Unknown

No such thing as Big Society: De meent, het gemene en communalisme

(foto: Elinor Ostrom)

Door en met dank aan Aetzel Griffioen (originele tekst)

De afgelopen jaren is er razend veel geschreven over en geëxperimenteerd met de concepten the commons en the common. Sinds de publicatie van het boek Empire van Michael Hardt en Antonio Negri in 2000 hebben beide concepten sterk aan populariteit gewonnen. Het concept commons – meent in het Nederlands – biedt mogelijkheden om voorbij de klassieke tweedeling publiek-privaat te denken en te handelen. Het geeft tevens aanleiding om nieuwe sociale, ecologische, financiële en politieke samenwerkingsvormen te beginnen.

De termen the common en commons – respectievelijk het gemene en de meent – beschrijven een nieuwe productiewijze van zowel goederen als financiële winst. De begrippen lijken ook in Nederland goed toepasbaar, ook al worden ze vooralsnog vooral gebruikt in een academische en Engelstalige context. Om het internationale politieke discours rondom de commons ook voor burgers en beleidsmakers relevant en inzetbaar te maken, moeten we het vertalen naar termen die beter passen in de Nederlandstalige context. De meent herinnert ons immers nog slechts aan straten, parken of publieke voorzieningen met die naam.

In dit artikel wil ik de begrippen commons en the common nader verklaren en naar mogelijkheden voor een Nederlandstalige context zoeken. Ik ga daarom eerst in op de oorsprong van de commons en het internationale discours eromheen. Daarna besteed ik aandacht aan het Engelse bezuinigingsprogramma Big Society. Dit geeft een conservatieve en marktgerichte invulling van het begrip gemeenschappelijkheid en wordt in Nederland met fascinatie gevolgd door bestuurders als ministers Donner en Spies. Daarom gebruik ik de Big Society als contrast voor een radicaal linkse beweging rondom de nieuwe meentes en het gemene. Ten slotte zal ik een aanzet geven tot een beschrijving van wat nieuwe meentes zouden kunnen zijn en hoe deze zouden kunnen functioneren.

De commons voorheen

Wat is het gemene precies? Een antwoord op die vraag begint bij de geschiedenis van de zogenaamde Britse commons. Commons waren geografisch en sociaal streng gedefinieerde stukken grond die door boerengemeenschappen gezamelijk gebruikt werden (1). Naast privaat en publiek bezit vormden ze een derde soort eigendom, gebaseerd op het gezamelijk beheer en onderhoud door de gemeenschap. Die kon er vee laten grazen en gewassen op telen die niet buiten de eigen grenzen verhandeld mochten worden. Deze non-commerciële gebieden dienden ter ondersteuning van de meentenaren en waren van belang voor het zelfonderhoud van hun gemeenschap.

In Het Kapitaal beschrijft Karl Marx hoe deze gebieden vanaf de vijftiende eeuw werden ingesloten (enclosed) en ingelijfd door private of publieke grondgebieden. Deze enclosures moesten te vuur en te zwaard worden veroverd, want de boeren gingen niet zonder slag of stoot akkoord met deze gedwongen herverdeling. De boeren werden aldus van hun land verdreven en moesten het daarna gaan pachten. Omdat velen dat niet konden betalen, moesten zij in loondienst gaan werken bij andere boeren of in fabrieken. Op deze manier waren de enclosures een belangrijke voorwaarde voor het vrijkomen van arbeidskracht én de noodzaak geld te verdienen. Marx duidt de enclosures daarom aan als één van de begindaden van het kapitalisme:

‘De roof van kerkgoederen, de frauduleuze verkoop van staatsdomeinen, de diefstal van de gemeenschappelijke gronden, de wederrechtelijke en met een genadeloos terrorisme voltrokken verandering van feodaal eigendom en clanbezittingen in modern privé-eigendom – dit waren evenzoveel idyllische methoden van de oorspronkelijke accumulatie.’ (2)

Marx noemt de methoden cynisch ‘idyllisch’, omdat de algemeen heersende opvatting was – en misschien nog steeds is – dat de rijken rijk zijn geworden door vanaf het begin der dagen zuinig te leven, te sparen en te investeren. Maar, zoals duidelijk moge zijn: ‘in feite zijn de methoden van de oorspronkelijke accumulatie allesbehalve idyllisch.’ (3)

Hoewel de Engelse commons ruw beëindigd werden, was het leven vóór de enclosures ook geen makkie. De groeiende belangstelling voor wat de meent en het gemene heden ten dage zouden kunnen betekenen, vat ik dan ook niet op als een uitnodiging om terug te vallen op droombeelden van een heerlijk verleden. Het gaat erom dat de commons en de meentes een derde vorm van eigendom waren die hoegenaamd niet meer bestaat.

In Nederland en Vlaanderen bestonden er vele soorten commons: meentes, markes en brinken. Deze zijn echter niet gewapenderhand herverdeeld. Hun opheffing heeft wel te maken met het versnellen van de accumulatie van kapitaal, zoals bij de Engelse commons ook het geval was. De historica Tine de Moor stelt dan ook: ‘Dat instituties zoals markegenootschappen vandaag de dag zo goed als geheel uit het Nederlandse landschap en het collectieve geheugen verdwenen zijn, is een gevolg van de liberaliseringsgolf’ die is begonnen in de achttiende eeuw.4 Nu die liberalisering aan het begin van de eenentwintigste eeuw opnieuw inzet is geworden van politieke en sociale strijd, kunnen we deze collectieve manieren van handelen en denken met nieuwe ogen bekijken.

Hoe verhoudt de meent zich tot publiek en privaat bezit? Publiek bezit is het bezit van de staat die zich ontfermt over het algemeen belang. Maar omdat niet alle inwoners ook ambtenaren zijn, besteden burgers feitelijk via de staat een deel van de zorg voor het publieke eigendom uit in plaats van dat ze er zelf voor zorgen. Privaat bezit is datgene waaruit individuen en rechtspersonen voor zichzelf zoveel mogelijk voordeel mogen putten, meestal door het aan te wenden voor economische productie of voor de noodzaken en geneugten van het huishouden. Gemeenschappelijk bezit houdt op verschillende schalen het algemeen belang in de gaten – zoals dat van een buurt, een gemeenschap of de gehele mensheid – terwijl het toch wordt aangewend voor productie. Deze productie geschiedt echter zonder winstoogmerk en wordt door alle leden van een meent gezamenlijk ondernomen. Het beheer, de vruchten en de lasten ervan vloeien terug in de meent.

De commons vandaag

Het discursieve veld van de commons is breed. Niet alleen Marx heeft erover geschreven. Er zijn grof gezegd vier stromingen die zich bezighouden met commons. De eerste stroming draait rond het idee van de meent als tragedie, zoals verwoord in Garret Hardins beroemde tekst A tragedy of the commons uit 1968. De bioloog Hardin gaat ervan uit dat meentes nooit lang kunnen bestaan. De individuen die de meentes bestieren zijn namelijk egoïstisch en dus zullen zij de grondstoffen altijd overvragen. Hardins tekst heeft het heersende geloof in privaat eigendom als hoeksteen van de economie dan ook versterkt.

Als reactie hierop onderzoekt een tweede stroming van zogenaamde neohardianen sinds de jaren tachtig onder welke voorwaarden meentes wél duurzaam beheerd kunnen worden. De neohardinianen zien de problemen rondom meentes en de globale commons voornamelijk als een zaak van het juiste management. Deze blik komt voort uit Hardins theoretisch raamwerk dat vooral draait om schaarste. De neohardinianen zijn het niet met Hardin eens dat meentes een onverstandige vorm van beheer zijn. Voor hen is het juist de vraag onder welke voorwaarden bossen, visgronden, graaslanden en bijvoorbeeld schone lucht wel als een commons beheerd kunnen worden. Uitgaande van het werk van Elinor Ostrom, in 2009 de gedeelde winnaar van de Nobelprijs voor Economie, werken zij met een set endogene variabelen die moeten uitwijzen of een commons in zijn voortbestaan bedreigd wordt of niet.

Deze stroming heeft veel aanhangers bij grote instituten als de Wereldbank en de Verenigde Naties die aan de aanpak van de neohardianen weer een andere draai geven. George Caffentzis ziet daarin een gevaar:

‘Toen midden jaren negentig de NAFTA en WTO akkoorden in werking traden, met hun neoliberale vooroordelen ten gunste van vervreemdbaar privé-eigendom van land, was de “There is no alternative”-Wereldbank voorzichtig bezig met een “Plan B”; met een politiek om op terug te vallen wanneer de spanningen ten gevolge van de privatisering van grond te machtig en gevaarlijk zouden worden. Hoofdbestanddeel van dit alternatief is het accepteren van land- of bos-commons als tussenoplossing.’ (5)

Het idee van de meent als een beleidsmiddel om de uitwerking van neoliberale politiek te verzachten is tevens onderdeel van het Britse Big Society project. Dit is de derde stroming waarin commons een belangrijke rol spelen.

De meeste neohardinianen zijn tegen het neoliberale marktdenken. Maar doordat zij meentes vooral van binnenuit bekijken, hebben ze maar weinig aandacht voor de ideologie van de vrije markt die meentes liever zou vervangen voor privé-eigendom. Ze beoordelen op puur pragmatische gronden hoe een grondstof het beste beheerd kan worden en laten economische en politieke vergezichten grotendeels over aan anderen. Deze bijziende blik leidt er uiteindelijk toe dat het beleid dat onder hun auspiciën wordt geschreven ten gunste van de commons óók gezien kan worden als een manier om een bevolking richting neoliberaal kapitalisme te dwingen. Een veel zachtaardiger manier, in vergelijking met de Structural Adjustment Programs van het Internationaal Monetair Fonds, maar in wezen niet veel anders.

Voor de neohardianen zijn gemene gronden ruimtelijk en juridisch bepaalde ruimtes waarin gejaagd, gevist en grondstoffen gewonnen kunnen worden.6 Zij benadrukken het reguleren van de exploitatie vanuit de vooronderstelling dat de te beheren grondstoffen schaars zijn. De betekenis van het woord commons is echter langzaamaan verschoven. Naast territoriaal bepaalde commons zijn global commons zoals lucht, water en biodiversiteit een belangrijke rol gaan spelen. Veel onderzoek richt zich juist op dat laatste. In tegenstelling tot bij een meent kan de toegang tot globale commons niet zomaar beperkt worden. De keerzijde daarvan is dat iedereen er last van zal hebben wanneer het slecht gaat met global commons.

Het gemene

Sinds 2000 hebben ook Italiaanse autonome marxisten zich in de discussie gemengd. Anders dan de neohardianen gaan de autonome marxisten niet uit van schaarste, maar van overvloed. De schaarste waarop economische wetmatigheden zijn gebaseerd, is volgens hen een constructie die wordt gebruikt om delen van het gemene af te sluiten voor delen van het publiek. Volgens het autonome gedachtengoed is het gemene niet principieel schaars, maar het kan wel schaars worden gemaakt. Grondoppervlaktes zijn misschien wel schaars, maar dat geldt niet voor schone lucht, voor taal, muziek, ideeën en sociale innovatie. (7) Dat zijn namelijk allemaal zaken die voor iedereen toegankelijk kunnen zijn – en dat is de andere betekenis van gemeen.

