de-wereld-redden kl

Een duurzame samenleving op basis van Peer2Peer: Een interview met Michel Bauwens

Origineel gepubliceerd op 22 januari 2014 door Oikos

door Romaike Middendorp

Michel Bauwens – oprichter en onderzoeker van de Peer-to-Peer (P2P) foundation – heeft het druk. In oktober en november 2014 was hij een aantal weken in zijn geboorteland België, waar hij volle zalen trok dankzij zijn visie op een nieuw economisch model dat in de steigers staat. Zo ook op 13 oktober in het Kunstcentrum STUK in Leuven. Omwille van zijn pionierswerk op dit gebied belandde hij in 2012 in de top 100 van de wereldwijde (En)Rich List samengesteld door de Post Growth Institute die jaarlijks de meest inspirerende persoonlijkheden op het gebied van duurzaamheid op een rij zet. Oikos had het geluk om hem enkele brandende vragen voor te leggen.

U bent oprichter van de P2P Foundation. Kunt u iets meer vertellen over het werk van deze stichting en P2P in het algemeen?

De Peer2Peer – ofwel ‘gelijke-tot-gelijke’ (oftwel: P2P) – Foundation is formeel gezien een stichting die gesitueerd is in Amsterdam en fungeert als een ontmoetingsplek voor diegenen die bijdragen aan een open, participatieve en een op commens gebaseerde samenleving. Commens zijn gemeenschappelijke eigendommen van de samenleving (ofwel: ‘gemeengoed’) en zijn dus niet in private handen. We monitoren, observeren en beschrijven initiatieven in de echte wereld en proberen deze samen te brengen onder een groep coherente concepten en beginselen. Als netwerk doen we een aantal dingen, zoals: het samenbrengen van mensen, het distribueren van kennis door middel van een blog, het organiseren van bijeenkomsten, het opbouwen van een theorie omtrent sociale verandering, enzovoort. Daarnaast proberen we P2P ook te promoten. Dit alles gebeurt in verschillende talen.
P2P processen brengen gebruikswaarde voort dankzij een vrije samenwerking en toegang tot gedistribueerd kapitaal. P2P-productie onderscheidt zich van de huidige winstgerichte productie door private bedrijven als ook van productie door staatsbedrijven. P2P is niet gericht op het voortbrengen van ruilwaarde voor de markt, maar enkel van gebruikswaarde voor de gemeenschap. Het gaat hier om bijvoorbeeld vrije software bewerking, open design, vrije kennis, enzovoort.
P2P samenwerking heeft eigenlijk altijd al bestaan. Maar met het ontstaan van het kapitalisme, is het gemeengoed langzaam afgebroken. Door het ontstaan van het digitaal gemeengoed, verandert dit stilaan. Dankzij internet en netwerktechnologie wordt het gemakkelijker om samen globale projecten te organiseren. Dit brengt de commens terug in de maatschappij en creëert een nieuwe manier van denken.
P2P is een manier van waarde-productie, van gemeenschappelijk design gebaseerd op het uitwisselen van informatie. De mogelijkheid om te delen leidt tot een reductie van de marginale kosten. Een bekend voorbeeld hiervan is het project van Wikispeeds. In slechts drie maanden heeft een team van internationale ingenieurs een auto ontwikkeld die vijfmaal efficiënter is dan elke andere auto en daarnaast heel intelligent is ontworpen. De auto heeft een participatief ontwerp en kan geprint worden in gedistribueerde micro-fabrieken met behulp van een 3D printer. Doordat dit op aanvraag kan gebeuren, voorkomt het overproductie. Daarnaast verandert het de manier waarop waarde gecreëerd wordt volledig. Wikispeeds heeft aangetoond dat het mogelijk is het productieproces van goederen – niet enkel van auto’s – te revolutioneren: namelijk door middel van een gedistribueerde productie die verloopt in lokale microfabrieken.

Uw these is dus dat het nieuwe systeem op basis van P2P het oude systeem kan vervangen?

Ja, dat klopt. Er zijn een aantal belangrijke verschillen tussen P2P en zowel de kapitalistische als bijvoorbeeld de gift economie. Kapitalisme combineert pseudo-overvloed in de materiële wereld met artificiële schaarste in de immateriële wereld. We extraheren grondstoffen alsof de natuur oneindig is met als gevolg tal van milieuproblemen, waaronder biodiversiteitsverlies en klimaatverandering. De marktstaat is de externe regulator en private arbeid genereert waarde die gevangen wordt door private coöperaties. De civiele maatschappij staat hier buiten. Daarnaast bestaan er copyrights en patenten die voorkomen dat mensen informatie en kennis delen. Dit is een probleem.
Een belangrijk verschil met de oude productiewijze is dat in P2P de traditionele arbeidsverdeling plaats moet maken voor een taakverdeling. In P2P productie kiest iedereen zelf taken. Deelnemers aan een project kunnen de taken bekijken die al gedaan zijn en die nog moeten gebeuren. Zo is Wikipedia bijvoorbeeld een stigmergisch systeem: het is een transparant systeem dat functioneert aan de hand van het uitzenden van signalen. P2P is dus geen marktmechanisme en ook geen staatsmechanisme.
Momenteel bevinden we ons in een overgang naar een post-kapitalistische samenleving. In plaats van commodities in het kapitalistisch model, dragen mensen bij aan commens met een directe gebruikswaarde in het P2P systeem. Kapitalisme maakt producten met als doel ruilwaarde te creëren en daarmee winst en eventueel een nuttig product te maken. Indien het product niet nuttig is, dan wordt de burger wijsgemaakt dat het een nuttig product is door middel van marketing. Dit is in tegenstelling tot P2P waarbij direct waarde wordt gecreëerd, met vervolgens daaromheen de markt. Het is wel mogelijk om winst maken, bijvoorbeeld door het gebruiken en het installeren van die toepassingen, het ontwikkelen van nieuwe software, het integreren van die systemen, de strategieën, maar winst is niet het doel. Deze manier van produceren brengt het gemeengoed terug in de vergelijking. De grote zwakte van het kapitalisme is dat het de externe kosten afwentelt op de samenleving. P2P daarentegen gaat uit van ‘object-oriented sociality’ – de logica van het doel bepaalt de sociale logica.
Een voorbeeld waarin kapitalistische productie niet direct gericht is op de gebruikswaarde van het product zijn mobiele telefoons. Grote elektronica bedrijven, zoals Apple, ontwikkelen telefoons met telkens een nieuwe plug en bouwen daarnaast opzettelijk slijtage in, waardoor telefoons na een bepaalde gebruiksduur stuk gaan. Op deze manier verzekeren grote bedrijven zich ervan dat ze zich staande kunnen houden in een verdienmaatschappij. Wanneer een product vanuit de P2P gedachte – dus vanuit de gemeenschap – gemaakt zou worden, zou dit nooit het geval zijn. Niemand in de community heeft namelijk baat bij een telefoon of auto die na 15 of 20 jaar stuk gaat, aangezien de leden zelf van deze goederen gebruik maken.

In het eerste semester van 2014 werd Michel Bauwens gevraagd door de regering van Ecuador om een model te ontwikkelen dat de economie van het land volledig kan hertekenen. De FLOK Society onderzoeksgroep hebben het eerste geïntegreerde Commons Transitions Plan ontwikkeld, dat gebaseerd is op principes van open kennis en participatie. Hij vertelde ons meer over hoe een P2P samenleving er in de praktijk uit zou kunnen zien en wat daar de voorwaarden voor kunnen zijn.

Hoe is het FLOK Society project in het leven geroepen?

Het FLOK Society project is in het leven geroepen door drie overheidsinstituten uit Ecuador: het Ministerio Coordinador de Conocimiento y Talento Humano (het ‘Coördinerende Ministerie voor Kennis en Menselijk Talent’), het SENESCYT (Secretaría Nacional de Educación Superior, Ciencia, Technología e Innovación) en het IAEN (Instituto de Altos Estudios del Estado). De basis voor dit project komt vanuit het Nationaal Plan van Ecuador, gecentreerd rondom het concept Buen Vivir (letterlijk: ‘het goede leven’). Geïnspireerd door de traditionele waarden van de inheemse bevolking van Ecuador, waarin er op een minder materialistische manier aangekeken wordt tegen de economie en het sociale leven. Het is onmogelijk voor een land zoals Ecuador, wat nog volgens neokoloniale afhankelijkheden functioneert, om over te stappen op een eerlijkere samenleving zonder kennis toegankelijk te maken voor de bevolking. Zonder de benodigde materiële en immateriële condities, kan deze kennis – in de vorm van onderwijs, wetenschap, agricultuur, industrie – niet gedijen.
Het doel van de progressieve regering van Rafael Correa was om het land minder afhankelijk te maken van de door het westen gedomineerde globale economie. Momenteel exporteert Ecuador ruwe materialen tegen weinig toegevoegde waarde en importeert consumptiegoederen tegen een hoge toegevoegde waarde. Ons onderzoeksteam heeft een half jaar gewerkt aan een tal van wetsvoorstellen en proefprojecten. Het Commons Transition Plan dat wij op hebben gesteld bevat een framewerk voor de overgang naar een samenleving gebaseerd op P2P. Het is een participatief proces geweest, waarbij zowel lokale als buitenlandse input is geweest. Tijdens een Summit in mei 2014 zijn deze voorstellen voorgedragen aan de overheid, sociale bewegingen en specialisten. Het was op zichzelf een succes dat ook zo ervaren werd door de aanwezigen. Momenteel worden deze voorstellen behandeld en overwogen door de regering. Wel zijn er een aantal proefprojecten al gestart en wordt er nog steeds gelobbyd voor de implementatie.
Een aantal aspecten zijn erg opmerkelijk aan dit project. Allereerst, is dit de eerste keer dat er een plan is opgesteld rondom een nationale transitie met de commens als kern voor waarde creatie en distributie. Een belangrijk principe dat aan bod komt in het transitieplan is de noodzaak van een gezamenlijke hervorming van zowel de civiele maatschappij, de markt en de rol van de staat. Er is een klassieke conflict tussen markt en staat. Door het ontstaan van digitaal gemeengoed, is het nu ook de civiele maatschappij die actief bijdraagt aan het produceren van gemeengoed.
De bevolking van Ecuador bestaat voor een groot deel uit inheemse gemeenschappen. Een angst die veel van deze gemeenschappen hebben is dat de traditionele kennis die zij hebben opgebouwd wordt overgenomen door de private sfeer als deze kennis wordt gedeeld. Een oplossing die wij daarvoor aandragen is het opstellen van een ‘wederkerige, op commens-gebaseerde licentie’. Deze licentie laat niet-commercieel delen toe aan NGO’s en aan iedereen die bijdraagt aan deze commens, maar vraagt een bijdrage aan private actoren.

