligente vormen van niet-paternalistische ondersteuning. Dat gaat niet zonder een professionele helper. Het is tijd om de methodische traditie serieus te nemen.

Do it together: de koorts van optimistische naïviteit
Het lijkt wel of er twee soorten ‘actieve burgers’ zijn. De sociaal ondernemers van Jan Rotmans die innovatief en spannend maatschappelijke veranderingen initiëren. En de rest van Nederland: de kwetsbaren die volgens Jaap Olthof lijden onder de optimistische naïviteit in het sociale domein.

Nederland kantelt ondanks of dankzij de scepsis
Burgers nemen steeds vaker zelf het heft in handen. Samen vormen ze een beweging die de samenleving ingrijpend zal veranderen. Velen lezen de tekenen des tijd niet goed en doorzien de consequenties nog niet, aldus de Rotterdamse hoogleraar Transitiekunde Jan Rotmans.

De actieve bewoner is een professional, nou en?
Bewoners die hun eigen wijk ontwikkelen, kan dat? De eerste bewoners van Buiksloterham aan de Amsterdamse IJ-oever tonen zich uiterst initiatiefrijk. Alom lof, want bottom-up is in de mode. De kritiek: het zijn eigenlijk professionals. Trekker Frank Alsema: ‘Zijn we dan geen burger en bewoner meer?’

Zelforganisatie komt van onderop en is niet af te dwingen
De laatste jaren staat de zelforganisatie van mensen hoog op de politieke agenda. In de ‘participatiesamenleving’ behoren burgers voortaan zelfredzaam te zijn en zorg te dragen voor elkaar. Dat vraagt om een omslag in denken en handelen van burgers én professionals.

Beroepskracht cruciaal in vrijwilligerszwembad
Muziekschool, sporthal, bibliotheek, zwembad – allerlei voorzieningen staan onder druk doordat gemeenten minder geld hebben. Burgers moeten het zelf doen, is de politieke boodschap. Dat blijkt mogelijk, zoals in Lichtenvoorde, waar vrijwilligers de exploitatie van het zwembad overnamen.

De Buurtboerderij als sociaal laboratorium
In discussies over burgerkracht hoor je vaak dat burgerinitiatieven moeten bijdragen aan ‘sociale samenhang’ en ‘inclusie van kwetsbare groepen’. De roerige geschiedenis van Buurtboerderij Ons Genoegen in het Amsterdamse Westerpark laat zien dat zelforganisatie doorgaans gepaard gaat met voortdurende in- en uitsluiting.

‘Veel zogenaamde zelforganisatie bestaat dankzij een dikke subsidievinger’
De Lucas Community is een van die zelforganiserende initiatieven waar momenteel zoveel aandacht voor is. Voor ‘aanjager’ Mostafa el Filali is zijn gemeenschap van ‘bewondernemers’ uniek; veel andere zogenoemde zelforganisaties bestaan toch vooral dankzij een dikke subsidievinger. ‘Het is: zoveel mogelijk zelf doen en alle spullen bij elkaar sprokkelen.’

Cruciaal: persoonlijke belangen bij het burgerinitiatief
Burgerinitiatieven proberen een antwoord te formuleren op een ervaren gebrek of ongemak. Burgers zélf zetten er gezamenlijk de schouders onder, in samenwerking met de lokale overheid. Maar op de achtergrond spelen soms persoonlijke belangen.

Open source: kledingwinkel voor zwervers

Overgenomen van Bright nl, aldaar gepubliceerd op 6/2/2015 door Bram Van Dijk

Wat een setje posters kan doen. The Street Store maakt kleding geven en nemen een stukje fijner (en hipper).

Wie goed doet, goed ontmoet. Maar dat goed ontmoeten, maakt het vaak ongemakkelijk. Je stapt niet snel naar een dakloze om te vragen of hij je trui wil hebben. Misschien wil hij wel helemaal geen trui of is het niet eens een dakloze.

The Street Store maakte het vorig jaar in Zuid-Afrika makkelijker om te delen en te ontvangen. The Street Store hangt een setje posters met tie-wraps aan een hek, de buurtgenoten hangen hun overgebleven kleding erin en de daklozen kunnen shoppen zonder geld, alsof ze over een kledingmarkt lopen.

