3028547-poster-p-1-investors-say-lawbreakers-like-airbnb-aereo-and-uber-are-increasingly-worth-the-legal-bills

Vier visies op Uber en Airbnb

uit: De tijd van 19 april 2014, door Bart Haeck
Uber en Airbnb dwingen overheid klantvriendelijker te worden

“Uber en Airbnb zijn revolutionair omdat ze het via een app op je telefoon supermakkelijk maken een plaatsje in je wagen of een kamer in je huis te verhuren. Vroeger gebeurde zoiets voor vrienden en kennissen. Nu kan het op grote schaal, als een lightversie van wat professionele taxichauffeurs en hoteluitbaters doen. Meteen rijst de vraag hoe sterk we die lightversies moeten reguleren. Zo sterk dat we de nieuwe technologie de facto verbieden? Of zo licht dat er risico’s ontstaan?”

uit: “Wijs”, 18 april 2014: Uber, Airbnb en desintermediering

“Uber, Airbnb en consoorten zijn niet zo maar nieuwe bedrijven die zich als concurrent naast bestaande bedrijven plaatsen. Het gaat in essentie over de desintermediering die internet met zich meebrengt; over de sharing economy die zichzelf aan het vormen is; over consumenten die zichzelf organiseren in een peer-2-peer model.” (…)

“Innovatie en vernieuwing situeert zich altijd aan de onderkant. Consumenten schakelen over op een totaal nieuw product of dienst omwille van een eigenschap die haaks staat op het bestaande, en accepteren daarbij lagere kwaliteit. (Dat principe heet Satisficing.) Toen de gsm opkwam bijvoorbeeld, aanvaarden we dat de gesprekskwaliteit minder was en de prijs per minuut hoger – omwille van het nieuwe aspect van mobiliteit. Pas na verloop van tijd wordt de kwaliteitsverwachting weer opgebouwd en moeten alle aanbieders mee in het verhogen van die kwaliteit – tot de tijd rijp is voor de volgende disruptie.”

“Consumenten die zich in die P2P-platformen zelf organiseren, zijn ook heel actief bezig met die online research. Selectie en evaluatie gebeurt dus ook P2P en online. De desintermediering zit niet alleen aan de kant van het aanbod, maar ook aan de kant van regulering. De rol van de overheid wordt ook door het platformdenken overgenomen: reviews, ratings… Dat kan, omdat het platform vraag-aanbod losgetrokken wordt van de effectieve productie van dat aanbod: Airbnb en Uber hebben geen rechtstreeks belang in de afzonderlijke taxi’s en kamers, dus ze kunnen objectief zelf reguleren. Er is geen belangenvermenging. (Waarom accepteren we trouwens met veel gemak dat banken, waar die belangenvermenging veel groter is, aan zelfregulering doen?)

Wie de P2P-platformen op dezelfde manier wil reguleren als de traditionele commerciële aanbieders, verandert ‚bescherming tegen uitwassen’ in ‚paternalistische betutteling’. En getuigt van een totaal onbegrip en onkunde over hoe online natives zich gedragen (met name vooral research).”

uit: Regeln Uber Alles, door Bert Schelfhout, voorzitter Jong VLD, verschenen op 18 april 2014 in Knack

“Het bedrijf Uber laat mensen zich aanmelden als vrijwillig chauffeur via de app UberPop. UberPop-gebruikers in Brussel kunnen dan een rit boeken, tegen een variabele vergoeding aan de chauffeur (‘s nachts zijn er immers minder mensen bereid om uit hun bed te komen, vraag en aanbod dus). In een tijd waarin we met z’n allen gemotiveerd worden om te carpoolen en te autodelen, klinkt dit als een prima initiatief, maar helaas is de taxisector een van meest strikt gereguleerde van dit land. Mensen op zoek naar een bijbaantje kunnen achter extra inkomen fluiten, reizigers moeten op zoek naar – vaak minder handige – alternatieven: slechts traditionele taxibedrijven worden beter van deze beslissing. Het staat hen nochtans vrij om Uber te beschuldigen van concurrentievervalsing. Helaas is het ‘Uber’-voorval niet eens uitzonderlijk: een gelijkaardige casus deed zich ook eind vorig jaar voor, toen Brussel de activiteiten van de populaire social lodging-site Airbnb sterk aan banden legde.

Het fenomeen is uiteraard niet beperkt tot het hedendaagse België. Reeds in 1850 schreef de Franse econoom Bastiat over dit thema zijn satirische “petitie van de kaarsenmakers”, waarin kaarsenmakers de overheid aanschrijven met de vraag om de zon te verbieden, omdat zij zelfstandig de strijd niet aankunnen met deze concurrentie. Helaas blijft ook vandaag de dag innovatie geremd omdat het bestaande wettelijk kader geen rekening houdt met innovatieve en dus per definitie onvoorspelbare ideeën. Het is dan ook cruciaal, om werk te maken van een wetgevend kader dat voorzien op dat wat niet voorzien kan worden; een kader dat niet om de paar jaar à la tête du client herschreven moet worden, maar dat ademruimte biedt aan frisse, creatieve ideeën. Dit lijkt moeilijk, maar de oplossing kan amper simpeler: leg de regelneverij waar onze overheden aan lijden zélf aan banden. Creëer een soepel wetgevend kader dat slechts publieke veiligheid en milieu beschermt en roep het micromanagement in zowat elke economische sector een halt toe.”

uit Uber: geen cowboys, maar eerder outlaw – door Benjamin Dalle (CD&V), verschenen in De Tijd op 19 april

“In Brussel geldt een vergunningsplicht voor elke aanbieder van taxidiensten, met name alle bezoldigde vervoersdiensten van personen met een auto met bestuurder. Zo’n vergunningsplicht bestaat ook in Vlaanderen en in de meeste beschaafde landen. Ze is bedoeld om de veiligheid van de gebruiker en de kwaliteit van de dienstverlening te garanderen. Uber heeft nooit zo’n vergunning aangevraagd en is dus illegaal een activiteit gestart. De Brusselse rechtbank van koophandel heeft dat vastgesteld en een verbod opgelegd.

Dat Uber het vonnis zomaar naast zich neerlegt en zijn service illegaal blijft aanbieden, is niet alleen een aanfluiting van onze rechtsstaat, het is ook niet zonder risico’s voor de bevolking. Wie garandeert dat de taxigebruikers instappen in een veilige en correct verzekerde wagen, met een voor de taak geschikte en bekwame chauffeur?

Brussel heeft grote inspanningen gedaan voor een eenvoudig en transparant wetgevend kader voor taxidiensten. En dan plots in het wilde weg mensen vervoeren tegen betaling? Dat kan uiteraard niet door de beugel.

Overigens, Brussel staat niet alleen: ook in Berlijn heeft een rechter Uber juridisch aan banden gelegd. De Uber-taxi’s rijden echter nog altijd rond. Het Wilde Westen? Het zijn geen cowboys, maar eerder outlaws, die zichzelf buiten de wet en de regelgeving hebben gesteld.”

bullit-cargo-bike-dimensions

Modulaire bakfiets om publieke ruimte in te nemen

uit: Amuuze.be

De bakfiets zit terug in de lift. We gebruiken het om de kinderen naar school te brengen, om grote inkopen te doen en gezellig weg te gaan. Maar kunnen we de bakfiets ook inzetten in een nieuwe vorm van economische en socio-culturele activiteiten in stedelijke context?

Het idee zit al enige tijd in het hoofd van twee collectieven (Urban Foxes en Soft Revolution) en eind april gaan we de eerste concrete stappen leggen.

Twee modules zitten al in de pipeline: Een echte brusselse wafel box en een entertainment box (mini cinema en gaming faciliteiten). In een eerste fase willen we deze twee modules autonoom laten werken. We zoeken hiervoor nog handige harries en fervente fietsfanaten die mee willen werken aan dit project

Het idee op langere termijn is om de bakfiets ter beschikking te stellen van iedereen die een eigen box wilt uitwerken. Kleine beroepen en lokale economie kan zo worden ondersteund. Wie zich wilt toevoegen aan ons concept mag ons zeker contacteren!

shutterstock_116697142[1]

‘Databerg 10 keer groter door Internet of Things’

Fragment uit artikel gepubliceerd op Computable

De wereldwijde omvang van digitale gegevens zal tot 2020 vertienvoudigd zijn ten opzichte van 2013. Dat stelt ict-leverancier EMC na onderzoek van IDC. ‘Die enorme groei aan data wordt veroorzaakt door internet of things’, schrijft EMC in het zevende EMC digital universe onderzoek. Daarin meet en voorspelt IDC de hoeveelheid digitale gegevens die jaarlijks wereldwijd worden gecreëerd. EMC noemt dat de digital universe.

Volgens IDC zorgt de opkomst van draadloze technologieën, slimme producten en digitalisering ervoor dat de omvang van de wereldwijde databerg tussen 2013 en 2020 vertienvoudigt van 4,4 biljoen gigabytes (4,4 ZB) naar 44 biljoen gigabytes (44 ZB).

Volgens IDC creëert een gemiddeld huishouden genoeg data om 65 iPhones van 32 GB te vullen. In 2020 stijgt dit naar 318 iPhones.

EMC: ‘Het internet of things bestaat uit miljarden alledaagse voorwerpen die zijn uitgerust met unieke identificatienummers en automatisch data ontvangen of generen, opslaan en rapporteren. Bijvoorbeeld een hardloopschoen die bijhoudt hoe snel je loopt of een brug die verkeerspatronen volgt. Op dit moment zijn er tweehonderd miljard apparaten met sensoren die data kunnen genereren, 7 procent (of veertien miljard) daarvan is al verbonden en communiceert al via het internet.’

