12006159_10207424606596276_8552091078701843873_n

Niet de deeleconomie, maar de commonseconomie kan de wereld redden

door Jean Lievens
P2P Foundation Belgium

Eerst verschenen op De Wereld Morgen op 29 mei 2016 (blog Jean Lievens – originele tekst)

De deeleconomie staat steeds meer in de belangstelling, maar over de commonseconomie wordt helaas veel minder gesproken. Waarschijnlijk blijft dit voor velen te abstract, maar als we het hebben over de noodzaak van een transitie naar een duurzame economie en naar een meer rechtvaardige en democratische samenleving, dan is de commonseconomie wel de hefboom.

We leven in een verandering van tijdperk, gekenmerkt door economische en financiële crisissen, sociale onrust en politieke instabiliteit. Ons sociaale-conomisch systeem functioneert niet meer en “de politiek” draagt geen oplossingen aan. Anderzijds opent de technologische vooruitgang enorme mogelijkheden om de huidige ecologische, economische en sociale problemen op te lossen, maar binnen de oude structuren en denkschema’s werkt ze de financieel-economische en sociale crisis juist in de hand.

Er is veel sociaal verzet tegen de neoliberale tegen-hervormingen van de afgelopen jaren, maar vaak blijven protestbewegingen beperkt tot “tegen iets zijn” en is er een gebrek aan coherent alternatief. Ook klassieke linkse formules schijnen niet meer te werken of worden de nek omgedraaid binnen een vijandige internationale context, wat de Grieken aan de lijve mochten ondervinden.

Wel zijn overal in de wereld mensen actief betrokken in allerhande initiatieven om te bouwen aan een betere wereld. Velen hebben zich afgekeerd van de politiek en bouwen “het nieuwe binnen het oude”. Ze zijn actief op gebied van sociale rechtvaardigheid en solidariteit (vakbonden, coöperatieven, NGO’s, fairtradeorganisaties, noord-zuidbewegingen etc.), openheid en transparantie (open source beweging, open designgemeenschappen…) en duurzaamheid (circulaire economie, microfabrieken…).

Tussen deze verschillende groepen bestaat echter weinig interactie en ook binnen deze groepen is de fragmentatie vaak groot. Maar ze dragen wel de kiemen van een nieuw systeem, waarbij “de commons” het bindmiddel kan zijn. Een van de organisaties die hierbij een verbindende en katalyserende rol kan spelen, is volgens mij Hart boven Hard, zowel in haar hoedanigheid van netwerk als van beweging.

Maar laat ik eerst even beknopt de kern van het transitiemodel uitleggen dat de P2P Foundation voorstelt. Het boek De Wereld Redden bevat heel wat ideeën, maar vaak pikken mensen alleen dat eruit wat in hun kraam past. Om te beginnen hebben we nooit beweerd dat de “deeleconomie” de wereld zal redden, zoals Rogier De Langhe schrijft in een van zijn opiniestukken in De Morgen van 17 mei (Welke deeleconomie willen we?). In ons boek hebben we het over peer-to-peer, maar maken we een onderscheid tussen peer-to-peer marktplaatsen (waar de deeleconomie zich grotendeels afspeelt) en peer-productie van commons. Ons transitieverhaal steunt vooral op de tweede pijler.

De deeleconomie (alleen) zal de wereld niet redden

De deeleconomie zoals ze zich tot nu toe heeft ontwikkeld, wordt vooral gedomineerd door commerciële platformen die vraag en aanbod van markttransacties tussen individuen (denk aan de “gig”-jobs, het “delen” van autoritten tegen betaling, het verhuren van appartementen…) regelen via algoritmes en daar flink wat geld aan verdienen. De belangrijkste voordelen van deze modellen is dat ze voor de gebruikers vaak performanter en goedkoper zijn dan de traditionele modellen en dat ze zorgen voor een beter gebruik van de bestaande infrastructuur (het “deel”aspect) waardoor ze deel uitmaken van een noodzakelijke evolutie naar een meer duurzame economie.

Maar de keerzijde is ook niet mals: ze ontwijken allerhande wetgevingen waaraan de traditionele modellen wel aan moeten beantwoorden (sociale wetgeving, voorschriften inzake veiligheid en gezondheid etc.), ze investeren zelf niet in infrastructuur en wentelen alle risico’s af op degenen die hun platform gebruiken om geld te verdienen. Zelfs degenen die voor de vrije markt zijn en pleiten voor een gelijk speelveld, kunnen toch niet anders dan vaststellen dat we hier te maken hebben met oneerlijke concurrentie. Je kan dan twee zaken doen: ofwel het speelveld gelijkschakelen door deze platformen te onderwerpen aan dezelfde regels die gelden voor andere bedrijven, ofwel de regels voor andere bedrijven ook afschaffen. Dus hier pleiten we uiteraard voor klassieke regulering.

Alternatieven op commerciële platformbedrijven

Maar er zijn andere manieren om dergelijke kapitalistische platformen van antwoord te dienen. Laten we Uber nemen als voorbeeld. Zo heeft sharing city Seoel Uber ronduit verboden. Maar tegelijk ontwikkelde de stad wel een even gebruiksvriendelijk alternatief: een mobiliteitsapp op stadsniveau waarin de klassieke taxisector werd geïntegreerd. Vakbonden kunnen Uberchauffeurs organiseren en opkomen voor hun belangen (zo heeft Seattle onlangs Uberchauffeurs syndicale rechten verleend waardoor ze expliciet erkend werden als werknemers en niet als freelancers) of zelfs helpen met het opzetten van een coöperatieve die gebruik maakt van een eigen app. Zo gaan alle verdiensten naar de chauffeurs zelf en niet naar Silicon Valley. Op dat vlak zijn de initiatieven echter enorm versnipperd, want elke entiteit gebruikt andere open source applicaties en apps. Het komt er dus op aan om al deze mini-initiatieven te coördineren en te stroomlijnen binnen één netwerk.

Maar goed, we blijven hier nog altijd op het terrein van marktactiviteiten, het kopen en verkopen van diensten om geld te verdienen. Daar is niks mis mee, mensen moeten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Maar als er wordt samengewerkt rond één platform, beheerd door de stakeholders (dus niet alleen de chauffeurs , maar bijvoorbeeld ook de klanten en de overheid), dan wordt dit gemeenschappelijk platform wel de kern van de economische activiteit waaraan de marktactiviteit is ondergeschikt.

Er zijn natuurlijk ook tal van deelinitiatieven die een maatschappelijk doel voor ogen hebben, zoals autodelen op buurtniveau (vb. Dégage in Gent), of logies delen op wereldniveau (couchsurfing). Dit is de originele deeleconomie, die nog altijd bestaat én groeit, maar inmiddels in de media werd overschaduwd door Uber en Airbnb. Deze laatste is trouwens zelf begonnen binnen de reële deeleconomie, wat nog steeds vervat zit in de naam (air staat voor air matrass: het idee was een luchtbed in de living voor toeristen, in ruil voor een kleine deelname in de kosten). Met de intrede van venture capital werd het platform geprofessionaliseerd, er kwamen diensten bij (zoals een verzekering tegen vandalisme), maar bovenal vervoegden steeds meer professionele spelers het platform om appartementen te verhuren aan toeristen. Op die manier omzeilen ze stedenbouwkundige vergunningen en de wetgeving op hotels, jagen ze tegelijk de huurprijzen voor lokale bewoners omhoog en maken bepaalde buurten onleefbaar (denk aan Barceloneta in Barcelona). Tussen haakjes, het is ook belangrijk om op te merken dat alleen mensen die iets hebben iets kunnen ‘delen’ (lees verhuren). Een huurder mag meestal niet onderverhuren, ook niet via Airbnb.

De commonseconomie

Tot daar de “deeleconomie”. Wat echter veel belangrijker is in ons transitieverhaal, is de zogenaamde commons-economie en meer bepaald de creatie van commons van open software, kennis en design. Bekende commons zijn Linux, Wikipedia en Arduino, maar er bestaan duizenden andere voorbeelden. We hebben hier te maken met een postkapitalistisch model, omdat:

Het niet gebaseerd is op arbeid/kapitaal, maar op vrijwillige bijdragen
Het geen goederen of diensten voortbrengt om te verkopen op de markt (ruilwaarde), maar rechtstreekse gebruikswaarde die vrij beschikbaar is, in overvloed aanwezig, vrijwel kosteloos, oneindig reproduceerbaar en dus niet eens “vermarkt” kan worden.
Sommigen rangschikken ook deze commons onder de ‘deeleconomie’ omdat ze vrij beschikbaar zijn (en dus vrij kunnen ‘gedeeld’ worden), maar dan gooi je Uber en Wikipedia op één hoop, wat toch problematisch is. Om verwarring te vermijden is het dus aangewezen om bij elk project de volgende vragen te stellen:
wat is de hoofddoelstelling (maatschappelijk of winstgevend)?
wordt er gemeengoed gecreëerd dat vrij beschikbaar is?

Alleen in het twee geval spreken we van een commons-economie. Is de doelstelling maatschappelijk en wordt er gewerkt via een collectief deelplatform, dan is het deelplatform zelf de commons en kan je ook dit soort van deelinitiatieven tot de commons-economie rekenen. Gaat het om pure markttransacties, dan hebben we te maken met P2P marktplaatsen die strik genomen niets met delen te maken hebben, maar door deze platformen zelf en door de media wel als dusdanig genoemd worden, dus ik veronderstel dat we ermee moeten leven.