Wat zijn de genomen stappen in de tussentijd en hoe waarschijnlijk acht u het dat Ecuador deze transitie doorzet?

Ecuador is een neokoloniaal land en staat onder grote druk van de globale markt. Sinds het opstellen van het Nationaal Plan in 2010 is de regering langzaam weggeschoven van de originele en radicale ideeën. Maar het blijft opmerkelijk dat deze regering zoveel tijd en energie heeft gestoken in het project. Als er slechts een kleine verandering plaatsvindt in de wetten en de samenleving, dan mogen we heel blij zijn met het succes. Politieke verandering heeft een sociale en politieke basis nodig en dat kost tijd. Daarom ben ik er van overtuigd dat toekomstige projecten zich moeten richten op lagere niveaus van politieke organisatie, zoals steden en regio’s.

Wat nu? Wat komt er na het FLOK ervaring in Ecuador?

Dankzij een publiek forum dat open is voor wereldwijde commoners wordt er verder gewerkt aan beleid dat gedreven wordt en gericht is op gemeengoed. Het doel is om workshops en ontmoetingen te organiseren waar steden, gemeenschappen en groepen bij elkaar kunnen komen om ervaringen uit te wisselen en deze te vertalen in beleidsvoorstellen. Het Commons Transition Plan opgesteld voor Ecuador, heeft een grote waarde voorbij de lokale schaal. Of Ecuador nou wel of niet de voorstellen accepteert, de beweging gaat door. Het plan vormt een belangrijke input voor andere coalities op verschillende schalen – lokaal, regionaal, en zelfs globaal.
Michel Bauwens

Michel Bauwens bracht in 2013 het boek ‘De Wereld Redden’ uit in samenwerking met Oikos.
Zaterdag 31 januari 2015 zal hij aanwezig zijn tijdens het Feestcongress van Oikos.
Foto bron: Wikipedia

VPRO Tegenlicht & Chris Anderson

Iedereen is een maker, volgens Chris Anderson. En binnen de makersbeweging is het niet Do It Yourself, maar Do It Together. Wat ga jij komend jaar maken? Wie is de meest creatieve maker die jij kent? En wie moet er komend jaar wat vaker samen, in plaats van alleen, ergens aan werken?

In december blikt VPRO Tegenlicht terug op het afgelopen jaar aan de hand van de meest aansprekende uitspraken uit onze afleveringen. Welke inzichten nemen we mee naar 2015?

Kijk nu de aflevering ‘De nieuwe makers’

wijkstra_jelle

Jelle Wijkstra’s blik op 2014: De naïviteit rond de ‘deeleconomie’

Gepubliceerd op automatiseringsgids op 24/12/2014

2014 was het jaar dat de deeleconomie definitief ook in Nederland doorbrak. Wat wellicht nog het meest opvalt is het naïeve vooruitgangsgeloof waarmee deze ontwikkelingen worden verwelkomd, simpelweg omdat ze via internet tot ons komen. Door techniek uitgelokte veranderingen aangrijpen: prima! Ze over je heen laten komen, dat moet je als samenleving niet willen.

Voor de meeste Nederlanders zijn AirBNB en Uber inmiddels bekende merknamen geworden. Het zijn op dit moment de meest zichtbare, meest succesvolle exponenten van de opkomst van wat we ‘de deeleconomie’ zijn gaan noemen. Het is eigenlijk de vertaling naar nieuwe diensten van voorbeelden als eBay en Marktplaats, die via virtuele marktplaatsen – of zo u wilt braderieën -particulieren met elkaar in contact brachten om spullen te (ver)kopen.

AirBNB en Uber brengen particulieren die diensten hebben te verkopen met elkaar in contact, ook over landsgrenzen heen. En met aan sociale media ontleende technieken kunnen klanten een recensie over hun aanbieder achterlaten, zodat anderen weten wat voor vlees ze in de kuip hebben; op AirBNB kunnen verhuurders overigens ook de huurders ‘raten’, zodat je je als verhuurder een beeld kunt vormen van wie je in huis haalt. Allemaal een stuk makkelijker en laagdrempeliger dan in die oude tijden dat je een advertentie moest plaatsen in een krant, als je wat te huur had.

Ontwrichtende technologie
Disruptieve technologie, roepen de adepten dan stralend. Waarbij ze kennelijk doelbewust het goed-Nederlandse equivalent ontwrichtend vermijden – want dat woord roept negatieve associaties op. En het zijn juist die minder positieve kantjes die meer aandacht verdienen. Want minder positieve kantjes zijn er wel degelijk, en vragen ook om een antwoord.

Zo klinkt het idee dat mensen hun huis moeten kunnen verhuren heel sympathiek. En dan is het fijn dat ze dat geheel in eigen beheer vanachter de pc of tablet kunt regelen. Maar of de buren daar hetzelfde over denken, is nog maar de vraag. Als je naast een hotel of een bed & breakfast gaat wonen, weet je ten minste van tevoren waar je aan toe bent. De uitbaters daarvan zijn aan vergunningen gebonden die omwonenden aanknopingspunten bieden om overlast tegen te gaan. Die hotels en bed & breakfasts moeten ook aan allerlei eisen voldoen, bijvoorbeeld op het gebied van brandveiligheid en hygiène, die voor particulieren die bed & breakfast-uitbater gaan spelen niet gelden. Ook ten aanzien van verzekeringen zijn overigens vraagtekens te zetten. Dekt een inboedelverzekering de schade wel, bij verhuur? En hoe zit het met de aansprakelijkheid als een huurder wat overkomt dat de verhuurder te verwijten valt?

Op weg naar de hotelstad
De AirBNB-constructie roept ook vragen op ten aanzien van de stadsontwikkeling. Het is voor huiseigenaren en investeerders een mooi vehikel om meer te verdienen aan voor bewoning bedoeld vastgoed dan met reguliere verkoop en verhuur. En dat gebeurt dus ook. Bij een studie in de stad New York bleek dit jaar dat 36 procent van de omzet via AirBNB werd geboekt door commerciële aanbieders. Waarbij een aanbieder als commercieel werd betiteld als die meer dan 2 eenheden in de verhuur had. Zeker 2000 woonruimtes, met name in de populaire wijken, werden langer dan een half jaar per jaar verhuurd – waarmee deze de facto aan de woningvoorraad onttrokken waren. Nog eens 2600 werden meer dan 3 maanden verhuurd, waarbij je je dus kunt afvragen of die nog voor reguliere bewoning geschikt zijn.

De ironie wil dat mensen die zo enthousiast gebruik maken van AirBNB om tussen de lokale bevolking te kunnen verblijven – een van de wervingsslogans – er dus toe bijdragen dat die gemeenschappen waar ze zich zo graag tijdelijk in wentelen steeds meer onder druk komen te staan. Maar los daarvan: is dit een ontwikkeling die je als samenleving wilt zien, alleen maar omdat het zo mooi via internet geregeld is?

AirBNB claimt in reactie op het rapport overigens maatregelen te hebben genomen om commerciële aanbieders te weren. Maar dat onderstreept alleen maar het probleem. Dat rapport moest er eerst wel komen voor AirBNB die maatregelen nam. En de effectiviteit daarvan laat zich helemaal niet controleren.

Oneerlijke concurrentie voor taxi’s
Ontwikkelingen rond Uber roepen nog meer vragen op. Na een reguliere chauffeursdienst zet Uber nu heel agressief overal ter wereld vervoersdiensten op waar privéchauffeurs met particuliere auto’s een centje bij kunnen verdienen. Ritten worden aangeboden tegen ongeveer de helft van de prijs van een particuliere taxi. Dat is ook niet zo moeilijk. Taxichauffeurs worden door de overheid gebonden door regels die opgesteld zijn om misstanden die die branche in het verleden ontsierden, tegen te gaan. Taxichauffeurs moeten aantoonbaar aan eisen van vakbekwaamheid voldoen en een verklaring van goed gedrag kunnen overleggen, auto’s voor taxidiensten moeten speciaal gekeurd worden; sinds kort moet er zelfs een boordcomputer in de taxi zitten. Allemaal verplichtingen en kostenposten waar de eigenaar die zijn auto deelt met een betalende passagier, lekker aan voorbij kan gaan. Een opmerking zoals die van D66-Kamerlid Kees Verhoeven, die vindt dat dit bedrijven als Uber nodig zijn om de gevestigde verhoudingen op te schudden, klinkt dan ineens ontzettend ongeïnformeerd en onoprecht.

Ongebreideld kapitalisme
Los van die concurrentievervalsing. Uber is ook helemaal niet zo’n fijn bedrijf. Het brengt waar het kan lobbyisten in het geweer om af te dwingen dat het privéchauffeurs als taxidiensten op de weg kan brengen, bleek onlangs uit een reportage in de Washington Post. Het schroomde in zeker één geval ook niet om de naam en het e-mailadres van de ambtenaar die op grond van de regels een vergunning weigerde aan zijn achterban (rijders en klanten) vrij te geven – met het te verwachten gevolg. Het blijkt ook, anders dan het zelf claimde de antecedenten van een Uber-rijders niet goed te checken. En één van de directieleden werd dermate kwaad op een kritische journalist dat-ie in het openbaar speelde met het idee om 1 miljoen dollar uit te trekken voor een team dat kritische journalisten in een kwaad daglicht kan stellen. Het eerste doelwit zou dan Sarah Lacy zijn, die zich op PanDaily kritsich uit over Uber.
Niet verwonderlijk overigens, die praktijken die we hier vooral kennen uit films over de overgangstijd tussen het Wilde Westen en de vroegmoderne kapitalistische Amerikaanse samenleving. Het gaat voor Uber om groot geld, die deeleconomie. En dat geldt voor AirBNB ook. AirBNB haalde tussen begin 2010 en medio 2014 alleen al in New York 61 miljoen dollar op. De marktwaarde van AirBNB wordt momenteel op 10 miljard dollar geschat, die van Uber zelfs op 30 miljard dollar. Dat klinkt niet erg naar ‘deeleconomie’, dat klinkt gewoon naar ongebreideld kapitalisme.