Die toegankelijkheid kan echter teniet gedaan worden door de toe-eigening van dit soort commons door individuen of rechtspersonen die als doel hebben de toegang ertoe te kapitaliseren. Het gemene is dus een sociaal fenomeen, dat zo sterk is als de maatschappelijke verbanden zijn waarbinnen het ontstaat. (8) Hardt en Negri zeggen daarom dat economische productiviteit in feite sociale productie is die vervolgens geprivatiseerd is. Er is een muurtje omheen gezet (hij wordt ingekapseld of ‘enclosed’) en wie er toegang tot wil, moet betalen.

Onze rechtssystemen en economische structuren zijn opgericht met het idee dat individuen beter omgaan met schaarste dan collectieven; ze geven dus elk individu zoveel mogelijk kansen om de schaarse grondstoffen voor zichzelf te gebruiken. Volgens vrije markt-ideologen garandeert dit een optimale uitkomst voor iedereen, maar in feite bevorderen ze monopolisering in plaats van delen.

Financiële overvloed wordt belangrijker geacht dan een toename van sociale, mentale en fysieke gezondheid van het individu of de omgeving. In dit verband zie ik de opmerking van de geschiedkundige Tine de Moor dat wij het grotendeels verleerd zijn om collectief te handelen. (9) Niet alleen gaan er stemmen op om CAO’s uit te kleden en de waterschappen te ontmantelen, maar ook wordt onze vrije tijd ingekaderd, gemeten en ingeschat om direct productief gemaakt te worden en ons te bewegen tot bepaalde manieren van leven. De ervaringseconomie richt zich op de productie van subjectiviteit zelf – wanneer we met elkaar praten, discussieren, denken, internet gebruiken – en onttrekt daar waarde uit. Juist dat wat we gemeen hebben, wordt ingekapseld of productief gemaakt met het doel om winst te maken.

Het is belangrijk te beseffen dat vanwege deze ingebakken neiging naar privaat kapitaal het gemene constant bedreigd wordt. Dit beschouwen als puur een organisatiekwestie, iets dat opgelost kan worden door beter management, is niet realistisch. De verschuiving van het private naar het publieke is een zich zelf versterkende neiging. Telkens namelijk wanneer een stuk van het gemene wordt afgesloten voor een deel van het publiek, komt dat ten nadele van de veerkracht van de gemeenschap. Opties om eraan bij te dragen worden weggenomen en het schaarstemodel herstelt zichzelf als de norm.

De autonome marxisten tonen overtuigend aan dat het overgrote deel aan economische waardeproductie niet langer plaatsvindt in de fabriek of het laboratorium, maar in de hoofden van consumenten. De nadruk is verschoven van industriële productie naar dienstverlening en de zogenaamde ervaringseconomie. Bij het ontwikkelen van een product bepaalt een firma eerst wat de klanten willen, pas daarna pas begint het ontwerp- en productieproces. Hierdoor vindt de productie voor een steeds groter deel plaats in de leefwereld van mensen in plaats van in de fabriek. Taal en beeldtaal, zelfs onze manier van leven of lifestyle zijn bepalend geworden voor de productie. De Italiaanse filosoof Paolo Virno zegt daarover:

‘Wanneer de productiemiddelen niet te reduceren zijn tot machines, maar veeleer bestaan uit linguïstiek-cognitieve vaardigheden die onlosmakelijk verbonden zijn met levende arbeid, is het gerechtvaardigd om aan te nemen dat een belangrijk deel van de zogenaamde “productiemiddelen” bestaan uit antropotechnieken en communicatieve methoden’ (10).

En als productie consumptie-gestuurd is, dan werken we zelfs wanneer we iets liken. In een vraaggestuurde economie nemen eerst het aangeven van de vraag door de consument, dan het signaleren van de vraag door aggregatiemechanismen als de spaarkaarten van supermarkten en tankstations en vervolgens het afstemmen van alle verschillende partijen die ervoor nodig zijn om een product just-in-time aan te leveren een belangrijke plaats in het productieproces in. Deze drie stadia zijn alle communicatief van aard. Daarom zegt Virno dat de communicatieve eigenschappen van de menselijke soort zelf productiemiddelen zijn geworden.

Maar, zo zeggen de autonome marxisten, voordat taal, kennis, en grondstoffen kunnen worden verkocht, zijn het primair zaken die alle mensen samen delen. Het gemene gaat vooraf aan economische productie en dat is des te meer zo in onze tijd. Ze gaan in die stelling verder dan klassieke filosofen als Rousseau en Proudhon. Zij stellen namelijk dat het gemene – zowel de biologische, geologische, ecologische als communicatieve constantes van het leven op aarde – nooit helemaal op kan raken.

Communalisme

Deze schets van de condition posthumaine is niet zo koud als op het eerste gezicht lijkt. Het gemene – anders dan meentes – kan namelijk niet opraken of vernietigd worden zonder dat een economie of een ecosysteem daaraan ten onder gaat. Het staat immers aan de basis ervan. Daarom kan het ook leidend zijn voor een politieke oriëntatie die voorbij wil aan de tegenstellingen tussen overheid en individu of staat en markt. Het is een mogelijk uitgangspunt voor politiek dat, anders dat het nivelleren van de verschillen zodat elk individu zijn geluk kan zoeken op de markt, uitgaat van het feit dat zowel de hoogtepunten als de dieptepunten van onze samenleving door ons allen en samen tot stand zijn gebracht. Niet alleen de winst, maar ook de milieuvervuiling en de armoede – dat is de gemene zaak. Ertoe besluiten om die aan te pakken, dat is de stap van ontologie naar politiek. Het gemene is dat wat we al delen en wat we nog kunnen gaan delen als we het reeds gedeelde als uitgangspunt nemen voor ons handelen. En als het gemene onze politieke blik moet leiden, zullen we moeten leren hoe we lokale meentes op kunnen richten die de toenemende neiging tot privatisering en tot de financialisering van het leven het hoofd kunnen bieden. Er moeten manieren gevonden worden die de economische waardecreatie op zijn kop zetten. In plaats van dat gedeelde sociale relaties worden omheind en in een markt worden omgezet, moeten markten in meentes veranderd worden en moeten die meentes vervolgens ingezet worden om nieuwe meentes te beginnen. (11)

De Vlaamse socioloog Rudi Laermans noemt deze herwaardering in een parafrasering van Hardt en Negri communalisme. (12) Gezien de privatiseringen van de afgelopen decennia ziet hij in deze nieuwe oriëntatie ook een nieuwe rol voor de overheid. Volgens hem moeten burgers en vooraanstaande intellectuelen zich een communalistische aanmeten. Zij moeten aangeven dat zij verwachten van de overheid dat die zich meer voor de gemeenschappelijke zaak zal inzetten. In het huidige klimaat ligt het inrichten van meentes immers verder weg dan meer privatisering, zoals we ook in de volgende sectie zullen zien. Collectieve belangen moeten een derde plaats toebedeeld gaan krijgen naast publieke en private. Voor Laermans gaat het dus om een omslag in het huidige politieke discours ten gunste van collectieven. Daarbij wijst hij niet alleen op de positieve kanten van het communalisme, maar ook op mogelijke gevaren voor de verspreiding ervan. Eén mogelijk gevaar ligt in de aantrekkingskracht van de retoriek van gemeenschappelijkheid voor projecten die in feite gemeenschappen niet versterken.

Zo kijken onze eigen politici al een jaar of twee naar de denktank ResPublica die onder de Engelse premier David Cameron het programma Big Society opnieuw op de kaart heeft gezet onder de noemer communitarisme. Big Society deelt veel van het jargon van het autonome denken over de commons. Maar wat ResPublica onder gemeenschap verstaat, is niet hetzelfde als voor de autonomen. Gemeenschapszin kan op zo’n manier ingezet worden dat de gemeenschap er bar weinig aan overhoudt. Preciezer gezegd: met een appèl aan de gemeenschapszin proberen overheden momenteel hun publieke taken uit te besteden aan hun burgers. Om dat te illustreren een excurs naar het Derdewegdenken uit het Verenigd Koninkrijk en naar Rio de Janeiro.

De overheid als outsourcer

Met Big Society probeert de Britse overheid de kosten van het onderhoud van zichzelf en de publieke ruimte over te dragen op de eigen gemeenschappen én daaraan te verdienen. Het is een soort outsourcing, waarbij ditmaal niet het bedrijfsleven de kosten van milieuschade en sociale ongelijkheid externaliseert, maar de overheid dat doet.13 De meent is een cruciaal begrip in het framen van deze externalisering. Samen met Phillip Blond van de ResPublica denktank heeft de Britse premier Cameron sinds enkele jaren de mond vol van de commons. Dat mag geen verassing heten. De commons is een concept dat de Engelsen immers vertrouwd is. Om die reden introduceert ResPublica hun ideeën ‘ter kapitalisering van de armen’ als volgt:

‘Een asset is … een potentiele bron van toekomstig inkomen. … Alle gemeenschappen bezitten een serie assets, waaronder de tijd, kennis en het toekomstige potentieel van degenen die erin leven. Echter, volgens deze definitie is het enige daadwerkelijke asset dat de groeiende klasse van uitkeringstrekkers in Groot Brittanië bezit, de zekerheid van een uitkering. … [Deze] belofte is een asset zonder enige langetermijnvoordelen in de zin van rijkdom, empowerment, psychologisch welbevinden, het optimisme of de sociale status die allemaal voortkomen uit daadwerkelijk bezit. … De overheid … moet een manier vinden om gemeenschappen opnieuw onafhankelijkheid en zelfvoorzienendheid te verlenen.’ (14)

Werklozen worden hier neergezet als de ‘steuntrekkende klasse’ die passief het geld van de overheid opzuigt. Onder Cameron zal dat allemaal veranderen, want ‘mensen, ook met lage inkomens, moeten in staat worden om een direct financieel belang te verwerven in de lokale assets in hun gemeenschap.’15 Dit is de ronkende basis van het nieuwe Britse elan – de keiharde ontkenning van de gemene productiviteit, zogenaamd ten gunste van de gemeenschap. Het klinkt fantastisch, maar het is Margaret Thatcher in het kwadraat. Cameron heeft geleerd van dertig jaar linkse kritiek. Het ‘Community Right to Buy’ pareert namelijk het antwoord van de prominente marxist David Harvey op de econoom Hernando de Soto, die in de voetsporen van Hardin beweert dat de beste oplossing voor de armoede in de sloppenwijken van Rio de Janeiro is om de landrechten op individuele basis aan de armen te geven.

Harvey heeft laten zien dat De Soto hiermee Thatchers agenda theoretisch inkadert. Onder haar regime werd in de jaren tachtig het ‘Right to Buy’ ingevoerd, waardoor ook armere bewoners hun huurwoningen konden kopen. Het resultaat daarvan is echter niet geweest dat veel meer mensen dan voorheen goedkoop een huis kunnen krijgen, maar juist dat ‘mensen met lage inkomens of zelfs uit de middenklassen’ helemaal geen toegang meer hebben tot ‘woningen die enigszins in de buurt liggen van het centrum [van Londen].16 Het kooprecht van huurwoningen hield namelijk niet op bij de huurders zelf. Als zij eenmaal hun woning hadden gekocht, stonden zij die op hun beurt vaak weer af aan de bank of aan commerciële investeerders. Doordat de oud-huurders hun woningen doorverkochten, gingen uiteindelijk betaalbare woningen voor de gemeenschap verloren.