Een productiever model…

Het gemeenschappelijk creëren van open gemeengoed van kennis, softwarecode en allerhande ontwerpen blijkt in de praktijk veel sneller, efficiënter en productiever dan de traditionele (lees kapitalistische) manier om deze zaken voort te brengen. Sinds Wikipedia zijn papieren encyclopedieën alleen nog in tweedehandszaken verkrijgbaar. Wikipedia is gratis, wordt elke dag beter en volgt de actualiteit. Een paar minuten nadat de media hebben bericht over de dood van Prince, is de popster ook dood op Wikipedia. Open software is de norm binnen de softwarewereld geworden. Nasa, BMW, het CERN, het Witte Huis… gebruiken Linux, een software die vrij beschikbaar is voor iedereen. Er bestaan een dertigtal open source-auto’s (inclusief een open source zelfrijdende auto) die stuk voor stuk milieuvriendelijke en energiezuiniger zijn dan industriële wagens, alleen komen de banken niet met geld over de brug om de productie ervan te financieren, tenzij ten minste een deel van het ontwerp beschermd wordt door patenten. Tot nu toe lijkt LocalMotors, een semi-open source wagen die in een microfabriek via 3D printing kan worden geproduceerd het enige model dat ook economisch succesvol is. Maar er zijn ook open source robotten, open source landbouwmachines, open source laboratoriumapparatuur en duizenden andere open hardwaresystemen. Daarnaast is er ook het delen van kennis allerhande, zoals open wetenschap tegenover het peperduur verkopen van academische artikels door privé-uitgeverijen.

… gedomineerd door het kapitalisme

Maar net als de deeleconomie waarvan eerder sprake, wordt ook de commonseconomie volop “gerecupereerd” door het kapitalisme, hoewel “gebruikt” me een beter woord lijkt in deze context, want er is hier toch iets anders aan de hand. We krijgen namelijk een model waarbij bedrijven die elkaar beconcurreren op de markt, wel samen bouwen aan een commons. Als toemaatje krijgen ze er de bijdragen bij van vrijwilligers die voor allerhande redenen gratis bijdragen tot het gemeengoed. Neem open software. Ongeveer 75% van de programmeurs die bijdragen tot Linux, worden betaald door grote bedrijven zoals IBM en Red Hat, die net als Google, Intel, HP, Samsung, Cisco enzovoort de Linux Foundation financieren. Waarom? Omdat het stukken goedkoper en efficiënter is Linux te helpen ontwikkelen dan eigen software te ontwikkelen. Voor hen is Linux een goedkope grondstof die ze kunnen gebruiken om andere diensten aan te bieden op de markt, meestal het maken van een gebruiksvriendelijke versie op maat van hun klanten, maar ook onderhoud, training, consultancy, enzovoort.

Laten we een voorbeeld nemen uit de open hardware. Alles wat de mens maakt, moet eerst ontworpen worden. Er komen meer en meer ontwerpen tot stand door open en transparante samenwerking van bijdragers via het internet. Het internet wordt naast een goedkoop communicatie- en coördinatiemiddel dus ook meer en meer een universeel productiemiddel. Tegelijk vervaagt de grens tussen (digitaal) ontwerp en geautomatiseerde productie. Machines zijn immers gekoppeld aan computers. Voeg daaraan toe dat na de miniaturisering van de computer ook de miniaturisering van machines aan de orde van de dag is, waarbij je “meer kunt doen met minder”, en je ziet meteen het potentieel dat zich opent om ons maatschappelijk en economisch model volgens volledig andere lijnen te gaan ordenen. Maar dat kan alleen als we ons organiseren en bewust modellen ontwikkelen die dat ook in de praktijk brengen. Want tot op heden, zwaait het kapitaal nog altijd de scepter, ook in de wereld van de commons.

Je hebt immers nog altijd kapitaal nodig om iets te produceren: een fysische ruimte, grondstoffen en arbeid. Je verlaat de digitale, postkapitalistische wereld van de overvloed en betreedt in zekere zin weer de wereld van arbeid en kapitaal. Maar ook binnen dat kader heb je de keuze welk soort van organisatie je hiervoor opricht. Een coöperatieve is hier ongetwijfeld de meest geschikte bedrijfsvorm omdat haar eigendom- en beheermodel het best aansluit met de peer-to-peer waardecreatie in de commons. Omdat jonge ondernemers vaak niet vertrouwd zijn met het coöperatieve model, domineren durfkapitalisten (venture capital) die torenhoge rendementen terugeisen voor hun investering logischerwijze nog altijd de open hardwaregemeenschappen, hoewel we oog moeten hebben voor de oprukkende fablabs, hackerspaces, co-working spaces en makerspaces die vaak ondersteund door lokale overheden, scholen of universiteiten, en ook via crowdfunding.

Sociale ondernemers

Het is belangrijk hier een punt te maken over sociale ondernemers. Klassiek links haalt vaak de neus op voor ondernemers omdat ze die onterecht vereenzelvigen met “kapitalisten”. De woorden “sociaal” en “ondernemen” vinden ze een contradictio in terminis. Bovendien schieten veel politici van groene en sociaaldemocratische partijen die ondernemers omarmen (zonder evenwel een onderscheid te maken in de aard en de grootte van de bedrijven) tegelijk op de vakbonden die ze bestempelen als “conservatief”. Ze behoren historisch tot de neoliberale strekking (gelukkig op zijn retours) die de derde weg van Blair voorstaat. Maar stel je in de schoenen van een jonge ingenieur die de wereld wil verbeteren. Geloof me, ze zijn niet in de minderheid. Zo wilt 98 procent van afgestudeerde ingenieurs in Finland duurzaam ontwerpen. Alleen… als ze het geluk hebben een baan te vinden in een klassiek bedrijf, moeten ze zorgen voor ingeplante slijtage. Het alternatief is zich aansluiten bij een open hardwaregemeenschap en proberen zelf of met vrienden een bedrijfje op te starten. Als je bijdragen levert voor een open ontwerp, is er immers geen enkel reden om slijtage in te plannen. Je probeert een product zo goed mogelijk te ontwerpen.

De laatste jaren zien we meer en meer jongeren die ecologische en maatschappelijke problemen willen oplossen door zelf een bedrijf op te starten. Maar ook mensen die al jaren voor traditionele bedrijven werken, stappen voor allerhande redenen uit de ratrace en gaan zelf een sociale bedrijfsactiviteit beginnen die goed is voor de samenleving en die hun eigen leven veel meer zin geeft. Het is juist dat we hier vaak te maken hebben met een geprivilegieerde groep, maar dit fenomeen illustreert toch een uittocht uit het bestaande systeem, zowel vrijwillig als gedwongen.

Alleen… je moet natuurlijk wel geld verdienen om te overleven. Het grootste probleem vandaag is dat de commons, die een steeds grotere plaats innemen in de kapitalistische economie, nog steeds ondergeschikt zijn aan het overheersende model en alleen collectief reproduceerbaar zijn maar niet individueel. Wat bedoel ik daarmee? Als individu kan je tijdelijk gratis bijdragen tot commons (als je student bent, werkloos, of in je vrije uurtjes), maar je kan dat niet blijven doen. De commons blijven echter collectief overleven omdat er steeds nieuwe mensen bijkomen die bijdragen leveren, terwijl anderen wegvallen.

Nieuwe bedrijfsmodellen

De vraag van een miljoen is dus: hoe kunnen we bedrijfsmodellen ontwikkelen die het de commoners (bijdragers tot commons) mogelijk maakt om in hun levensonderhoud te voorzien? Gelukkig is dit geen theoretische vraag aangezien er volop aan deze modellen wordt gewerkt. Met andere woorden, er bestaan reeds ethische bedrijven die samen een commons produceren, zoals Enspiral, een jong bedrijvennetwerk dat Loomio (een samenwerkingssoftware) en Co-Budget (een app om democratische investeringsbeslissingen te nemen binnen het netwerk) heeft ontwikkeld en “Stuff that Matters” als baseline heeft. Het initiatief ontstond in Nieuw-Zeeland, maar het netwerk groei als kool en de open software Loomio is inmiddels uitgegroeid tot een zelfstandig bedrijf (een coöperatieve in eigendom en zelfbeheer van de werknemers) binnen het Enspiral netwerk, met wereldwijde vertakkingen.

Ik geef deze voorbeelden mee om ons verhaal wat concreter te maken zodat de verhaallijn duidelijker wordt. Wij denken namelijk dat er een nieuwe economie in wording is rond de commons. Deze economie wordt inderdaad gedomineerd door het kapitaal, maar veroorzaakt binnen het kapitalisme een waardecrisis: de geproduceerde gebruikswaarde groeit exponentieel, maar de gerealiseerde marktwaarde stijgt slechts lineair en wordt grotendeels “opgevangen” door het kapitaal. Maar naarmate het kapitaal investeert in peer-to-peer-netwerken en commons, versterkt ze die tegelijk en maakt aldus het potentieel alternatief sterker. Vroegere systeemovergangen vonden op dezelfde lijnen plaats: het oude systeem maakt gebruik van het nieuwe systeem om zijn bestaan te rekken, maar versterkt daardoor het nieuwe systeem tot een punt wordt bereikt waarop het nieuwe systeem kan doorbreken en dominant worden.