Technische ontwikkelingen serieus wegen
Disruptief zijn ze dus zeker, die door het internet uitgelokte ontwikkelingen. Ook in de negatieve zin die dat woord impliceert. En juist daarom zou de politiek zich er eens serieus over moeten buigen. Misschien zijn hotel- en taxiwereld wel overgereguleerd. Misschien is het hoog tijd om een aantal regels die we als samenleving hebben bedacht tegen het licht te houden, omdat nieuwe technologieën nieuwe mogelijkheden bieden. Maar die weging moet wel op een serieuze manier, niet op basis van de bij veel politici veel te scherp afgestelde reflex dat de enige goede regel een afgeschafte regel is. Politici die zo reageren, zijn gewoon te licht voor hun taak. Datzelfde kan gezegd worden van politici die langs de zijlijn blijven zitten en maar zien wat er van komt. Want ontwikkelingen zijn niet goed omdat je er e- of internet of IT voor of bij kunt zetten. Je moet wegen wat ze voor de samenleving betekenen, en of je die gevolgen toejuicht – of juist niet.En welke regels daarbij horen
Dat vergt een politieke discussie die nut en onnut van de in het verleden opgestelde regels in het huidige tijdsgewricht weegt. Waarin je ook weegt of nieuwe regels – zoals de Amsterdamse verordening die AirBNB’en 2 maanden per jaar toestaat – wel handhaafbaar zijn. Waarin je de positieve en negatieve effecten van de overwogen verandering doordenkt. Waarin je bijvoorbeeld in het geval van Uber kunt uitleggen waarom je denkt dat een bedrijf in Silicon Valley beter kan beoordelen of een auto en een chauffeur in Nederland geschikt zijn om taxidiensten aan te bieden dan de Nederlandse instanties die dat nu doen. Waarin je je rekenschap geeft van wat het betekent, als woningen en verhuurders niet goed verzekerd blijken.Waarin je nadenkt over het effect op de woningprijzen rond zo’n huis of appartement waarin men Air-bed&breakfast-uitbater wordt – en of dat wel fair is.

Speelveld zuiver houden
En in de tussentijd moet je de regels gewoon handhaven, om het speelveld zuiver te houden. Dat hebben ze in België beter begrepen dan hier. Hier voelen politici en openbaar ministerie zich kennelijk wel senang bij het zich laten voorschrijven van de wet door een Amerikaans bedrijf. Gedogen is ook altijd makkelijker dan handhaven, natuurlijk. In Brussel ligt dat anders. Daar worden niet alleen de Uberdiensten gewoon verboden zo lang ze zich niet aan de wet houden. Minister mobiliteit Pascal Smet van het Gewest Brussel heeft ook een strafklacht in voorbereiding tegen Uber. Want als je privé-chauffeurs oproept om snorder te blijven spelen – zoals de directeur Uber Nederland op 8 december in het NOS Journaal deed nadat de rechter had bepaalt dat UberPOP in strijd is met de geldende taxiwetgeving, zelfs met de belofte om eventuele boetes voor ze te betalen – en als je vervolgens 10 dagen later ook nog startpremies van 100 euro uitlooft om snorders te trekken, dan maak je je gewoon schuldig aan uitlokking.

jogratiesj

Waarom het basisinkomen een onhaalbaar idee is

overgenomen uit Das Kapital (omdat het interessant is ook tegenargumenten te aanhoren)

Wil je meer weten, ga dan naar het origineel artikel dat heel wat interessante links bevat

Rutger Bregman is de nieuwe held van links Nederland. Niemand heeft het linksutopische maakbaresamenlevinggelijkheidsdenken de afgelopen twintig jaar beter in de markt weten te zetten dan hij. Respect daarvoor. Wat niet wegneemt dat we het doorgaans volledig met hem oneens zijn. In Intermediair mag hij deze week vertellen over zijn succesjaar 2014 (‘In Vlaanderen was ik zelfs op het Journaal!’) en begint hij wederom over het basisinkomen. We dachten dat die discussie na het zien van de rekensommetjes bij Tegenlicht wel voorbij was, maar Bregman is ervan overtuigd dat ‘het een kwestie van tijd is voordat we ermee gaan experimenteren’. Er is namelijk een burgemeester in Leeuwarden die het wel ziet zitten en een wethouder in Groningen. Poeh. Dat is indrukwekkend inderdaad. Bregman haalt ook veel kracht uit een peiling van TNS-NIPO (pdf) waaruit blijkt dat 70% van de Nederlanders negatief 1 op de 3 Nederlanders ‘spontaan’ positief staat tegenover het basisinkomen. ‘Dat is meer dan ik had gedacht’, jubelt Bregman. ‘Het idee gaat dwars door links en rechts heen.’ We kijken nog even naar de peiling en dan zien we dat onder voorstanders van het basisinkomen ‘jongeren tot 25 jaar oververtegenwoordigd zijn, net als lager opgeleiden, beneden modaal verdienende mensen, ZZP ‘ers en mensen die somber zijn over de ontwikkeling van de economie en werkgelegenheid in de nabije toekomst’. Je verwacht het niet inderdaad.

In theorie zijn we eigenlijk niet eens heel erg tegen het basisinkomen. Het zou een mooie manier zijn om het onzinnige rondpompen van geld en het ondoorzichtelijke web van toeslagen en fiscale kortingen op te heffen. Maar wij zijn toch wat meer van de praktische uitvoerbaarheid en lopen niet zo warm voor anekdotisch bewijs uit de jaren zeventig, Bregmans geliefde decennium wat betreft wetenschappelijk onderzoek.

Bezwaar 1: het is onbetaalbaar
Tegenlicht zette een aantal rekenmodellen op een rij en daar kwam eigenlijk elke keer hetzelfde uit: het is onbetaalbaar, tenzij we ergens 30 miljard euro vandaan toveren. (Bregmans initiële model zou zelfs jaarlijks 134,8 miljard euro extra hebben gekost, LOL.) Als we kiezen voor een variant die wel betaalbaar is (bijvoorbeeld bij een basisinkomen van 550 euro), kijken we tegen een vlaktaks van 53,5% aan dan wel 50% btw plus 25% vermogensbelasting. HAHAHA. Dat gaat ‘m nevernooitniet worden dus. En van 550 euro basisinkomen kun je nog niet eens leven, wat ons bij bezwaar 2 brengt.

Bezwaar 2: er zal toch weer gecompenseerd moeten worden
Het basisinkomen zou voldoende moeten zijn om rond te komen. Alleen weten we nu al dat er groepen zullen zijn voor wie dat nooit het geval is. Dus wordt er weer een toeslagje in het leven geroepen of een bijzondere bijstandsregeling. Voor je het weet hebben we weer een bureaucratisch waterhoofd geschapen om iedereen te compenseren voor wat dan ook en zijn we terug bij af. Dat is zéker het geval als we voor een betaalbare variant van een laag basisinkomen kiezen.

Bezwaar 3: de effecten op arbeidsparticipatie
Schitterend mooi als iedereen zijn dromen gaat najagen en het ‘nationale geluk’ stijgt. Maar het geld voor al dat geluk gefinancierd door een basisinkomen moet ergens vandaan komen, nietwaar? En daar maken we ons enige zorgen over (zie ook bezwaar 1). Wij denken dat er wel degelijk mensen zijn die hun banen zullen opzeggen of minder gaan werken. Prachtig dat iemand zijn carrière als wc-schrobber vaarwel zegt om een lang gekoesterde wens om reiki-master te worden in vervulling te laten gaan, maar dat levert (in elk geval tijdelijk) minder geld op voor de schatkist. Volgens een simulatie van het CPB zou er 4% minder worden gewerkt (plus nog wat andere ongewenste effecten). Dus dat betekent dat de mensen die wel werken nog meer belasting moeten betalen om het basisinkomen te financieren. Dat betekent ook dat het extra inkomen dat je kunt verdienen boven op het basisinkomen weer zo zwaar belast dreigt te worden dat het gat tussen basisinkomen en extra inkomen weer vrij klein wordt, vooral voor de lager betaalde banen.

Bregman en co gaan misschien iets te vaak uit van hun eigen fijne banen. ‘Ik merk dat bij mij hobby en werk zich volledig vermengen omdat ik graag lees, spreek en schrijf’, zegt hij tegen Intermediair. Dit geeft precies het elitaire uitgangspunt weer: mensen gaan werken omdat ze het leuk vinden. Maar wie maakt dan straks de plees schoon? Wie bakt er patat bij de Mac? En wie vult de schappen zet de kartonnen dozen bij de Aldi neer? Er zullen vast mensen zijn die het enorm bevredigend vinden om eens lekker goed onder de rand te schrobben en die het gezellige contact met hun Aldi-kleega’s niet kunnen missen, maar we kunnen ons ook voorstellen dat iemand zo’n baan vooral neemt omdat er nou eenmaal brood op de plank moet komen. In de ideale wereld doet iedereen wat hij leuk vindt. Helaas zijn er nou eenmaal klussen die gedaan moeten worden, zoals onder de rand van de plee schrobben.

We zien nu al dat voor veel werk (bijvoorbeeld in de kassen) Nederlanders hun neus ophalen. Dat zal, vermoeden wij, alleen nog maar erger worden met het basisinkomen. En krijg je dan niet een enorme tweedeling in de samenleving? Er zullen namelijk mensen zijn die (nog) geen recht op een basisinkomen hebben, bijvoorbeeld omdat ze de Nederlandse nationaliteit nog niet hebben (er zullen immers beperkende regels moeten komen wegens enorm aanzuigende werking op de rest van de wereld). Dus dan mogen alle nieuwe/aankomende Nederlanders de plees schoonmaken en kan de rest achterover leunen en aan ‘zingeving’ (zie bezwaar 4) doen?

