Categorie archief: P2P

Niet de deeleconomie, maar de commonseconomie kan de wereld redden

door Jean Lievens
P2P Foundation Belgium

Eerst verschenen op De Wereld Morgen op 29 mei 2016 (blog Jean Lievens – originele tekst)

De deeleconomie staat steeds meer in de belangstelling, maar over de commonseconomie wordt helaas veel minder gesproken. Waarschijnlijk blijft dit voor velen te abstract, maar als we het hebben over de noodzaak van een transitie naar een duurzame economie en naar een meer rechtvaardige en democratische samenleving, dan is de commonseconomie wel de hefboom.

We leven in een verandering van tijdperk, gekenmerkt door economische en financiële crisissen, sociale onrust en politieke instabiliteit. Ons sociaale-conomisch systeem functioneert niet meer en “de politiek” draagt geen oplossingen aan. Anderzijds opent de technologische vooruitgang enorme mogelijkheden om de huidige ecologische, economische en sociale problemen op te lossen, maar binnen de oude structuren en denkschema’s werkt ze de financieel-economische en sociale crisis juist in de hand.

Er is veel sociaal verzet tegen de neoliberale tegen-hervormingen van de afgelopen jaren, maar vaak blijven protestbewegingen beperkt tot “tegen iets zijn” en is er een gebrek aan coherent alternatief. Ook klassieke linkse formules schijnen niet meer te werken of worden de nek omgedraaid binnen een vijandige internationale context, wat de Grieken aan de lijve mochten ondervinden.

Wel zijn overal in de wereld mensen actief betrokken in allerhande initiatieven om te bouwen aan een betere wereld. Velen hebben zich afgekeerd van de politiek en bouwen “het nieuwe binnen het oude”. Ze zijn actief op gebied van sociale rechtvaardigheid en solidariteit (vakbonden, coöperatieven, NGO’s, fairtradeorganisaties, noord-zuidbewegingen etc.), openheid en transparantie (open source beweging, open designgemeenschappen…) en duurzaamheid (circulaire economie, microfabrieken…).

Tussen deze verschillende groepen bestaat echter weinig interactie en ook binnen deze groepen is de fragmentatie vaak groot. Maar ze dragen wel de kiemen van een nieuw systeem, waarbij “de commons” het bindmiddel kan zijn. Een van de organisaties die hierbij een verbindende en katalyserende rol kan spelen, is volgens mij Hart boven Hard, zowel in haar hoedanigheid van netwerk als van beweging.

Maar laat ik eerst even beknopt de kern van het transitiemodel uitleggen dat de P2P Foundation voorstelt. Het boek De Wereld Redden bevat heel wat ideeën, maar vaak pikken mensen alleen dat eruit wat in hun kraam past. Om te beginnen hebben we nooit beweerd dat de “deeleconomie” de wereld zal redden, zoals Rogier De Langhe schrijft in een van zijn opiniestukken in De Morgen van 17 mei (Welke deeleconomie willen we?). In ons boek hebben we het over peer-to-peer, maar maken we een onderscheid tussen peer-to-peer marktplaatsen (waar de deeleconomie zich grotendeels afspeelt) en peer-productie van commons. Ons transitieverhaal steunt vooral op de tweede pijler.

De deeleconomie (alleen) zal de wereld niet redden

De deeleconomie zoals ze zich tot nu toe heeft ontwikkeld, wordt vooral gedomineerd door commerciële platformen die vraag en aanbod van markttransacties tussen individuen (denk aan de “gig”-jobs, het “delen” van autoritten tegen betaling, het verhuren van appartementen…) regelen via algoritmes en daar flink wat geld aan verdienen. De belangrijkste voordelen van deze modellen is dat ze voor de gebruikers vaak performanter en goedkoper zijn dan de traditionele modellen en dat ze zorgen voor een beter gebruik van de bestaande infrastructuur (het “deel”aspect) waardoor ze deel uitmaken van een noodzakelijke evolutie naar een meer duurzame economie.