Vandaag wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe bedrijfsmodellen, vaak coöperatieven, die commons voortbrengen en tegelijk in het levensonderhoud voorzien van de coöperanten. Ook wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe manieren om de waardecreatie binnen de commons te registreren (open boekhouding) en die te koppelen aan vergoedingen voor de commonors indien de projecten marktwaarde realiseren. Er ontstaan ook nieuwe solidariteitsmechanismen, zoals de broodfondsen in Nederland, een sociaal zekerheidssysteem op minischaal voor “zzp-ers” (zelfstandigen zonder personeel, hier meestal freelancers genoemd). Zo zie je dat de mutualiteiten van de vroege arbeidersbeweging vandaag nog eens dunnetjes overgedaan door mensen die buiten de mazen van het sociale zekerheidssysteem vallen.

Ook de nieuwe coöperatieven die wereldwijd groeien als kool brengen de hoogdagen van de arbeidersbeweging in herinnering. Ook zij probeerden het nieuwe te bouwen binnen het oude, maar streefden vooral naar het veroveren van de politieke macht om de economie gradueel (door hervormingen) of min of meer volledig (door revolutie) via de staat over te nemen. De traditionele coöperatieven werden echter grotendeels weggeconcurreerd door multinationals die over meer kapitaal beschikten en dankzij schaalvoordelen goedkopere producten konden op de markt brengen. Coöperatieven die overleefden, konden dit alleen door zich net te gedragen als kapitalistische bedrijven waardoor ze op de duur nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren. Toch kan de historische arbeidersbeweging een grote inspiratiebron zijn voor de open source- en commonsbeweging. Alleen is haar heroïsche geschiedenis gedurende de laatste decennia (en zelfs langer) grotendeels ondergesneeuwd door bureaucratisering en incorporatie binnen de staat.

Kloof tussen precariaat en salariaat dichten, niet aanwakkeren

Dat laatste verklaart waarom veel jongeren die zich wel als een vis in het water voelen in de open source- en commonsbeweging, zich niet herkennen in de huidige arbeidersbeweging. Deze laatste is dan weer al decennia in een defensieve strijd verwikkeld voor het behoud van sociale verworvenheden en vindt moeilijk aansluiting bij jongeren die opgroeien in een tijd waarin het oude sociale contract meer en meer wordt opgeblazen voor de nieuwe generatie. Sommigen concluderen daaruit dat de klassenstrijd moet wijken voor een generatiestrijd. Niet het falend systeem is verantwoordelijk, wel de oudere generatie die de rijkdom heeft opgesoupeerd waardoor er niks meer overblijft voor de jeugd . Hoewel minder brutaal (hoewel…) lijkt dit de redenering die ook economiefilosoof Rogier De Langhe volgt in zijn recente columns. Rogier geeft toe dat er een systeemcrisis is, maar vindt dat “wij daar allemaal samen” voor verantwoordelijk zijn. Zoiets kan je natuurlijk alleen maar beweren als je de klassennatuur van onze samenleving ontkent. Maar zelfs dan is het hallucinant om het volgende te beweren: ”Zoals in 2008 bleek dat bankiers niet hadden kunnen weerstaan aan de ‘hebzucht’, zo blijkt vandaag dat ook de vakbonden te ver gingen. Ze verwierven meer rechten dan duurzaam over de generaties heen konden worden voorzien. Zelfs de banksters waagden het niet het land plat te leggen uit protest tegen het instorten van het kaartenhuisje dat ze zelf hadden gebouwd.” (De Morgen van 25 mei 2016: Waarom betogers op bankiers lijken”)

Rogier vindt de vakbonden blijkbaar nog erger dan de banksters. Hij pleit wel voor meer solidariteit, maar dan wil binnen de groep van “have nots”: “Ik droom van een herverdeling van sterk naar arm, in plaats van van niet-gesyndiceerd naar gesyndiceerd en van ongeboren naar vandaag.” Dat er in de afgelopen dertig jaar 10 procent van het BNP verschoven is van Arbeid naar Kapitaal is bijzaak, want “De bedragen waar het om gaat, zijn zo gigantisch dat een vermogensbelasting weinig verschil maakt. Zeker in een land als het onze illustreert het discours over de 1 procent vooral dat het makkelijker is de schuld bij een externe vijand te zoeken, dan bij onszelf.”

Er bestaat ongetwijfeld een spanningsveld tussen de klassieke arbeidersklasse die bestaat uit (vaak oudere) werknemers die in een hiërarchisch verband voor een bedrijf werken, en de nieuwe klasse van precaire en autonome werkers die rechtstreeks voor de markt (moeten) werken. Dat kan gedwongen zijn omdat ze geen werk vinden, maar velen doen het ook vrijwillig, ook uit sociale bewogenheid. Die groep gebruikt het internet en de commons voor het opzetten van nieuwe solidariteitsmechanismen. Op dat vlak speelt Smart.be in België een voortrekkersrol. We hebben de vakbonden al vaker op de korrel genomen omdat ze deze groeiende groep precaire werkers rechts laten liggen (in Nederland is binnen het FNV al geruime tijd een fel debat aan de gang). We moeten bruggen bouwen tussen precaire en “beschermde” werknemers, niet door de rechten van de ene groep af te bouwen ten voordele van de andere, maar om samen te ijveren voor een maatschappij die eerlijkere, democratischer en meer gelijk is dan de huidige. Helaas drijft Rogier de tegenstelling tussen beide groepen op de spits en door ongenadeloos de vakbonden te viseren in hun verzet tegen de regeringsmaatregelen, staat hij objectief gezien natuurlijk 100 procent aan de kant van de regering die hij in zijn columns nooit op de korrel neemt.

De commons als nieuw bindmiddel in een positief transitieverhaal

Maar goed, terug naar mijn verhaal. Wat in het oude verhaal van de arbeidersbeweging ontbrak, was een nieuwe manier om waarde te creëren en te herverdelen, die bovendien superieur is aan het oude model. Vandaag bestaat deze nieuwe productiewijze wel. In het oude verhaal versloeg groot klein. Altijd. Vandaag kan een netwerk van veel kleintjes groot verslaan. Denk aan Linux en Wikipedia. De nieuwe platformbedrijven of “netarchische” kapitalisten (kapitalisten die heersen over het netwerk), zijn nog piepjong (Google is 20 jaar oud, Facebook 12, Uber 6) maar hebben in een mum van tijd de wereld veroverd. De vraag is hoe duurzaam die bedrijven zijn op langere termijn, gezien hun parasitair karakter en het feit dat de waarde die ze onttrekken uit menselijke samenwerking niet terugvloeit naar de mensen die deze waarde creëren.

Er bestaat volgens mij geen uniforme formule om deze bedrijven aan te pakken. Sommigen kunnen op termijn weggeconcurreerd (of weg”samengewerkt”) worden door nieuwe, coöperatieve modellen, op voorwaarde dat deze globaal opgeschaald worden (samenwerking in wereldwijde netwerken). Zowel de overheid als de traditionele organisaties van de arbeidersbeweging kunnen daarin een stimulerende rol spelen. Anderen zoals Google of Facebook worden best “openbare nutsbedrijven”, zoals destijds de spoorwegen en de elektriciteitsbedrijven. Natuurlijk zijn deze privéplatformen wereldwijd actief, maar ze zijn wel ingebed in een staat (meestal de VS) waarbinnen een politieke strijd kan gevoerd worden om ze om te turnen in door stakeholders beheerde nutsbedrijven (geen traditionele staatsbedrijven dus). Buiten de VS kunnen en worden ze via regulering meer aan banden gelegd, hoewel de resultaten nog niet spectaculair te noemen zijn (bv. Europa versus Facebook en Google).

Om te resumeren, wil ik de volgende stellingen poneren:

De commons kunnen het bindmiddel zijn van een nieuwe progressieve beweging
De drie groepen die mondiaal actief zijn in transitiebewegingen (rond ecologie, solidariteit en open source) moeten elkaar beter leren kennen en meer gaan samenwerken

Tegelijk kan geijverd worden voor een commons-transitieprogramma dat streeft naar een nieuw economisch-maatschappeijk paradigma dat steunt op drie pijlers:
Een productieve civiele maatschappij van burgers die vrijwillig bijdragen tot commons
Een ethische bedrijvencoalitie rond deze commons
Een nieuw overheidsmodel waarbij de overheid optreedt als partnerstaat die peer-productie van vrije burgers faciliteert en ondersteunt (met geld, infrastructuur, onderwijs etc.) Deze staat vervangt de welvaartsstaat niet, maar overstijgt ze. Strijden tegen de afbouw van de welvaartsstaat blijft dus 100 procent een progressieve strijd.

Daarnaast dringt zich een herlocalisering op van de productie in microfabrieken die eveneens wereldwijd genetwerkt zijn en aldus een tegengewicht kunnen bieden op transnationaal niveau tegenover de multinationals. Op die basis kunnen we de ecologische crisis bezweren (duurzame lokale energiecoöperatieven aangesloten op een smart grid, drastische vermindering van transport- en energiekosten, transparante aanvoerketens ten dienste van een circulaire economie waardoor het generatief vermogen van de planeet volledig wordt hersteld etc.)

Voor meer info:

P2P Foundation
Enspiral
Jean Lievens

1395182_10202122479806420_1070858643_n

De deeleconomie moet open zijn, transparant en in handen van de werkers

door Jean Lievens
P2P Foundation Belgium

Verschenen in De Morgen van 14 mei 2016

Filosoof Rogier De Langhe hield in De Morgen van 11/5/2016 een vurig pleidooi voor de deeleconomie waarin hij een antwoord ziet op de huidige golf van burn-outs, depressies, vervroegde pensioneringen en zelfmoorden (DM 11/5). “Je werkt binnen structuren die jou als doel hebben, in plaats dat jij je te pletter moet lopen voor de structuren.” O ja?