En wat in Londen gebeurde na Tatcher, gebeurde evengoed in de sloppenwijken van Rio na de implementatie van De Soto’s voorstel: ‘de armen, geplaagd door inkomensonzekerheid en financiële problemen, [konden] makkelijk overgehaald worden om hun [nieuw verworven] assets te verhandelen voor een relatief laag geldbedrag’, waarna de ontwikkelaars er met de prijs vandoor gingen. (17)
Tegenstanders van Big Society kunnen deze kritiek echter niet langer zomaar gebruiken. Immers, het kooprecht onder Thatcher was voor individuele gezinnen. Nu is het een kooprecht van de gemeenschap.

Wat heeft Big Society nu echt te maken met de commons? De auteurs van het bovengeciteerde stuk van ResPublica willen hun lezers laten geloven dat Big Society linea recta afstamt van een lange traditie gericht is op ‘bezit van assets door arme gemeenschappen.’ Big Society staat volgens hen in de nobele lijn van de ‘revoltes tegen enclosures vanaf de vijftiende eeuw; de experimenten van de Levellers en de Diggers in de zeventiende eeuw, het radicalisme van eind achtiende eeuw; de eerste coöperaties van de negentiende eeuw; … [en de] experimenten met gemeenschapsbedrijven in Zuid Wales en elders tijdens de depressie van de jaren dertig.’18 Het is, met andere woorden, een programma dat links zou moeten omarmen.

En gezien de enorme bezuinigingen en de vele ontslagrondes die de Britse publieke sector de afgelopen twee jaar heeft gekend, is het waar dat het oprichten van een Community Trust onder het ‘Community Right to Buy’ in een wijk tot een grotere mate van bescherming tegen de vrije markt zou kunnen leiden. Voorzieningen voor voedselproductie, onderwijs en ziekenzorg, in het bezit van de gemeenschap – het is allemaal mogelijk. Sterker nog, in Groot-Brittannië gebeurt het al meer dan 25 jaar.

Maar er is één Big Difference. Geen van de aangehaalde voorbeelden heeft ooit zijn eigendom voor een fractie onder de marktprijs moeten kopen van de overheid; de eerder genoemde gemeenschappen hadden hun commons zelf gebouwd of toegeëigend. De angel van dit nieuwe Thatcherisme van Cameron zit hem in het feit dat gemeenschappelijk beheer ook mogelijk zou zijn zónder de ‘assets’ aan te kopen. Eigendom is namelijk niet langer een voorwaarde voor het creëren van sociale productie.

De Nieuwe Gemeenschappen waarvan het programma rept, kunnen een hogere mate van zelfvoorziening genereren, maar dat kan alleen als de schuldenval of debt push down – de angstvallig vermeden premisse van Big Society – aan de kaak gesteld wordt. Deze debt push down houdt in dat een lopend tekort van de overheid via de gemeenschappelijke aankoop van bijvoorbeeld een huizenblok wordt overgeheveld naar van de leden van de gemeenschap. De gemeenschap koopt het blok aan en gaat daartoe een hypotheek aan die wordt verdeeld onder de leden. De overheid heeft haar eigen tekort zo naar beneden geduwd.

Het Big Society programma is precies waar Caffentzis voor waarschuwt: een soort commons die geen soelaas biedt, maar juist neoliberaal, marktgericht beleid via de achterdeur binnenlaat. De corporatieve democratie verandert onder dit soort programma’s in een corporate democratie waar burgers (nooit de inwoners of zelfs maar de werkhebbenden) samen met marktpartijen mogen stemmen.

Zo is Big Society ook een volgende stap in de evolutie van wat Michel Foucault gouvernementaliteit noemt: de kunde van de staat om de verlangens van de bevolking zo te beïnvloeden dat haar productiviteit vergroot wordt. (19) En doordat de overheid haar assets vaak afstaat ten gunste van private ontwikkelingen, lijkt het er inmiddels op dat de markt de belangrijkste aanwender van deze biomacht is geworden. Zo wordt het gemeenschappelijke belang niet langer door de staat gewaarborgd. Het een zaak van particulier initiatief geworden, hoewel het minstens zo belangrijk is als het publieke en private belang. Precies daarom moet het door de overheid behartigd gaan worden – wat sneller zal gaan als burgers daarom vragen. In de woorden van Laermans: tegen de bestuurslogica die voornamelijk denkt in allianties met de private sector moet een countergouvernementaliteit ontworpen worden met een communalistische agenda.

BewonersBedrijven

Als tactische optie voor buurtinitiatieven is het oprichten van een community trust geen slecht idee, mits er een oplossing gevonden kan worden voor de bovengenoemde schuldenval. Als een project op de lange termijn realiseerbaar lijkt, is er geen reden om een gemeenschappelijk aangekocht en onderhouden project niet door te laten gaan. Maar als initiatief van de Britse overheid dient het duidelijk om de staatsschuld te lenigen, publieke uitgaven te verminderen en onmiddellijke solvabiliteit te creëren door schulden van de staat naar gemeenschappen over te hevelen. Dit is geen programma dat de armen zal helpen, maar een bezuinigingsprogramma dat geadverteerd wordt met een stevige dosis gemeenschapszin. Zo is dit appèl aan het gemeenschappelijke werkelijk gemeen. Immers, niet alleen de staatsschuld, maar ook overtrokken hypotheken dragen bij aan een instabiele economie.

Reden genoeg dus om aan de bel te trekken. Nederlandse politici en beleidsmakers in de nationale overheid, adviesorganen en in de directies van de grotere woningbouwcorporaties willen ons eigen sociale huurstelsel afschaffen met een ‘Right to Buy’ programma dat regelrecht uit Groot- Brittannië lijkt te komen, maar dan met een vertraging van dertig jaar. Om economisch gezond te blijven, berekende een voormalig hoofd van een grote corporatie een jaar geleden, moet minstens de helft van alle corporatiewoningen verkocht worden. Ministers Donner en Spies staan niet alleen.

Vooralsnog zal het met zo’n programma niet zo’n vaart lopen in Nederland. Nederland heeft in vergelijking nog altijd een zeer goed functionerend sociaal huurstelsel, de regelgeving is sterk ontwikkeld en de drang van de lokale overheden om regie te blijven voeren is groot. Lopende projecten zoals de BewonersBedrijven van het Landelijk Steunpunt Aandachtswijken (LSA) zijn dan ook niet zozeer geïnspireerd op wat ResPublica schrijft over ‘capitalizing the poor’, maar meer op de al 25 jaar oude praktijk van de Community Trusts in Groot-Brittannië. Deze BewonersBedrijven die ‘tot doel [hebben] hun buurt economisch, fysiek en sociaal te helpen ontwikkelen’ zodat bewoners zich er zelf in herkennen, krijgen een aantal principes mee die burgerparticipatie naar een nieuw niveau zullen tillen. Bewonersbedrijven worden begonnen, bezeten en geleid door bewoners; laten inkomen terugvloeien in de wijk zonder dat private personen daar financieel voordeel van hebben; en zoeken de samenwerking met, maar niet de regie door, de overheid en andere partijen. Deze principes geven dus de nodige vrijheid ten opzichte van de (lokale) overheid. Hierdoor kan de kritische, arbeideristische invalshoek waaronder de begrippen meent en het gemene zijn ontwikkeld veel opleveren voor de verdere ontwikkeling van deze trusts in de polder.

Nieuwe meentes als revolving fund

Zo op het eerste gezicht staan het neohardiniaanse begrip van de commons en de autonoom marxistische opvatting van het gemene op gespannen voet. Schaarse grondstoffen die binnen een commons goed beheerd moeten worden staan tegenover sociale verbanden in overvloed waartoe de toegang juist moet worden vergroot. Waar de commons door Ostrom en andere neohardinianen voornamelijk zijn behandeld vanuit het oogpunt van management, kijken de autonome marxisten er op een andere manier naar: op het abstracte niveau van de productie is er volgens hen al sprake van verregaande gemeenschappelijkheid. Juist op dit vlak is er sprake van complementariteit: de neohardinianen weten hoe meentes georganiseerd moeten worden en zouden die kennis ook politiek in moeten zetten tegen het economisch en sociaal beleid dat is gericht op privatisering. Voor autonomen kan vervolgens die gemeenschappelijkheid aan de basis staan voor nieuwe vormen van collectieve organisatie.

Nu het kapitalisme overschaduwd wordt door ecologische problemen, wordt duidelijk dat de ontregelende effecten van de economische productie op de ecologische cycli niet langer buiten die economische productie gehouden kunnen worden. Daarom moeten we naar een economie van cyclische productieprocessen toe waarin externalisering (van bijvoorbeeld ecologische schade) niet langer mogelijk is. Dat houdt ten eerste alleen in dat we een cyclisch begrip van productie moeten ontwikkelen, dat bovendien integraal is en ook rekening houdt met mogelijke ontregelende effecten op persoonlijk en sociaal vlak. Deze cyclische economie moet gedragen worden door de principes van sociale rechtvaardigheid en economische democratie. Dat betekent niet ‘one dollar one vote’, maar kunnen stemmen over het aanwenden van de staatskas.

De meent en het gemene zijn concepten waaraan een economie van cyclische, want ecologische productie een organisatiemodel kan ontlenen. Anders dan bij winstmakende bedrijven – die lineair produceren omdat de winst die zij maken niet terugvloeit in het productieproces maar moet worden geherinvesteerd in de kapitaalaccumulatie –, zou een meent productie kunnen opvatten als een revolving fund.

Normaal richt een overheid een revolving fund in zonder dat burgers daar veel over te zeggen hebben. Zo’n fonds wordt meestal aangewend om investeringen te doen in bouwprojecten voor bijvoorbeeld stedelijke vernieuwing – of minder mooi: voor gedwongen gentrificatie. Het wordt aangevuld door de gebruikers van reeds gerealiseerde projecten te laten betalen voor hun gebruik. Als het eenmaal is ingesteld, houdt het pas op wanneer de overheid dat wil. Burgers zijn hun geld dus kwijt als ze het niet eens zijn met de reden waarvoor het revolving fund werd opgezet.

In een meent speelt dit probleem niet. Daar hebben alle deelnemers invloed op de activiteiten die erin ondernomen worden. De constructie van een meent als revolving fund draait de logica van een bedrijf om: in plaats van de productie van winst, wordt kapitaal de grondstof waarmee de meent andere zaken produceert.

Nieuwe meentes als revolving funds creëren de mogelijkheid om oude ideeën van eigendom en beheer op te rakelen en te vernieuwen. Die ideeën liggen diep in ons collectieve geheugen begraven omdat ze zijn verdrongen door de marktgeoriënteerde handelswijze die de globe heeft veroverd. Ze zijn echter niet helemaal verdwenen, omdat de liberale praktijk is ontstaan uit deze sterke collectiviteiten. Affectieve, informationele en zelfs goederengerichte productie vinden plaats vanuit ‘het gemene’. En de dragende kracht daarachter is de ‘multitude’. (20)

Dit laatste begrip is internationaal een wijdverbreid begrip geworden dat de collectiviteit die sowieso in alle productie aanwezig is, aangrijpt als politieke beweegreden voor de erkenning van die collectiviteit. Onder de vlag van de multitude zijn niet alleen ideeën als basisloon en de collectivisering van arbeid tot leven gekomen, maar ook die van een verbod op het patenteren van biologische informatie en van de copyfight: het open delen van informatie en kennis.

In Nederland is het gebruik van de multitude als politiek begrip nog niet goed van de grond gekomen. Het kan echter worden vertaalt als ‘menigte’, wat zijn etymologische wortels deelt met de ‘meent’.21 Dit biedt aanknopingspunten om instituten voor collectieve actie, zoals Tine de Moor nieuwe meentes noemt, op te vatten als praktijken waarin niet alleen endogene, maar ook exogene krachten een rol in spelen. Anders gezegd: meentes zijn niet alleen een kwestie van intern management, maar hebben ook een politieke oriëntatie.