1509048_10151923136816951_1479216751_n

Boekbespreking “De Wereld redden – met peer-to-peer naar een post-kapitalistische samenleving”

Herpublicatie boekbespreking (geschreven door Jeroen Watté), gepubliceerd op 15 april 2014 op de website BewustVerbruiken

OPINIE * Een boek met zo’n ambitieuze titel kan pretentieus overkomen. Toch prijkt Michel Bauwens niet zomaar als enige Belg tussen onder anderen Gandhi en de Dalaï Lama op de (En)Rich List. Deze parodie op de Forbes Rich List van het Post Growth Institute wil de verrijkende mensen vieren die gezamenlijk het pad effenen naar duurzaamheid.

Ongeveer tien jaar geleden zei de Belg Michel Bauwens zijn leven als internetpionier voor het overheids- en bedrijfsleven vaarwel en probeerde hij grip te krijgen op het fenomeen peer-to-peer(p2p)-productie. Dat is geen fruitteelt, maar Engels voor de capaciteit van mensen om als gelijken samen waarde te creëren zonder daarvoor toestemming te moeten vragen. Het boek, dat gebaseerd is op gesprekken met studiegenoot Jean Lievens, behandelt uitvoerig de economie en de politiek van p2p, en staat kort stil bij de filosofie en spiritualiteit ervan. Tot slot geeft Bauwens uitleg bij de door hem opgerichte P2P Foundation.

DE P2P ECONOMIE: DELEN IS HET NIEUWE HEBBEN

Elk individu draagt op vrijwillige basis bij aan een project dat hij/zij wil ondersteunen. De motivatie is dus niet extrinsiek (bijvoorbeeld: om geld te verdienen), maar intrinsiek (bijvoorbeeld: omdat een probleem op te lossen). Dat maakt van p2p volgens Bauwens een hyperproductief systeem. Bijvoorbeeld het opensource-besturingssysteem Linux (lees waarom je met een switch van Microsoft naar Linux agro-ecologie vooruithelpt) dat het dominante model is geworden voor de ontwikkeling van software, of de Wikipedia-encyclopedie die de Brittanica heeft verdrongen. Bauwens stelt vast dat p2p zich ontwikkelt als niet-hiërarchische postkapitalistische productiemethode. P2p realiseert nieuwe commons; zeg maar: vormen van gemeenschappelijk bezit. Niemand bezit Linux. Iedereen mag het gebruiken, iedereen kan het beter maken. Dit gemeenschappelijke model laat toe intensiever samen te werken.

HISTORISCHE BREUKLIJN

Bauwens ontwaart een gigantisch potentieel tot ‘stigmergische’ samenwerking, een coördinatiemechanisme vergelijkbaar met hoe sociale insecten functioneren. Hij ziet een historische breuklijn, waarin gedistribueerde netwerken op basis van gemeenschappelijk aandeelhouderschap de macht breken van klassieke institutenen hiërarchieën: Linux vs. Microsoft. Hij maakt een belangrijk onderscheid tussen p2p met winstoogmerk (Facebook, Bitcoin, Airbnb) en p2p met sociaal doel. Die laatste genieten zijn voorkeur: autodelen, samenhuizen, couchsurfing, complementaire munten, repair cafés, stadslandbouw… Kortom: delen is het nieuwe hebben.

DE POLITIEK VAN P2P: STAAT – PRIVÉ-COMMONS

P2p toont aan dat het maatschappelijk middenveld productief is geworden. Bauwens maakt komaf met het oude denkpatroon, namelijk dat waarde alleen wordt gecreëerd door privé-spelers die hun eigenbelang nastreven en gebruik maken van hun eigen kapitaal. Hoe hardnekkig dat patroon is, toont zich in de taal. Nonprofit geeft aan dat profit de norm is, hetzelfde met niet-gouvernementeel. Bauwens ziet de rol van de staat dan ook verschuiven van welvaartstaat naar partnerstaat die optimale voorwaarden creëert voor het vormen en bevorderen van commons, een staat die zelfproductie stimuleert… Samen met vele middenveldorganisaties stelt hij vast dat onze hele wetgeving erop gericht is om industriële monopolies te beschermen en samenwerking te bemoeilijken. De dualiteit staat-privé is passé, we moeten naar een nieuwe triarchie staat-privé-commons.

P2P FOUNDATION: HEFBOOM VOOR SOCIALE, ECONOMISCHE EN POLITIEKE VERANDERING

De Foundation wil de betere productiemethode die p2p is, promoten als hefboom voor sociale, economische en politieke verandering. Het is een observatorium van open, participatieve en op de commons gerichte praktijken die overal opduiken in de samenleving. Tijdens de boekvoorstelling vorig jaar in het Brusselse Kaaitheater, vertelde Bauwens dat de regering van Ecuador hem als onderzoeksdirecteur inschakelde voor de realisatie van het programma Buen Vivir (‘goed leven’). Daarmee wil Ecuador de transitie realiseren van een olie-afhankelijke economie gericht op grondstoffenwinning naar een vrije en open kennismaatschappij.

GEEN APARTE EILANDJES

Dat geeft aan hoeveel er met p2p op het spel staat. Bauwens zelf zei eind vorig jaar in Humo: “Een buitenstaander zal eilandjes zien en denken dat ieder voor zich bezig is. Maar er blijkt eenzelfde schema te zijn, waar mensen onbewust naartoe werken; een onderliggende structuur die niet toevallig is en die de logica bevat van dat nieuwe productiesysteem. En dat is nu mijn taak, ik wil al die losse draadjes verbinden via de P2P Foundation.”

Het boek, maar vooral de p2p revolutie is een aanrader.

Noot Jean Lievens:
Het boek is voorlopig niet langer verkrijgbaar bij Houtekiet wegens uitverkocht. Je kan het nog bij mij bestellen door te reageren op dit artikel.

Jean Lievens over “Delen is het nieuwe hebben”

Interview Jean Lievens #DvCE2014 from REC Radiocentrum on Vimeo.

Interview met Jean Lievens: handelsingenieur en voormalig journalist, gespecialiseerd in economische en financiële berichtgeving. Thans werkzaam bij de Grondregie van Stad Brussel.

Actieve blogger, medewerker van de Peer-to-Peer Foundation, redacteur van online knipselkranten over P2P en coauteur van het boek “De wereld redden” van Michel Bauwens.

Interview tijdens Dag van de Cultuureducatie

images

“Zwermintelligentie overvleugelt individueel vernuft”

herpublicatie op Jos De Mul

Jos de Mul, “Zwermintelligentie overvleugelt individueel vernuft”. Interview met Joris Delporte. Tertio, Christelijk opinieweekblad. 2 april 2014, 4.

“Technologische evolutie blijkt als een mammoettanker in volle vaart. Een stilstand maken lukt niet, de koers bijsturen wel.” Filosoof Jos de Mul analyseert (bio)technologische opstapjes naar “homo sapiens 3.0″ “Biotechnologie en neurowetenschappen evolueren zo snel dat de mensheid voor een volgende fase in zowel cognitie als globale evolutie staat”, meent Nederlands hoogleraar Jos de Mul. “Wie we morgen zijn, ligt meer dan ooit open.”

Joris Delporte ̶ “Onze cognitie staat aan de vooravond van een volgende ontwikkelingsfase”, stelt Jos de Mul. Deze hoogleraar wijsgerige antropologie (Erasmus Universiteit Rotterdam) schetst zaterdag tijdens het Feest van de Filosofie in Leuven onder meer zijn visie op “globale intelligentie”. “Deze kunstmatige vorm van kennis overstijgt het denkvermogen waarover individuen beschikken. De som van al het individuele vernuft blijkt immers groter dan de constituerende delen. Dit soort “zwermintelligentie” is een emergent verschijnsel dat zich laat vergelijken met het vernuft van een zwerm mieren. Apart zijn die diertjes niet zo bijzonder, maar als kolonie vertonen ze behoorlijk ingenieuze gedragingen.”

Big Data

Dit toekomstige denken leidt volgens de Nederlandse wijsgeer nu al tot zijn eerste toepassingen in de economie (zie ook kader). “Bedrijven drijven de analyse van koopgedrag steeds verder, waarbij statistische correlaties hen meer leren dan individuele klantgegevens ooit kunnen”, klinkt het.” Zo maken Amazon en Google gebruik van deze zwermen aan gegevens om ons met steeds beter gerichte reclameboodschappen te verleiden. Amazon kent onze voorkeuren beter dan wijzelf. Intussen is zelfs al een systeem gepatenteerd dat boeken verzendt nog voor een klant zijn of haar bestellingen plaatst. Verder in de toekomst valt allerminst uit te sluiten dat het waarschuwende plot uit de sciencefiction-film Minority Report wordt bewaarheid. In die prent vat een speciale eenheid potentiële misdadigers preventief bij de kraag. Dergelijke gevolgen van het globale brein zijn allerminst denkbeeldig. Al blijken deze toekomstige transformaties in concreto vooral moeilijk in te beelden. Een beetje zoals de impact die informatica op ons denken heeft gehad ook het voorstellingsvermogen van een middeleeuwse scribent overstijgt.”