Al betekent Bregmans pleidooi voor een 15-urige werkweek niet dat je de rest van de week lekker kunt luieren. ‘Je moet je juist extra inspannen! Voor elkaar, voor de buurt, voor een betere wereld.’ Aha, daar komt de aap uit de mouw! En hoe gaan we dat precies regelen? Wachten tot iedereen vrijwillig wat gaat doen? Afdwingen via een muur om het landsociale dienstplicht? Bregman denkt dat ‘als je meer vrije tijd hebt je er beter mee om zal gaan’. Zoals Bregman zelf doet zeker? ‘Ik ontspan door bezig te zijn met wat kleur geeft aan het leven: praten, ideeën uitwisselen, films en theater kijken.’ Wow, wat mooi. Maar er zijn ook een heleboel mensen die ontspannen door zich vol te gieten met bier, elkaar de hersens in te slaan na een voetbalwedstrijd of gewoon apathisch naar de tv te staren. Gewoon omdat het kan en omdat ze dat blijkbaar leuk vinden.

Bezwaar 4: de koppeling tussen werk en loon
Dit is eigenlijk een principieel bezwaar: waarom krijg je geld waar je niks voor doet? Dit geld komt namelijk ergens vandaan: het betekent in feite dat iemand anders er iets voor heeft gedaan. Wat geeft jou dan precies het recht om dat geld te gebruiken, zonder dat een tegenprestatie verwacht wordt?

Bregman draagt twee argumenten voor ‘het slopen van het dogma ‘werken voor je geld”. Zo beweert hij dat de helft van de banen gaat verdwijnen door automatisering op basis van dit onderzoek. Daarmee valt hij ten prooi aan de lump of labour fallacy: het idee dat er een vast aantal banen is dat door technologie wordt overgenomen. Hij zegt weliswaar dat er ook nieuwe banen bijkomen maar dat er geen garantie is dat iedereen toegang heeft tot die banen. Dat is een flinke onderschatting van het potentieel van de beroepsbevolking. Het is precies dit berustende denken dat ‘die mensen er nou eenmaal ook niks aan kunnen doen’ waardoor wij het normaal vinden dat ruim 800.000 mensen een arbeidsongeschiktheidsuitkering krijgen, nog eens 400.000 mensen in de bijstand zitten en ongeveer net zoveel WW krijgen.

De tweede reden die domineeszoon Bregman aanvoert is ‘wat zweveriger, maar toch belangrijk, namelijk: waartoe zijn wij hier op aarde? Wat is het goede leven?’. Dat is volgens Bregman meer tijd besteden aan ‘hun kind, hun vrienden en familie, hun hobby’ in plaats van aan werk. Wij zien niet wat dat precies te maken heeft met het ontkoppelen van werk en loon, en denken bovendien dat werk goed is voor mensen. Mensen die meer tijd aan ‘hun kind, hun vrienden en familie, hun hobby’ willen besteden kunnen dat toch doen? Misschien minder tv kijken? Of misschien lekker mensen zelf laten kiezen? We werken in Nederland zo’n beetje het minst aantal uren van de wereld, dus het is nou niet echt dat we gebrek hebben aan vrije tijd.

Het basisinkomen is geen panacee zoals Bregman zelf ook zegt, maar gewoon een onhaalbaar idee.

A. Dijkman | 19-12-14

cover107

Basisinkomen voor iedereen?

Overgenomen uit Imast, Instituut voor Marxistische studies

Auteur: Daniel Zamora Vargas

Al sinds de jaren tachtig zijn heel wat mensen in linkse middens gewonnen voor de idee van een basisinkomen. Deze eis heeft in 30 jaar tijd een hele weg afgelegd. Hij vond serieuze verdedigers bij figuren als Philippe Van Parijs, Ignacio Ramonet, André Gorz, José Bové of Toni Negri. Gaandeweg kregen we ook een enorm arsenaal aan websites, netwerken en collectieven ter ondersteuning en verspreiding van het gedachtegoed. De economische crisis bracht de idee opnieuw helemaal op het voorplan. Nog niet zo lang geleden hield Zwitserland een referendum over de vraag. En Le Monde diplomatique wijdde een compleet dossier aan het onderwerp.

Als links beweert de vader te zijn …

Het basisinkomen komt hierop neer dat de staat iedereen maandelijks een bepaald bedrag uitbetaalt om van te kunnen leven, los van wat je verdient. In de linkse versies van het concept is sprake van een bedrag dat voldoende moet zijn om van te leven. Verder moet het in hun ogen samengaan met aanvullende bescherming van openbare diensten en sociale uitkeringen (pensioenen, werkloosheidsuitkering of ziekteverzekering), naast andere vormen van sociale bijstand. Elk individu – en niet elk gezin – zou maandelijks dit basisinkomen moeten krijgen vanaf zijn geboorte tot aan zijn dood (minderjarigen een iets lager bedrag dan volwassenen). Je moet aan geen enkele voorwaarde voldoen om het te krijgen en er staat ook geen enkele tegenprestatie tegenover. Een eventueel inkomen uit arbeid komt hier gewoon bovenop.

“Op die manier zou iedereen kunnen kiezen wat hij van zijn leven wil maken: ofwel blijven werken, ofwel zich tevreden stellen met een bescheiden consumptieniveau en integraal van zijn tijd genieten, ofwel een combinatie van beide. Het zou niet langer ‘verdacht’ zijn als je niet werkt. Betaald werk zou immers niet meer de enige sociaal aanvaardbare vorm van activiteit zijn. Wie kiest om te leven van het gewaarborgd inkomen zou zich alleen of samen met anderen volledig kunnen toeleggen op zaken die hem boeien en/of die in zijn ogen sociaal nuttig zijn.”[1]

De verdedigers stellen verder: “Een eerste consequentie van een basisinkomen is dat werkloosheid niet langer een probleem is. We kunnen dus om te beginnen al flink wat besparen op het geld dat de overheid nu uitgeeft in haar streven naar volledige tewerkstelling.”[2] Het gewaarborgd inkomen is universeel en onvoorwaardelijk. Iedereen krijgt het, arm en rijk. De rijken betalen het wel terug via de belastingen. “We kunnen ook besparen op administratief werk als het toezicht op sociale steuntrekkers wegvalt.”[3]

Het basisinkomen is een uitkering die iedereen zonder enige voorwaarde krijgt uitbetaald. Het is niet hetzelfde als een negatieve inkomensbelasting. Philippe Van Parijs, een uitgesproken voorstander van de uitkering, formuleert het zo: “Met het systeem van een basisinkomen wordt het geld, nodig om het belastingkrediet te financieren […] daadwerkelijk vooraf ingehouden en vervolgens aan iedereen herverdeeld, terwijl bij een negatieve inkomensbelasting de transfers in één richting lopen: positieve transfers (of negatieve inkomensbelasting) voor gezinnen die zich onder het kritische punt bevinden, negatieve transfers (of positieve belastingen) voor gezinnen die erboven liggen.”[4]

De aangehaalde voordelen zien er verleidelijk uit. En inderdaad, heel wat militanten en intellectuelen die te maken krijgen met echte tuchtmaatregelen en andere disciplinaire aspecten van tewerkstelling die steeds meer ingebakken zitten in ons sociale zekerheidssysteem, laten zich er effectief door verleiden. Mateo Alaluf bracht dit zo onder woorden: “Binnen de actuele degeneratie van de sociale zekerheid door de klappen van de activering heeft het basisinkomen de ruimte gevonden om weer jong te mogen zijn…”[5] Ondanks de schijnbaar sterke punten van het basisinkomen is het volgens mij toch niet echt wenselijk of verantwoord om dit in onze sociale zekerheid door te voeren. Om te beginnen lijkt een basisinkomen economisch gezien niet erg realistisch. Verder zijn er hoofdzakelijk drie redenen die mij ertoe brengen hierin een reële achteruitgang te zien zowel vanuit levensbeschouwelijk als vanuit sociaal oogpunt.

Hoe betalen?

Het eerste probleem is financieel. Vandaag bedragen in België de uitgaven voor de sociale zekerheid – voor werkloosheidsuitkeringen, pensioenen, gezondheidszorg en de kinderbijslag – en de sociale toelagen van OCMW’s samen een goede 72 miljard euro. Laat ons er even van uit gaan dat we 11 miljoen Belgen een basisinkomen willen geven van 800 euro – wat zeer weinig is om van te leven – met eventueel nog een variatie in functie van leeftijd of inkomsten uit eigendom. Een kleine berekening maakt al snel duidelijk dat dit een uitgave betekent van 105,6 miljard euro. De totale som van de inkomsten uit belastingen (110 miljard) en sociale bijdragen (50 miljard) bedraagt in België 160 miljard. Voor een minimale financiering van het basisinkomen zou de staat dus tweederde van zijn inkomsten aan deze uitkering moeten besteden. Vermenigvuldigen we dit bedrag maal twee, wat ongeveer neerkomt op het minimumloon, komen we aan 211,2 miljard euro. Heel wat meer dan het totale overheidsbudget, zelfs breed gerekend, zoals de Europese autoriteiten doen. Tenzij je de belastingen fors verhoogt, zou er niets overblijven voor onderwijs en andere diensten. Of je moet iedereen fors laten betalen voor sociale diensten, openbaar vervoer, onderwijs enzovoort. Wat zeker niet de bedoeling is van de voorstanders ter linkerzijde van deze uitkering. Zelfs met een miljonairstaks die 8 miljard zou opbrengen, is het niet mogelijk om iedereen een inkomen te betalen dat de noodzaak te werken praktisch volledig overbodig maakt. De meeste voorstanders stellen voor de uitkering te financieren met een gedifferentieerde verhoging van de BTW (minder voor de basisproducten, meer voor luxeproducten). Blijkbaar hebben ze geen oog voor de onrechtvaardigheid van een dergelijke maatregel. Die treft de lagere inkomens veel zwaarder dan de hoge inkomens. Sommigen zien in die hogere BTW een geschikt middel in de strijd tegen de ‘overconsumptie’. Het is hoe dan ook een onrechtvaardige maatregel.

Basisinkomen of sociale zekerheid?

Een ding is wel bijzonder treffend. Het model van het basisinkomen komt op het toppunt van zijn populariteit precies op een ogenblik dat de belangrijkste instituten ter verspreiding van de neoliberale leer ijveren voor de vernietiging van onze sociale zekerheidsstelsels. De sociale zekerheid zoals wij die kennen, is een erfenis van de klassenstrijd, van de strijd voor sociale bescherming tegen de willekeur en de gevaren van het kapitalisme. Ze is de vrucht van de strijd tegen de kapitalistische uitbuiting die tracht de arbeidskosten zo laag mogelijk te houden om een zo vet mogelijke meerwaarde te kunnen accumuleren.