In het huidige tijdsgewricht wordt collectiviteit gewantrouwd – groepen worden afgeschilderd als een massa of een meute – terwijl zelfs ons taalgebruik er ten diepste van is doordrenkt. Het gemene, zoals Sjoerd van Tuinen en ikzelf het begrip the common van Hardt en Negri hebben vertaald aan de hand van een kleine etymologie van de gemeenschappelijkheid, (22) duidt in laatste instantie op de praktijk van het delen als zodanig. (23) Want een nieuw begrip van de meent betekent vooral dat eigendom in collectieve praktijken ondergeschikt zal worden aan creatie, beheer en onderhoud van die praktijken.

Dit hoeft niet meer grondgebonden te zijn, al is meent, ‘the commons’, als historisch fenomeen dat natuurlijk wel. Het verband met de multitude of menigte maakt het nu echter mogelijk om nieuwe meentes in te richten als politiek project die niet per se grondgebonden zijn, maar handelen rondom verschillende vormen van ‘het gemene’.

De meent hoeft niet langer louter als een achterhaalde historische praktijk opgevat te worden, maar biedt via het gemene als een mogelijke manier van omgaan met elkaar, met ecologische cycli, met informatie en met cultuur die altijd doorgegeven moet worden. Want het gemene kan weliswaar niet opraken, het kan wel verdrongen worden. En als dat gebeurt, kan noch publiek noch privaat bezit het herstellen. Het gemene en nieuwe meentes zijn vooral een kwestie van werk en arbeid. Als we het over de meent hebben, moet dat niet langer slechts gaan over de oude, vergeten betekenis van systemen van schaarste in zelfbeheer, maar ook over de eigen creatie en het zelfbeheer van intellectuele, affectieve en sociale domeinen.

Conclusie

De meent is nog een vrij onbekend begrip. Door het op dit moment opnieuw naar boven te halen en te verbinden aan de internationale academische arbeid die er inmiddels over is verricht, wordt duidelijk dat de meent in direct verband staat met het Spinozistische begrip ‘menigte’ of ‘multitude’, zoals Hardt en Negri het gebruiken.

Deze menigte is een ontologisch concept waarmee zij het probleem van het toe-eigenen van de vruchten van de arbeid door overheid en private partijen aankaarten. Bij de productie van een goed, een idee of een dienst zijn altijd meer mensen en actoren betrokken dan diegenen die ervoor betaald krijgen – en helemaal meer dan diegenen die er uiteindelijk de winst van opstrijken. Als het de menigte is die produceert en de communicatieve eigenschappen van de mensheid een belangrijke factor zijn geworden in het economische proces, is het vreemd om als samenleving financiële winst tot hoogste goed te verklaren. Immers, winst komt niet de gemeenschappen, maar het individu ten goede. Als tegenmaatregel is een logica van bestuur, onderhoud en beheer nodig die deze gemeenschappelijkheid voorop stelt.

Communalisme is echter geen nieuwe verwoording van de hemel op aarde. De meent kan gemeen zijn. Als concept heeft de meent een ontologisch en een politiek element. Dat houdt in dat meentes niet zomaar ontstaan, maar dat zij keuzes vereisen, evenals ondersteuning. Dit is waar de neohardinianen tot nu toe tekort hebben geschoten. Zolang dat niet gebeurt, kan de ontologische verdeeldheid tegen zichzelf worden ingezet, vooral in tijden waarin de staat zich erbij neer lijkt te leggen dat haar taak vooral het bedrijfsmatige management van het publieke belang is en bedrijven en multinationals het alleenrecht hebben geclaimd om het private belang te behartigen.

De politieke claim van het gemene, zoals die door de autonome marxisten is geformuleerd, draait om de zoektocht naar mogelijkheden om kapitaalstromen in te kapselen en ze om te zetten in sociale productie: nieuwe meentes als revolving funds, of – met Dyer-Whiteford – als meentes die kapitaal gebruiken om nieuwe meentes in te richten. Dat zou een omkering zijn van de manier waarop kapitaal normaal vergroot wordt. Kapitaal eigent zich namelijk het gebruik van de gemene productie van de menigte toe, sluit er een deel van af, en heft er vervolgens tol of huur over. Dit veranderen betekent proberen te verhinderen private winst uit gemeenschappelijk werk geëxtraheerd wordt. Het is een ‘immaterial civil war’ die wordt genoodzaakt door de ‘dark side of the multitude’. (24)

Uitkijken naar het gemene is je wapenen tegen economische en sociale deprivatie. De oproep om een communalistische bestuurslogica te ontwerpen is er een tegen Big Government die met Thatcher eerst besloot dat ‘there is no such thing as society, only individual men and women and their families’ om nu aan de Big Society te vragen zijn immense schulden te lenigen. Dat moet niet gebeuren. Neoliberale bestuursstructuren moeten teruggenomen worden en worden omgezet in zelfbeheerstructuren. Want ‘wij zijn geen waren in de handen van bankiers en politici.’

(1) K. Marx, Het kapitaal. Kritiek van de politieke economie (Amsterdam 2010), 683.

(2) Ibid., 688.

(3) Ibid., 672.

(4) T. De Moor, Inspiratie uit ons institutionele geheugen. Instituties voor collectieve actie als structurele oplossingen voor sociale dilemma’s uit het verleden (Paper uitgedeeld tijdens minicongres Gemeengoed van De Helling op 27 april 2012 in De Nieuwe Jutter te Utrecht).

(5) G. Caffentzis, ‘A Tale of Two Conferences. Globalization, the Crisis of Neoliberalism and Questions of the Commons’
(2004). Te vinden op: http://www.commoner.org.uk/?p=96.

(6) J.W. van der Schans, Governance of marine resources. Conceptual Clarifications and Two Case Studies (Delft 2001), 393.

(7) P. Virno, A Grammar of the Multitude. For an Analysis of Contemporary Forms of Life (New York 2004), 35-37.

(8) M. Hardt en A. Negri, Empire (Cambridge 2000), 28.

(9) A. Griffioen en E. Meijers, ‘Ruimte aan collectiviteit. Interview met Tine de Moor’ in De Helling. kwartaalblad voor linkse politiek no. 1 (Lente 2012), 6-9. 1

(10) Virno, A Grammar of the Multitude, 61.

(11) N. Dyer-Whiteford, ‘The Circulation of the Common’. Paper gepresenteerd tijdens “Immaterial Labour, Multitudes and New Social Subjects: Class Composition in Cognitive Capitalism” 29 en 30 april 2006, King’s College, University of Cambridge, 4.

(12) R. Laermans, ‘The Promises of Commonalism’ in L. de Cauter et al (red.), Art and Activism in the Age of Globalization

(13) (Rotterdam 2011), 240-249.
Hardt en Negri, Empire, 302.

(14) S. Wyler en P. Blond, ‘To Buy, To Bid, To Build: Community Rights for an Asset Owning Democracy’, 3. Zie: http://www.respublica.org.uk/item/To-Buy-To-Bid-To-Build-Community-Rights-for-an-Asset-Owning-Democracy- cefm-cxvy-rark.

(15) Ibid., 9.

(16) D. Harvey, ‘The Right to the City’ in New Left Review no. 53 (2008), 36. Zie: http://newleftreview.org/II/53/david-harvey- the-right-to-the-city.

(17) Ibid.

(18) Wyler en Blond, ‘To Buy, To Bid, To Build’, 8.

(19) M. Foucault, Security, Territory, Population. Lectures At The College De France 1977–1978 (New York 2007), 42, 68-9.

(20) M. Hardt en T. Negri, Multitude: War and Democracy in the Age of Empire (Cambridge 2004).

(21) M. Philippa et al, Etymologisch woordenboek van het Nederlands. A – E. (Amsterdam 2005), 179-181; Ibid, Etymologisch woordenboek van het Nederlands. Ke-R. (Amsterdam 2007), 323-324.

(22) A. Griffioen en S. van Tuinen, ‘Biomacht en biopolitiek: de inbedding van Foucault in het autonoom marxisme’ in Krisis. Tijdschrift voor empirische filosofie jr. 29 (2009) no. 3, 68-85.

(23) ‘Meent’ en ‘menigte’ delen het Middelnederlandse bijwoord ‘maneg’, wat ‘veel’ betekent. Het Middelnederlandse ‘meente’ komt zelf van het bijwoord ‘gemeen’ en betekent hetzelfde als het Engelse ‘mean’: gedeeld, gemeenschappelijk, publiek, algemeen, universeel, van lage kwaliteit, inferieur, arm. Het voorvoegsel ‘ge-’ komt van ‘samen’ en ‘hetzelfde’. Het achtervoegsel ‘-te’ in zowel ‘meent’ als het enige nog veelgebruikte woord ‘gemeente’ heeft als functie om zelfstandige naamwoorden van bijwoorden te maken. In de vroege Nederlanden werd de gemeente niet gezien als een bestuurlijk orgaan van de overheid, maar als een gemeenschap met een bepaald territorium. Bezit kwam in twee vormen: privaat en gemeenschappelijk. Publiek eigendom was niet aan de orde, omdat er geen overheid was. Zie M. Philippa et al, Etymologisch woordenbook, Ke-R, 334; Ibid., Etymologisch woordenboek van het Nederlands. S-Z (Amsterdam 2009), 353.

(24) M. Pasquinelli, Animal Spirits: A Bestiary of the Commons (Rotterdam 2008), 30-32.

Schermafbeelding 2015-06-22 om 15.45.33

AUTONOME AUTO’S: 25 BELEIDSMAATREGELEN VOOR 2025

Verslag Workshop 25 great minds towards ’25 – 11/03/’15 in Gent

In januari 2015 werkten Taxistop en Autopia mee aan een workshop in het Duitse Wremen met als onderwerp de zelfrijdende auto en de infrastructuur van de toekomst (verslag). Op 11 maart 2015 werd hierop verder gebouwd in Vlaanderen. Taxistop en Autopia brachten 25 great minds (vertegenwoordigers uit onder andere politiek, academische wereld, mobiliteitsveld, …) samen die een ganse dag nadachten en debatteerden over de zelfrijdende auto en de toekomst.

De dag startte met een korte inleiding over de stand van zaken betreffende zelfrijdende auto’s en shared mobility. Om de creatieve geesten van de nodige input te voorzien en te prikkelen, gaf toonaangevend denker en oprichter van de P2P-foundation Michel Bauwens zijn visie op de transitie van het huidig economisch klimaat naar een peer-to-peer economie.

UITGANGSPUNT VAN DE DAG: DE ZELFRIJDENDE AUTO: BUSINESS AS USUAL OF EEN GAME CHANGER?

De zelfrijdende auto dook voor het eerst op in films en tv-series uit de jaren ’80. Toen leek dit ware science fiction. Vandaag anno 2015 werden reeds miljoenen kilometers gereden met geautomatiseerde voertuigen en er wordt voorspeld dat de eerste zelfrijdende auto’s het volgende decennium hun intrede zullen doen in het dagdagelijks verkeer.