Eeuw van biotechnologie

“Een tweede revolutie die maatschappelijk en economisch voor een aardverschuiving zorgt, is de genetica”, vervolgt de auteur van het zopas gepubliceerde essay Kunstmatig van nature. Onderweg naar Homo sapiens 3.0. “Dit wordt naar alle waarschijnlijkheid de eeuw van biotechnologie. Volgens natuurkundige en visionair Freeman Dyson effent dit kennisdomein het pad naar een duurzame wereld waarin zonlicht uitgroeit tot de voornaamste energiebron. Vanuit die intuïtie stelt hij voor oogstgewassen ‘uit te rusten’ met silicium dat zoals bekend dienst doet in zonnepanelen, zodat die planten meer licht omzetten in chemische energie. Ook zijn voedzamere variëteiten denkbaar die geen bestrijdingsmiddelen meer nodig hebben. Mij lijken deze evoluties een logische vervolg op het menselijke avontuur. Van jagers en verzamelaars hebben wij ons ontwikkeld tot landbouwers. Deze transitie is uit nood geboren, net als later de industrialisering van landbouw en veeteelt in de afgelopen eeuwen. Met ruim zeven miljard aardbewoners lopen we nu opnieuw tegen onze grenzen aan.Nieuwe, , intensievere vormen van voedsel- en energieproductie lijken in dat verband kansrijk om deze klif in onze ontwikkeling te ronden.”

Reprogenetica

“Diezelfde Dyson toont zich eveneens een voorstander van reprogenetica. Een term die slaat op de verbetering van ‘kwaliteiten’ bij het nageslacht door bijvoorbeeld kwalijke genen in te ruilen voor exemplaren die de levenskwaliteit verhogen”, stelt De Mul. “Ingrepen waarvoor velen huiveren, niet in het minst door de kwalijke reputatie die ‘autoritaire eugenetica’ bezit. Deze critici hebben beslist een punt. Martin Heideggers voorspelling dat de mens mogelijk tot belangrijkste grondstof van de techniek verwordt, lijkt hiermee realiteit. Indien een genetische kloof groeit met rijken die zich als enigen de nodige modificaties weten te veroorloven, vallen conflicten niet uit te sluiten. De kans op oorlogen tussen ‘mensensoorten’ is dan reëel, zeker indien we terugdenken aan het fatale lot van uitgestorven mensensoorten die met de homo sapiens hebben geconcurreerd.”

Spelen met vuur

De Nederlander laat een zwerm voorbeelden de revue passeren. De vanzelfsprekendheid waarmee hij deze potentiële innovaties oplijst, is frappant. Bespreekt hij dan een toekomst die ergens al vastligt? “Sleutelen aan de natuur doen we toch”, klinkt het resoluut. “Om Amerikaans filosoof Ronald Dworkin (1931-2013) te parafraseren: sinds de dagen van Prometheus spelen stervelingen met vuur en hebben ze daarvan de consequenties te aanvaarden. Deze ontwikkelingen kunnen we vergelijken met een gigantische mammoettanker in volle vaart.. Een stilstand maken is niet mogelijk, de koers verleggen wel.. Daarbij dienen we onze kritische zin te bewaren. Laten we daarom steeds nagaan wat een toepassing verbetert, wie erover beslist en welke groepen de vruchten plukken.”

Niet deterministisch

Mensen lijken in dit verwetenschappelijkte landschap “eeuwig toekomstigen”, om de formule van Friedrich Nietzsche te hernemen. Toch is De Muls wereld niet kil of amoreel, Hij bekritiseert de reductionische en deterministische ontkenning van de moraal, zoals we die bijvoorbeeld vinden bij een evolutiebioloog als Richard Dawkins. “Leven, bewustzijn en moraal zijn emergente verschijnselen die. Bi”downward causation” vertonen. De genoemde verschijnselen zijn geen louter speelbal van de onderliggende processen, maar oefenen daarop ook hun invloed uit. Een organisme is geen louter voertuig van de genen; deze zijn veeleer de dwangarbeiders van het organisme Zo ook controleert onze moraliteit ten minste voor een deel onze natuurlijke aandriften. De mens is in staat morele keuzes te maken rond de staat van wetenschappelijke toepassingen. Al valt daarbij niet uit te sluiten dat we verkeerde wegen inslaan. “Ons vermogen om de implicaties van ons technisch handelen te doorgronden is beperkt”, besluit De Mul. “Ironisch genoeg verliezen we steeds meer de greep op de natuur naarmate we op een fundamenteler niveau in haar kunnen ingrijpen. In het tijdperk van de biotechnologie krijgen onze scheppingen een eigen agenda.

Internet als oligarchie
Big data staat garant voor big business. “Ons digitaal exhibitionisme levert Facebook, Amazon, Google en andere internetgiganten monsterwinsten op”, stipt Jos de Mul aan. “Kritische stemmen komen daartegen in het verweer. Zo vindt Amerikaanse internetpionier Jaron Lanier dat dergelijke digitale kapitalisten de data uitbuiten die gewone gebruikers genereren. Het internet is volgens hem ontaard in een oligarchie van obsceen rijke bedrijven. Zijn verbetervoorstel: betaal consumenten per bit voor de info die ze prijsgeven. Een sympathiek denkspoor dat evenwel naar alle waarschijnlijkheid in dovemansoren valt.”

Schermafbeelding 2014-04-05 om 20.06.15

SnappCar is succesvolste Nederlandse voorbeeld van deeleconomie

Gepubliceerd op 3 april 2014 op Profnews.

Drie jaar na de oprichting heeft SnappCar 40.000 gebruikers en dit aantal groeit nog elke maand. Via de site vinden maandelijks circa 1.500 transacties plaats, waarmee SnappCar het succesvolste voorbeeld in Nederland is van deeleconomie. Oprichter Victor van Tol weet waarom het concept zo`n succes is: `Wij geloven dat de consument weet wat hij wil. Je moet hem alleen even helpen.`

Het idee achter SnappCar is dat een gemiddelde auto slechts een uur per dag rijdt en verder stilstaat. Deze tijd kan iemand anders de auto gebruiken. Autobezitters kunnen via SnappCar hun auto verhuren aan particulieren en bepalen zelf wat ze voor hun auto vragen. Gebruikers zijn écht betrokken bij SnappCar. `We hoeven niet eens actief om feedback te vragen, mensen mailen of bellen ons zelf met suggesties, of delen het via Facebook en Twitter.`

SnappCar gaat daarom ook SnappKit aanbieden, waardoor huurders de auto zelfstandig kunnen openen en niet meer hoeven af te spreken met de verhuurder. `Voor first users werkt het handshake-model uitstekend, maar 10 tot 20% van onze gebruikers heeft zijn auto al meer dan 15 keer verhuurd. Die mensen kennen het proces wel, en hebben geregeld dezelfde personen die hun auto huren`, aldus Van Tol.

wikis5680929877_ea019698a6_o_0

Een blauwdruk voor de P2P-samenleving: de partnerstaat en de ethische economie

vertaling door Jean Lievens van het artikel van Michel Bauwens: “Blueprint for P2P Society: The Partner State & Ethical Economy”, gepubliceerd op 07/04/2012 op de website van Shareable

Zie ook Nederlandstalige sectie P2P Foundation

“Er is zich een nieuwe productiewijze aan het ontwikkelen. Daarmee bedoelen wij een nieuwe manier om werkelijk eender wat te produceren, van software over voedsel tot zelfs steden! Vroeger kon dit niet zonder starre organisaties in een maatschappij waarin hiërarchische modellen de mentaliteit overheersen. Vandaag ontdekken we -en in veel gevallen herontdekken we- hoe we veel zaken kunnen aanpakken door middel van vrije verenigingen van gelijken (‘peers’).

Michel Bauwens

We beginnen ook steeds meer in te zien dat het aanbreken van een nieuw tijdperk dat gekenmerkt wordt door een ethiek van vrije verenigingen en horizontale structuren niet betekent dat de instellingen zelf zullen verdwijnen, maar wel dat ze zeer diepgaande veranderingen zullen ondergaan.

In het nieuwe institutionele model van peer-productie, dat vooral zichtbaar is in de software-industrie, stellen we de volgende wisselwerking vast tussen drie partners:

1. een gemeenschap van medewerkers die een commons van kennis, software of design creëert;
2. een bedrijfscoalitie die marktwaarde creëert bovenop die commons; en
3. een aantal op voordelen gerichte verenigingen die de “samenwerkingsinfrastructuur” beheren.

Tussen die drie spelers bestaat er een duidelijke institutionele arbeidsverdeling.

De medewerkers scheppen de gebruikswaarde die gedeponeerd wordt in een gezamenlijke ‘innovatiecommons’ van kennis, code en design.
De op voordelen gerichte vereniging beheert en verdedigt de algemene samenwerkingsinfrastructuur, die op haar beurt zorgt voor de “collectieve” duurzaamheid van het project. De Wikimedia Foundation bijvoorbeeld verzamelt financiële middelen om de servers te betalen zonder dewelke toegang tot Wikipedia onmogelijk zou zijn.

De bedrijfscoalitie zorgt voor de “duurzaamheid” van de individuele medewerkers door hen een inkomen te verschaffen. Heel vaak ondersteunen ze ook de op voordelen gerichte instellingen financieel zodat die kan blijven voortbestaan.
Kunnen we ook iets leren over de politiek van deze nieuwe manier van waardeschepping, iets dat niet alleen nuttig kan zijn voor de betrokken gemeenschappen, maar voor de hele samenleving? Geven die nieuwe sociale praktijken ook aanleiding tot een nieuwe machtsvorm en een democratisch model die een mogelijk antwoord kunnen bieden op de hedendaagse crisis van de democratie? Wij antwoorden daarop met een empathisch ‘ja’. Meer nog, we beweren dat we getuige zijn van een nieuw staatsmodel, een P2P-staat als je wil.
Laten we even kijken naar de machtsmechanismen en de politiek van op de commons gerichte peer-productie door de drie spelers die betrokken zijn in deze nieuwe institutionele opstelling nader te onderzoeken.

1. De postdemocratische logica van gemeenschappen

Verrassend genoeg moeten we beginnen met de vaststelling dat die gemeenschappen niet democratisch zijn. Waarom? Heel eenvoudig: omdat democratie, de markt en hiërarchie mechanismen zijn voor de toewijzing van schaarse middelen.