Open Source

“Dakloosheid is niet alleen een Zuid-Afrikaans probleem”, stellen de oprichters. Daarom is het project een soort van ‘open source’. Iedereen kan zich aanmelden om ook een Street Store in hun eigen stad op te zetten.

Er zijn al Street Stores geweest in Brussel, Vancouver, Sao Paulo, Bogota, Manchester en ga zo maar even door. Nog geen Hollander heeft het aangedurfd, wie biedt?

pieter.van.de.glind_1388684537_72

Amsterdam: Sharing City!

overgenomen van blog op http://www.amsterdameconomicboard.com

Auteurs: Pieter van de Glind en Harmen van Sprang

ShareNL werkt samen met de Amsterdam Economic Board om Amsterdam de eerste Europese Sharing City te helpen worden. ShareNL is een Nederlands platform waarop een groot aantal initiatieven uit de deeleconomie samenwerken. Wij zien grote kansen voor de deeleconomie in steden als Amsterdam. Wat maakt steden bijzonder? Door de hoge dichtheid aan mensen zijn de transactiekosten laag. Het kost weinig om mensen, diensten, spullen en nieuws elkaar te laten vinden. Het uitwisselen op lokaal niveau gaat dus gemakkelijk want er zijn veel mensen dichtbij en vindbaar dankzij moderne technologie.

Dat deeleconomie-platformen het snelst aanslaan in steden is daarmee eenvoudig te verklaren. Hierdoor zijn steden efficiënter en duurzamer dan het platteland. Dit komt goed uit omdat nu al meer dan de helft van de wereldbevolking in steden woont en naar verwachting is dit percentage in 2050 opgelopen naar 75 procent. Dat biedt dus enorme kansen voor een duurzame toekomst.

Aanjager van de duurzame stad
De deeleconomie is een aanjager van de duurzame stad. Mobiliteit, goederen, voedsel, diensten, grond, geld en accommodatie worden efficiënter benut. Online platformen bieden jou als individu toegang tot stilstaande auto’s, ritten, voedsel, diensten, grond, geld en accommodatie van anderen en bieden jou de mogelijkheid om wat je zelf bezit te verhandelen. Het is dan ook niet zo gek dat veel mensen deel willen nemen aan de deeleconomie. De een vanwege de extra inkomsten, de ander vanwege het elkaar helpen en de volgende vanwege de positieve impact op het milieu. Dit blijkt ook uit mijn afstudeeronderzoek over het consumentenpotentieel van de deeleconomie onder 1300 Amsterdammers.

Uitdagingen
Het is dan ook te verwachten dat deze nieuwe economie in hoog tempo door zal groeien met alle bijkomende voordelen van dien. Er zijn echter ook uitdagingen. Huidige wet- en regelgeving en het huidige belastingstelsel zijn niet gemaakt voor deze nieuwe economie. Hierdoor lopen de grotere deeleconomie-platformen soms al tegen grote belemmeringen aan en dreigt de deeleconomie te verzanden in een politiek spel.

Samenwerken
Inmiddels zijn we op diverse terreinen bezig om samen met partijen binnen en buiten Amsterdam oplossingen te vinden voor deze belemmeringen. Zo was er op 30 januari een Ronde Tafel gesprek met deelnemers van o.a. de Amsterdam Economic Board, Peerby, SnappCar, Thuisafgehaald, Mud Jeans, FLOOW2, Achmea, gemeente Amsterdam, ministerie van Economische Zaken en de Belastingdienst.

Oproep
Wij willen dat Amsterdam San Fransisco en Seoul volgt en zichzelf uitroept tot Sharing City. Bijvoorbeeld door het ondertekenen van een resolutie zoals is gedaan door een groot aantal burgemeesters in de Verenigde Staten. Een dergelijke resolutie zou de ideale basis zijn om samen verder te bouwen aan de duurzame stad van de toekomst. Natuurlijk kijken wij verder dan Amsterdam en willen wij nog veel meer Sharing Cities. De deeleconomie en de gemeenten hebben immers gedeelde doelen: een participerende samenleving, veerkrachtig op lokaal niveau.

ShareNL platform: Sharenl.nl

Afbeelding: Onderzoek Amsterdam deeleconomie. Met dank aan Share NL voor het delen van de afbeelding met ons.