“De zelfrijdende auto’s kunnen tot 90% van de auto’s in steden doen verdwijnen”

De vraag is dus niet meer of het mogelijk is een zelfrijdende auto ter beschikking te stellen van de consument maar hoe de maatschappij ermee zal omgaan. Op de workshop in Wremen concludeerden de aanwezigen dat er enorme opportuniteiten in het verschiet liggen met deze nieuwe vorm van mobiliteit. Een recente studie van het International Transport Forum stelt dat de zelfrijdende auto’s tot 90% van de auto’s in steden kunnen doen verdwijnen1 zonder in te boeten op mobiliteit en mits openbaar vervoer als centraal vervoerssysteem.

Toch is enige voorzichtigheid geboden: de autonome voertuigen kunnen ook autogebruik en – bezit aantrekkelijker maken. De file kan aantrekkelijk worden, aangezien de auto ook een werk- of leefplek kan zijn. Dan liggen nog grotere problemen in het verschiet op vlak van congestie en ruimtegebruik. Dit is het business-as-usual-scenario.

De zelfrijdende auto kan dus ofwel een zegen zijn voor de leefbaarheid van steden ofwel nog meer congestie veroorzaken en stedelijke ruimte innemen.

Het ideale toekomstscenario: de gedeelde zelfrijdende auto

In de voormiddag zochten de 25 great minds naar het ideale toekomstscenario voor de zelfrijdende auto. De deelnemers kwamen unaniem tot het besluit dat de zelfrijdende auto als game changer moet benaderd worden. De impact kan zelfs ruimer zijn: Er zijn opportuniteiten om te evolueren naar meer gelijke kansen, basisbereikbaarheid en een meer evenwichtige maatschappij met de buurt als kloppend hart.

Volgens de 25 great minds zijn onderstaande fasen een realistisch en wenselijk scenario in het proces van de opkomst van de autonome auto:

– Fase 1: autonoom parkeren
– Fase 2: chauffeur bepaalt bestemming en route om er te geraken, auto rijdt autonoom
– Fase 3: chauffeur bepaalt bestemming, auto bepaalt route en rijdt autonoom
– Fase 4: chauffeur bepaalt bestemming, lokaal bestuur/overheid bepaalt route en auto
rijdt autonoom.

Om uiteindelijk het gewenste scenario 4 te bereiken is echter een zekere schaalgrootte noodzakelijk. Minimaal 50% van de rondrijdende wagens moet een zelfrijdende wagen zijn voor een goede werking, 100% voor een perfecte werking. Bovendien wordt de link gelegd tussen de autonome wagen en de deeleconomie. Er wordt verwacht/gewenst dat deze twee zullen samengaan.

COMBI-MOBILITEIT

De autonome auto schept opportuniteiten om gebruik los te koppelen van bezit. Het probleem van het teveel aan wagens kan ingedijkt worden en auto- en rittendelen zullen exponentieel toenemen, want mobiliteit à la carte wordt mogelijk. De autonome wagen moet gebruikt worden in combinatie (combi-mobiliteit) met een kwaliteitsvol collectief vervoer en een slim en sturend mobiliteitsbeleid. Kwaliteit, zekerheid, gebruiksgemak, flexibiliteit en veiligheid zijn belangrijke succesfactoren.

DE IDEALE BUURT

Delen kan ook een trigger zijn voor het ideale buurtmodel: De buurt is dan een ontmoetingsplaats en een aangename omgeving waarbij iedereen zich veilig kan voelen, waarbij iedereen rekening houdt met elkaar. De straat is dan geen transportas meer maar een publieke ruimte waar mensen elkaar ontmoeten zonder de hinder die samen gaat met particulier autobezit.

Veiligheid is het belangrijkste argument om in te zetten op de zelfrijdende auto.

De kost van verkeersongevallen, verkeersdoden en gewonden is enorm. 96% van alle ongevallen zijn te wijten aan een menselijke fout. De zelfrijdende auto kan dit reduceren tot bijna 0%. Overheden kunnen dit als voornaamste factor zien voor de versnelde invoering van de autonome wagen.

De overheid als regisseur

De (lokale) overheden hebben de sleutel in handen om tot het gewenste scenario te komen. Zij kunnen verkeersstromen real time sturen, en autonome auto’s naar bestemmingen begeleiden via een opgelegde weg in functie van de actuele situatie. Bovendien kunnen (lokale) overheden een slim, sturend prijsbeleid uitwerken.

Er is echter een grote “maar” aan dit verhaal. Wanneer je de integratie aan de (lokale) overheid overlaat, duurt het lang om dit te organiseren omwille van teveel hervormingen en tegenstellingen. Daarom is de denktank de idee van een partnerstaat zeer genegen. De overheid die een kader schept als partner in bottom-up-projecten van burgers. Partnerships tussen overheid en burgerinitiatieven zullen noodzakelijk blijken. De (lokale) overheid zal ook duidelijk een andere rol moeten invullen en meer een faciliterende i.p.v. sturende overheid worden.

Er is dus nood aan een overheid die infrastructuur aanpast en die een wettelijk kader schept ten voordele van de consument rond het bezit van de data, aansprakelijkheid, enz…

Een gediversifieerd aanbod door diverse operatoren

We merken dat de auto-industrie zich omvormt van autobouwer tot aanbieder van mobiliteit. Elk zichzelf respecterend merk experimenteert vandaag met vormen van gedeelde mobiliteit (bv. Mercedes: Car2go, BMW: Drivenow, Audi: Audiunite,…). De winsten van de gedeelde zelfrijdende auto gaan dan voornamelijk naar globale multinationals. Bovendien heeft de consument en de lokale overheid weinig zeggenschap over de organisatie en het product. Net zoals bijvoorbeeld bij energiereuzen, of grote IT-concerns. De denktank is van mening dat de winsten van gedeelde mobiliteit terug moeten vloeien naar de consument en de buurt.

De conclusie van de 25 great minds is dat er nood is aan diverse aanbieders en operatoren van de zelfrijdende auto (bv. auto-industrie, nutsbedrijven, intercommunales, …). Er wordt een bijzondere vermelding gemaakt over gebruikerscoöperaties en hun potentiële maatschappelijke rol in het beschikbaar maken van mobiliteit voor iedereen door het participatief karakter van een dergelijke organisatie.

Gemeenschappelijk bezit van data

Anno 2015 lijkt toegang en bezit van data één van de grote uitdagingen te zijn. Momenteel zit de data geconcentreerd bij grote marktspelers (Google, Facebook, Uber, …). Data zijn essentieel voor de regisseur van het ideale toekomstscenario. Op basis van die data kan het aanbod gediversifieerd worden in functie van de gebruiker, tijd en locatie. De overheid moet er over waken dat er geen monopolie rond data gecreëerd wordt. Zo lopen we het gevaar om in het scenario van de nutsbedrijven te komen waarbij één speler te veel macht heeft en de vrije markt niet optimaal kan functioneren.

Het is dus essentieel dat data en informatie beschikbaar zijn voor iedereen, over de landsgrenzen heen. Transport for Londen heeft bv. data vrijgegeven met de idee dat iedereen die een app wil maken, deze data kan gebruiken op voorwaarde dat ze de resultaten delen. Dit bleek heel succesvol. Ondertussen werken ongeveer 5.000 mensen met een app die zo gecreëerd is. Het beschikbaar stellen van data wordt verwacht van overheden, maar kan ook verwacht worden van autonome bedrijven, die een voorname publieke dienst aanbieden, zoals mobiliteit.

Indien een operator bepaalde standaard data collectief maakt op een centraal platform, dan zullen veel meer organisaties in staat zijn om bijvoorbeeld slimme auto’s of app’s te bouwen. Hierdoor krijg je een gezond maatschappelijk en concurrentieel model en kan de gebruiker zelf nodige keuzes maken. De data zijn dan onderdeel van de zogenaamde. commons (dixit Michel Bauwens) waardoor je veel meer gedecentraliseerde initiatieven genereert.

25 BELEIDSMAATREGELEN VOOR 2025

De boeiende denkdag werd afgesloten met het formuleren van 25 concrete beleidsmaatregelen om van de zelfrijdende auto een echte game changer te maken naar een duurzame mobiliteit met leefbare en gezellige buurten in 2025.

Zet in op een variabel, sturend prijsbeleid. Maak fiscaliteit sturend richting gebruik in plaats van bezit:

Het uitgangspunt is: autobezit afraden en duurzame alternatieven stimuleren. De maatschappij moet af van het individueel bezit van personenwagens. Een sturend prijsbeleid kan dit mee vorm geven. Het moet er op gericht zijn om de meest duurzame vorm van transport financieel het meest voordelig te maken.

1. Vervang de bedrijfswagencultuur door het mobiliteitsbudget: maak het fiscaal minder voordelig om bedrijfswagens aan te kopen;
2. Maak het fiscaal voordelig om een wagen samen aan te kopen: bv. indien een wagen gedeeld wordt, betaalt de consument 6% BTW, indien niet een hoge BTW (>21%);
3. Geef een subsidie voor de aankoop van elektrische (en CNG) wagens indien het voertuig gedeeld wordt;
4. Maak autobezit duurder;
5. Voer de slimme kilometerheffing in (bv. op basis van aantal passagiers, tijdstip en locatie
van verplaatsing, enz…).
6. Maak het fiscaal voordeliger om in de stad te wonen;
7. Geef fiscale stimuli aan mensen die verhuizen in functie van de werkplaats.
Bepaal een transparant en duidelijk kader waarin gedeelde mobiliteit zich afspeelt:
8. Stel duidelijke voorwaarden en definities op betreffende gedeelde autonome voertuigen (bv. wanneer spreken we over een deelwagen, hoeveel km moet je dan delen,..);
9. Organiseer één mobiliteitsdatabank waarin collectieve data beheerd worden (cfr. Kruispuntbank voor Sociale Zekerheid of black list voor verzekeringen). Als overheid kan je een standaard (randvoorwaarden om data te verzamelen in eenzelfde format) opleggen. Als je deze standaard hanteert, krijg je toegang tot data;
10. Verduidelijk de regelgeving rond privacy en data en pas het juridisch kader aan i.f.v. zelfrijdende wagens en gedeelde mobiliteit (cfr. aansprakelijkheid);
11. Zet in op standaardisatie (bv. uniforme stekker voor alle elektrische wagens);
12. Beperk het aantal auto’s in steden “Low Ownership Zones”, of “Zero Ownership Zones”;
13. Laat de ontvangende stad bepalen op welke manier een auto de stad binnenkomt;14. Zet in op een totaal gedeelde economie: Het groeimodel van de huidige economie heeft grenzen. Er is nood aan een andere manier van waardecreatie: een maatschappij die niet enkel door winst gedreven is, maar ook op andere waarden zoals geluk, participatie, duurzaamheid, …

Maak een sturend beleid betreffende ruimtelijke ordening:

Voor een financieel haalbare, duurzame en gedeelde mobiliteit is het essentieel dat mensen zich vestigen op plaatsen met voldoende capaciteit op vlak van aanbod van collectief en zelfrijdend vervoer, goede fiets- en wandelinfrastructuur en voorzieningen.

15. Organiseer autostrades met grote zelfrijdende bussen. Aan afritten kunnen passagiers overstappen in kleinere zelfrijdende wagens voor de laatste kilometers;
16. Maak alle voetpaden 2 meter breed en voorzie veilige fietspaden;
17. Organiseer buurtparkings (in plaats van straatparkeren), waar de gedeelde voertuigen op
de meest interessante plaatsen gestationeerd zijn;
18. Laat gedeelde voertuigen op busstroken rijden, zonder de doorstroming van bussen
echter te hinderen;
19. Maak gebruik van bestaande parkeerterreinen van bv. grootwarenhuizen en bedrijven.