In principe zijn er drie manieren om de sociale bescherming te financieren: via spaarcenten die aangroeien tot een kapitaal dat interest opbrengt, via belastingen waarbij dan de staat aan zet is en via het afhouden van een bijdrage op het loon wat aanleiding geeft tot paritair beheer. In het systeem dat de arbeidersbeweging eiste en dat na de Tweede Wereldoorlog werd uitgewerkt, zijn het hoofdzakelijk de sociale bijdragen die de sociale bescherming financieren, dat wil zeggen via ons loon en niet via het kapitaliseren van ons spaargeld. We maken gebruik van het indirecte loon (de sociale bijdragen) voor de financiering van de collectieve sociale bescherming. Dankzij die socialisering van het loon kunnen we het jaarlijks verlof, de gezondheidszorg, de pensioenen, de werkloosheid, opleiding en bijscholing financieren. Arbeid verschaft dus niet alleen een inkomen, maar ook allerlei sociale rechten. In een socialistische visie is het de bedoeling dat dit ‘collectieve’ of gesocialiseerde inkomen geleidelijk een steeds grotere plaats inneemt in het totale inkomen.

De sociale zekerheid werkt als een soort systeem van inkomensverdeling. De overheid int bijdragen die worden ingehouden op het loon van wie werkt. Ze herverdeelt dat geld aan wie vandaag op pensioen is, ziek is of werkloos. Het systeem berust op twee basisprincipes, dat van solidariteit en dat van verzekering.

De solidariteit houdt in dat de inkomsten in een gemeenschappelijke kas gaan en vervolgens besteed in functie van de behoeften. Sommigen trekken er minder uit terug dan ze erin gestopt hebben, anderen dan weer meer. De eerste vorm van solidariteit gaat uit van de collectieve zorg voor wie omwille van ziekte, ongeval, werkverlies of ouderdom het meest behoefte hebben aan ondersteuning en een inkomen. De tweede vorm is de solidariteit die ontstaat tussen de verschillende generaties. Een gedeelte van het loon (de bijdragen voor de sociale zekerheid) van wie vandaag werkt, wordt niet verdeeld als direct loon, maar toegekend bij wijze van pensioen aan de voorgaande generatie. Ten slotte bestaat er ook nog een vorm van verticale solidariteit. Je draagt niet bij in verhouding tot het risico dat je loopt, maar in verhouding tot het bedrag dat je verdient.

Daarnaast speelt bij de uitkeringen het verzekeringsprincipe. Wie recht heeft op een uitkering, ontvangt een inkomen in verhouding met het loon dat hij of zij moet ontberen. Op die manier verzekeren we in zekere mate het behoud van het levensniveau. De verhouding tussen deze uitkering en het vroegere loon heeft een naam: het vervangingspercentage of de relatieve uitkeringshoogte.

Het ging bij dit alles niet alleen om het bekomen van de invoering van een verplichte zorgverzekering, maar ook om de meest efficiënte financierings- en beheersmodaliteiten. Het systeem wordt in heel wat Europese landen paritair beheerd door vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers.

Voor de patroons is het stelsel veel te duur en ze hebben nooit hun pogingen opgegeven om terug te keren naar alternatieve, minder veeleisende formules. Ze verspreiden de opvatting dat de verlaging van de bijdragen voor de sociale zekerheid ook in het voordeel is van de werknemers. ‘De sociale lasten zijn onhoudbaar geworden voor onze concurrentiepositie’, beweren ze. Ze willen af van deze indirecte loonlast. En de voorbije jaren hebben ze gekregen wat ze wilden.

Maar voor de werknemers maken de bijdragen voor de sociale zekerheid integraal deel uit van het loon, dat de arbeidersbeweging door haar strijd heeft afgedwongen van de patroon. Ja, we staan heel wat af aan indirect loon, maar we krijgen er ook veel voor terug als we het nodig hebben. Zonder de sociale zekerheid zou 40 % van de gezinnen onder de armoedegrens leven.

Het basisinkomen roept heel wat belangrijke principiële vragen op, tot en met de kwestie van de ontwrichting van de sociale rechten die voortvloeien uit arbeid.

Vervangingsinkomen of basisinkomen?

Laten we het belangrijkste voordeel, aangehaald ten gunste van het voorgestelde systeem, eens van naderbij bekijken: het onvoorwaardelijk karakter. De klassieke stelsels die we kennen, bieden een vervangingsinkomen en geen uitkering die iedereen krijgt. Heel concreet wil dit zeggen dat je dit pas krijgt als je je werk kwijt bent of niet meer in staat bent om te werken. Het is dus alleen bestemd voor de ‘niet-actieven’. Het basisinkomen echter krijgt iedereen, ongeacht inkomen en activiteit. Dit onderscheid is belangrijk, gezien het impliceert dat je het basisinkomen ook krijgt als je werkt.

Dit verschil heeft echter een aantal dubbelzinnige gevolgen. Als ieder mens individueel al een uitkering krijgt, dan is het loon alleen nog een aanvulling. En iets aanvullend kan altijd wel wat minder. Philippe Van Parijs zegt zelf dat het “de mogelijkheid schept om laagbetaalde werkzaamheden aan te bieden en te aanvaarden, een mogelijkheid die vandaag niet bestaat”.[6] Maar hij zegt er wel direct bij dat door de uitkering een ‘onderhandelingsmacht’ kan ontstaan. “De minder bevoorrechten kunnen zo goed en zo kwaad als mogelijk een onderscheid maken tussen interessant of veelbelovend werk en mensonwaardige arbeid.”[7] Het is natuurlijk het niveau van de uitkering die de zogenaamde onderhandelingsmacht bepaalt. Gaat het om een laag bedrag, dan is die ‘macht’ absoluut onbestaande. Je kunt er prat op gaan dat allerlei vormen van uiterst onzeker werk gaan opduiken die je moeilijk kunt weigeren. Mateo Alaluf verwijst naar een experiment van onderzoekers van DULBEA, het Departement Toegepaste Economie van de ULB. Zij deden in 1998 een simulatie oefening over de gevolgen van de toepassing in België van het systeem van het basisinkomen, uitgewerkt door Anthony Atkinson. “Het voorstel bestond erin aan elk individu zonder enige voorwaarde een vast bedrag te betalen gedeeltelijk of volledig ter vervanging van het stelsel van sociale bescherming. Zonder in detail te treden, kunnen we zonder enige twijfel besluiten dat bij onveranderlijke sociale uitgaven, ongeacht welke hypotheses we vooropstelden, de resultaten hoegenaamd niet overtuigend waren voor de invoering van een dergelijk systeem, noch voor de lage inkomensgroepen, noch wat betreft inkomensherverdeling.”[8]

We zouden ons al snel geconfronteerd zien met een situatie die Mateo Alaluf heel goed beschrijft. “Het zou uitkeringstrekkers verplichten werk te aanvaarden tegen om het even welke prijs om naast hun uitkering iets bij te verdienen. Resultaat zou een verslechtering van de arbeidsmarkt zijn, met een wildgroei aan slecht betaalde tijdelijke jobs. Zo draagt het onvoorwaardelijk basisinkomen bij tot het institutionaliseren van wat we met de woorden van Robert Castel het ‘precariaat’ noemen.”[9] We moeten erop wijzen dat het in een grote meerderheid van de versies die de ronde doen, inderdaad over een wel heel bescheiden basisinkomen gaat. Een fatsoenlijk basisinkomen is, zoals we al hebben aangegeven, onmogelijk te financieren. Als het systeem nu zou werken, zou het neerkomen op een subsidie aan de werkgevers. Het zou een deregulering van de arbeidsmarkt met zich meebrengen en bijdragen tot verpaupering en een duale samenleving.

Wat de mogelijkheid betreft om “te leven van een gewaarborgd inkomen om zich alleen of samen met anderen volledig te kunnen wijden aan zaken die je boeien en/of die je sociaal nuttig lijken”[10], die lijkt alvast niet erg realistisch. Integendeel, door het feit dat het maar om een heel matig onvoorwaardelijk basisinkomen gaat en door de noodzaak het aan te vullen, zou het monster van allerlei gedwongen en slecht betaalde banen wel eens snel om zich heen kunnen grijpen. Voldoende hoge sociale minima, een kortere arbeidstijd en inkorting van de beroeps-actieve periode lijken betere middelen om eigen, zelfstandige en nuttige vrijetijdsactiviteiten te ontwikkelen. Er valt trouwens te vrezen dat een basisinkomen los van betaald werk elke druk wegneemt bij de politici om de massale werkloosheid te bestrijden. Zelfs al zou een deel van de werklozen beter leven dankzij een dergelijke uitkering, dat zou het probleem van hun sociaal isolement nog niet oplossen. Ze zouden nog steeds niet erg veel sociale waardering krijgen. Want in een samenleving die haar rijkdom uit arbeid haalt, komt de zin van het leven, het sociaal statuut, een positief zelfbeeld, voort uit de plaats die je bekleedt in het actieve leven, uit je werk.

Om goed te begrijpen waar die populariteit van de eis vandaan komt, zowel bij links als bij rechts, maken we best even een ommetje in de geschiedenis.