In een hiërarchie beslissen onze oversten; in de markt beslist de prijs; in een democratie beslissen “wij”. Maar als de middelen onbeperkt zijn, wat het geval is met immateriële kennis, code en design, is dat niet nodig omdat die gemakkelijk en tegen marginale kostprijs kopieerbaar zijn.
Dergelijke gemeenschappen zijn echte “polyarchieën”. Het soort macht dat er heerst is meritocratisch, gedistribueerd en ad hoc. Iedereen kan bijdragen zonder toestemming te vragen, maar dit gebrek aan toestemming vooraf wordt gecompenseerd door gemeenschappelijke waarderingsmechanismen achteraf (a posteriori), waarbij degenen met een erkende expertise die aanvaard worden door de gemeenschap –de zogenaamde “beheerders” en “redacteurs”- beslissen welke deeltjes van de software of het ontwerp aanvaardbaar zijn. Die beslissingen vergen expertise, geen gemeenschappelijke consensus.
De spanning tussen inclusiviteit van deelname en selectiviteit voor uitmuntendheid bestaat in elk sociaal systeem. Peer-productie heeft die spanning echter op een vrij elegante manier opgelost. Het geniale is niet dat er geen conflicten zouden optreden, wel dat ‘onnodige’ conflicten geen kans krijgen omdat het doel van de samenwerking compatibel is met maximale menselijke vrijheid. Peer-productie is immers altijd “doelgedreven” samenwerking en het betrokken doel is bepalend voor de keuze van de mechanismen voor “Peer Governance”.

Het belangrijkste toewijzingsmechanisme in een project dat de markt, de hiërarchie en de democratie vervangt, berust op een taakverdeling. In tegenstelling tot het industrieel model is hier niet langer sprake van een arbeidsverdeling in aparte jobs, terwijl de wederzijdse coördinatie verloopt via zogenaamde ‘stigmergische’ signalen.

Aangezien de werkomgeving volledig open en transparant ontworpen is (we noemen dit holoptisme) kan elke deelnemer zien wat er nodig is en op die basis beslissen om al dan niet een bepaalde bijdrage te leveren.
Wat dit nieuwe model zo bijzonder maakt, is dat het globale coördinatie kan combineren met kleine groepsdynamiek die kenmerkend is voor primitieve stammen en dit kan verwezenlijken zonder een bevel- en controlestructuur! Peer-productie maakt bijgevolg het mondiaal schalen van kleine groepsdynamica mogelijk.

Uiteraard kunnen er tijdens de samenwerking conflicten optreden tussen de deelnemers en dat gebeurt ook vaak, alleen worden die niet op autoritaire wijze beslecht maar via een “onderhandelde coördinatie”. Geschillen worden uit de weg geruimd in de fora, mailinglijsten en chatsessies die deze gemeenschappen gebruiken om hun werk te coördineren.
De resterende hiërarchische beslissing om een bijdrage aan een programma al dan niet te accepteren -wat nodig is om de kwaliteit en uitmuntendheid van de productie te verzekeren- wordt in evenwicht gehouden door de vrijheid om “te vertakken”. Dat betekent dat deelnemers die het niet eens zijn met de eindbeslissing altijd de basiscode kunnen gebruiken om een andere versie te maken waarbij hun keuzes overwegen. Die beslissing word niet lichtzinnig genomen, maar de mogelijkheid tot vertakking vormt wel een tegenmacht. Beheerders weten dat onrechtvaardige en unilaterale beslissingen kunnen leiden tot een tanend lidmaatschap en/of tot vertakkingen.

2. De relatie tussen de gemeenschap en de bedrijfscoalitie

Wat is de relatie tussen de bedrijfscoalitie en de commons die de basis vormt van hun waardeschepping? De coalitie steunt de individuele ‘commoners’ in hun levensonderhoud en kunnen ook bijdragen tot de op voordelen gerichte vereniging. Een voorbeeld is IBM die de salarissen betaalt van softwareontwikkelaars/commoners die bijdragen tot de Linux-poel, en ook de non-profitorganisatie (de Linux Foundation) financiert. Op die manier dragen ze bij tot de commons waaraan ze hun succes ontlenen.

Maar dat betekent ook dat ze Linux veranderd hebben in een gedeeltelijke ‘bedrijfscommons’. Doc Searls , hoofdredacteur van de Linux Journal, legt het als volgt uit: “Linux is een economische joint venture geworden van een aantal bedrijven, net zoals Visa een economische joint venture is van een aantal financiële instellingen. Uit het verslag van de Linux Foundation blijkt duidelijk dat bedrijven er voor allerhande commerciële redenen aan deelnemen.”

Volgende passage over het werk aan de Linux-kernel maakt dit duidelijk: “Meer dan 70% van de kernontwikkeling wordt aantoonbaar verricht door ontwikkelaars die betaald worden voor hun werk. Meer dan 14% komt van ontwikkelaars van wie geweten is dat ze onbetaald en onafhankelijk zijn en 13% door mensen die al dan niet betaald worden (onbekend). Met andere woorden, de hoeveelheid werk die gepresteerd wordt door betaalde werknemers kan oplopen tot 85%. De Linux-kernel is dus in hoofdzaak het product van professionelen, niet van vrijwilligers.”

Alleen is dit niet het volledige verhaal. Timothy Lee legt uit dat de verzelfstandiging van Linux het onderliggend organisatorisch model niet veranderd heeft:
“Waar het om gaat, is de manier waarop open-sourceprojecten intern georganiseerd zijn. Bij een traditioneel softwareproject beslist een projectmanager over de kenmerken die het product moet hebben en geeft werknemers de opdracht om te werken aan de verschillende functies. Maar er is niemand die de algemene ontwikkeling van de Linux-kernel aanstuurt. Ja, Linus Torvalds en zijn luitenants beslissen welke onderdelen het uiteindelijk tot in de kernel schoppen, maar de werknemers van Red Hat, IBM en Novell die werken aan de Linux-kernel krijgen van hen geen orders. Ze werken aan om het even wat zij (of hun respectievelijke cliënten) belangrijk vinden. Torvalds kan alleen beslissen of de deeltjes software die ze hebben bijgedragen goed genoeg zijn om in de kernel op te nemen.”

Clay Shirky, de auteur van “Here Comes Everybody: The Power of Organizing Without Organisations” benadrukt dat bedrijven zoals IBM die met Linux werken “afstand hebben gedaan van hun recht om de projecten waarvoor ze betalen te leiden; bovendien hebben hun concurrenten directe toegang tot alles wat ze doen. Het is geen IBM-product.” Dat is het punt dat we willen benadrukken: zelfs wanneer beursgenoteerde ondernemingen betrokken zijn in peer-productie, speelt de waardeschepping van de gemeenschap nog altijd een centrale rol in het proces. De bedrijfscoalitie volgt nu al in belangrijke mate deze nieuwe logica die de gemeenschap op de eerste plaats zet en de onderneming pas op de tweede. In dit model moet het bedrijfsmodel de sociale logica volgen. Anders gesteld: het is al een “ethische economie”.

3. De democratische logica van de op voordelen gerichte verenigingen

Peer-productie rust soms op een dure samenwerkingsinfrastructuur. Wikipedia kan niet bestaan zonder de financiering van zijn servers en zonder gelijkaardige ondersteunende mechanismen zijn ook vrije software of open hardware niet mogelijk. Dat is de reden waarom open-sourcegemeenschappen een nieuwe sociale instelling in het leven hebben geroepen: de op voordelen gerichte vereniging.

Ook hier hebben we te maken met een belangrijke sociale innovatie, want in tegenstelling tot klassieke non-profits of niet-gouvernementele organisaties opereren ze niet vanuit een standpunt van schaarste. Klassieke NGO’s functioneren grotendeels op dezelfde manier als industriële instellingen zoals bedrijven en de marktgerichte staat. Ze gaan er immers van uit dat middelen moeten ingezameld en beheerd worden.
De nieuwe op voordelen gerichte verenigingen daarentegen spelen enkel een actieve rol bij het in staat stellen en stimuleren van de gemeenschap om samen te werken door een infrastructuur ter beschikking te stellen. Ze spelen geen enkele rol bij het beheer van het productieproces. Die verenigingen hebben als enige doel de gemeenschap waarvan zij de uitdrukking zijn te doen floreren. Doorgaans worden ze democratisch bestuurd, en dat is ook nodig aangezien een ondemocratische instelling participanten zou ontmoedigen om bij te dragen.

Welnu, hier komt de kat op de koord: hoe zou je een instelling noemen die verantwoordelijk is voor het welzijn van alle deelnemers – in dit geval niet de inwoners van een bepaald gebied, maar van mensen die betrokken zijn in eenzelfde project? Wij beweren dat een dergelijke instelling een rol vervult die zeer gelijkaardig is als degene die we normaal toeschrijven aan de staat. Terwijl de staat ook altijd een op klassen gebaseerde instelling is die een bepaalde regeling inzake sociale privileges verdedigt, kan een op voordelen gerichte vereniging zich nooit beperken tot een instrument voor de heerschappij van een elite, maar dient ze ook de commons te beheren. In de mate dat ze die rol vervult, zullen de meeste mensen dit beschouwen als een aanvaardbare of zelfs goede staatsvorm. Maar naarmate ze daarin faalt, verliest ze legitimiteit en wordt ze in toenemende mate gezien als een bron van onderdrukking door een minderheid.