Zorg voor gebruiksgemak en sensibilisering:

20. Zet in de eerste plaats in op een modal shift naar stappen, fietsen en openbaar vervoer;
21. Maak één “MOBIB-kaart”, of MOBIB-betaal-app voor alle vervoersmodi (trein, tram, bus,
autodelen, fietsdelen, taxi, …);
22. Stimuleer proefprojecten met zelfrijdende auto’s;
23. Zorg voor collectieve promotie van duurzame, gedeelde mobiliteit (cfr. Promotie
diversiteit in VRT-programma’s);
24. Overweeg gratis openbaar vervoer voor mensen zonder rijbewijs;
25. Organiseer verschillende business modellen en abonnementsformules om de gedeelde
zelfrijdende auto beschikbaar en aantrekkelijk te maken voor een zo groot mogelijke doelgroep (bv. autonome bussen, autonome luxe-wagens, enz…).

Schermafbeelding 2015-06-17 om 14.52.35

Drie “governance hacks” om peer productie om te vormen tot een echt economisch en sociaal systeem

Door Michel Bauwens

Originele tekst P2P Foundation

Het kapitalisme was niet altijd een organisch en dominant systeem. Alvorens het de status verwierf van een volwaardige productiewijze, anders gesteld van een samenhangende manier om waarde te creëren en te verdelen, of van een specifieke vorm van samenleving en beschaving, diende het in te breken in het oude systeem om het naar zijn eigen beeld te kneden. In “zijn boek “De Grote Transformatie” legt Karl Polanyi uit hoe bijvoorbeeld de vroege kooplieden nog steeds afhankelijk waren van ambachtslui en gilden (het zogenaamde ‘putting-out’-systeem) en er aanvankelijk niet in slaagden om van arbeid een koopwaar te maken.

Deze situatie verschilt niet veel van het ‘proto’-productiesysteem dat vandaag in opmars is: peerproductie gericht op gemeengoed (‘commons-oriented peer production), waarbij een gemeenschap van bijdragers, al dan niet betaald, een gemeengoed of ‘commons’ (gedeelde hulpbronnen die beheerd worden door hun gebruikers) creëren in plaats van goederen (koopwaar). Hoe kan deze opkomende, postkapitalistische logica die nu al de logica van arbeid als koopwaar overstijgt, dominant worden? Hoe maken we van peerproductie een organisch systeem? Tegen deze achtergrond stellen de P2P Foundation en soortgelijke netwerken van P2P-activisten een aantal hacks voor.

De centrale kwestie is de volgende: hoe houden we de “waarde”” binnen de sfeer van de commons, zodat die kunnen groeien en zichzelf reproduceren? Of in andere woorden: hoe kunnen we op basis van onze bijdragen in ons levensonderhoud voorzien?”

De copyfair licentie

Een eerste “hack” is de copyfair licentie, een licentie die steunt op wederkerigheid. Waarom is dat nodig? Volgens de traditionele, negentiende-eeuwse definitie van communisme is de General Public Licentie technisch gezien een communistische licentie: “van ieder naargelang zijn bijdragen, voor ieder naargelang zijn noden”. Maar binnen onze huidige politieke economie leidt een dergelijke dynamiek onvermijdelijk tot de overheersing van een economie die gebaseerd is op “vrije en gedeelde hulpbronnen” door grote privéspelers en bovendien tot het gebruik van deze gedeelde hulpbronnen door organisaties die er niet toe bijdragen.

Dit “liberaal communisme” (communisme in dienst van het kapitaal en de liberale waarde van het ‘recht op delen’) is niet noodzakelijk een probleem voor niet-rivaliserende en antirivaliserende hulpbronnen zoals kennis en softwarecode, maar het kan wel problematisch zijn als we spreken over design, zaden en andere vormen van delen die verbonden zijn aan fysieke productie. Als we immers moeten investeren in gebouwen, machines, grondstoffen en salarissen, kan de private overheersing van de open economie een probleem vormen.

Bijgevolg zou een licentie die een of andere vorm van wederkerigheid vereist een aantal voordelen opleveren. De vereiste dat bedrijven die zelf niet bijdragen tot de commons een licentievergoeding zouden betalen, zou een kapitaalstroom genereren naar de sfeer van de commons, zijn gemeenschappen en “Stichtingen” (Foundations). Ten tweede -en belangrijker- zou de vereiste om wederkerigheid te definiëren opnieuw een “morele economie” creëren die positieve sociale externaliteiten zou re-integreren binnen de marktsfeer zelf.

Open coöperatieven

Onze tweede “hack” zou bovendien een dynamiek op gang brengen op het vlak van beheer en eigendom. Wij stellen voor dat commoners eigen “open coöperatieven” zouden oprichten, dus coöperatieven die niet alleen werken voor hun eigen leden, maar structureel en statutair samen commons creëren naast het voorzien van een inkomen voor de coöperatieve arbeiders. In dit model zou de coöperatieve een maatschappelijk doel hebben, niet winstgericht zijn (de winsten worden dan gebruikt om een maatschappelijk doel te realiseren), meerdere stakeholders betrekken, maar ook samen gemeengoed creëren in de vorm van zowel immateriële commons (gedeelde kennis) maar ook gedeelde materiële hulpbronnen (een voorbeeld is de woningcoöperatieve “Allianza Solidaria” in het zuiden van Quito die van zijn leden 100 uur arbeid vraagt voor de creatie van gemeenschappelijke parken).

Deze nieuwe coöperatieven zouden niet langer uitmonden in organisaties die egoïstisch handelen op de kapitaalmarkten ten behoeve van hun eigen leden, maar zouden een gemeengoed creëren dat op natuurlijke wijze tot hun normale activiteiten zou behoren. Een gelijkaardig voorstel is het eigendomsmodel gebaseerd op eerlijk delen (‘fairshares ownership), waarbij het eigendom in vier gelijke parten wordt verdeeld: een voor de stichters, een voor de investeerders, een voor de arbeiders en een voor de gebruikersgemeenschappen.

Open aanvoerketens en open boekhouding

De derde en laatste hack die we voorstellen is de oprichting van open aanvoerketens en open boekhouding. Van zodra er een “ethische ondernemerscoalitie” is opgericht rond de copyfair licentie en/of een sociaal charter met gemeenschappelijke waarden en een oriëntatie naar het gemeengoed, kan op natuurlijke wijze worden overgeschakeld van competitie naar samenwerking en het delen van informatie over productie en boekhouding doorheen het netwerk. Een voorbeeld is Enspiral, een netwerk van sociale ondernemers in Nieuw Zeeland, die binnen hun netwerk transparantie bedrijven.

Dankzij deze hack zou de wederkerige en stigmergische coördinatie van productieve activiteiten die reeds van toepassing is in de immateriële productie van kennis, code en design, ook beginnen met het op gang brengen van een dynamiek van postkapitalistische wederkerige coördinatie in de sfeer van reële fysieke productie.

Als deze drie stappen door verschillende actoren gelijktijdig worden genomen, zou peerproductie op een betekenisvolle manier evolueren naar een functionerend organisch systeem dat in staat is om zichzelf te reproduceren aangezien de bijdragers tot de commons een coöperatief levensonderhoud zouden kunnen creëren. We zouden geëvolueerd zijn van een “communisme van kapitaal” naar een “kapitaal van de commons”.

vertaling: Jean Lievens

mainfesto

Internationale coalitie roept op tot sterk Europees pakket voor de circulaire economie

Overgenomen van de website van Plan C, gepubliceerd op 25 mei 2015

Vandaag riep een internationale coalitie van organisaties, waaronder Plan C, met een manifest op tot een versterkt pakket voor de circulaire economie.

Het manifest dient als input vanuit een zakelijk perspectief op het vernieuwde pakket voor de circulaire economie. De tekst is gebaseerd op de obstakels die bedrijven tegenkomen bij circulair ondernemen. De circulaire economie biedt op Europees niveau perspectief op 2 miljoen nieuwe banen, een netto besparing voor bedrijven tot 600 miljard euro, en honderden miljoenen tonnen vermeden afval.

Leiderschap

Sterk overheidsbeleid is cruciaal voor het plukken van de vruchten van een circulaire economie. Dit vergt leiderschap en investeringen in circulaire innovatie. Het manifest roept de EU en de lidstaten op om op te treden als launching customer door duurzaam in te kopen. Ook pleit de coalitie voor doelstellingen voor onderhoud, reparatie, hergebruik, renovatie en cascadering naast de bestaande doelen voor afvalstorting en recycling.

Tot slot pleit het manifest voor de start van een circulair koploperprogramma en een flexibel mededingingsbeleid.

Economische prikkels

Om de doelstellingen te bereiken, vraagt het manifest om met economische prikkels de juiste randvoorwaarden te scheppen voor circulaire businessmodellen. Fiscale prikkels zijn hiervoor belangrijk. Dit kan onder andere bereikt worden door aanpassing van de Europese btw-regels om differentiatie op basis van circulariteit mogelijk te maken. Dit is belangrijk om de consument te stimuleren circulaire producten en diensten te kopen. In aanvulling daarop kan een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid producenten van circulaire producten voordelen bieden, terwijl tegelijkertijd aanzienlijk geïnvesteerd kan worden in een beter beheer van afval.

Breid bestaande maatregelen uit

De coalitie is voorstander van uitbreiding van de Ecodesign-richtlijn naar een richtlijn voor Circular Design. Bovendien vraagt het manifest om de voorzetting van onderzoeksprojecten rond circulaire economie.

Brede steun

Het manifest van De Groene Zaak, MVO Nederland en Circle Economy is ondertekend door Entreprendre Vert, Ecopreneur, Green Alliance, GreenBudgetEurope, INDR, l’Institut de l’Economie Circulaire, Plan C en UnternehmensGrün, die samen duizenden koplopende bedrijven in heel Europa vertegenwoordigen. Het bevat ook ondersteunende verklaringen van het European Environmental Bureau (EEB), ACR+ en Natuur & Milieu.

Schermafbeelding-2015-05-09-om-08.00.39-608x400

Hybride Bankieren maakt einde aan geld als exclusief transactiemiddel

Originele tekst gepubliceerd op 15/5/2015 op duurzaam.plus.nl
door Désirée Crommelin

hybride bankieren maakt een einde aan geld als exclusief transactiemiddel, stelt Jan Jonker, hoogleraar Duurzaam Ondernemen aan de Radboud Universiteit Nijmegen. In zijn column voor duurzaamplus.nl anticipeert hij op de uitkomsten van een onderzoek naar voorwaarden en spelregels van Hybride Bankieren (HB) in de nieuwe economie. Het gaat daarbij om te innoveren naar alternatieve transactiesystemen van gelijkwaardig betalen met tijd, afval, zelfopgewekte energie en traditioneel geld. Dat regel je niet zo maar in ons bestaande sociaaleconomische klimaat. Jonker voorziet ‘schurende’ ontmoetingen met gevestigde belangen in een samenleving waar denken in geld in de haarvaten van haar economisch systeem zit en waar een instrumentarium voor alternatieve transactiesystemen nog ontbreekt.