Milton Friedman, een voorstander

Zonder enige twijfel zullen weinigen onder de huidige voorstanders van het basisinkomen dit weten. Maar de moderne versie van deze idee is onder meer afkomstig uit het alternatief voor de ‘Welfare State’, dat Milton Friedman in 1962 tot gemeengoed maakte in zijn beroemde werk Capitalism and Freedom en later nog veel uitgebreider in 1980 in Free to choose.[11] Dat alternatief is de negatieve inkomstenbelasting. Hoewel hij dit systeem niet heeft uitgevonden, heeft hij er toch in ruime mate toe bijgedragen om de formule hiervan in bevattelijke vorm uiteen te zetten. Het idee is relatief eenvoudig; de staat zou op individuele basis iedere persoon die onder een bepaalde drempel zit, een uitkering (een negatieve belasting) geven. Dat wil concreet zeggen dat onder een bepaald inkomensniveau de staat geld teruggeeft om zodoende een minimale inkomensvoet in te stellen. Er is geen kwestie meer van onderscheid tussen wie werkt en niet werkt, wie het ‘verdient’ of ‘niet verdient’, iedereen krijgt onder een bepaalde grens een aanvullend bedrag van de regering. Voor Milton Friedman gaat dit vanzelfsprekend gepaard met het stopzetten van alle openbare dienstverlening. Individuen rechtstreeks financieren geniet volgens zijn recept de voorkeur op het financieren van collectieve diensten. De uitkering is in zijn ogen dus een alternatief voor de openbare diensten, dat wenselijk is en dat de dynamiek van de markt versterkt. In Frankrijk komt vanaf 1974 het debat hierover op gang naar aanleiding van het werk van Lionel Stoléru, Vaincre la pauvreté dans les pays riches.[12] Stoléru is in die tijd technisch adviseur op het kabinet van Valéry Giscard d’Estaing. Hij verdedigt een radicale hervorming van de sociale zekerheid die hij vergelijkt met een weinig efficiënte zeef om de armoede te bestrijden. In zijn ogen kan dit systeem (met het betalen van een uitkering) de gevolgen van de armoede rechtstreeks aanpakken. We verliezen geen tijd meer met discussies over wie die mag krijgen.

In de Derde Wereld hebben ze heel wat geëxperimenteerd met allerlei beperkte versies van deze uitkering. Het leidt tot een bijzonder veelzeggende vaststelling. Rond de jaren 1990 treedt een belangrijke verandering op in het beleid voor ontwikkelingshulp aan derdewereldlanden. Van een gedachtegang die draaide rond ontwikkeling en het krijgen van rechten, is de strijd tegen de armoede nu de hoofddoelstelling.[13] De belangrijkste internationale organisaties (IMF, UNDP, VN…) stellen alles in het werk voor de “heroriëntering van het ontwikkelingsprogramma” in de richting van “uitschakeling van de armoede”.[14] In dit decennium wordt armoede de centrale uitdaging en raakt ‘basisinkomen’ in de mode als antwoord. We moeten deze evolutie situeren op de achtergrond van het einde van de Koude Oorlog. Het komt er op dat ogenblik op aan tabula rasa te maken van allerlei dogma’s uit het verleden, onder meer wat betreft de rol van de staat en de inkomstenherverdeling in het ontwikkelingsbeleid. Vanuit dit oogpunt “vormt de strijd tegen armoede, hoe paradoxaal dit op het eerste zicht ook mag lijken, een achteruitgang ten opzichte van de bestaande sociale bescherming zoals we die kennen in de westerse wereld en die ook min of meer embryonaal aanwezig is in de arme wereld”.[15] Het is trouwens interessant in dit verband de teksten te lezen van de belangrijkste internationale organisaties over dit onderwerp. Zo staat in de rapporten van de UNDP te lezen dat “indien we geneigd zijn het terugdringen van de armoede nog steeds te identificeren met de sociale zekerheid of met sociale bescherming dit wellicht uitgaat van goede gevoelens, maar in werkelijk toch inefficiënt is”.[16] In de ogen van de ontwikkelingsorganisatie is “sociale zekerheid misschien niet de beste manier waarop een ontwikkelingsland gebruik kan maken van de middelen waarover het beschikt”.[17] Dit maakt duidelijk dat de armoedebestrijding en het basisinkomen niets anders zijn dan liberale alternatieven voor de sociale zekerheid. Ze bieden geen “bescherming tegen de markt, maar een kans – en een plicht – om eraan te participeren. Precies omdat ze zich afkeren van een logica van sociale rechtvaardigheid. In die logica kan je immers de ongelijkheid en de herverdeling van de rijkdom niet terzijde schuiven.”[18]

Het is in die zin niet zo onschuldig als de allergrootste vermogens op deze aarde zich inzetten voor die strijd tegen de armoede of voor een vorm van basisinkomen in de wereld. Schijnbaar zonder enige tegenstrijdigheid nemen ze tegelijkertijd de verdediging op van de liberalisering van de openbare diensten in deze landen. Ze zijn voor de vernietiging van alle herverdelingsmechanismen voor de rijkdommen en loven de deugden van het neoliberalisme. Het is een hele nieuwe strategie. Het laat toe sociale vraagstukken op de politieke agenda te zetten zonder daarom de strijd te moeten aangaan tegen ongelijkheid en tegen de structurele mechanismen die deze veroorzaken. Het is een evolutie die perfect samengaat met het neoliberalisme. Het wil van de armen rationele economische werktuigen maken, maar weigert hen elke openbare dienstverlening. Liever een uitkering betalen dat hun collectieve rechten geven. Milton Friedman zou gelukkig zijn als hij het hoorde.

Dit wil natuurlijk niet zeggen dat voor die landen waar vaak helemaal geen sociale bescherming bestaat, de invoering van een gewaarborgd inkomen een slechte zaak zou zijn. Heel dikwijls kan dat het dagelijks leven van een boel mensen wel degelijk verbeteren. Maar om de hierboven aangegeven redenen stelt het toch wel een probleem als deze strijd in de plaats zou komen van de strijd voor een werkelijke sociale zekerheid en voor openbare diensten voor iedereen. Het gaat dus ook om een politieke en ideologische strijd. De vraag is welke visie op sociale rechtvaardigheid wij willen verspreiden. Ofwel vatten we het op als een strijd tegen ongelijkheid. Ofwel eisen we alleen maar een grens waaronder het echt onwaardig is om te leven.

Een technische benadering van het probleem

Hoe kan je trouwens een eis ernstig nemen waarvan de efficiëntie (naargelang de hoogte van de uitkering) afhangt van een politieke factor waarmee die eis helemaal geen rekening houdt! Probeer je dit eens in te denken. Wel een hoge uitkering invoeren en tegelijk alles doen om de vakbond te marginaliseren en de sociale zekerheid kapot te maken. Was die sociale zekerheid precies niet de belangrijkste instelling die de arbeidersbeweging heeft opgebouwd om onze rechten te verdedigen?

De vraag brengt ons rechtstreeks bij een andere kwestie. Het gaat niet alleen om het economische, maar ook (en dit wordt zelden benadrukt) om het politieke belang van onze sociale zekerheidsinstellingen en van het arbeidsrecht. (De vakbonden zijn betrokken partij bij alle beslissingen inzake sociale zekerheid…). Het basisinkomen is de vervanging van een bestaand systeem door een ander.

In het scenario van het basisinkomen is geen plaats meer voor vakbonden. Ze worden gewoon weggegomd uit de vergelijking. Het zegt iets over de uitermate technische benadering van sociale vraagstukken door de voorstanders van die uitkering. Los van enige notie over krachtsverhoudingen zou de maatregel uiteindelijk alle problemen vanzelf moeten oplossen (werkstress, lonen, werkloosheid…). Dat is natuurlijk een illusie. Met of zonder basisinkomen, het is nu eenmaal een feit dat het vooral de (politieke en sociale) krachtsverhoudingen zijn die bepalen of we sociale waarborgen kunnen behouden en nieuwe rechten kunnen veroveren. Het zijn nog nooit technische overwegingen geweest die bepaalden hoeveel het vervangingsinkomen (of een eventueel basisinkomen) mocht bedragen. Over het algemeen zijn dat de politieke krachtsverhoudingen. Hoe meer die in het voordeel zijn van de bezittende klassen, hoe meer de uitbetalingen inkrimpen. Hoe meer de krachtsverhouding overhelt naar de zijde van de georganiseerde lagen van de werknemers, hoe meer ze omhoog gaan. Geen rekening houden met deze kwestie en ondertussen totaal willekeurig allerlei bedragen naar voren schuiven (van de meest magere bedragen in de liberale versies tot hogere sommen in de linkse versies), toont hoezeer de verdedigers de hele discussie tot een zuiver technische kwestie hebben gemaakt.

Conclusie: basisinkomen of strijd tegen ongelijkheid?

Filosofisch gezien past het hier enkele vraagtekens te plaatsen bij die verschuiving in het publieke debat van het stellen van vragen over de bestaande ongelijkheden naar een discussie over armoede. Het is in die zin interessant op te merken dat Lionel Stoléru in dezelfde geest als Milton Friedman een fundamenteel filosofisch argument gebruikte door een verschil te maken tussen een politiek die streeft naar gelijkheid (die hij socialisme noemt) en een beleid dat gewoon de armoede wil uitroeien zonder de inkomensverschillen op zich in vraag te stellen (liberalisme). Volgens hem “kunnen de dogma’s […] aanzetten om ofwel te kiezen voor een beleid dat de armoede afschaft, ofwel voor een beleid dat tracht een maximum vast te leggen voor het verschil tussen rijken en armen”.[19] Hij noemt dat de ‘grens tussen absolute armoede en relatieve armoede’.[20] Absolute armoede verwijst gewoon naar een arbitrair bepaald niveau (waaraan dan de negatieve inkomstenbelasting of het basisinkomen beantwoorden). Relatieve armoede verwijst naar de algemene verschillen tussen de individuen (tot wie de sociale zekerheid en de sociale staat zich richten). In de ogen van Stoléru is de markteconomie wel in staat acties te integreren van strijd tegen de absolute armoede, maar niet in staat om te sterke remedies tegen de relatieve armoede te verteren.[21] Sociale zekerheid, dat is natuurlijk niet het socialisme.