Maar de keerzijde is ook niet mals: ze ontwijken allerhande wetgevingen waaraan de traditionele modellen wel aan moeten beantwoorden (sociale wetgeving, voorschriften inzake veiligheid en gezondheid etc.), ze investeren zelf niet in infrastructuur en wentelen alle risico’s af op degenen die hun platform gebruiken om geld te verdienen. Zelfs degenen die voor de vrije markt zijn en pleiten voor een gelijk speelveld, kunnen toch niet anders dan vaststellen dat we hier te maken hebben met oneerlijke concurrentie. Je kan dan twee zaken doen: ofwel het speelveld gelijkschakelen door deze platformen te onderwerpen aan dezelfde regels die gelden voor andere bedrijven, ofwel de regels voor andere bedrijven ook afschaffen. Dus hier pleiten we uiteraard voor klassieke regulering.

Alternatieven op commerciële platformbedrijven

Maar er zijn andere manieren om dergelijke kapitalistische platformen van antwoord te dienen. Laten we Uber nemen als voorbeeld. Zo heeft sharing city Seoel Uber ronduit verboden. Maar tegelijk ontwikkelde de stad wel een even gebruiksvriendelijk alternatief: een mobiliteitsapp op stadsniveau waarin de klassieke taxisector werd geïntegreerd. Vakbonden kunnen Uberchauffeurs organiseren en opkomen voor hun belangen (zo heeft Seattle onlangs Uberchauffeurs syndicale rechten verleend waardoor ze expliciet erkend werden als werknemers en niet als freelancers) of zelfs helpen met het opzetten van een coöperatieve die gebruik maakt van een eigen app. Zo gaan alle verdiensten naar de chauffeurs zelf en niet naar Silicon Valley. Op dat vlak zijn de initiatieven echter enorm versnipperd, want elke entiteit gebruikt andere open source applicaties en apps. Het komt er dus op aan om al deze mini-initiatieven te coördineren en te stroomlijnen binnen één netwerk.

Maar goed, we blijven hier nog altijd op het terrein van marktactiviteiten, het kopen en verkopen van diensten om geld te verdienen. Daar is niks mis mee, mensen moeten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Maar als er wordt samengewerkt rond één platform, beheerd door de stakeholders (dus niet alleen de chauffeurs , maar bijvoorbeeld ook de klanten en de overheid), dan wordt dit gemeenschappelijk platform wel de kern van de economische activiteit waaraan de marktactiviteit is ondergeschikt.

Er zijn natuurlijk ook tal van deelinitiatieven die een maatschappelijk doel voor ogen hebben, zoals autodelen op buurtniveau (vb. Dégage in Gent), of logies delen op wereldniveau (couchsurfing). Dit is de originele deeleconomie, die nog altijd bestaat én groeit, maar inmiddels in de media werd overschaduwd door Uber en Airbnb. Deze laatste is trouwens zelf begonnen binnen de reële deeleconomie, wat nog steeds vervat zit in de naam (air staat voor air matrass: het idee was een luchtbed in de living voor toeristen, in ruil voor een kleine deelname in de kosten). Met de intrede van venture capital werd het platform geprofessionaliseerd, er kwamen diensten bij (zoals een verzekering tegen vandalisme), maar bovenal vervoegden steeds meer professionele spelers het platform om appartementen te verhuren aan toeristen. Op die manier omzeilen ze stedenbouwkundige vergunningen en de wetgeving op hotels, jagen ze tegelijk de huurprijzen voor lokale bewoners omhoog en maken bepaalde buurten onleefbaar (denk aan Barceloneta in Barcelona). Tussen haakjes, het is ook belangrijk om op te merken dat alleen mensen die iets hebben iets kunnen ‘delen’ (lees verhuren). Een huurder mag meestal niet onderverhuren, ook niet via Airbnb.