Algemeen gesproken, weerspiegelt een staat de krachtsverhoudingen in een bepaalde samenleving. De welvaartsstaat was een aanvaardbare staatsvorm omdat ze gebaseerd was op een sociaal compromis en op een sterke arbeidersbeweging, terwijl de geprivilegieerde lagen van de bevolking geconfronteerd werden met het schrikbeeld van een alternatieve staatsvorm die de trouw van hun burgers potentieel kon wegkapen.
Dit alternatief stortte in 1989 ineen met de sociale bewegingen in Oost-Europa. Het werd verder uitgehold door de sociale, politieke en economische keuze om vanaf de jaren 80 het Noorden te desindustrialiseren.
Geleidelijk aan moest de sociale welvaartsstaat plaatsruimen voor de hedendaagse verzorgingsstaat voor bedrijven (ook wel eens de marktstaat genoemd), die enkel de bevoorrechte klasse helpt, sociale solidariteitsmechanismen vernietigt, de meerderheid van de bevolking armer maakt en de middenklasse fataal verzwakt. Helaas kan een dergelijk systeem zijn legitimiteit op langere termijn niet behouden omdat het elk sociaal contract verbreekt dat sociale vrede kan waarborgen. Het is moeilijk om loyaliteit te bouwen door de belofte van steeds meer pijn!

Dat betekent dat we niet alleen getuige zijn van de dood van de sociale welvaartsstaat, maar ook van de dood en de logische onmogelijkheid van de neoliberale verzorgingsstaat voor bedrijven. We moeten daaraan toevoegen dat zelfs de welvaartsstaat problematisch is geworden. De belangrijkste reden is dat haar sociale basis, de westerse industriële arbeidersklasse en haar sociale bewegingen, in het Westen een demografische minderheid is geworden. Haar mechanismen -zelfs als ze werkten- kunnen niet veel meer doen om de huidige sociale meerderheid –vaak freelancende en sociaal kwetsbare kenniswerkers en bedienden- te helpen.

Bovendien verdragen de nieuwe klasse kenniswerkers die streven naar persoonlijke en sociale zelfstandigheid de paternalistische en bureaucratische werking van veel instellingen van de welvaartstaat niet langer. Veel andere positieve kenmerken van de welvaartsstaat werden ondermijnd door de neoliberale hervormingen van de “derde weg” die tot doel hadden de logica van de private sector te introduceren in de overheidssector.

4. Naar een partnerstaat

Kunnen we ons dan een nieuwe staatsvorm voorstellen? Graag introduceren we hierbij het concept van de partnerstaat. De partnerstaat, waarvan het theoretisch concept voor het eerst werd uitgewerkt door de Italiaanse politicologe Cosma Orsi, is een staatsvorm die de sociale waardecreatie door haar burgers mogelijk maakt en ondersteunt. Ze beschermt de samenwerkingsinfrastructuur voor de hele samenleving.

De partnerstaat kan op elk territoriaal niveau bestaan als een verzameling instellingen die het gemeenschappelijk welzijn beschermt en de burgers in staat stelt om waarde te creëren. Ze doet op territoriale schaal wat de op voordelen gerichte vereniging doet op projectmatige schaal. Terwijl de op voordelen gerichte verenigingen werken voor de commoners als medewerkers en participanten van welbepaalde projecten, werkt de partnerstaat voor de burgers. Dit is nodig want net zoals de Onzichtbare Hand die de markt regeert een mythe is, bestaat er ook geen onzichtbare hand voor de commons. Commoners hebben de neiging om zorg te dragen voor hun commons, niet voor de maatschappij in haar geheel. Die specifieke zorg voor het geheel vergt eigen specifieke instellingen!

Het goede nieuws is dat een dergelijke partnerstaat al bestaat. We hebben ze al in actie gezien, zij het op embryonale schaal. Enkele jaren geleden bezocht ik de stad Brest in het Franse Bretagne. Brest is niet echt een mooie stad, hoewel ze omringd is door prachtig natuurgebied. De stad werd platgebombardeerd in WOII en op het puin verrezen onaantrekkelijke sociale woningen die een broeihaard zijn voor heel wat sociale problemen. Michel Briand, gemeenteraadslid in Brest en verantwoordelijk voor internet en multimedia, en zijn team gemeenteambtenaren hadden een briljant idee: waarom geen beroep doen op de virtuele wereld om het echte sociale leven in de stad te verbeteren?

Het team creëerde een plaatselijke versie van Facebook, YouTube en Flickr, hielp plaatselijke verenigingen om online aanwezig te zijn, investeerde zwaar in opleidingen en stelde zelfs een bibliotheek ter beschikking waar burgers productiemateriaal konden lenen. Een van hun projecten bestond erin oude ‘smokkelroutes’ nieuw leven in te blazen om wandelaars aan te trekken. Ze beslisten dus om de paden “virtueel te verrijken”.
Het is op dat punt dat sociale innovatie de kop opsteekt: het gemeentebestuur stelde zich niet in de plaats van de burgers (door middel van overheidsvoorzieningen) en vroeg evenmin aan de privésector om zich over die taak te ontfermen (via privatisering of een privaatpublieke samenwerking) . In plaats daarvan gaven ze burgerteams de middelen om zelf waarde te creëren.
Dit gebeurde aan de hand van verschillende initiatieven, zoals het maken van een fotogalerie van opmerkelijke monumenten, mondelinge historische verhalen, enz. Zelfs het opnemen van vogelgeluiden stond op het menu! Dit is een goed voorbeeld van de partnerstaat: publieke autoriteiten die de juiste omgeving en ondersteunende infrastructuur creëren om de burgers in staat te stellen om via peer-productie waarde te creëren die de hele maatschappij ten goede komt.

Dergelijke initiatieven stimuleren de lokale economie en geven plaatselijke ondernemers de kans om bovenop die commons marktwaarde te creëren en nog meer toeristen aan te trekken. Michel Briand en zijn team werkten onvermoeibaar “voor het welzijn van de burgers”, door hun vermogen tot het scheppen van burgerlijke waarde te verbeteren. De kennis en cultuur dat op die manier werden gecreëerd, leidden tot een bruisende commons.
Indien we dit voorbeeld zouden verheffen tot een nationaal en zelfs supranationaal niveau, dan komen we tot een staatsvorm die zorgt voor ‘common-vaart’, met andere woorden, een staat die de commons en waardecreërende commoners bevordert.

Natuurlijk zijn er nog andere voorbeelden. De Oostenrijkse regio Linz heeft zichzelf uitgeroepen tot een ‘Commons Regio’; de stad Napels heeft een nieuwe post in het leven geroepen, een “assistent voor de burgemeester van de commons’, en San Francisco heeft een werkgroep opgericht om de samenwerkingseconomie (of sharing economie) te bevorderen.
Aan dit alles is echter ook een groot gevaar verbonden dat we kunnen illustreren aan de hand van het ‘Big Society’-programma in het Verenigd Koninkrijk, waar de autoriteiten dezelfde taal over burgerlijke autonomie en actie hanteren, waar achter echter een volledig andere praktijk schuilgaat. Hun politiek is erop gericht de welvaartstaat en haar sociale voorzieningen verder te ondermijnen. Een partnerstaat kan zich niet baseren op de vernietiging van de openbare samenwerkingsinfrastructuur.

Misschien was dat niet de oorspronkelijke bedoeling van Philipp Blond en zijn “Red Tories” die zich richten op het sociaal middenveld, maar het is wel wat de regering van David Cameron met zijn “Big Society” in de praktijk brengt. De peer-productie van gemeenschappelijke waarde heeft civiele rijkdom en sterke burgerlijke instellingen nodig! Met andere woorden, het concept van de partnerstaat overstijgt en omvat al het beste van de welvaartstaat, namelijk sociale solidariteitsmechanismen, een hoog opleidingsniveau en een bruisend cultureel leven, ondersteund door de gemeenschap.
De Britse Tories gebruikten de retoriek van de ‘Big Society’ in een poging om de overblijfselen van sociale solidariteit verder uit te hollen en mensen weer aan hun eigen lot over te laten zonder de minste overheidssteun. Dit heeft niets te maken met mensen te machtigen en te ondersteunen; het is precies het omgekeerde.

Terwijl peer-productie ongetwijfeld ook zal toenemen als toevlucht om zich weerbaarder te op te stellen in slechte tijden, heeft een bloeiende op de commons gebaseerde maatschappij nood aan een partnerstaat, met andere woorden een netwerk van op voordelen gerichte instellingen die democratisch worden bestuurd en het gemeenschappelijke welzijn op territoriale schaal beschermen.

5. Een waardecrisis van de kapitalistische economie.

Peer-productie is verbonden met een bedrijfscoalitie die marktwaarde creëert bovenop de commons. Maar de exponentiële toename van waardeschepping door een creatieve gemeenschap van ‘prosumenten” (“produsers”) zoals Axel Bruns ze noemt, schept problemen en contradicties voor de huidige politieke economie.

Peer-productie schept niet alleen een groot probleem voor het kapitalistisch systeem, maar ook voor de arbeiders in de traditionele zin, aangezien de markt gedefinieerd wordt als een mechanisme voor het toewijzen van schaarse middelen. Bovendien is het kapitalisme niet alleen een systeem om schaarse middelen te verdelen, maar ook een systeem dat schaarste creëert. Het kan alleen kapitaal accumuleren door voortdurend de omstandigheden voor schaarste te reproduceren en uit te breiden. Als er geen spanning is tussen vraag en aanbod, kan er geen markt noch kapitaalaccumulatie bestaan.
Wat peer-producenten doen –momenteel voornamelijk op het vlak van immateriële productie van kennis, software en design- is het scheppen van een overvloed aan gemakkelijk te reproduceren informatie en bruikbare kennis die niet direct omzetbaar zijn in marktwaarde. Ze zijn immers helemaal niet schaars, maar in tegendeel overvloedig. En de kenniswerkers die deze activiteit verrichten, worden vandaag ook op massale schaal ‘geproduceerd’ waardoor ook zij worden herleid tot kwetsbare arbeiders.