Hybride bankieren

Hybride bankieren maakt het mogelijk op basis van verschillende soorten waarde-eenheden transacties met elkaar te doen, waarbij deze waarde-eenheden ook onderling geruild kunnen worden. In het project Hybride Bankieren (HB), opgezet vanuit de Nijmegen School of Management, proberen we uit te zoeken hoe dat zou kunnen werken. Een wetenschappelijke poging om buiten het gangbare systeem en de daarbij behorende alternatieve paden te denken. De term ‘hybride’ staat voor het vermengen van ongelijksoortige zaken. Bij Hybride Bankieren betekent dit, dat je verschillende mogelijkheden hebt om een doel – een transactie – te bereiken, waarbij je deze verschillende mogelijkheden naast elkaar laat bestaan en op elkaar afstemt.

Geld geen exclusief transactiemiddel

We leven in een tijd van een grote maatschappelijke transities ook op het gebied van bankieren. Terug naar de oude economie is geen optie. Dus moeten we op zoek gaan naar een andere, circulaire inrichting van de economie met nieuwe business modellen. Deze transitie vraagt om een kritische en fundamentele beschouwing over de rol en waarde van geld. Niet om een discussie aan te zwengelen over complementair geld, dat door private partijen wordt geschapen en naast het wettige betaalmiddel circuleert, noch over digitale munteenheden (crypto-currencies). Nee, gewoon een oplossing dichter bij huis zoeken, in de praktijk van ons eigen dagelijkse leven. Kunnen we een waardesysteem bedenken waarbinnen we tegelijkertijd en naast elkaar, kunnen betalen met tijd, afval, zelfopgewekte energie etc. en pas als het echt nodig is met traditioneel geld? Dus niet langer door eerst alles in euro’s uit te drukken (monetariseren). Die vraag proberen te beantwoorden leidt tot een zoektocht naar de voorwaarden, bouwstenen en spelregels voor een systeem Hybride Bankieren.
Verzet burger grootschalige systemen

Jan JonkerOnze huidige economie is heel kwetsbaar geworden. Maatschappelijk-organisatorische systemen die in de afgelopen eeuwen zijn ontwikkeld, lijken letterlijk niet meer van deze tijd. Steeds vaker lopen we tegen hun grenzen aan. Dat uit zich in diverse economische crises, uitsluiting van mensen en ecologische kaalslag. De onderliggende oorzaak is een te ‘enge’, te beperkte visie op groei die uitsluitend rust op financieel-economische argumenten. Een geld-gedreven economie die gebaseerd is op de illusie van greep-houden-op en de maakbaarheid ervan door managers. In werkelijkheid is van echte controle op het maatschappelijke systeem geen sprake. Kijk naar de malaise in de economie, de gezondheidszorg of het bankwezen. Net zoals een woudreus die van binnenuit aangevreten wordt door termieten opeens kan omvallen, zo lijkt hetzelfde met onze huidige systemen te gebeuren. Het is volgens mij daarom niet verwonderlijk dat er een steeds luidere roep om transitie, om verbouwing van systemen op steeds meer terreinen zoals zorg, beleid, onderwijs, bankieren, mobiliteit en energie. Grootschalige systemen, waarin de kloof tussen aanbieder en wij als patiënt, consument, leerling of student een groeiende weerstand oproept.

Wat je nu ziet is dat het ritselt in de maatschappij van nieuwe oplossingen, kansen, projecten, experimenten en alternatieve organisatie- en businessmodellen. In de rafelranden van de oude economie werken allerlei mensen hard aan het realiseren van een veerkrachtige, duurzame, inclusieve en circulaire economie – ook al weet niemand wat dat precies betekent. Die over elkaar heen buitelende opbouwende ontwikkelingen zijn op zichzelf niet voldoende om de nieuwe economie te realiseren. De kunst is om deze nieuwe mogelijkheden te vertalen in organisatie- en transactiemodellen, die recht doen aan de kansen die deze innovaties bieden. Die deze ondersteunen. Want de innovatieve ideeën die aan de keukentafel of op de zolderkamer bedacht worden, komen van mensen die vaak níet de beschikking hebben over gebouwen, machines, grond of geld. Het moet dus echt anders, maar hoe?

Betalen in tijd, afval, energie

Een fundamentele vraag die dan opdoemt, is wat waarde bij deze ontwikkelingen betekent. Welke rol speelt waarde in transacties? Onze samenleving bestaat immers uit een niet aflatende stroom van alledaagse grotere en kleinere transacties die we samen ‘economie’ noemen. Het meest gangbare middel bij transacties is het traditionele geld. Maar een blind vertrouwen in geld als enige ruilmiddel heeft de afgelopen jaren laten zien, dat dat een kwetsbaar sociaaleconomische systeem oplevert. Daarnaast sluit alleen werken met geld als transactiemiddel mensen uit van maatschappelijke deelname, domweg omdat ze geen geld hebben. Moeten we daarom niet veel fundamenteler met elkaar naar de uitwisseling van waarde kijken? Is het mogelijk afscheid te nemen van geld als exclusief transactiemiddel en unieke eenheid om ‘waarde’ uit te drukken en tóch transacties te laten plaatsvinden?

Spelregels HB

Inmiddels hebben we aan de Nijmegen School of Management nu zo’n anderhalf jaar onderzoek gedaan. Dat heeft inzicht opgeleverd in de bouwstenen van een HB-systeem. Het onderzoek concentreerde zich dit voorjaar op de spelregels en hoe deze in de praktijk ontstaan. Ze vormen een waardevolle aanzet om er verder over na te denken en te onderzoeken. Gaandeweg het onderzoeksproject werd steeds duidelijker dat succes van HB afhangt van de context. Er spelen minstens drie fundamentele kwesties een rol: de confrontatie met gevestigde belangen, het feit dat denken in geld in de haarvaten van ons economisch denken zit en het ontbreken van een instrumentarium voor alternatieve transactiesystemen. Het onderzoek laat zien wat echt anders denken over geld inhoudt. Het is pas een begin. De confrontatie met de (be)staande werkelijkheid zal nog voor ‘schurende’ ontmoetingen zorgen.

Conferentie Taal en Rekenen – Lezing Jan Rotmans

Jan Rotmans, hoogleraar Transitiekunde aan de Erasmusuniversiteit Rotterdam, nam de zaal in hoog tempo mee op een transitiereis. Hij haakte tijdens zijn verhaal steeds in op wat de transitie, de kanteling van de samenleving voor onze studenten en docenten betekent. Met een leuk filmpje over pinguïns liet hij zien dat een kantelaar met behulp van leiderschap, strategie en visie verandering kan bereiken. Volgens Rotmans zit het onderwijs in een kramp en daarom moet men een fundamentele omslag maken in denken, organiseren en handelen. Transitie van het onderwijs is noodzakelijk.
MEER WEERGEVEN

Schermafbeelding 2015-06-09 om 20.18.11

MEER MARKT BETEKENT: MEER BUREAUCRATIE

Origineel artikel door Eelke Van Ark:
gepubliceerd op “Follow the Money“, 8 juni 2015
Meer marktwerking leidt niet tot minder, maar tot meer bureaucratie, stelt David Graeber in zijn nieuwste boek Utopia of Rules. De vergelijking met de Nederlandse zorgsector dringt zich op.
De Amerikaanse antropoloog David Graeber, professor aan de London School of Economics, is zo’n schrijver die je aan het denken zet op een manier die weinigen gegeven is. Zo haalde hij met zijn fascinerende boek Debt, the first 5000 years, onze fundamentele manier van denken over geld, schuld en krediet overhoop met een uiteenzetting over hoe geld daadwerkelijk ontstond. Niet, zoals ons geleerd wordt op school, om ruilhandel makkelijker te maken – maar vanuit een complex systeem van wederzijdse gunsten en sociale transacties; ofwel krediet was de voorloper van geld. Dit jaar verscheen zijn boek Utopia of Rules: on technology, stupidity, and the secret joys of bureaucracy, dat eenzelfde poging doet om onze ideeën over bureaucratie op de proef te stellen.

Het is een essaybundel in drie delen, die met kleurrijke voorbeelden vanuit de prehistorie tot aan het verschijnen van de film The Dark Knight Rises onze wereld toont als een immer uitbreidende bureaucratie die steeds meer aspecten van ons leven omvat en onze inventiviteit en creativiteit smoort. Maar tegelijkertijd werpen deze opstellen een licht op de aantrekkelijke kanten en de functionaliteit van een onpersoonlijk regelframewerk.

De IJzeren Wet van Liberalisme
Graeber gaat in Utopia of Rules voortvarend van start door ons voor te houden hoe het discours over bureaucratie steeds meer verdween, terwijl de hoeveelheid papierwerk steeg. ‘Bureaucracy is the water in which we swim‘, stelt hij. We ademen bureaucratie, het valt ons nauwelijks meer op en daarom praten we er niet meer over. Ter illustratie bevat het boek twee grafieken. Een die het gebruik van het woord ‘bureaucratie’ met een piek vlak voor de jaren tachtig weergeeft, en een van in het algemeen aan papierwerk gerelateerde termen. Die vertoont een hockeystick-curve die blijft stijgen tot in het heden.
De grootste eye-opener van het boek volgt al vlot. Die hangt samen met de manier waarop we markt en overheid zien: als twee onafhankelijk bestaande, ja zelfs diametraal tegenovergestelde realiteiten die niets met elkaar te maken hebben. Een illusie die zijn oorsprong vindt in het liberalisme van de negentiende eeuw met zijn droom van een markt die vrijheid zou bieden en de macht van de autoritaire staat uiteindelijk zou ondermijnen. Maar, laat Graeber zien, geen enkele markt is ooit ontstaan buiten die overheid om. Integendeel: markten zijn altijd ofwel het bijproduct geweest van overheidsingrijpen, ofwel direct door overheden geschapen.

Met die droom van marktvrijheid ontstond ook de overtuiging dat de markt het fenomeen bureaucratie vanzelf zou oplossen. Een idee dat we vandaag de dag nog voor lief nemen: overheid staat gelijk aan bureaucratie, terwijl elementen van markt en marktwerking geassocieerd worden met minder regels en meer efficiency.

Niets was echter minder waar, demonstreert Graeber aan de hand van de opkomst van het Engelse liberalisme: dat leidde tot een explosie van dienaren van die bureaucratie: juristen, notarissen, inspecteurs, politie-functionarissen en meer. ‘Het onderhouden van een vrije markteconomie bleek duizendmaal meer papierwerk te vergen dan een absolute monarchie in de stijl van Lodewijk de Veertiende’.

Die groei van bureaucratie was er niet ondanks maar terwille van de vrije markt, bureaucratie diende juist voor het faciliteren van die markt. Dit zien we zo vaak terug in onze wereld dat David Graeber er een sociologische wet voor voorstelt: De IJzeren Wet van Liberalisme. Die stelt: iedere markthervorming, ieder initiatief vanuit de overheid om te dereguleren en marktelementen de ruimte te geven, zal uiteindelijk leiden tot een toename van de totale hoeveelheid papierwerk en het aantal ambtenaren dat de overheid in dienst heeft.

Oftewel: meer markt brengt altijd meer regels en meer papierwerk.

‘Deregulering’ in de zorg
Hoe dit idee ook tegen ons intuïtieve beeld van de markt als flexibele, regelarme vrijplaats indruist – Graeber maakt hier een uitstekend punt. De enige plek in het Nederlandse debat waar de afgelopen paar jaar voorzichtig het thema bureaucratie weer opduikt, is niet voor niets de vers geprivatiseerde zorgsector.