De commonseconomie

Tot daar de “deeleconomie”. Wat echter veel belangrijker is in ons transitieverhaal, is de zogenaamde commons-economie en meer bepaald de creatie van commons van open software, kennis en design. Bekende commons zijn Linux, Wikipedia en Arduino, maar er bestaan duizenden andere voorbeelden. We hebben hier te maken met een postkapitalistisch model, omdat:

Het niet gebaseerd is op arbeid/kapitaal, maar op vrijwillige bijdragen
Het geen goederen of diensten voortbrengt om te verkopen op de markt (ruilwaarde), maar rechtstreekse gebruikswaarde die vrij beschikbaar is, in overvloed aanwezig, vrijwel kosteloos, oneindig reproduceerbaar en dus niet eens “vermarkt” kan worden.
Sommigen rangschikken ook deze commons onder de ‘deeleconomie’ omdat ze vrij beschikbaar zijn (en dus vrij kunnen ‘gedeeld’ worden), maar dan gooi je Uber en Wikipedia op één hoop, wat toch problematisch is. Om verwarring te vermijden is het dus aangewezen om bij elk project de volgende vragen te stellen:
wat is de hoofddoelstelling (maatschappelijk of winstgevend)?
wordt er gemeengoed gecreëerd dat vrij beschikbaar is?

Alleen in het twee geval spreken we van een commons-economie. Is de doelstelling maatschappelijk en wordt er gewerkt via een collectief deelplatform, dan is het deelplatform zelf de commons en kan je ook dit soort van deelinitiatieven tot de commons-economie rekenen. Gaat het om pure markttransacties, dan hebben we te maken met P2P marktplaatsen die strik genomen niets met delen te maken hebben, maar door deze platformen zelf en door de media wel als dusdanig genoemd worden, dus ik veronderstel dat we ermee moeten leven.

Een productiever model…

Het gemeenschappelijk creëren van open gemeengoed van kennis, softwarecode en allerhande ontwerpen blijkt in de praktijk veel sneller, efficiënter en productiever dan de traditionele (lees kapitalistische) manier om deze zaken voort te brengen. Sinds Wikipedia zijn papieren encyclopedieën alleen nog in tweedehandszaken verkrijgbaar. Wikipedia is gratis, wordt elke dag beter en volgt de actualiteit. Een paar minuten nadat de media hebben bericht over de dood van Prince, is de popster ook dood op Wikipedia. Open software is de norm binnen de softwarewereld geworden. Nasa, BMW, het CERN, het Witte Huis… gebruiken Linux, een software die vrij beschikbaar is voor iedereen. Er bestaan een dertigtal open source-auto’s (inclusief een open source zelfrijdende auto) die stuk voor stuk milieuvriendelijke en energiezuiniger zijn dan industriële wagens, alleen komen de banken niet met geld over de brug om de productie ervan te financieren, tenzij ten minste een deel van het ontwerp beschermd wordt door patenten. Tot nu toe lijkt LocalMotors, een semi-open source wagen die in een microfabriek via 3D printing kan worden geproduceerd het enige model dat ook economisch succesvol is. Maar er zijn ook open source robotten, open source landbouwmachines, open source laboratoriumapparatuur en duizenden andere open hardwaresystemen. Daarnaast is er ook het delen van kennis allerhande, zoals open wetenschap tegenover het peperduur verkopen van academische artikels door privé-uitgeverijen.

… gedomineerd door het kapitalisme

Maar net als de deeleconomie waarvan eerder sprake, wordt ook de commonseconomie volop “gerecupereerd” door het kapitalisme, hoewel “gebruikt” me een beter woord lijkt in deze context, want er is hier toch iets anders aan de hand. We krijgen namelijk een model waarbij bedrijven die elkaar beconcurreren op de markt, wel samen bouwen aan een commons. Als toemaatje krijgen ze er de bijdragen bij van vrijwilligers die voor allerhande redenen gratis bijdragen tot het gemeengoed. Neem open software. Ongeveer 75% van de programmeurs die bijdragen tot Linux, worden betaald door grote bedrijven zoals IBM en Red Hat, die net als Google, Intel, HP, Samsung, Cisco enzovoort de Linux Foundation financieren. Waarom? Omdat het stukken goedkoper en efficiënter is Linux te helpen ontwikkelen dan eigen software te ontwikkelen. Voor hen is Linux een goedkope grondstof die ze kunnen gebruiken om andere diensten aan te bieden op de markt, meestal het maken van een gebruiksvriendelijke versie op maat van hun klanten, maar ook onderhoud, training, consultancy, enzovoort.