Het resultaat is een exodus van productieve capaciteit in de vorm van productie van directe gebruikswaarde, die plaatsvindt buiten het bestaande systeem van monetisering, en enkel aan de rand opereert. Telkens er in het verleden een soortgelijke exodus plaatsvond, van slaven tijdens het verval van het Romeinse Rijk of van lijfeigenen tijdens de vervalperiode in de middeleeuwen, was dat altijd op het moment dat de voorwaarden klaar waren voor belangrijke en fundamentele maatschappelijke en economische faseovergangen.

We kunnen ons namelijk moeilijk voorstellen dat het kapitalisme kan voortbestaan als het niet langer in hoofdzaak afhankelijk is van kapitaal, grondstoffen en arbeid.
Het probleem van het scheppen van gebruikswaarde, mogelijk gemaakt door samen te werken via het internet, is dat dit de normale gang van zaken volledig omzeilt. Voor de normale werking van ons economisch systeem is het nodig dat productiviteitsstijgingen op een of andere manier worden beloond en dat die beloningen consumenten in staat stellen om een inkomen te verwerven waarmee ze producten kunnen kopen.
Maar dat gebeurt niet langer. Gebruikers van Facebook en Google creëren commerciële waarde voor hun platformen, maar slechts zeer onrechtstreeks. Bovendien worden ze totaal niet beloond voor hun waardeschepping. Aangezien datgene dat ze creëren niet wordt omgezet in verhandelbare, schaarse goederen op de markt, ontstaat er geen omgekeerde inkomensstroom in de richting van de makers. Dat betekent dat de platformen van sociale media een belangrijke breuklijn in ons systeem blootleggen.

De huidige zogenaamde kenniseconomie is daarom een schijnvertoning en een utopie omdat goederen in overvloed slecht gedijen in een markteconomie. Maar is er een uitweg uit deze impasse, gezien de toenemende onzekerheid waarmee werknemers wereldwijd geconfronteerd worden? Kunnen we de gebroken feedbacklus herstellen?

6. De prefiguratie van een nieuw sociaal model

Vreemd genoeg zouden we het antwoord op die vraag wel eens kunnen vinden in de recente politieke Occupy beweging, omdat de occupiers naast de peer-productie van hun “politieke commons” ook nieuwe praktijken ontwikkelden op het vlak van ondernemen en waardecreatie. Hun praktijken waren zelfs opmerkelijk vergelijkbaar met de institutionele ecologie die reeds van toepassing is in de productiegemeenschappen van vrije software en open hardware. En dat is geen toeval.
Blikken we even terug naar de werking van Occupy Wall Street (OWS) aan Zuccotti Park in de herfst van vorig jaar toen de occupiers nog altijd actief waren. Centraal bevond zich een productieve gemeenschap die via de Algemene Vergadering consensus bereikte en allerhande sjablonen aanbood (Mic check, protestcamping, werkgroepen, etc.), die in ware open-sourcestijl konden worden gekopieerd en overgenomen door gelijkaardige groepen wereldwijd, maar ook konden worden aangepast aan de plaatselijke behoeften (in het jargon van open source “forking” of “vertakking” genoemd). Indien je niet bijdroeg, had je ook geen inspraak, dus engagement was en is noodzakelijk. Die gemeenschap had nood aan allerlei zaken zoals voedsel, onderdak, maar ook gezondheidszorg. Deden ze hiervoor een beroep op de markteconomie? Nee, maar ook ja, zij het op een kwalitatieve manier. Laten we dit even uitleggen.

OWS riep allerhande werkgroepen in het leven om oplossingen te vinden voor hun fysieke noden. Met andere woorden: de occupiers beschouwden de economie als een voorzieningssysteem, zoals uitgelegd in het uitstekende boek van Marvin Brown, “Civilizing the Economy”. Het waren burgers, georganiseerd in werkgroepen, die beslisten welke voorzieningssystemen geschikt waren en in overeenstemming met hun ethische waarden.
Organische landbouwers uit Vermont leverden bijvoorbeeld gratis voedsel aan de kampeerders; vrijwillige koks bereidden de maaltijden. Maar deze praktijk had een negatief neveneffect. De plaatselijke straatventers, meestal arme immigranten, verging het minder goed. Aangezien iedereen gratis voedsel kreeg, konden zij hun waren nog moeilijk kwijt. Het antwoord op dit drama kwam van de bezetters die zich het lot van de straatventers aantrokken. Daarom zetten ze het “OWS Street Vendor Project” op touw om fondsen in te zamelen waarmee ze voedsel konden kopen van de straatverkopers.
En met succes: in één klap creëerde OWS een goedfunctionerende ethische economie waarin ook een marktdynamiek aanwezig was, die echter in harmonie was met het waardesysteem van de bezetters. De doorslaggevende factor was dat burgers beslisten over het meest aangewezen bevoorradingssysteem en niet rijke eigenaars in een economie die geen ethische waarden kent.
Wat kunnen we leren van het prille Occupy-model als we het zouden veralgemenen tot het niveau van de hele samenleving?

Vandaag gaan we ervan uit dat waarde gecreëerd wordt in de private sector door winstgedreven ondernemingen, en beschouwen we het maatschappelijke middenveld eigenlijk als een restcategorie. Het is wat we doen als we thuiskomen, uitgeput na een dag hard werken voor een loon. We herkennen dit fenomeen ook aan ons taalgebruik: organisaties van het maatschappelijk middenveld noemen we non-profit en niet-gouvernementeel.
Het systeem in zijn totaliteit wordt beheerd door een staat, maar de sociaaldemocratische welvaartsstaat heeft steeds meer plaats moeten ruimen voor een neoliberale verzorgingsstaat voor bedrijven, waarbij de winsten worden geprivatiseerd en de verliezen gesocialiseerd. Anders gesteld: de staat is zelf een verlengstuk geworden van de onderneming en staat steeds minder ten dienste van de burger. We kunnen de voortgang van dit model zien aan de hand van de meedogenloze bezuinigingspolitiek die de trojka oplegt in het hart van Europa –Griekenland. Draconische bezuinigingen zijn dus niet langer beperkt tot zwakkere ontwikkelingslanden.

De modellen van Occupy en open source
De modellen van Occupy en open source tonen ons de mogelijkheid van een nieuwe realiteit, een model waarbij het maatschappelijk middenveld, de productieve commons en een bruisende markt samen kunnen bestaan ten voordelen van iedereen:
1. Centraal in de waardeschepping staan verschillende commons, waar innovaties ter beschikking staan aan iedereen om te delen en om aan verder te bouwen.
2. Die commons worden mogelijk gemaakt en beschermd door burgerlijke instellingen zonder winstoogmerk, die als nationaal equivalent de partnerstaat hebben, die sociale productie stimuleert maakt en ondersteunt.
3. Rond de commons ontstaat een bruisende op de commons georiënteerde economie, aangedreven door allerlei ethische ondernemingen met wettelijke structuren die hen binden aan de waarden en doelstellingen van de gemeenschappen rond de commons, en niet van afwezige private aandeelhouders met als enig doel het maximaliseren van de winst ten koste van alles.

Daar waar de drie sectoren elkaar overlappen, bevinden zich de burgers die beslissen over de optimale vorm van hun bevoorradingssystemen. Dit model kan bestaan als submodel binnen het kapitalisme, wat vandaag reeds gedeeltelijk het geval is zoals de bedrijfsecologie rond open software aantoont. Maar het kan ook, mits enkele noodzakelijke ingrepen, de hoofdlogica worden van een nieuwe samenleving. De Occupy-beweging heeft ons niet alleen prefiguratieve politieke praktijken laten zien, maar in feite ook een prefiguratieve economie. Een afzonderlijke vraag is natuurlijk hoe we tot een dergelijke samenleving kunnen komen. Een gedeeltelijk antwoord is dat daar niet alleen krachtige sociale bewegingen voor nodig zijn die ijveren voor sociale hervorming en omvorming, maar ook een verdere transformatie en ontwikkeling van het peer-productiemodel zelf.
Vandaag is het een proto-productiewijze die volledig verweven is met het kapitalistisch systeem. De betrokken kenniswerkers zouden zich sociaal niet kunnen reproduceren zonder een algemene openbare infrastructuur die verschaft wordt door de overheid en meer specifiek zonder een inkomen uit de arbeid die ze verrichten voor een kapitalistische onderneming (of de overheid). Is het mogelijk om een echt autonoom model van peer-productie te maken dat zijn eigen reproductiecyclus kan creëren? Hiervoor stellen we twee ingrepen voor.

Ten eerste willen we een andere soort licentie gebruiken, namelijk de peer-productielicentie zoals voorgesteld door Dmytri Kleiner. Die “sharing licentie” houdt in dat iedereen die bijdraagt tot de commons ook gebruik kan maken van de commons. Ten tweede stellen we de oprichting voor van onafhankelijke ondernemingsvormen die niet gericht zijn op winst, maar ethische bedrijven waarvan de leden commoners zijn en die als taak hebben de commons en hun medewerkers te ondersteunen.
Geïnspireerd door het fictieverhaal van Neal Stephenson, “The Diamond Age,” en de baanbrekende praktijken van het samenwerkingsnetwerk Las Indias, stellen we voor deze ondernemingen “phyles” te noemen. Phyles zijn doelgerichte entiteiten die de gemeenschap ondersteunen en die op een mondiale schaal opereren binnen de markt, maar werken voor de commons.
Op die manier zou de sociale reproductie van de commoners niet langer afhankelijk zijn van de accumulatiecyclus van het kapitaal, maar van haar eigen cyclus van waardecreatie en -realisatie. Samen met sociale bewegingen en politieke vertegenwoordiging geloven we dat deze drie componenten de basis zouden kunnen vormen van een nieuwe sociale en politieke heerschappij, die de fundamentele stuwende sociale kracht zou zijn voor maatschappelijke verandering in de zin van een verdieping en verbreding van peer-productiemodellen, van de micro-economie tot de macro-economie.