Autonomie is voor veel deelnemers in de deeleconomie inderdaad een plus. Je “kiest” zelf min of meer wanneer je wilt werken en je kunt op verschillende terreinen naar keuze actief zijn. Bovendien is er een macro-economisch argument. De staat van de planeet laat niet langer toe dat we doorgaan zoals we bezig zijn. We verbruiken momenteel anderhalve planeet per jaar en als we niet radicaal overstappen naar een nieuw economisch paradigma, lijkt het doemscenario van het einde van onze soort reëel.

Op macro-economische schaal is het mutualiseren van grondstoffen en diensten de enige manier waarop we onze planeet kunnen behoeden voor roofbouw op grondstoffen die worden opgeofferd op het altaar van de groeilogica. En dit is precies waaraan de deeleconomie kan verhelpen. Alleen werkt het nu heersende model kwetsbaarheid en groeiende ongelijkheid in de hand.

Facebook, Google, Uber, Airbnb, Mechanical Turk: het zijn voorbeelden van kapitalistische bedrijven met een nieuw verdienmodel dat waarde onttrekt uit menselijke samenwerking. Ze hebben zich in ijltempo opgewerkt tot wereldspelers met zo goed als monopolieposities. Uber vergaarde in amper zeven jaar een marktwaarde van 60 miljard dollar (53 miljard euro). De vraag is of deze prille modellen gezien hun parasitair verdienmodel ooit volwassen zullen worden. Bart Eeckhout heeft dus overschot van gelijk: “Van bescheiden alternatief voor de vrije markt, heeft de deeleconomie zich ontwikkeld tot disruptieve steunbeer van deregulering.” (DM 12/5)

Deze ‘netarchische kapitalisten’ (die heersen over het netwerk), heiligen in woorden de vrije markt, maar bezondigen zich in de feiten aan oneerlijke concurrentie. Ze investeren zelf niet in infrastructuur, maar gebruiken de bestaande. Ze werken met freelancers waardoor ze sociale regressie in de hand werken.

Wat hier voor ‘deeleconomie’ doorgaat, wordt in de VS correcter omschreven als ‘gig-economie’. Een ‘gig’ is een optreden, maar betekent hier een korte klus. In de Amerikaanse verzoeknummer-economie – die niets met delen maar alles met huren en verkopen te maken heeft – bedraagt het gemiddelde uurloon amper 2,5 dollar (2,2 euro). Die ‘deeleconomie’ mag dan misschien een remedie zijn tegen de ratrace, maar of een race to the bottom zo veel beter is, durven wij sterk te betwijfelen.

Je kunt er, kortom, niet om heen dat De Langhe de huidige ‘deeleconomie’ te rooskleurig voorstelt. Want wat is je autonomie waard als je compleet afhankelijk bent van een platform dat een steeds groter deel van je omzet afleidt naar geldschieters die zelf niet investeren in een wagenpark, hotels of een uitzendbureau? Bovendien hebben werkers in deze gig-economie niet het recht om met elkaar in contact te treden waardoor hun inkomen permanent onder druk staat. Vraag en aanbod komen niet met elkaar in contact, maar vinden elkaar via ondoorzichtige algoritmes. In tegenstelling tot wat De Langhe suggereert, zijn dergelijke platformen niet ontworpen in het belang van de aanbieders, maar in dat van de eigenaars.

Wat stellen wij dan voor? Om te beginnen is regulering een must zodat de concurrentie met traditionele spelers eerlijk verloopt. Ten tweede moeten de sociale statuten worden gelijkgeschakeld. De vakbonden laten hier een kans liggen omdat ze zich vrijwel uitsluitend richten op het salariaat. Gelukkig zijn er initiatieven zoals Smart die zich met groeiend succes opwerpen als belangenverdediger van freelancers. Ten derde komt het erop aan alternatieven te ontwikkelen in de vorm van platformcoöperatieven, waarbij stedencoalities technische ontwikkelingen kunnen ondersteunen. Tegenover de extractieve kapitalistische modellen wordt meer en meer geëxperimenteerd met nieuwe coöperatieve modellen die zelf platformen en apps ontwikkelen, waardoor het eigendom- en beheermodel in lijn wordt gebracht met de peer-to-peer waardecreatie.

Het ontwikkelen van een app à la Uber is minder onoverkomelijk dan kapitaal bijeenschrapen om een staalfabriek te bouwen. Union Taxi Cooperative in Denver is maar één voorbeeld van een plaatselijk alternatief voor Uber. Steden als Seoel hebben Uber verboden en zelf een even gebruiksvriendelijke app ontwikkeld. Lokale overheden kunnen dus een belangrijke rol spelen bij het ontwikkelen van nieuwe bedrijfsmodellen die voordeliger zijn voor de werknemers. Nog een voorbeeld: in New York City bestaat een coalitie van 24 coöperatieven die eigendom zijn van hoofdzakelijk vrouwelijke werkers. De leden hebben hun uurloon van 10 tot 25 dollar zien stijgen.

Het alternatief dat wij verdedigen moet open (source) zijn, transparant en in handen van de werkers. Plus: het moet gemeengoed voortbrengen – zoals het bedrijvennetwerk Enspiral, ontstaan in Nieuw-Zeeland, dat de open samenwerkingstool Loomio en de gemeenschappelijke investeringsapp CoBudget hebben ontwikkeld – draaien op een multi-stakeholderbestuur en transnationaal georganiseerd zijn. Enkel op die manier kan de deeleconomie uitgroeien tot mondiale, democratische alternatieven voor de huidige multinationals.

12232867_503127136514449_1937551257234855683_o

‘De Belgische regering kiest voor een trek-uw-plansamenleving’

De Standaard 12 december

Het laatste boek dat wijlen Jean-Luc Dehaene cadeau deed aan zijn partijvoorzitter Wouter Beke, was De wereld redden van Michel Bauwens. Dat is de Belgische peetvader van de peer-to-peerbeweging – een vraag-aanbodeconomie tussen particulieren – vooralsnog niet gelukt, maar zijn alternatieve model maakt wel opgang. ‘Ja, ik ben een wereldverbeteraar.’

volledig artikel hier

12186445_503126793181150_1956149186327379212_o

Twee projecten en 3 prioriteiten voor de P2P Foundation in 2016

door Michel Bauwens

Geschreven voor de groepsboog ‘New Commons
De P2P Foundation is een internationaal netwerk van onderzoekers en activisten die peer-to-peer praktijken, geïnterpreteerd als de gezamenlijke productie van gedeelde goederen, i.e. commons, onderzoeken, proberen te begrijpen en promoten. In dit kader hebben we begin 2015 drie strategische prioriteiten bepaald, die we hier even willen toelichten voor een Nederlandstalig publiek.

De eerste prioriteit is het werken naar een commons-georiënteerd transitiebeleid. Dat betekent een heroriëntatie van het productieapparaat en de maatschappij naar het creëren van gedeelde kennis en eventueel ook materiële goederen. Wij geloven dat dit nodig is omdat de huidige productievorm steunt op twee foutieve veronderstellingen.

De eerste is dat natuurlijke hulpbronnen oneindig zijn. We zitten verstrikt in een groeimechanisme dat enorm veel ‘negatieve externaliteiten’ veroorzaakt. Essentieel daarin is de vernietiging van de regeneratieve capaciteiten van onze planeet, met daarnaast ook al het materiële leed en de sociale onrechtvaardigheid die daaruit voortvloeit.

De tweede verkeerde veronderstelling is dat kennis moet worden geprivatiseerd. Menselijke samenwerking om problemen op te lossen wordt enorm moeilijk zo niet onmogelijk gemaakt. In commons-georiënteerde peer-productie dragen burgers vrijwillig bij tot gedeelde kennis
waarrond een dynamische maatschappij en economie kunnen ontstaan.

In het ideale geval worden die productieve commons gestimuleerd en gebruikt binnen een generatieve economie die mogelijkheden tot levensonderhoud creëert rond die commons, in tegenstelling tot een extractieve economie.

Tenslotte worden de inkadering en stimulering van het geheel ook georganiseerd door een ‘partnerstaat’-model, dat zowel individuele als sociale menselijke autonomie maximaal ondersteunt. Dit voorgestelde model vloeit rechtstreeks voort uit bestaande ervaringen van de commons-economie en de combinatie van productieve gemeenschappen, ethische ondernemerscoalities en stichtingen die het coöperatieve systeem mogelijk maken en beschermen. Streven naar politieke transitie betekent een stem geven aan burgers die gemeengoed creëren en beschermen en bestaande politieke krachten beïnvloeden door een positief programma op te stellen voor die transitie.

De tweede prioriteit is het scheppen van de economische voorwaarden. Dit noemen we ‘open coöperativisme’. Dit betekent dat we generatieve bedrijfsmodellen ondersteunen die niet gericht zijn op winstmaximalisatie, maar op het ondersteunen van een sociaal doel. Ze creëren een economie met toegevoegde waarde rond die commons en zorgen ervoor dat mensen kunnen leven van hun bijdragen tot die gemeengoederen. De aandacht gaat hier dus naar praktijken die het mogelijk maken om ethische ondernemerscoalities in het leven te roepen, die commons-vriendelijk zijn en zelf commons coproduceren.

Onze derde prioriteit betreft de ecologische transitie en in het bijzonder onze overtuiging dat de overstap naar het peer-productiemodel een voorwaarde is om de ecologische transitie te bewerkstelligen. Wanneer design en ontwikkeling inderdaad gebeuren binnen een open productieve gemeenschap die een gemeengoed creëert, is er geen geplande veroudering. Ten tweede maken de openheid en transparantie in het netwerk de realisatie van een open circulaire economie heel snel mogelijk.