Toch vormen volgens Stoléru de ongelijkheden op zich geen probleem in de mate dat ze investering en groei toelaten. “Als we aan de ‘bovenkant’ raken, dan treffen we de dynamiek van de markteconomie in zijn hart, haar capaciteit om te investeren, te creëren, de investeringen te kiezen…”, zo schrijft Stoléru. Dat doen zou dus “de concurrentie-economie tegelijk haar kompas afnemen die haar stuurt en de springveer die haar op gang slingert, en dat is dus haar lot in handen geven van de staat. De staat het lot van de economie laten bepalen, dat is wat ik het socialisme noem.”[22] Daarom, zo gaat zijn redenering verder, “geloof ik dat het onderscheid tussen absolute armoede en relatieve armoede in feite neerkomt op het onderscheid tussen kapitalisme en socialisme…”[23] Recente werken zoals van Thomas Piketty of Richard Wilkinson hebben aangetoond hoe deze theorie in de praktijk de verdeling rechtvaardigt van de rijkdommen in de maatschappij in de richting van het één percent rijksten ten nadele van de grote massa die van hun werk moeten leven of geen werk meer hebben. Maar we denken ook niet, zoals Stoléru beweert, dat de sociale zekerheid kan leiden tot een kapitalisme zonder crisissen, zonder werkloosheid. De sociale zekerheid kan wel een buffereffect hebben: dankzij de uitkeringen van de sociale zekerheid daalt de koopkracht van de mensen niet zo sterk als ze ziek zijn of op pensioen of werkloos. En dat is noodzakelijk als we willen dat de werknemers een waardig leven kunnen lijden. Hevige crisissen zal dat evenwel niet beletten. En in deze crisissen, zoals vandaag, liggen de sociale zekerheid, de pensioenen, de werkloosheidsuitkeringen en de ziekteverzekering, alle dagen onder het spervuur van het patronaat. Net als de nood aan sociale zekerheid het hoogst is. Dit wijst op het betrekkelijke en voorlopige karakter van sociale verworvenheden onder het kapitalisme en op de noodzaak deze dag na dag te verdedigen.

De populariteit van het basisinkomen is in werkelijkheid kenschetsend voor de triomf van de neoliberale ideologie. Een ideologie die het vertikt om in om het even welk sociaal beleid de bestaande ongelijkheden tot een centraal thema te maken van onze democratieën. In de grond gaat het om een strijd, een illusoire strijd, tegen de armoede zonder serieus de ongelijkheid te bestrijden.

Wat we vandaag nodig hebben is dus niet een basisinkomen, maar een uitbreiding van onze sociale zekerheid. Langs alle kanten aangevallen, moeten we haar versterken en niet vernietigen. Het stelsel van het basisinkomen heeft immers niet het monopolie op de individualisering van de rechten en het van elkaar loskoppelen van inkomen en arbeid (denk aan de pensioenen, aan de werkloosheid…). We moeten bestaande leemtes in deze rechten natuurlijk ernstig nemen en opkomen voor de individualisering van de sociale rechten, voor het optrekken van sociale minima tot het niveau van de armoedegrens en voor de versterking van het collectief karakter van ons stelsel. Laat ons dus, in plaats van de langzame ontmanteling van onze sociale zekerheid als een onontkoombare werkelijkheid te zien, vechten om ons stelsel nog ambitieuzer weer op te bouwen.

Daniel Zamora Vargas (dzamora6 at gmail.com) is socioloog en onderzoeker bij het Fonds national de recherche scientifique (FNRS, ULB) en het Instituut voor Marxistische Studies.

[1] Mona Chollet, Imaginer un revenu garanti pour tous, mei 2013. www.monde-diplomatique.fr/2013/05/CHOLLET/49054.

[2] Idem.

[3] Idem.

[4] Philippe Van Parijs, “Allocation universelle, une idée simple pour le XXIe siècle”, in Jean-Paul Fitoussi en Patrick Savidan (dir.), Comprendre, nr. 4, “Les inégalités”, Parijs, PUF, oktober 2003, p. 155-200, Fr. vert. Solange Chavel, p. 7.

[5] Mateo Alaluf, “L’allocation universelle contre la protection sociale”, rtbf.be info, 14 juni 2013, http://www.rtbf.be/info/opinions/detail_l-allocation-universelle-contre-….

[6] Philippe Van Parijs, op.cit., p. 9.

[7] Philippe Van Parijs op.cit., p. 10.

[8] Mateo Alaluf, op. cit.

[9] Mateo Alaluf, op. cit.

[10] Mona Chollet: “Imaginer un revenu garanti pour tous”, mei 2013. www.monde-diplomatique.fr/2013/05/CHOLLET/49054

[11] Zie: Milton Friedman, Rose Friedman, Free to choose : A personal statement, Harcourt Brace Jovanovich, New York, 1980, p. 97.

[12] Lionel Stoléru, Vaincre la pauvreté dans les pays riches, Flammarion, Parijs, 1974.

[13] Francine Mestrum, Mondialisation et pauvreté, L’Harmattan, Parijs, 2002.

[14] Ibid., p. 13.

[15] Ibid., p. 23.

[16] UNDP, De armoede van de mensen overwinnen, Rapport van de UNDP Armoede 2000. New York, UNDP, 2000, p. 42-44.

[17] UNDP, Wereldverslag over de ontwikkeling van de mensheid, Parijs, Economica, 1991, p. 55.

[18] Francine Mestrum, op. cit., p. 24.

[19] Lionel Stoléru, op. cit., p. 237.

[20] Ibid., p. 286.

[21] Ibid., p. 287.

[22] Ibid., p. 289.

[23] Ibid., p. 286.

zonnepanelen-dakpannen

Dankzij doorzichtige dakpannen kan ieder huis worden verwarmd met zonne-energie

Oorspronkelijk bericht op freshgadgets.nl

Het SolTech System van het Zweedse bedrijf SolTech Energy bestaat uit doorzichtige dakpannen met daaronder een laag waarin lucht wordt verwarmd. Op deze manier heb je geen plat dak meer nodig om efficiënter gebruik te maken van de energie van de zon, waardoor het potentieel aan duurzame huizen enorm toeneemt.

Het systeem is aan te sluiten op de verwarmingsinstallatie van het gebouw waar de dakpannen zijn geplaatst, zodat de energierekening flink omlaag zal kunnen gaan. Bovendien ziet het er ook nog eens best goed uit. Het SolarTech System is inmiddels al op meerdere plekken in Zweden geïnstalleerd, dus Nederland zal wel snel volgen.

Brussels Hoofdstedelijk Gewest steunt de sociale economie

Interessant artikel, maar de volgende achterhaalde clausule weerhoudt me er zelfs nog maar uit te citeren…

“Misbruik auteursrecht mag niet”
De informatie die METRO via elektronische publicaties en diensten aanbiedt, is beschermd door het auteursrecht. Dit geldt voor het volledige multimediale aanbod met tekst, beeld en geluid. De beschikbare informatie is uitsluitend bestemd voor persoonlijk gebruik. Ze mag niet verder gedistribueerd, uitgezonden, gereproduceerd of gebruikt worden, zonder de uitdrukkelijke toestemming van METRO.

Jammer voor Metro denk ik dan…

Interview-Jan-Rotmans.1.1

“Dit wordt het einde van de gevestigde orde”

Oorspronkelijk artikel op energieplus.nl

Nederland kantelt. We ontwikkelen een hedendaagse samenleving waarin de huidige machtsverhoudingen radicaal zijn omgegooid. Zo krijgen bouwers steeds meer een faciliterende rol, waarvoor kennis van mensen belangrijker is dan techniek. Kartrekker van deze ommekeer is Jan Rotmans, hoogleraar transitiekunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en internationaal een autoriteit op het gebied van transities en duurzaamheid. Gepassioneerd vertelt hij over zijn nieuwe boek ‘Verandering van tijdperk – Nederland kantelt’.

lees het volledige interview

Indiegogo lanceert website voor persoonlijke crowdfunding

Door: NU.nl

Indiegogo heeft een speciale website gelanceerd voor crowdfundingcampagnes van een persoonlijke aard.

Indiegogo houdt bij campagnes op het Life-platform geen percentage van het ingezamelde geld in, zoals op de hoofdsite wel het geval is. De site is zo geschikt voor speciale projecten waarbij initiatiefnemers om persoonlijke redenen geld nodig hebben, bijvoorbeeld voor het betalen van medische kosten of schoolgeld.

Indiegogo stond dit soort projecten al toe, in tegenstelling tot het concurrerende crowdfundingplatform Kickstarter, maar heeft er nu een aparte website voor ingericht.

paradox-hayek

Er is meer dan één alternatief

Overgenomen van De Wereld Morgen
door Dominique Willaert, gepubliceerd op dinsdag 23 december 2014

Rik Pinxten met ‘Schoon Protest’ en Jan Blommaert en Karim Zahidi met ‘De paradox van Hayek’ leveren in deze donkere dagen boeiend en hoopvol leesvoer af. Beide boeken zijn gelardeerd met analyses en denk- en doesporen die zowel het sociaal verzet tegen het neoliberale beleid in dit land en Europa kritisch belichten als een aanzet geven tot de prefiguratie van de samenleving van morgen.

In zijn nieuwe boek ‘Schoon Protest’ waarschuwt Rik Pinxten voor een vreemd virus dat zich vliegensvlug in onze maatschappij verspreidt en de hele westerse cultuur aantast. Dit virus produceert goud voor een heel kleine minderheid en miserie voor een overdonderende meerderheid. Het virus draagt de naam neoliberalisme. Opmerkelijk is hoe Rik Pinxten het neoliberalisme duidt als een ideologie die een premoderne opvatting over mens en maatschappij verdedigt. Het neoliberalisme vertrekt vanuit een elitedenken: niet iedereen heeft dezelfde rechten en de staat (overheid) waakt niet langer over de optimalisering van de universele rechten van alle burger. Meer nog, een steeds groter deel van de overheid wordt ingezet om de 99% te controleren en te disciplineren. De superrijken (de 1%) ontsnappen aan elke controle of broodnodige herverdeling.

De auteur schaart zich hiermee achter de analyses die ook Stiglitz en Piketty worden gemaakt. Interessant is de manier waarop Rik Pinxten het in zijn boek heeft over de mentaliteitsvormende invloed en waardenfocus van de boekgodsdiensten. De auteur formuleert de hypothese dat de mentale houding die via deze godsdiensten wordt aangeleerd heel sterk terug te vinden is in de neoliberale mentaliteitsstructuur. Het is een basishouding die wordt gekenmerkt door exclusief denken, missionering, in het aanvaardbaar voorstellen van liberalisme en nationalisme en in de aanname van TINA (There Is No Alternative). Het terugplooien op zichzelf en het vergroten van interne en externe ongelijkheid als nieuwe norm leidt tot zo’n enorme verschraling van ons mensbeeld dat de auteur de term neobarbarisme introduceert. ‘Tijd om ook duidelijkheid in de taal te scheppen’ beargumenteert de auteur de keuze voor deze term.