7. Naar een beschaving die steunt op ‘bereikvoordelen’ en niet op ‘schaalvoordelen’

In navolging van de internationale arbeidsverdeling opgelegd door de globalisering, proberen bedrijven meer stuks te produceren om de prijs per eenheid te drukken en zo hun concurrenten de loef af te steken.
Multinationals en wereldmerken beschikken vandaag over zeer complexe waardeketens, waarbij de verschillende componenten van een product op massale schaal worden vervaardigd in verschillende plaatsen van de wereld.
Niettemin vertoont het systeem duidelijke zwakheden. Een zwakte is dat het monoculturen in de hand werkt, zowel in de landbouw als in de industrie. Een voorbeeld zijn de bedrijven in de kuststreek van China die zeer afhankelijkheid zijn van de export. Dit voorbeeld legt trouwens een tweede probleem bloot dat daaraan verbonden is.

Competitie drijft prijzen ongenadig naar beneden, waardoor in de jaren 80 de dominante Westerse spelers van strategie veranderden. Ze keerden de dure Westerse arbeiders de rug toe, duwden ze in bestaansonzekerheid en brachten de weinig winstgevende industriële productie over naar lagelonenlanden. Daarnaast kwam de nadruk meer en meer te liggen op IP-stelsels (intellectuele rechten) waarbij ze hun rendement en superwinsten haalden uit patenten, copyrights en handelsmerken. Thijs Markus schrijft in de blog ‘Rick Falkvinge’ het volgende over Nike: “Als je schoenen ter waarde van 5 $ tegen 150 $ wilt verkopen in het Westen, kan je beter steunen op een vreselijk repressief IP-regime. Vandaar de nood voor SOPA, PIPA, ACTA en andere pogingen om sharing te criminaliseren.

Maar er is natuurlijk een fundamenteler probleem: het hele systeem van globalisering en schaalvoordelen rust op goedkoop internationaal transport en bijgevolg op de voortdurende beschikbaarheid van overvloedige fossiele brandstoffen. Na piekolie en het einde van goedkope olieproducten, gekoppeld aan de nog altijd exploderende vraag van de BRIC-landen, is het meer dan waarschijnlijk dat dit hele systeem zal ineenstorten. Uiteraard zal dit niet in één klap gebeuren, maar geleidelijk aan, ook al mogen we ons ook verwachten aan niet-lineaire sprongen.

Een onderbroken evenwicht is inderdaad niet alleen een kenmerk van biologische systemen, maar ook van sociale stelsels. Dat betekent dat uiteindelijk ook het competitiespel op basis van schaal aan betekenis zal verliezen, ook al is het vandaag nog steeds efficiënt. Alleen degenen die totaal onverschillig zijn voor de vernietiging van onze planeet zullen dat spel nog spelen. Maar welk spel kunnen de anderen spelen? Als de prijzen van fossiele brandstoffen voortdurend stijgen, zullen innovatie en competitie een andere uitweg moeten vinden. Maar eigenlijk zullen we een volledig nieuw spel moeten bedenken. Laten we echter eerst even stilstaan bij een kort historisch intermezzo, aangezien dit overgangsdrama zich al eerder heeft afgespeeld in de geschiedenis.

Terwijl de Romeinen van de late vijfde eeuw nog altijd aan het vechten waren voor de kroon van Caesar Augustus, stonden de Germaanse “barbaren” al aan de poort. De Christelijke gemeenschappen weerspiegelden reeds de waarden van een komend tijdperk van herlokalisering dat niet langer gebaseerd was op schaalvoordelen, maar op bereikvoordelen. Wat zijn bereikvoordelen? Als voorproefje geven met de volgende korte definitie: “We spreken van bereikvoordelen als we twee goederen die een gemeenschappelijk kost delen samen produceren zodat de gemeenschappelijke kost verlaagt.” Anders gezegd: iets dat de gemeenschappelijke kost van een productiefactor doet dalen, niet door meer eenheden van een bepaald goed te produceren, maar door de kosten van een gemeenschappelijke infrastructuur te delen.

Maar laten we eerst terugkeren naar onze korte historische uitstap.
Aangezien het Romeinse Rijk niet langer de kosten kon dragen van zijn eigen uitgestrektheid en complexiteit, en de aanvoer van goud en slaven alsmaar problematischer werd, begonnen slimmere landeigenaars hun slaven te bevrijden. Maar ze verbonden hen wel contractueel aan de grond, waardoor ‘coloni’ (lijfeigenen) werden. Anderzijds zochten de steeds zwaarder belaste en bankroete eigenerfden bescherming bij diezelfde domeinhouders.
Enerzijds hadden we dus een pure en eenvoudige lokalisering aangezien het systeem de grootte van het Rijk niet langer in stand kon houden. Maar het nieuwe post-Romeinse stelsel vond ook een nieuw innovatiesysteem uit dat gebaseerd was op bereikvoordelen en niet langer op schaalvoordelen. Terwijl de steden leegliepen –en samen daarmee het kennissysteem van de stedelijke bibliotheken- vonden de Christenen kloosters uit, de nieuwe agrarische kenniscentra.

Het is echter belangrijk dat terwijl het fysieke systeem zich lokaal terugplooide, de Christelijke Kerk eigenlijk functioneerde als een globale ‘open-designgemeenschap’. Monniken en manuscripten reisden rond waardoor de vele uitvindingen van de (werkende) kloosterlingen zich konden verspreiden. Terwijl Europa aanvankelijk in verval geraakte en de restanten van het Romeinse Rijk ineenstortten na de eerste Europese sociale omwenteling van 975, legde dit nieuwe systeem de zaden voor de eerste middeleeuwse industriële revolutie.

Dankzij een verenigde kenniscultuur brak in Europa tussen de 10de en 13de eeuw een nieuwe bloeiperiode aan. Europa voerde opnieuw geld in tegen een negatieve interest, waardoor accumulatie door elites onder controle werd gehouden. De bevolking verdubbelde, haar prachtige steden werden heropgebouwd en vele kregen een democratisch bestuur van gilderaden. Bovendien werden in de elfde eeuw ‘peer-to-peer’-universiteiten uitgevonden in Bologna. De eerste Europese renaissance was volledig gebaseerd op bereikvoordelen, de verenigde kennis waarop Europese intellectuelen en ambachtslui konden verder bouwen. De gilden hadden wel hun geheimen, maar namen die overal mee waar kathedralen werden gebouwd.

Meer recent zagen we in 1989 een soortgelijk experiment op nationale schaal en onder zeer moeilijke omstandigheden in het geïsoleerde Cuba, toen het land niet langer kon rekenen op de schaalvoordelen van het Sovjetsysteem. De Cubaanse crisis van 1989 was een voorafbeelding van de huidige wereldsituatie aangezien de Cubanen hun eigen moment van piekolie kenden toen de Sovjet-Unie abrupt stopte met het leveren van olie onder de wereldmarktprijs. Terwijl de Cubanen aanvankelijk opnieuw ezels gebruikten en het lichaamsgewicht van de bevolking naar beneden dook, namen de leiders een aantal interessante initiatieven.
Ten eerste gaven ze ruimte aan het plaatselijk ondernemerschap door meer autonomie te verlenen aan de landbouwcoöperaties. Ten tweede verzamelden ze basiskennis bij de bevolking, ook in de steden. Maar ten derde, wat misschien het belangrijkste was, richtten ze een aantal landbouwinstellingen op met als belangrijkste doelstelling het nabootsen en verspreiden van lokale innovaties. Wat ook de mankementen van het totalitaire systeem in Cuba zijn, dit open-designexperiment overtrof alle verwachtingen.

Zoals Bill McKibben heeft aangetoond, produceert Cuba vandaag gezond organisch voedsel in overvloed met maar een fractie van de fossiele brandstoffen die gebruikt worden in de industriële landbouw. En ze doen het op dezelfde manier als de Christelijke Kerk in het middeleeuwse Europa: door het delen van kennis en het creëren van bereikvoordelen. Landbouwinnovaties verspreidden zich snel overal ten lande en werden door iedereen overgenomen.
Grootschalige economieën werken goed in periodes waarin energie steeds overvloediger aanwezig is, maar zijn minder efficiënt in periodes waarin de energievoorraden slinken. Dan zijn bereikvoordelen nodig, waarbij je kunt “opschalen vanaf één”, zoals vandaag het geval is met de opkomende infrastructuur voor “productie op aanvraag” (on demand).
Peer-productie (in haar verschillende gedaantes van open kennis, vrije cultuur, vrije sofware, open en gedeelde ontwerpen, open hardware en gedistribueerde productie) draait precies rond deze bereikvoordelen. Laten we even herhalen wat verkeerd is aan het huidige wereldsysteem dat volledig steunt op economische schaalvoordelen en in veel gevallen bereikvoordelen zelfs illegaal maakt.
1.Ons huidige systeem steunt op de overtuiging dat groei oneindig is en grondstoffen eindeloos beschikbaar, ook al leven we op een eindige planeet; we noemen dit kenmerk uit de hand gelopen “pseudo-overvloed”
2.Het hedendaagse systeem steunt op de mening dat innovaties moeten worden geprivatiseerd en enkel mogen beschikbaar zijn tegen een fikse prijs (het IP-stelsel). Het beschouwt het delen van kennis en cultuur een misdaad; dit kenmerk noemen we opgedrongen “artificiële schaarste”.