Ten derde maakt de combinatie van globale samenwerking en lokale productie in microfabrieken enorme besparingen mogelijk op het vlak van goederentransport dat binnen het huidige productiesysteem momenteel twee derde van de materie en energie opslorpt . Ook de mutualisering van infrastructuur heeft ingrijpende gevolgen op het gebruik van hulpbronnen.

Hiermee zijn we beland bij het eerste onderzoeksproject van 2016: het berekenen van de maximale thermodynamische efficiëntie die we kunnen bereiken dankzij die transitie. Onze intuïtie zegt ons dat we met 20% van de hulpbronnen die we vandaag gebruiken zeker 80% van de goederen en diensten van de huidige samenleving kunnen vrijwaren. Voor dit project werken we we samen met het Frans-Australische BlaqSwans collectief.

Ons tweede onderzoeksproject is iets minder formeel en gaat over een economie die het minder moet hebben van het zeer inefficiënte prijzenmechanisme, maar evenmin van autoritaire centrale planning. Wat prijzen zijn voor een markteconomie en beslissingen voor een planeconomie, is gemeenschappelijke coördinatie voor een commons-economie.

Hoe moeten we ons dat inbeelden? Wat we vandaag al weten is dat de immateriële productie van commons gebeurt door middel van sociale signalen, i.e. stigmergie. Dat is vandaag de dominante methode in het produceren van open kennis (Wikipedia), vrije software (Linux) , en gedeelde conceptontwikkeling (Arduino).

Vermits we ook al weten dat bedrijven die werken in ethische ondernemerscoalities (Enspiral, Sensorica), interne transparantie beoefenen, dan is dit maar één stap naar de hypothese dat open logistiek en open boekhouding kan leiden tot het invoeren van stigmergische coördinatie in fysieke productieprocessen en dus naar een veralgemeende open circulaire economie. Het goede nieuws is dat de blockchain, het universele logboek dat voor bitcoin werd ontworpen, ook hiervoor kan dienen!

Tot zover de twee voorbeelden van hoe we proberen vooruit te gaan in het denken rond de commons-transitie in 2016.

assembly

[ASSEMBLY OF THE COMMONS] PETER ROSSEEL OVER DIGITALE VERANDERING

De industrialisering reduceerde de mens tot een productiefactor. De digitalisering zal volgens Peter Rosseel een menselijkere economie mogelijk maken. Hij stelt dat digitalisering niet zozeer tot economische groei leidt, maar tot menselijke groei. Zowel ons welzijn als onze welvaart zullen erop vooruitgaan. De voornaamste voorwaarde om die omwenteling te laten slagen, zijn wijzelf.

WIE? Peter Rosseel is directeur van Management Consulting and Research (MCR), een spin-off van de KU Leuven. Hij werkt rond strategie implementatie, verandermanagement en leiderschap. Hij schreef onlangs een opiniestuk over deeleconomie in De Morgen.

WAT? De Assembly of the Commons in Gent is een maandelijks event voor wie actief is in de commons/p2p/deeleconomie. In een informele setting ontvangen we een spreker, waarna ruim tijd wordt gemaakt voor dialoog en netwerking.

Oorspronkelijk bericht hier

Schermafbeelding 2016-01-16 om 17.42.14

Verander alles – De Broeikas

Oorspronkelijke tekst hier

Een project dat volop experimenteert met andere, nieuwe manieren van duurzamer leven zonder winstbejag centraal te plaatsen, dat is De Broeikas. Centraal ijkpunt is de terugkeer naar de rust, naar een vertragen, verstillen en verdiepen. De Broeikas verzet zich zo radicaal tegen de rushes van het dagelijkse leven en probeert vertrekkende vanuit kunst, cultuur en wetenschap een alternatief te bieden dat deint op het ritme van de natuur.

De stuwende geesten achter De Broeikas willen het anders doen. Omdat het kan, zowel sociaal als ecologisch. Ze verbinden en verzamelen mensen en initiatieven die geloven in een warme en begripvolle samenleving. Daar waar mogelijk, willen ze deze mensen soigneren, een forum geven en ruimte bieden. Dat alles met de bedoeling innovatieve coalities te smeden richting een vernieuwd samenleven. De Broeikas is prettig en verrijkend samenwerken, coöperatief en anders. Want waar kiemen kansen krijgen, kan synergie ontstaan en wordt innovatie mogelijk.

Het project De Broeikas is gesitueerd in de grote schuur van een oude beschermde vierkantshoeve in Neervelp, waar recent De Kaasdroger ingericht werd, een cohousingproject voor vier gezinnen. Via De Broeikas willen de bewoners hun woonproject openstellen voor andere participanten en geïnteresseerden. De Broeikas wil een labo zijn voor een andere wereld, een wereld waarin mensen gewone en gedurfde dingen uitproberen, op weg naar een andere, meer duurzame wereld. Daartoe hebben ze een coöperatie opgericht met ondertussen al 85 coöperanten.

Geïnteresseerden kunnen intekenen op aandelen om zo het project verder te steunen en mede-eigenaar van de schuur en haar activiteiten te worden. De organisatie wordt echter niet gestuurd door winst. Wie tekent voor een aandeel, tekent niet voor een financiële maar wel voor een sociaal-groene return. Het project van De Broeikas sluit zo naadloos aan het concept van de “WEconomy”, een filosofie die vol passie gepromoot wordt door Michel Bauwens, een Vlaming die wereldwijd bekend werd door zijn gedachtegoed over de peer-to-peereconomie.

Meer weten over De Broeikas of interesse om coöperant te worden?

schermafbeelding-2015-11-23-om-14.20.09

Kiezen om te delen: sociale deelinitiatieven zijn een maatschappelijke keuze

door Herman Peeters
Origineel op De Wereld Morgen, maandag 23 november 2015

Delen is meer aanwezig dan we vermoeden, en het belang ervan lijkt alleen maar toe te nemen. Iedereen maakt bewust of onbewust gebruik van open source software op zijn computer. Via Facebook delen we informatie met vrienden, of gewoon met iedereen. Wie een kamer vrij heeft kan die via Airbnb verhuren. Dichtbij maken deelinitiatieven opgang zoals autodelen, het delen van gebruiksvoorwerpen, het delen en gezamenlijk beheren van publieke ruimten, met complementaire munten enzovoort. Nieuwe internettoepassingen maken delen gemakkelijker dan ooit.
De recente opgang van het delen opent perspectieven op sociaal, ecologisch en economisch vlak. Maar het stelt ons ook voor vragen. Wie er zich op toelegt kan door te delen een stuiver uitsparen of bijverdienen. Dit lijkt handig voor wie het niet breed heeft, maar tegelijk blijken ook de marktspelers het delen ontdekt te hebben om nieuwe markten aan te boren, kosten te drukken of de bestaande regels te omzeilen. Deze ontwikkeling nodigt ons dan ook uit tot een reflectie over de plaats die we het delen en het beheer van gemeengoed in onze samenleving toekennen.

Eén naam, veel gezichten

Deeleconomie is een fenomeen met veel gezichten. Wanneer we spreken over deeleconomie veronderstellen we meteen de creatie van meerwaarde via het delen. Deze meerwaarde kan economisch, ecologisch of sociaal zijn, naargelang het karakter of de typologie van het deelinitiatief. Het kan commercieel of niet-commercieel van aard zijn, centraal of decentraal beheerd worden en op een lokale of globale schaal opereren. Wie iemand een lift aanbiedt via Uber deelt op een commerciële, centraal gestuurde globale wijze. Wie daarentegen zijn auto inzet bij het Gentse autodeelinitiatief Dégage participeert aan een niet-commercieel, lokaal en decentraal beheerd initiatief.

Uit economisch oogpunt zijn beide systemen effectief. Het bestaande potentieel van de wagen wordt optimaal benut. Op ecologisch vlak is de winst bij beiden eveneens duidelijk: minder auto’s op de weg betekent een lagere belasting van het milieu. Op sociaal vlak is het bepalen van de meerwaarde heel wat onduidelijker. Op microniveau lijken in beide systemen zowel de gebruiker als de aanbieder te winnen. De gebruiker hoeft zich geen wagen aan te schaffen, wat een grote kostenbesparing betekent, terwijl de aanbieder een deel van zijn investeringskost terugverdient.

Op macroniveau doen zich effecten voor die minder onder controle zijn. De zwaarder gereguleerde taxidiensten ondervinden een concurrentienadeel van Uber en dreigen uit de markt geprijsd te worden. Voor economisten is dit echter geen zwaar probleem. De chauffeur die hierdoor zijn job verliest heeft weldegelijk pech, maar is onderweg naar een productievere job. Een ander probleem dat opduikt is dat Uber mensen weghoudt van het publieke openbaar vervoer, zodat dit duurder wordt voor de gemeenschap.

Sociaal potentieel

Anderzijds zijn er uit sociaal oogpunt overwegingen te maken die voor lokale, decentraal georganiseerde non-profit initiatieven pleiten. Praktijken op lokaal vlak kunnen een grote betrokkenheid van de deelnemers organiseren. Ze zijn niet alleen vitaal, maar stimuleren tegelijk het vrijwilligerswerk en versterken het sociaal kapitaal in de buurt. De complementaire munt Toreke in het Gentse Rabot is een goed voorbeeld. Of wie bijvoorbeeld lid wordt van Dégage krijgt elk jaar een uitnodiging voor een barbecue waar de werking wordt besproken en men onderlinge vertrouwensbanden smeedt.