Een eerste vereiste om van de zorg een markt te maken was het ontwerpen van een stelsel om alle mogelijke behandelingen als uniforme producten te kunnen voorzien van een prijs. Het systeem van Diagnose- en Behandelcombinaties, kortweg ‘DBC-systeem’, werd daarvoor opgetuigd. Veertigduizend verschillende ‘zorgproducten’ werden daarin beschreven. Het systeem zorgde voor een enorme toename aan administratieve lasten, was even prijsopdrijvend als het 26 jaar eerder ook al was toen het in de Verenigde Staten werd ingevoerd en is inmiddels vervangen door een versimpelde versie getiteld ‘DBC’s op weg naar Transparantie’ – met alle menselijke en financiële inzet van dien en de bijbehorende regels en verplichtingen ten opzichte van het gebruik van het systeem.

Ziekenhuisfusies
Maar een misschien nog simpelere illustratie van Graeber’s punt is te vinden in de recente discussie in onze omgeving over ziekenhuisfusies. Dat ziekenhuizen het aantrekkelijk vinden om te fuseren zag iedereen aankomen: de stimulans daartoe is groot, doordat de instellingen een betere onderhandelingspositie willen in de verplichte onderhandelingen met de machtige zorgverzekeraars. Dat te grote ziekenhuizen onwenselijk zijn, vinden zelfs de voorstanders van het zorgstelsel, minister Edith Schippers voorop.

Er waren in principe twee opties: óf een algeheel fusieverbod – zoals dat ook al eerder van kracht was geweest, óf fusies toelaten onder voorwaarden. De eerste optie is direct overheidsingrijpen op de vrijheid van ziekenhuizen. De tweede is een vorm van meer marktvrijheid, waarbij twee toezichthouders per geval groen licht geven voor een fusie of niet. Aan de hand van een aantal protocollen en criteria uiteraard. Liberaal Schippers koos vanzelfsprekend voor de laatste optie. Met als gevolg: een flinke ureninzet van de toezichthouders om de fusievoorstellen te beoordelen, waarvan er een achteraf liet weten dat de meeste fusies tot onacceptabele prijsstijgingen zouden leiden. Geen enkele fusie werd afgewezen, wat leidde tot nieuwe commotie over de ziekenhuisfusies in de politiek en de roep om beter toezicht. Een verbod had zowel de belasting van de toezichthouders bespaard als de commotie over gevaarlijke fusies.

Winstuitkering
Tot slot laat het wetsvoorstel dat winstuitkering in de zorg mogelijk moet maken, zien hoe meer marktvrijheid meer bureaucratie veroorzaakt. Op dit moment is het nog steeds verboden voor een zorginstelling om winst uit te keren aan aandeelhouders. Bijzonder markt-onvrij, zou je kunnen zeggen. Edith Schippers wil op dit punt dan ook graag dereguleren. Winstuitkering moet mogelijk worden. Gewoon dat verbod opheffen dus?

Dat blijkt lastig: door zonder verdere voorwaarden aandeelhouderswinst mogelijk te maken, wordt het voor investeerders van twijfelachtig allooi ook makkelijk om een instelling leeg te trekken. Al zou de investeerder het in principe goed menen: onder druk van aandeelhouders winst maken geeft veel risico op beknibbelen op kwaliteit of het verhogen van prijzen, vrezen economen. Daarom zijn er allerlei extra wettelijke voorwaarden nodig om winstuitkering mogelijk te maken. Ten eerste de wet zelf, die eind 2014 werd teruggetrokken door Schippers om hem later opnieuw voor te kunnen leggen aan de Kamer. Daarin staat onder meer opgenomen aan welke voorwaarden een ziekenhuis moet voldoen om winst te mogen uitkeren en na hoeveel tijd dat mag. De wet zou een heel nieuw toetsingskader voor ziekenhuizen met zich meebrengen, om maar te zwijgen over bijkomende beleidsregels of inzet van toezichthouders en juristen als ziekenhuizen daadwerkelijk met hun aandelen de markt zouden betreden.

De IJzeren wet van Liberalisme lijkt hier kortom onverkort op te gaan: dat wordt een flinke groei in papierwerk.

Menselijkheid
Graebers boek is een aanklacht tegen het steeds verder uitbreiden van bureaucratie. Het bedrijfsleven wordt in groeiende mate beheerst door bureaucratieën, niet alleen van buitenaf maar ook van binnenuit. Grote bedrijven zijn in feite bureaucratieën op zich. Zoals de zorgverzekeraars in Nederland dat zijn, maar ook het gemiddelde telecombedrijf of de bank. Deels is dat noodgedwongen: zowel Achmea als DSW hebben zich te houden aan de verplichtingen die de overheid stelt aan zorgverzekeraars. Dat krijg je als je als commercieel bedrijf een publieke taak moet uitvoeren. Maar deels hangt dat ook samen met de grootte van het bedrijf. De grote zorgverzekeraars zijn met hun enorme klantenbestanden per definitie aangewezen op de binaire logica van de bureaucratie die alles vereenvoudigt en standaardiseert; iets anders zou het niet werkbaar zijn.

Het gevaar daarvan is volgens David Graeber de teloorgang van onze capaciteit voor innovatie en het creatief oplossen van problemen. Wetenschappers zijn meer tijd kwijt met het invullen van formulieren en het schrijven van onderzoeksaanvragen, laat hij zien, en het pitchen van een origineel idee is per definitie weinig kansrijk voor het ontvangen van financiering. Managers moeten in de bureaucratie namelijk kunnen aantonen dat ze onderzoeksgelden zinnig besteden en zijn daarom op zoek naar veilige investeringen. Een origineel idee is risicovol: niemand heeft namelijk ooit laten zien dat het werkt. Zo smoort de auditcultuur ieder creatief initiatief in de kiem.

Ook daarin dringt de vergelijking met de zorg zich op. Het controleren van kwaliteit van zorg lijkt een doel op zich te worden. Het aantal kwaliteitsindicatoren vertienvoudigde de afgelopen vijf jaar en oud-minister Hans Hoogervorst zegt in bestuursblad Lucide begin dit jaar dat het nog maar het begin is: ‘Kwaliteitsmanagement staat nog maar in de kinderschoenen’. De hoeveelheid tijd en middelen die in het controleren en administreren van al die indicatoren gaat zitten verdringt niet alleen in financieel opzicht de professional, maar ook diens vakkennis en creatieve vermogen tot probleemoplossing.

De binaire logica van de zakelijke bureaucratie, waarin alles noodzakelijkerwijs versimpeld, onpersoonlijk en inwisselbaar is, botst met de fundamentele menselijkheid die de zorg hoort te behouden.

Om daaruit te komen, is het zaak om onze systemen ondergeschikt te maken aan hun intrinsieke bedoelingen. Professionals en patiënten de ruimte te geven voor nieuwe oplossingen. Dat vergt een kritische blik op zowel de zucht naar controle en beheersing van de zorg als de notie dat marktmechanismen vanzelf alles wel op zouden lossen.

Het is tijd om in actie te komen. In een wereld waar alles om geld draait, kunnen we alleen samen het verschil maken

De Grote Transitie: Manifest voor een duurzame en solidaire economie

Overgenomen van “De Grote Transitie”
Bestaanszekerheid en genoeg banen door werk te verdelen. 100% duurzame energie. Schone productieprocessen die slim en zuinig omgaan met schaarse grondstoffen. Een lokale democratie waarbij mensen weer centraal staan. We hebben alles in huis om dit te verwezenlijken: de juiste kennis en technologieën, het geld, de instrumenten en de organisatiekracht. Wat houdt ons dan nog tegen?

Dat zijn vooral bestaande belangen en machten die krampachtig vasthouden aan hun positie en aan een economie gefixeerd op groei. Met zo min mogelijk regels en zoveel mogelijk winst door een zo laag mogelijke kostprijs. Sociale en ecologische kosten worden op de gemeenschap afgewenteld waardoor hele samenlevingen ontwricht raken en we een onleefbare wereld achterlaten.

Dat laten we zo niet doorgaan. We gaan de economie met mens en milieu in evenwicht brengen. De aantasting van het milieu ondergraaft de basis van het menselijk leven. Doordat de gevolgen daarvan meestal veel later voelbaar worden en dan grotendeels onomkeerbaar zijn, is de urgentie om nu maatregelen te nemen bijzonder groot.

Mens- en natuurwaarden
De visie achter De Grote Transitie gaat uit van kwaliteit en van welzijn, niet van alsmaar meer willen hebben. In deze visie staan mens- en natuurwaarden boven financiële waarden; geld is slechts een middel. Er is nu eenmaal veel meer van waarde dan we in geld kunnen uitdrukken. Daarom kiezen we voor een economie die binnen de grenzen van het milieu blijft en die niet van groei afhankelijk is. Een circulaire en regionale economie, waardoor we voor basisbehoeften als voedsel, energie en grondstoffen minder afhankelijk worden van een oncontroleerbare wereldmarkt. Een economie van eerlijk delen van kennis, werk en inkomen. Kortom, we kiezen voor een economie die in dienst staat van mensen en niet van munten.

Daarvoor zijn actieve burgers nodig die hun verantwoordelijkheid nemen. Burgers die samenwerken en in hun eigen leefomgeving, als consument, als klant van een bank en door hun levensstijl laten zien dat het anders kan. Die politici erop aanspreken om hún verantwoordelijkheid te nemen. Burgers kunnen veel in gang zetten, maar als de politiek niet meewerkt komen we niet uit de sociale en ecologische misère. We hebben politieke leiders nodig die macht op de markt terugveroveren en de invloed van (grote) bedrijven beperken. Leiders die het dogma van economische groei als doel op zich achter zich laten. Leiders die inzien hoe de ecologische crisis de bestaansgrond onder onze voeten wegslaat en die crisis bij zijn wortels durven aan te pakken.

Balans met de Aarde
De dwang om economisch alsmaar te groeien, een beperkt begrip van wat echte welvaart is; het zijn dezelfde krachten die achter de aanhoudende economische, sociale en ecologische problemen schuilgaan. Door die verwevenheid kunnen die problemen alleen in samenhang met elkaar worden aangepakt. Zo kan een ontspannen samenleving niet worden bereikt zonder herverdeling van werk en dat is alleen mogelijk als belasting verschuift: minder op arbeid, meer op vervuiling, gebruik van grondstoffen, winst en vermogen. Daardoor wordt de energietransitie vanzelf aantrekkelijker en komt ook de circulaire economie in zicht. Alleen als de economie weer in balans is met de Aarde, dienstbaar wordt aan de samenleving en de ongelijkheid afneemt, kan vertrouwen het winnen van de angst voor verandering. Platform Duurzame en Solidaire Economie laat zien welke tien veranderingen mogelijk én noodzakelijk zijn om die Grote Transitie tot stand te brengen. Als we daar allemaal aan bijdragen, dan komt die transitie er!

We zijn ons ervan bewust dat we in een geglobaliseerde wereld leven met sterke onderlinge afhankelijkheden. Die kunnen we ook vóór ons laten werken door nu met elkaar aan te pakken wat we in en vanuit Nederland en Europa kunnen doen. Zo laten we zien hoe we overal ter wereld kunnen werken aan een goed leven voor iedereen.

Joost de Valk (Yoast): Zonder open source waren wij er niet”

Wanneer The Guardian haar online koppen niet door een speciaal team van specialisten laat schrijven kost dat 1 tot 2 miljoen unieke bezoekers per dag. Search engine optimization is een vak en de Nederlander Joost de Valk weet er alles van. Zijn blog yoast.com groeide in acht jaar tijd uit tot een toonaangevend bedrijf op dit terrein. In Top Names vertelt De Valk over hoe dat is gegaan.