Laten we een voorbeeld nemen uit de open hardware. Alles wat de mens maakt, moet eerst ontworpen worden. Er komen meer en meer ontwerpen tot stand door open en transparante samenwerking van bijdragers via het internet. Het internet wordt naast een goedkoop communicatie- en coördinatiemiddel dus ook meer en meer een universeel productiemiddel. Tegelijk vervaagt de grens tussen (digitaal) ontwerp en geautomatiseerde productie. Machines zijn immers gekoppeld aan computers. Voeg daaraan toe dat na de miniaturisering van de computer ook de miniaturisering van machines aan de orde van de dag is, waarbij je “meer kunt doen met minder”, en je ziet meteen het potentieel dat zich opent om ons maatschappelijk en economisch model volgens volledig andere lijnen te gaan ordenen. Maar dat kan alleen als we ons organiseren en bewust modellen ontwikkelen die dat ook in de praktijk brengen. Want tot op heden, zwaait het kapitaal nog altijd de scepter, ook in de wereld van de commons.

Je hebt immers nog altijd kapitaal nodig om iets te produceren: een fysische ruimte, grondstoffen en arbeid. Je verlaat de digitale, postkapitalistische wereld van de overvloed en betreedt in zekere zin weer de wereld van arbeid en kapitaal. Maar ook binnen dat kader heb je de keuze welk soort van organisatie je hiervoor opricht. Een coöperatieve is hier ongetwijfeld de meest geschikte bedrijfsvorm omdat haar eigendom- en beheermodel het best aansluit met de peer-to-peer waardecreatie in de commons. Omdat jonge ondernemers vaak niet vertrouwd zijn met het coöperatieve model, domineren durfkapitalisten (venture capital) die torenhoge rendementen terugeisen voor hun investering logischerwijze nog altijd de open hardwaregemeenschappen, hoewel we oog moeten hebben voor de oprukkende fablabs, hackerspaces, co-working spaces en makerspaces die vaak ondersteund door lokale overheden, scholen of universiteiten, en ook via crowdfunding.

Sociale ondernemers

Het is belangrijk hier een punt te maken over sociale ondernemers. Klassiek links haalt vaak de neus op voor ondernemers omdat ze die onterecht vereenzelvigen met “kapitalisten”. De woorden “sociaal” en “ondernemen” vinden ze een contradictio in terminis. Bovendien schieten veel politici van groene en sociaaldemocratische partijen die ondernemers omarmen (zonder evenwel een onderscheid te maken in de aard en de grootte van de bedrijven) tegelijk op de vakbonden die ze bestempelen als “conservatief”. Ze behoren historisch tot de neoliberale strekking (gelukkig op zijn retours) die de derde weg van Blair voorstaat. Maar stel je in de schoenen van een jonge ingenieur die de wereld wil verbeteren. Geloof me, ze zijn niet in de minderheid. Zo wilt 98 procent van afgestudeerde ingenieurs in Finland duurzaam ontwerpen. Alleen… als ze het geluk hebben een baan te vinden in een klassiek bedrijf, moeten ze zorgen voor ingeplante slijtage. Het alternatief is zich aansluiten bij een open hardwaregemeenschap en proberen zelf of met vrienden een bedrijfje op te starten. Als je bijdragen levert voor een open ontwerp, is er immers geen enkel reden om slijtage in te plannen. Je probeert een product zo goed mogelijk te ontwerpen.

De laatste jaren zien we meer en meer jongeren die ecologische en maatschappelijke problemen willen oplossen door zelf een bedrijf op te starten. Maar ook mensen die al jaren voor traditionele bedrijven werken, stappen voor allerhande redenen uit de ratrace en gaan zelf een sociale bedrijfsactiviteit beginnen die goed is voor de samenleving en die hun eigen leven veel meer zin geeft. Het is juist dat we hier vaak te maken hebben met een geprivilegieerde groep, maar dit fenomeen illustreert toch een uittocht uit het bestaande systeem, zowel vrijwillig als gedwongen.

Alleen… je moet natuurlijk wel geld verdienen om te overleven. Het grootste probleem vandaag is dat de commons, die een steeds grotere plaats innemen in de kapitalistische economie, nog steeds ondergeschikt zijn aan het overheersende model en alleen collectief reproduceerbaar zijn maar niet individueel. Wat bedoel ik daarmee? Als individu kan je tijdelijk gratis bijdragen tot commons (als je student bent, werkloos, of in je vrije uurtjes), maar je kan dat niet blijven doen. De commons blijven echter collectief overleven omdat er steeds nieuwe mensen bijkomen die bijdragen leveren, terwijl anderen wegvallen.