Uit het voorgaande besluiten om volledig in te zetten op non-profit-deelinitiatieven is nog iets te voorbarig. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat vooral de hoger opgeleide middenklasse aan deelinitiatieven participeert. Mensen met een lagere scholing bedienen zich er minder vlot van. Dit is ook de ervaring van een aantal LETS-groepen die gepoogd hebben om kwetsbare gezinnen te betrekken. Ook moet opgemerkt worden dat de deeleconomie de bestaande sociaal-economische orde eerder bevestigt dan verstoort. Wie niet bezit ziet zijn bijdrage aan het gemeengoed niet rechtstreeks omgezet in een groter vermogen. Dit komt omdat herverdeling niet wezenlijk het DNA uitmaakt van de deeleconomie. Dit in tegenstelling tot de sociale zekerheid en ons belastingsysteem. Dit geeft meteen de plaats aan die we deeleconomie moeten toekennen ten aanzien van de publieke sociale bescherming. Deeleconomie kan hier alleen aanvullend en nooit vervangend ingezet worden.

Naar een herverdeeleconomie

Deeleconomie kan gemakkelijk een horizontale solidariteit tot stand brengen. Verticale solidariteit is minder evident. Voor dit laatste zijn systemen nodig waarbij sterkeren meer bijdragen en zwakkeren meer gebruiken. De digitale omgeving waarin de deeleconomie zich vandaag veelal ontwikkelt is een doorkruisende factor. Het is niet vanzelfsprekend om in een internetomgeving waar ogenschijnlijk iedereen gelijk is en de ongelimiteerde vrijheid van ondernemen en consumeren ons toelacht, sociale correcties in te bouwen. Een digitaal platform dat dit zou doen dreigt al gauw een leeg platform te worden. Bovendien versterken digitale en sociale uitsluiting elkaar wederzijds.

Het is bijgevolg meer voor de hand liggend om zich uit sociaal oogpunt toe te leggen op lokale gedeelde systemen van ‘onderlinge hulp’ die een grote participatie van zwakkeren nastreven of op systemen die collectief bezit voorop stellen zoals we die in historische commons terugvinden. Van dit laatste is de Community Land Trust een goed voorbeeld. Een sociaal georiënteerde deeleconomie streeft naar een grotere autonomie van de deelnemer t.a.v. de factoren die zijn bestaan determineren.

Burgerinitiatieven op een sociale leest geschoeid

Kan de deeleconomie dan zo georganiseerd worden dat zij een hefboom wordt voor opwaartse sociale mobiliteit voor zwakke groepen? Zeker. Men dient hierbij als initiatiefnemer een aantal specifieke principes voorop te stellen:

Op de eerste plaats dienen initiatieven die sociale stijging als uitgangspunt nemen, een ander waardenkader te hanteren en solidariteit en sociale inclusie boven winst te stellen.
Tussen de deelnemers moeten duidelijke afspraken gemaakt worden om een vermarkting van het gemeengoed tegen te gaan en overconsumptie te vermijden.
Om zwakkere groepen te bereiken dient er ingezet te worden op specifieke werkvormen. Zo is het niet onlogisch om initiatieven op te zetten die enkel voor zwakke groepen toegankelijk zijn teneinde de bindende kracht van de lotsverbondenheid te laten werken. Deze initiatieven dient kunnen best geënt worden op bestaande netwerken waar relatief veel laaggeschoolden aan participeren, zoals volkstuinen, voetbalclubs, carnavalverenigingen… Sociaal-economisch zwakkeren hanteren immers vaak informele vormen van onderlinge hulp.
Ook dient men domeinen te selecteren die een grote betrokkenheid van de doelgroep garanderen. Door bijvoorbeeld in te zetten op een initiatief voor het delen en beheren van ruimte in een kansarme wijk, verkrijgt men het effect dat de doelgroep zelf de vruchten van het initiatief zal plukken.
Men kan zich laten inspireren door historische modellen van delen, de zogenaamde commons, die het zwakkere deel van de bevolking bevoordeelden. Deze initiatieven hadden tot doel om iedereen in zijn bestaan te laten voorzien.
Tenslotte dient de overheid in dit soort innovatieve praktijken te investeren. Zij vergen immers een specifieke aanpak en begeleiding. Er moet meer geïnvesteerd worden in mensen die met minder kansen aan de start komen.

De overheid als partner

Bij de ontwikkeling van een sociale deeleconomie is er voor de overheid een belangrijke rol weggelegd. Ze kan tal van taken op zich nemen die de creatie van maatschappelijke meerwaarde aanmoedigen. Ze kan grids voorzien voor startende initiatieven. Dit kan de vorm aannemen van administratieve advisering. Ze kan een wettelijk kader uitbouwen voor gemeenschappelijk bezit en gebruik. Ze kan ook bijkomende regelgeving creëren voor bescherming en verzekering van vrijwilligerswerk of het fiscaal vrijstellen van kleine opbrengsten uit gemeengoed.

Ze kan fysieke ruimte vrijmaken voor de ontwikkeling van sociale burgerinitiatieven zoals het voorzien in ontmoetingsruimtes, terreinen voor coöperatieve windmolens, en dergelijke. Ze kan regels wegnemen of versoepelen die de ontwikkeling van gezamenlijke initiatieven hinderen. Denken we bijvoorbeeld aan de mogelijkheden die geloofsgemeenschappen zouden hebben mochten zij zonnepanelen op gebedshuizen kunnen plaatsen en aan leden en omwonenden een dividend uit kunnen keren. En ze kan drempels tot participatie verlagen. Zo zouden OCMW’s voorafbetalingen kunnen doen voor de aankoop van een aandeel van een coöperatieve nutsvoorziening dat naderhand in schijven kan terugbetaald worden.

Via een gericht stimulerend optreden van de overheid kunnen sociaal innovatieve praktijken in de deeleconomie een opstap bieden naar een sterkere maatschappelijke positie van zwakkere groepen. Toch is hier een belangrijke randbemerking bij te formuleren. Onderzoeken hebben aangetoond dat sociaal innovatieve praktijken beter renderen tegen de achtergrond van een herverdelende staat die er voor zorgt dat onderaan de samenleving de mazen van het net goed gesloten zijn.

Herman Peeters

Deze bijdrage verscheen in kortere vorm in Frank, het tijdschrift van Samenlevingsopbouw-Gent.

Bronnen:

http://platformsocialbusiness.nl/definities-van-de-deeleconomie/
https://about.ing.be/Over-ING/Press-room/Press-article/Deeleconomie-kent-groot-groeipotentieel-in-Belgie-2.htm
http://www.oikos.be/english/item/709-schor-over-de-deeleconomie
Bauwens, M., De wereld redden, Antwerpen, 2013
De Moor, T., Homo Coöperans, Utrecht, 2013
Van Bouchaute, B., Depraetere, A. Oosterlynck, S., Schuermans, N.: Solidariteit in diversiteit, in: Over gevestigden en buitenstaanders, Leuven, 2014
Mariën, I. en Van Audenhove, L., Digitale inclusie: het middenveld als structurele partners. In: Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting 2012, Oases, p. 320.

anacy2

’The Social Commons’ of ’Sociaal Gemeen Goed’

DOOR: Francine Mestrum/Attac Vlaanderen
Origineel gepubliceerd op 29 oktober 2015

(Originele bron: Attac-Vlaanderenn, foto van website filosophersforchangeosophersforchange)

Van sociale bescherming naar een sociaal gemeen Sociale bescherming staat hoog op de agenda vandaag. In 2012 keurde de Internationale Arbeidsorganisatie een aanbeveling goed over ‘sokkels’ van sociale bescherming. Men kan stellen dat dit een minimale agenda is, maar mochten alle mensen in de hele wereld deze rechten inderdaad krijgen, dan zou het een onvoorstelbare sociale vooruitgang betekenen.

De Belgische ngo’s zijn gestart met een nieuwe campagne over sociale bescherming. Het is een agenda die veel verder gaat, die sociale bescherming inderdaad als een mensenrecht ziet, ze universeel en op niet-commerciële wijze wil toepassen. Ik wil nog een stapje verder zetten en pleiten voor een ‘sociaal gemeen’, voor hier en voor het Zuiden. Waarom? Het valt op dat telkens je sociale bescherming wil bepleiten, veel jongeren meteen de andere kant op kijken.

Sociale bescherming! Iets uit de oude tijd! Dat hebben zij toch niet nodig! En het klopt dat veel jongeren niet echt behoefte hebben aan de solidariteit van de rest van de samenleving, tenzij …, ja, tenzij ze een fiets- of auto-ongeval hebben, tenzij ze plots ziek worden, tenzij ze denken aan de toekomst … Want je zal maar alles uit je eigen zak moeten betalen als je in het ziekenhuis ligt. Of je zal maar net genoeg verdienen om te kunnen leven, zonder iets te kunnen sparen voor je pensioen.

Maar het blijft een uitdaging om dit oude systeem op een aantrekkelijke manier te kunnen voorstellen aan jongeren, om uit te leggen dat dit toch precies de solidariteit is die ze doorgaans wel verdedigen. Spreken over ‘commons’ kan dan helpen, want de commons, het gemeen, daar staan de meesten wel achter. Het wijst op meer en meer gedeelde verantwoordelijkheid, het wijst op concrete solidariteit in plaats van op een abstract gegeven waarvan men de finesses niet kent.