Het nieuwe humanisme

De schaal die Rik Pinxten in het formuleren van stellingen, argumenten en vragen hanteert is die van het individu en de kleine groep. Hij motiveert die keuze omdat de leerprocessen waarover de auteur het heeft zich op die schaal situeert en deze schaal te weinig aan bod komt in politieke discussies. Ook de andere niveaus (regio, natiestaat, EU) zijn belangrijk maar verandering gebeurt volgens de auteur bijna telkens van beneden naar boven, dus van het individu of de kleine groep naar het nationale en hogere niveau. Stap voor stap gidst de auteur ons door de ontwikkeling van onze beschaving en de onafgebroken pogingen in Europa om monoculturele privileges te verdedigen. De westerse waardetraditie was een tijd lang heel krachtig, maar deze tijdelijke kracht garandeert geen hoog ethisch niveau. De auteur haalt met verve het vooroordeel onderuit dat andere culturen primitief zijn en de afspraak met de vooruitgang hebben gemist.

‘Samenleven in een sterk verstedelijkte wereld, in termen van welzijn en duurzaamheid, begint bij een gedeeld algemeen belang’ pleit de auteur. ‘We moeten een stapje terugzetten en nadenken in termen van medemenselijkheid, duurzaamheid en vrede.’ Als mensheid hebben we nood aan globale afspraken die we moeten leren respecteren om als mensheid te overleven. Rik Pinxten verwijst net zoals Jan Blommaert en Karim Zahidi naar het nieuwe humanisme van Amatya Sen (en Martha Nussbaum) die pleiten voor het erkennen van gelijke rechten voor alle mensen. Pinxten verwijst naar de ‘capabilty approach’ die in tegenstelling tot de marxistische traditie niet uitgaat van het concept ‘klasse’ maar zich centreert rond de optimale ontplooiing van elk individu. De auteur roept in het verlengde van dit nieuwe humanisme terecht op om te stoppen met aan economie de status van natuurwetenschap toe te kennen maar om veel bescheidener het over ‘politieke economie’ te hebben.

Pinxten stelt voor om het uniforme denken, het oude bipolaire denken in te ruilen voor het zoeken naar een platform waarin we op basis van dialoog tot afspraken kunnen komen, maar met de mogelijkheid tot herinterpretatie en het heronderhandelen. De auteur onderzoekt hoe we een dialogische persoonlijkheid kunnen ontwikkelen en dus het consistentieprincipe (het eigen grote gelijk) durft laten varen. Hij verdedigt het idee dat we het domein van medemenselijkheid moeten claimen als centrale basiswaarde. Gedaan dus met het reductionisme dat de mens wil herleiden tot een ‘homo economicus’. Empatisch en solidair samenleven moeten opnieuw de basiswaarden worden.

In het boek introduceert de auteur tal van metaforen, stellingen en argumenten rond domeinen die impact hebben op elk van ons. Hij biedt dit aan vanuit het geloof in de mens als lerend, onderzoekend en twijfelend wezen. De auteur roept de lezer op om verzet aan te tekenen en vooral in te zetten op initiatieven en kleine revoluties van onder uit. ‘De grote revoluties zijn tot nu toe altijd ontspoord en hebben steeds geleid tot de reductie van meningen en smaken in functie van een uniek hoger doel’ sommeert de auteur.

Met ‘Schoon Protest’ levert Rik Pinxten een toekomstgericht en hoopvol boek af. Het daagt uit om strijd te leveren tegen de ontmenselijking die we meemaken en om te durven geloven in alternatieven van onderuit voor de mensonterende graaicultuur die het neobarbarisme ons opdringt. Het boek daagt ons uit om de macht terug te nemen door belangrijke sectoren als opvoeding, cultuur, onderwijs aan de markt te onttrekken. ‘Als we gedecentraliseerd en coöperatief de markt terugdringen, wordt gedeeld welzijn en geluk mogelijk voor meer mensen’ besluit de auteur.

Welke vrijheid?

In ‘De pardox van Hayek’ dat wellicht parallel met ‘Schoon Protest’ werd geschreven formuleren Jan Blommaert en Karim Zahidi een genadeloze kritiek op de vrijheidsclaim waar de verdedigers van de vrije markt telkens mee uitpakken. Het neoliberalisme dat zich presenteert als een filosofie van de vrijheid geeft in de praktijk aanleiding tot een schrikbarende toename van de reële onvrijheid van de meerderheid van de mensen. Dit fenomeen vloeit rechtstreeks voort uit de ééndimensionale visie op vrijheid die Hayek en andere neoliberalen huldigen. Interessant is de manier waarop de beide auteurs een verband ontwikkelen tussen de neoliberale vrijheidsgedachte en de ecologische degradatie. De toenemende ongelijkheid als gevolg van de deregulering en de afkeer om tot collectieve planning te komen, brengt ons ecosysteem zo ernstig in gevaar dat het ons ‘het failliet van de neoliberale vrijheidsgedachte’ zou moeten doen inzien. Dit is de inzet van het boek ‘De paradox van Hayek’.

Beide auteurs benadrukken de sterk toegenomen onvrijheid voor heel wat burgers. Ze verwijzen onder meer naar hedendaagse vormen van slavernij op de arbeidsmarkt en hoe de westerse ‘liberale’ wereld de tweede positie inneemt op vlak van het winst maken door middel van dwangarbeid. De neerwaartse druk op de lonen en het proces waarin steeds meer arbeid moet verricht worden door steeds minder mensen zet een frontale aanval in op onze sociale zekerheid en de welvaartsstaat.

De auteurs wijzen er fijntjes op hoe de vrije samenleving waar de Oostenrijkse econoom Friedrich Hayek (1899-1922) voor pleitte niet noodzakelijk democratisch hoefde te zijn. Want voor Hayek is de individuele vrijheid het idee dat een individu vrij is als hij of zij enkel aan een minimale dwang wordt onderworpen. De overheid mag aan het individu zo weinig mogelijk zaken opleggen of ontzeggen. Deze individuele vrijheid veronderstelt geen gelijkheid onder mensen. Sterker nog: Hayeks voornaamste preoccupatie draaide rond vrijheid in het economische veld, rond vrijheid van private eigendom. Voor Hayek en ook Milton Friedman vormt de economische vrijheid de basis voor alle andere vrijheden.

Na de deconstructie van de negatieve vrijheid die door de aanhangers van het neoliberalisme wordt verdedigd, kantelt het boek en werken de auteurs op de these dat elke menselijke handeling in wezen als een sociale handeling kan worden beschouwd. Naast het eigenbelang is er ook sprake van sociale belangen die al dan niet de vorm van wetten of morele codes aannemen. Positieve vrijheid komt tot stand door niet enkel individuele belangen na te streven, maar ook door belangen die gedeeld worden binnen een gemeenschap: gelijkheid, rechtvaardigheid of billijkheid bijvoorbeeld.

Opmerkelijk is hoe ook hier de beide auteurs verwijzen naar de ‘capabilty approach’ van de econoom Amartya Sen die in zijn concept van vrijheid volkomen het immateriële karakter ervan definieert, als een vorm van menselijke autonomie die sociaal is ingebed, identiteitskeuzes inhoudt en geluk kan genereren. De verschuiving die door de introductie van het denken van Sen ontstaat, is die van bezit en consumptie in de richting van zelfontplooiing en de mogelijkheid tot opwaartse sociale mobiliteit. Het is duidelijk dat dit denken een democratische, rechtvaardige en herverdelende overheid veronderstelt.

‘Mensen kunnen pas vrij zijn wanneer zij een accuraat beeld kunnen vormen van hun leefwereld en van alles wat daarin relevant is voor hun eigen leven en wanneer zij dat beeld van een juist moreel en politiek oordeel kunnen voorzien’ stellen beide auteurs. Ze verwijzen expliciet naar een visie op bevrijding die ze verbinden met denkers als Jürgen Habermas, Paulo Freire en John Dewey. Inspraak kan slechts reëel zijn wanneer elke burger over dezelfde hoeveelheid (en kwaliteit van) kennis en informatie beschikken. Het belang van kennis en inspraak worden tot twee noodzakelijke ingrediënten van positieve vrijheid uitgeroepen.

Het gelaagde vrijheidsconcept dat Blommaert en Zahidi uitwerken overstijgt het abstracte individuele vrijheidsidee van Hayek en zijn volgelingen. De overheid of staat kan zelfs als een krachtige bondgenoot binnen het concept van positieve vrijheid opereren. Ze illustreren dit door het belang van de Grondwet en het naleven van deze Grondwet door de parlementsleden te benadrukken. De eed die parlementsleden in dit land moeten afleggen luidt: ‘Ik zweer de Grondwet na te leven’. Wanneer de auteurs Artikel 23 uit de Belgische Grondwet citeren, wordt pijnlijk duidelijk hoe onze parlementaire democratie er onvoldoende in slaagt om de grondrechten van burgers te realiseren of te verdedigen.

Druk

Misschien ongewild illustreren de auteurs zowel de morele als grondwettelijke malaise binnen onze parlementaire democratie. Beide boeken kunnen als belangrijke inspiratiebronnen voor de recent opgezette burgerweging ‘Hart boven Hard’ fungeren. Na het initiële enthousiasme en actiebereidheid van heel wat burgers en organisaties komt het momentum om de beweging te verdiepen en een langetermijnstrategie te ontwikkelen.

Beide boeken maken meer dan duidelijk dat er meer dan één alternatief is. Maar even duidelijk is dat de alternatieven niet zullen komen van onze verkozenen. Het zullen initiatieven zijn die bottom up worden ontwikkeld – door kleine en grotere collectieven van burgers – die als een voorafschaduwing van de samenleving van morgen zullen fungeren. Overheden en staten zullen niet zo maar verdwijnen, maar zullen onder druk gezet moeten worden door kleine en grote collectieve van burgers zodat deze niet langer de belangen van de 1%, maar de belangen van de 99% zullen verdedigen en dienen. Een cruciale vergissing is om te denken dat het enkel de huidige Vlaamse en Federale Regeringen en dus de centrumrechtse politieke partijen zijn die we in vraag moeten stellen.

Beide boeken maken heel erg duidelijk dat ook de Europese en Vlaamse sociaaldemocratie een gebrek aan verbeeldingskracht en debat- en dialoogcultuur vertoont om als alternatief te kunnen doorgaan. Er ligt bijzonder veel werk op de plank. Niet alleen voor de diverse burgerbewegingen maar ook voor de linkse oppositiepartijen.