Nieuwe bedrijfsmodellen

De vraag van een miljoen is dus: hoe kunnen we bedrijfsmodellen ontwikkelen die het de commoners (bijdragers tot commons) mogelijk maakt om in hun levensonderhoud te voorzien? Gelukkig is dit geen theoretische vraag aangezien er volop aan deze modellen wordt gewerkt. Met andere woorden, er bestaan reeds ethische bedrijven die samen een commons produceren, zoals Enspiral, een jong bedrijvennetwerk dat Loomio (een samenwerkingssoftware) en Co-Budget (een app om democratische investeringsbeslissingen te nemen binnen het netwerk) heeft ontwikkeld en “Stuff that Matters” als baseline heeft. Het initiatief ontstond in Nieuw-Zeeland, maar het netwerk groei als kool en de open software Loomio is inmiddels uitgegroeid tot een zelfstandig bedrijf (een coöperatieve in eigendom en zelfbeheer van de werknemers) binnen het Enspiral netwerk, met wereldwijde vertakkingen.

Ik geef deze voorbeelden mee om ons verhaal wat concreter te maken zodat de verhaallijn duidelijker wordt. Wij denken namelijk dat er een nieuwe economie in wording is rond de commons. Deze economie wordt inderdaad gedomineerd door het kapitaal, maar veroorzaakt binnen het kapitalisme een waardecrisis: de geproduceerde gebruikswaarde groeit exponentieel, maar de gerealiseerde marktwaarde stijgt slechts lineair en wordt grotendeels “opgevangen” door het kapitaal. Maar naarmate het kapitaal investeert in peer-to-peer-netwerken en commons, versterkt ze die tegelijk en maakt aldus het potentieel alternatief sterker. Vroegere systeemovergangen vonden op dezelfde lijnen plaats: het oude systeem maakt gebruik van het nieuwe systeem om zijn bestaan te rekken, maar versterkt daardoor het nieuwe systeem tot een punt wordt bereikt waarop het nieuwe systeem kan doorbreken en dominant worden.

Vandaag wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe bedrijfsmodellen, vaak coöperatieven, die commons voortbrengen en tegelijk in het levensonderhoud voorzien van de coöperanten. Ook wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe manieren om de waardecreatie binnen de commons te registreren (open boekhouding) en die te koppelen aan vergoedingen voor de commonors indien de projecten marktwaarde realiseren. Er ontstaan ook nieuwe solidariteitsmechanismen, zoals de broodfondsen in Nederland, een sociaal zekerheidssysteem op minischaal voor “zzp-ers” (zelfstandigen zonder personeel, hier meestal freelancers genoemd). Zo zie je dat de mutualiteiten van de vroege arbeidersbeweging vandaag nog eens dunnetjes overgedaan door mensen die buiten de mazen van het sociale zekerheidssysteem vallen.

Ook de nieuwe coöperatieven die wereldwijd groeien als kool brengen de hoogdagen van de arbeidersbeweging in herinnering. Ook zij probeerden het nieuwe te bouwen binnen het oude, maar streefden vooral naar het veroveren van de politieke macht om de economie gradueel (door hervormingen) of min of meer volledig (door revolutie) via de staat over te nemen. De traditionele coöperatieven werden echter grotendeels weggeconcurreerd door multinationals die over meer kapitaal beschikten en dankzij schaalvoordelen goedkopere producten konden op de markt brengen. Coöperatieven die overleefden, konden dit alleen door zich net te gedragen als kapitalistische bedrijven waardoor ze op de duur nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren. Toch kan de historische arbeidersbeweging een grote inspiratiebron zijn voor de open source- en commonsbeweging. Alleen is haar heroïsche geschiedenis gedurende de laatste decennia (en zelfs langer) grotendeels ondergesneeuwd door bureaucratisering en incorporatie binnen de staat.