Het zou natuurlijk niet erg fair zijn om een ‘gemeen’ te bepleiten en dat gewoon als een synoniem van de bestaande sociale bescherming te zien. De bestaande systemen zijn vijftig of honderd jaar oud en beantwoorden niet altijd even goed als toen aan wat vandaag de behoeften zijn. De maatschappij is veranderd en de samenleving is veranderd. Ook de sociale bescherming moet dus veranderen én verbeteren. Niet voor niets spreken sommigen van een ‘kathedraal’ als ze het over onze sociale zekerheid hebben, of over de ‘belangrijkste revolutie van de 20ste eeuw’. Toch moet er hier en daar wat bijgeschaafd worden, moeten de vele hindernissen om toegang te krijgen tot bepaalde rechten worden weg gewerkt, kunnen de vele bijbouwsels van de afgelopen decennia in één coherent geheel worden herverpakt.
Met een nieuwe naam – het sociaal gemeen – kan aan een nieuwe en betere inhoud worden gewerkt, om mensen méér bescherming te bieden. Tenslotte is het een feit dat de meeste mensen die sociale bescherming niet echt als van hen beschouwen. Ze zien het als iets van de overheid, van de vakbonden, van de mutualiteiten, van afwezige abstracte organisaties ergens in Brussel. Nochtans zijn wij het allemaal samen die voor onze sociale bescherming hebben betaald, met sociale bijdragen en met belastingen.

De sociale bescherming is van ons en van niemand anders, vandaar dat een benadering via het gemeen echt aangewezen is. Het zijn drie belangrijke redenen om over te stappen van ‘sociale bescherming’ naar een ‘sociaal gemeen’. Tel daarbij dat de sociale bescherming vandaag de dag hoe dan ook aan het veranderen is en bovendien wordt bedreigd. Ze is aan het veranderen door het soberheidsbeleid dat nu ook in de Westeuropese landen wordt gevoerd en rechtstreeks leidt tot afbouw van de uitkeringen en zelfs van sommige rechten. Dit zijn neoliberale hervormingen die nergens voor nodig zijn en de mensen kwetsbaar maken.
Onze sociale bescherming wordt bedreigd door de onderhandelingen die bezig zijn over internationale handelsverdragen waardoor de dienstverlening aan internationale concurrentie wordt bloot gesteld. Maar de sociale bescherming wordt ook bedreigd door de groeiende belangstelling voor het basisinkomen, een individualistische liberale oplossing die onmogelijk samen met de sociale bescherming kan bestaan en daarenboven de arbeidsmarkt en ons streven naar meer gelijkheid ernstig kan uithollen.

Wat bedoel ik dan met een ‘sociaal gemeen’ en wat kan het betekenen? Hoe het sociaal gemeen er in de toekomst zal uitzien, is moeilijk te zeggen, aangezien het de samenlevingen zelf zijn die er vorm moeten aan geven. Vast staat wel dat enkele algehele principes moeten gewaarborgd blijven, zoals respect voor universele mensenrechten, niet-commercialisering, horizontale solidariteit van allen met allen. Kortom, de grote principes die aan de basis liggen van onze bestaande sociale bescherming. Hoe en in welke mate we dit willen uitvoeren moet door de samenleving zelf worden bepaald. Op die manier kan men eerst en vooral de mensen weer bij de sociale vooruitgang betrekken. Ze moeten duidelijk weten dat het om hun rechten gaat en dat zij het zijn die er democratisch en participatief moeten over beslissen. Het kan niet dat het regeringen en parlementen zijn die zonder of met minimaal overleg aan de sociale rechten gaan sleutelen.

Wij zijn het die moeten beslissen over wat we willen en niet willen. Ten tweede kan door het organiseren van overleg met de mensen, de samenleving zelf worden beschermd. Het neoliberalisme staat een doorgedreven atomisering voor, en dat brengt, op termijn, de samenleving en dus ook de solidariteit in gevaar. Ten derde kan een bespreking van de sociale bescherming er toe leiden dat de rechten worden uitgebreid en versterkt. We hebben allemaal bescherming nodig, een leven lang, en een besef daarvan kan helpen om het systeem te verbreden en coherenter te maken. Het heeft immers geen zin meer om rechten toe te kennen in functie van je statuut op de arbeidsmarkt. En wordt het niet dringend noodzakelijk om ook een paar milieurechten op te nemen, zoals het recht op water?

Wanneer men daarover begint na te denken, stelt men al gauw vast dat het huidige economische systeem eveneens zal moeten veranderen om een hele samenleving te beschermen. Er is al erg veel geschreven over de nieuwe kenniseconomie die sowieso tot een andere arbeidsmarkt zal leiden. En hoe dan ook is het duidelijk dat een economie die enkel streeft naar winst, de natuur en de zorgtaken buiten beschouwing laat, geen grote toekomst kan hebben. Of met andere woorden, het is duidelijk dat een systeem van sociale bescherming alleen de economie niet kan veranderen, maar ze kan er wel sterk toe bijdragen dat er over wordt nagedacht en dat met veranderingen wordt begonnen. En dat kan dan weer tot het inzicht leiden dat de economie toch in dienst moet staan van de samenleving, dat ze goederen en diensten moet produceren waar de mensen behoefte aan hebben. Of nog, met andere woorden, dat ze moet zorgen voor de mensen. En zo is de cirkel eigenlijk rond.

De economie moet zorgen voor de mensen, zoals het milieubeleid moet zorgen voor de natuur en zoals de sociale bescherming moet zorgen voor ons allen. De zorg kan centraal komen te staan, de zorg voor het leven van mens, samenleving en natuur. Met een sociaal gemeen, zo blijkt dan, kan je zorgen voor de duurzaamheid van het leven. Hoe de sociale bescherming van de toekomst er kan uitzien, is niet te voorspellen. Het hangt af van de machtsverhoudingen in de samenleving en van het democratisch gehalte van de gesprekken. Maar het is duidelijk dat kan en moet nagedacht worden over de (on)voorwaardelijkheid van het leefloon, over de individualisering van rechten, over de arbeidsduur, over de verdeling tussen bijdragen en belastingen.
Wat ik met dit boek wil duidelijk maken is dat de sociale bescherming geenszins een instrument van het kapitalisme is, ze kan zoveel meer zijn dan een correctiemechanisme. Sociale bescherming kan net zo goed een instrument worden voor systeemverandering, maar dan in positieve zin, met aandacht voor het leven. Het sociaal gemeen is een project voor de lange termijn, maar er mee beginnen op een ogenblik dat onze verzorgingsstaten worden bedreigd, is zeker geen slechte keuze. Trouwens, voor linkse partijen is dit een gouden kans. Hoe beter dan met een belofte van méér sociale bescherming en meer participatie kan je mensen voor je project winnen?
—————-
Te bezoeken: www.socialcommons.eu
Francine Mestrum ‘The Social Commons. Rethinking Social Justice in Post-Neoliberal Societies’ werd geschreven in het Engels. Er is op de website www.socialcommons.eu ook een samenvatting in het Nederlands beschikbaar. Ze zijn beide gratis beschikbaar. Aangezien het project geen enkele subsidie ontvangt en met particuliere middelen wordt gefinancierd, is elke financiële bijdrage e

images

De tien geboden van peer-productie en de commons-economie

Originele tekst eerder gepubliceerd op de blog van de P2P Foundation en Wired

Voor een vrije, eerlijke en duurzame productiewijze en waardecreatie

Michel Bauwens, Berlijn, Oktober 23, 2015, voor de “Uncommons conferentie”

Zoals we elders probeerden aan te tonen, heeft het ontstaan van op commons gerichte peer-productie een nieuwe logica in het leven geroepen voor de samenwerking tussen open productieve gemeenschappen die gedeelde hulpbronnen (commons) creëren aan de hand van bijdragen, en marktgerichte entiteiten die toegevoegde waarde creëren bovenop of langs deze gedeelde commons.

Deze tekst handelt over ontluikende praktijken die een inspiratiebron kunnen zijn voor de nieuwe entiteiten van de ethische economie. De belangrijkste doelstelling is het creëren van nieuwe entiteiten die de traditionele bedrijfsvormen met hun winstmaximaliserende praktijken van waarde-extractie overstijgen. In plaats van extractieve kapitaalvormen hebben we generatieve vormen nodig die waarde co-creëren met en voor de commoners.

Voor de verklaring van de nieuwe praktijken, gebruik ik dezelfde formule als die van de Tien Geboden. Ze bestaan reeds allemaal onder verschillende gedaanten, maar moeten nog veralgemeend en geïntegreerd worden. Wat de wereld, de mensheid en alle wezens die de invloed ondergaan van onze activiteiten nodig hebben, is een productiewijze en productieverhoudingen die zowel vrij, eerlijk als duurzaam zijn.

Open en vrij

1. Gij zult open bedrijfsmodellen gebruiken die steunen op gedeelde kennis.

Gesloten bedrijfsmodellen zijn gebaseerd op artificiële schaarste. Hoewel kennis een niet- of zelfs anti-rivaliserend goed is waarvan de gebruikswaarde toeneemt naarmate het meer wordt gedeeld, en hoewel het in digitale vorm gemakkelijk kan gedeeld worden tegen zeer lage marginale kost, creëren veel extractieve bedrijven opzettelijk artificiële schaarste om rente te kunnen onttrekken aan het creëren of het gebruik van gedigitaliseerde kennis. Via legale onderdrukking of technologische sabotage worden goederen die natuurlijk kunnen worden gedeeld kunstmatig schaars gemaakt om extra winsten te genereren.