De methodologie van peer-productie steunt op precies het tegenovergestelde economische en sociale DNA. Peer-productiegemeenschappen geloven dat kennis een commons is die iedereen mag delen, en dat bijgevolg geen enkele innovatie verborgen mag blijven voor de hele mensheid.

Meer nog, we beschouwen het verberg van een uitvinding die de wereld kan redden onethisch. Dit komt neer op een heuse omkering van waarden. Peer-productie is gericht op distributie en inclusie, op kleinschalige en zelfs persoonlijke productie. Geplande slijtage, een kenmerk dat eigen is aan ons systeem en geen toevallige fout, staat haaks op de logica van peer-productie. Anders gesteld: duurzaamheid is een inherent kenmerk van open-designgemeenschappen, geen toevallig bijverschijnsel.

Ook voor dergelijke waarde-inversies bestaan er historische precenten. De Christelijke gemeenschappen in het Romeinse Rijk concurreerden niet met het Imperium, maar bouwden hun eigen instellingen die gebaseerd waren op een andere en ongebruikelijke logica. Daar waar de Romeinse elite een hekel had aan werken (dat was weggelegd voor de lagere slaven), prezen Christelijke monniken arbeid en probeerden ze een voorafspiegeling te bouwen van het Aardse Paradijs in de wereldlijke Steden van God.

Op dezelfde manier streden de Franse sansculotten van 1789 niet voor feodale privileges, maar schaften die allemaal op één dag af. Daarom zou het verkeerd zijn om peer-productie alleen maar te zien als een stel concurrerende technieken. In werkelijkheid vinden die evoluties plaats op een volledig ander terrein. Ze leven en co-existeren in dezelfde wereld, maar behoren niet echt tot dezelfde wereldlogica.

Wat zijn dan de bereikvoordelen van het nieuwe P2P-tijdperk? Ze komen in twee smaken:
1. het onderling delen van kennis en immateriële middelen
2. het onderling delen van materiële productiemiddelen

Het eerste principe is eenvoudig te begrijpen. Als we als individu iets niet weten (niemand kan alles weten), is de kans groot dat we het als lokale of virtuele gemeenschap wel weten omdat er in die ruimere groep wel iemand zal zijn die het weet. Vandaar dat het onderling delen van kennis en door de menigte (crowd) aangedreven innovatie een vertrouwd kenmerk is van de samenwerkingseconomie. Maar het voordeel van bereik wordt gecreëerd wanneer die kennis gedeeld word, en bijgevolg door anderen kan worden gebruikt. Laten we het voorbeeld nemen van het Nutrient Dense Project.
Deze globale gemeenschap van landbouwers en burgerwetenschappers experimenteert met gezondere voedingsstoffen om betere gewassen te telen. Op die manier kunnen ze samen onderzoek verrichten en verschillende nutriënten uitproberen in verschillende bodems en klimaatzones. Niet alleen de hele werkgemeenschap haalt onmiddellijk voordeel uit de resultaten, maar potentieel de hele mensheid. Strategieën die gebaseerd zijn op het privatiseren van intellectueel eigendom kunnen dergelijke bereikvoordelen niet halen, of toch niet in die mate.

Of neem de stadsboerderij van de familie Dervaes in Los Angeles die jaarlijks 6.000 pond voedsel kan produceren op een klein lapje stadsgrond. Omdat ze hun productiviteitsinnovatie delen, hebben honderdduizenden landbouwers geleerd om hun eigen teelt te verbeteren. Maar stel je de snelheid van innovatie voor indien ze de steun zouden krijgen van overheidsinstellingen die dergelijke sociale innovaties nog verder zouden verspreiden!
Het tweede principe -het onderling delen van fysieke productiemiddelen- kunnen we illustreren aan de hand van samenwerkingsconsumptie. Het algemene idee blijft hetzelfde. Als ik alleen ben, kan ik een bepaald werktuig, vaardigheid of dienst ontberen, maar in een gemeenschap is de kans groot dat iemand anders het wel heeft, en dat die andere persoon het zou kunnen delen, verhuren of ruilen. Het is niet nodig dat iedereen hetzelfde toestel in huis heeft zolang het maar beschikbaar is wanneer we het nodig hebben. Vandaar dat we overal marktplaatsen zien opduiken.
Laten we dit illustreren met een bekend voorbeeld: carsharing. Carsharing kan gebeuren via de tussenkomst van een privébedrijf die de auto’s bezit (vlootdelen zoals Zipcar of Cambio), via P2P-marktplaatsen die autogebruikers met elkaar in verbinding stellen (RelayRides en Getaround), of via non-profits of overheidsinitiatieven (Autolib in Parijs). Maar ze hebben allemaal bereikvoordelen. Volgens een onderzoek dat Zipcar aanhaalt, zijn er voor elke huurwagen 15 keer minder persoonlijke auto’s op de baan. En mensen die zijn overgeschakeld op carsharing gebruiken 31% minder de wagen. Dus in 2009 alleen al verminderde carsharing de wereldwijde kooldioxide-uitstoot met bijna een half miljoen ton.

Stel je voor dat elke productiesector gelijkaardige resultaten behaalt.
Hoe zal het nieuwe systeem er dan uitzien als bereikvoordelen de norm worden en schaalvoordelen vervangen als belangrijkste motor van het economisch en sociaal systeem? We hebben al gesproken over globale open-designgemeenschappen en zijn van mening dat die zullen gepaard gaan met een wereldwijd netwerk van microfabrieken die plaatselijk zullen produceren, zoals nu al voorgesteld door open-sourcebedrijven als Local Motors en Wikispeed en die al praktische vorm krijgen door netwerken van hackerspaces, Fab Labs en werkplaatsen voor “co-working”.

Dat betekent dat we ook globale materiële organisaties nodig hebben, niet om op wereldschaal te produceren, maar om onze materiële activiteiten te organiseren ten einde de ‘gemeenschappelijke kosten” van de verschillende netwerken te minimaliseren, en dat niet alleen in termen van het delen van kennis. Met andere woorden: wie zal de rol vervullen die de Christelijke Kerk met haar rondtrekkende monniken speelde tijdens de middeleeuwen? Vergeet niet dat het niet alleen een open-designgemeenschap was, maar ook een effectieve materiële organisatie die leiding gaf aan een heel continentaal cultuurgebied. Beschikken wij over een equivalente potentiële P2P-versie die wereldwijd kan opereren?

Het antwoord luidt natuurlijk: de veralgemening van de “phyles” die we eerder aan u voorstelden.
Rest ons alleen nog te antwoorden op de cruciale vraag: hoe ziet een wereldbestuur (Global Governance) eruit in een P2P-beschaving? Hoe kunnen we het globale materiële Imperium die momenteel het wereldgebeuren overheerst in het voordeel van een kleine minderheid veranderen en hoe kunnen we de ondoeltreffende wereldinstellingen vervangen die vandaag niet meer in staat zijn om de globale uitdagingen van vandaag aan te gaan?”

Europees Parlement stemt in met netneutraliteit

uit Dutch Cowboys. Gepubliceerd op 3 april 2014

D66-Europarlementariër Marietje Schaake reageert verheugd op de uitkomst van de stemming over netneutraliteit door het voltallige Europees Parlement: “Na maanden onderhandelen heeft het Parlement nu ingestemd met mijn voorstel om de laatste mazen in de wet te dichten en zo netneutraliteit in Europa bij wet vast te leggen. Voor concurrentie, innovatie en het behoud van het open internet is dit cruciaal. Het Parlement kiest voor de rechten van de consument en een gelijk speelveld voor alle spelers op de Europese digitale markt. 500 miljoen Europeanen kunnen daarom binnenkort rekenen op wettelijke garanties voor een open internet.”

Nederland
In 2012 werd netneutraliteit op initiatief van D66 in de Nederlandse wet verankerd. Voor Nederlandse bedrijven is een gelijk speelveld belangrijk, maar koploper zijn kent ook nadelen zolang niet alle Europese bedrijven zich aan dezelfde regels hoeven te houden. “Zonder wettelijke garanties voor netneutraliteit bleek een kwart van alle Europeanen niet in staat de online diensten van hun keuze te gebruiken. De stemming van vandaag zorgt er daarnaast voor dat spelers zonder diepe zakken, zoals start-ups, ziekenhuizen of universiteiten niet verdrukt kunnen worden door bestaande internetbedrijven die onderling deals sluiten over bijvoorbeeld snellere service tegen hogere betaling,” zo vervolgt Schaake.

Roaming in buitenland afgeschaft
Behalve over netneutraliteit bevat het voorstel voor een Europese telecommarkt maatregelen die een einde moeten maken aan hoge kosten voor roaming in Europa. Mobiel bellen en internetten in het buitenland moeten evenveel kosten als thuis. Schaake: “De voordelen voor toeristen en zakelijke reizigers zijn gigantisch. Als Europese liberale fractie hebben we er voor gezorgd dat deze voordelen al eind 2015 ingaan. Het eindelijk afschaffen van roaming kosten is een belangrijke stap in de voltooiing van de Europese digitale markt.”

Wienke Giezeman, laat namens Startups for Net Neutrality weten: “Als Startup for Net Neutrality team (Proto Venture, Brandeis en WappZapp) zijn we super blij met deze uitspraak. We waren bang dat we te laat waren maar mede vanwege heel veel initiatieven zoals die van ons is de juiste informatie bij het parlement gekomen. Voor ons een dag waarbij de lobbyist heeft verloren en de democratie heeft gewonnen.”