Dat is hemeltergend in een context waarin technische kennis in staat is levens te redden en de planeet te helen. Het eerste gebod is daarom het ethische gebod om te delen wat kan worden gedeeld, en om alleen marktwaarde te creëren bij hulpbronnen die schaars zijn, en toegevoegde waarde te creëren bovenop of langs deze commons. Open bedrijfsmodellen zijn marktstrategieën die gebaseerd zijn op de erkenning van natuurlijke overvloed en de weigering om een inkomen te genereren door die kunstmatig schaars te maken.

Meer informatie (in het Engels) is te vinden hier

Eerlijk

2. Gij zult werken via open coöperatieven

Er worden veel meer nieuwe ethische en generatieve entiteiten opgericht die meer in harmonie zijn met de uit bijdragen gecreëerde commons. De sleutel hierbij is om te kiezen voor postbedrijfsvormen die toelaten dat de bijdragende commoners in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

Vooral open coöperatieven komen hiervoor in aanmerking. Ze hebben de volgende kenmerken:

1. Ze zijn doelgericht en hebben een sociale doelstelling die verbonden is aan de creatie van gedeelde hulpbronnen
2. Ze worden beheerd volgens een multi-stakeholdermodel, waarbij iedereen betrokken wordt die beïnvloed wordt door de werkzaamheden of bijdragen levert tot de betrokken activiteit
3. Ze verbinden zich statutair en volgens hun eigen regels met de productieve gemeenschappen voor het co-creëren van commons.

Ik voeg daar vaak nog een vierde voorwaarde aan toe, namelijk dat ze organisatorisch een globale visie hebben ten einde een tegenmacht te kunnen creëren tegenover de extractieve multinationals.

Coöperatieven zijn maar één van de potentiële vormen die commons-vriendelijke marktentiteiten kunnen aannemen. We zien ook de opkomst van meer open entiteiten zoals neo-tribale vormen (denk aan de werkwijze van de gemeenschap rond Ouishare), of meer strak georganiseerde nieuwe modellen zoals Enspiral.org, Las Indias of de Ethos Foundation. Een nog opener vorm is het soort van netwerk waarvoor de gemeenschap rond de open wetenschappelijke hardware Sensorica heeft gekozen. Ze wil de bijdragen strakker koppelen aan de gegenereerde inkomsten door alle microtaken in het beloningssysteem toe te laten aan de hand van open value accounting of contibutory acccounting (verder meer hierover).

Gij zult hierover meer informatie (in het Engels) vinden hier

3. Gij zult gebruik maken van Open Value Accounting (“open-waarde-boekhouding”) of Contibutory Accounting (“bijdragende boekhouding”)

Peer-productie is gebaseerd op vrije, gedistribueerde taken van bijdragers die werken binnen een samenwerkingsinfrastructuur gedreven door een open gemeenschap. De traditie van een baan met vaste taakbeschrijving in ruil voor een salaris is allicht niet de meest aangewezen manier om de bijdragers tot dergelijke processen te belonen. Vandaar de geboorte van de open-waarde-boekhouding of bijdragende boekhouding, een praktijk die al bestaat bij Sensorica. Het systeem bestaat erin dat elke commoner bijdragen kan leveren, ingelogd naargelang een projectnummer, en ‘karmapunten’ krijgt na een peer-evaluatie. Als er inkomsten worden gegenereerd, dan vloeien die naargelang de gewogen bijdragen, zodat elke commoner op een eerlijke manier wordt vergoed. Bijdragende boekhouding of andere gelijkaardige oplossingen zijn belangrijk om te vermijden dat enkel een beperkt aantal bijdragers die dichter bij de markt staan zich alle waarde die door een veel grotere gemeenschap werd gecreëerd, zouden toe-eigenen. Open boekhouding verzekert een transparante (her)verdeling van de waarde voor alle deelnemers.

Gij zult meer informatie (in het Engels vinden hier

4. Gij zult een eerlijke verdeling van gemeenschappelijk gecreëerde waarde verzekeren via CopyFair Licenties

De copyleft licenties laten iedereen toe om de noodzakelijke kenniscommons te hergebruiken, op voorwaarde dat elke verandering en elke verbetering aan dezelfde commons wordt toegevoegd. Dat is een groot voordeel, maar we mogen daarbij de noodzaak tot eerlijkheid niet uit het oog verliezen. Wanneer we overgaan tot fysieke productie die middelen vergt voor gebouwen, grondstoffen en lonen, zien we dat een dergelijke licentie de onbeperkte commerciële exploitatie van de commons door extractieve modellen in de hand werkt. We moeten dus verzekeren dat het delen van kennis behouden blijft, maar wederkerigheid vragen voor de commerciële exploitatie van de commons zodat er een gelijk speelveld ontstaat voor de economisch ethische spelers die de sociale en ecologische kosten internaliseren. Dit wordt bewerkstelligd door copyfair licenties die wederkerigheid vragen in ruil voor het recht op commercialisering, met behoud van het volledig delen van de kennis.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie vinden hier

5. Gij zult solidariteit bedrijven en de levens- en werkrisico’s verminderen via commonfare-praktijken

Aangezien een van de grote gevolgen van de financiële en neoliberale globalisering de geleidelijke verzwakking van de macht van nationale staten is, bestaat er vandaag een sterke en geïntegreerde poging om de solidariteitsmechanismen, ingebed in het model van de welvaartsstaten, terug te schroeven. Zolang we de macht niet hebben om het tij te doen keren, is het noodzakelijk dat we substantiële gedistribueerde solidariteitsmechanismen heropbouwen, een praktijk die we “commonvaart” (versus welvaart) kunnen noemen. Voorbeelden als het Broodfonds (Nederland), Friendsurance (Duitsland) en de “health sharing ministries” (U.S.), of coöperatieve entiteiten zoals Coopaname in Frankrijk laten nieuwe vormen van gedistribueerde solidariteit zien die kunnen worden ontwikkeld om ons te beschermen tegen levens- en werkrisico’s

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

Duurzaam

6. Gij zult open en duurzame ontwerpen gebruiken voor een open source circulaire economie

Productieve open gemeenschappen verzekeren maximale participatie via modulariteit en granulariteit. Omdat ze opereren in een context van gedeelde en overvloedige middelen, is de praktijk van geplande slijtage -die geen fout is maar een kenmerk van winstmaximaliserende bedrijven- volledig vreemd aan hen. Ethische ondernemersentiteiten zullen daarom deze open en duurzame modellen gebruiken en duurzame goederen en diensten produceren.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

7. Gij zult verder gaan dan uitsluitend te steunen op onvolkomen prijssignalen van de markt en overgaan tot wederzijdse coördinatie van de productie via open aanvoerketens en open boekhouding.

Wat besluitvorming is voor planning en het prijsmechanisme voor de markt, is wederzijdse coördinatie voor de commons.

We zullen nooit komen tot een duurzame ‘circulaire economie’ waarbij de output van het ene productieproces gebruikt wordt als de input voor een ander, als we gesloten aanvoerketens gebruiken en als elke samenwerking onderworpen is aan pijnlijke onderhandelingen in een weinig transparante omgeving. Maar ondernemingscoalities die reeds onderling afhankelijk zijn door hun bijdragen aan collaboratieve commons kunnen ecosystemen van samenwerking creëren aan de hand van open aanvoerketens waarin de productieprocessen transparant worden en waarbij elke participant zijn gedrag kan aanpassen gebaseerd op de beschikbare kennis binnen het netwerk. Overproductie doet zich niet voor wanneer de werkelijke productie van het netwerk algemene kennis wordt.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

8. Gij zult cosmo-lokalisering bedrijven

Als het licht is, is het globaal, als het zwaar is, is het lokaal: dit is het nieuwe principe van commons gebaseerde peer-productie, waarbij kennis wereldwijd wordt gedeeld maar de productie kan plaatsvinden op basis van de vraag en gebaseerd op werkelijke noden via een netwerk van gedistribueerde co-working ateliers en microfabrieken. Sommige studies hebben aangetoond dat tot tweederden van de grondstoffen en energie niet naar de productie gaan, maar naar transport. Dit is duidelijk onhoudbaar. Een terugkeer naar plaatselijke productie via herlocalisering is een voorwaarde sine qua non voor de overgang naar duurzame productie.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier
http://p2pfoundation.net/Category:Sustainable_Manufacturing

9. Gij zult fysieke infrastructuur wederzijds delen

Platformcoöperatieven, datacoöperatieven en fairshare-vormen van gedistribueerde eigendom kunnen worden aangewend om samen de productie-infrastructuur te bezitten.

De zogenaamde deeleconomie van Airbnb en Uber is verkeerd genoemd, maar toont niettemin het potentieel aan van middelen die anders niet zouden worden gebruikt. Co-working, skill-sharing, ride-sharing zijn voorbeelden van de vele manieren waarop we middelen kunnen delen en hergebruiken om de thermodynamische efficiëntie van onze consumptie dramatisch te verhogen.

In de juiste context van co-eigendom en co-governance, kan een echte deeleconomie gigantische voordelen opleveren op het vlak van een verminderd gebruik van hulpbronnen. Onze productiemiddelen, inclusief machines, kunnen wederzijds gedeeld worden, in eigen eigendom, door al degenen die de waarde creëren.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

10. Gij zult generatief kapitaal mutualiseren

Generatieve kapitaalvormen kunnen niet steunen op een extractief geldaanbod dat gebaseerd is op samengestelde interest verschuldigd aan extractieve banken. We moeten af van de 38% rente die in alle goederen en diensten vervat is en ons geldsysteem veranderen, en het gebruik van wederzijdse kredietsystemen substantieel verhogen.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

Vertaling Jean Lievens

Alles suggesties voor verbeteringen aan de vertaling welkom op [email protected]