Kloof tussen precariaat en salariaat dichten, niet aanwakkeren

Dat laatste verklaart waarom veel jongeren die zich wel als een vis in het water voelen in de open source- en commonsbeweging, zich niet herkennen in de huidige arbeidersbeweging. Deze laatste is dan weer al decennia in een defensieve strijd verwikkeld voor het behoud van sociale verworvenheden en vindt moeilijk aansluiting bij jongeren die opgroeien in een tijd waarin het oude sociale contract meer en meer wordt opgeblazen voor de nieuwe generatie. Sommigen concluderen daaruit dat de klassenstrijd moet wijken voor een generatiestrijd. Niet het falend systeem is verantwoordelijk, wel de oudere generatie die de rijkdom heeft opgesoupeerd waardoor er niks meer overblijft voor de jeugd . Hoewel minder brutaal (hoewel…) lijkt dit de redenering die ook economiefilosoof Rogier De Langhe volgt in zijn recente columns. Rogier geeft toe dat er een systeemcrisis is, maar vindt dat “wij daar allemaal samen” voor verantwoordelijk zijn. Zoiets kan je natuurlijk alleen maar beweren als je de klassennatuur van onze samenleving ontkent. Maar zelfs dan is het hallucinant om het volgende te beweren: ”Zoals in 2008 bleek dat bankiers niet hadden kunnen weerstaan aan de ‘hebzucht’, zo blijkt vandaag dat ook de vakbonden te ver gingen. Ze verwierven meer rechten dan duurzaam over de generaties heen konden worden voorzien. Zelfs de banksters waagden het niet het land plat te leggen uit protest tegen het instorten van het kaartenhuisje dat ze zelf hadden gebouwd.” (De Morgen van 25 mei 2016: Waarom betogers op bankiers lijken”)

Rogier vindt de vakbonden blijkbaar nog erger dan de banksters. Hij pleit wel voor meer solidariteit, maar dan wil binnen de groep van “have nots”: “Ik droom van een herverdeling van sterk naar arm, in plaats van van niet-gesyndiceerd naar gesyndiceerd en van ongeboren naar vandaag.” Dat er in de afgelopen dertig jaar 10 procent van het BNP verschoven is van Arbeid naar Kapitaal is bijzaak, want “De bedragen waar het om gaat, zijn zo gigantisch dat een vermogensbelasting weinig verschil maakt. Zeker in een land als het onze illustreert het discours over de 1 procent vooral dat het makkelijker is de schuld bij een externe vijand te zoeken, dan bij onszelf.”

Er bestaat ongetwijfeld een spanningsveld tussen de klassieke arbeidersklasse die bestaat uit (vaak oudere) werknemers die in een hiërarchisch verband voor een bedrijf werken, en de nieuwe klasse van precaire en autonome werkers die rechtstreeks voor de markt (moeten) werken. Dat kan gedwongen zijn omdat ze geen werk vinden, maar velen doen het ook vrijwillig, ook uit sociale bewogenheid. Die groep gebruikt het internet en de commons voor het opzetten van nieuwe solidariteitsmechanismen. Op dat vlak speelt Smart.be in België een voortrekkersrol. We hebben de vakbonden al vaker op de korrel genomen omdat ze deze groeiende groep precaire werkers rechts laten liggen (in Nederland is binnen het FNV al geruime tijd een fel debat aan de gang). We moeten bruggen bouwen tussen precaire en “beschermde” werknemers, niet door de rechten van de ene groep af te bouwen ten voordele van de andere, maar om samen te ijveren voor een maatschappij die eerlijkere, democratischer en meer gelijk is dan de huidige. Helaas drijft Rogier de tegenstelling tussen beide groepen op de spits en door ongenadeloos de vakbonden te viseren in hun verzet tegen de regeringsmaatregelen, staat hij objectief gezien natuurlijk 100 procent aan de kant van de regering die hij in zijn columns nooit op de korrel neemt.

De commons als nieuw bindmiddel in een positief transitieverhaal

Maar goed, terug naar mijn verhaal. Wat in het oude verhaal van de arbeidersbeweging ontbrak, was een nieuwe manier om waarde te creëren en te herverdelen, die bovendien superieur is aan het oude model. Vandaag bestaat deze nieuwe productiewijze wel. In het oude verhaal versloeg groot klein. Altijd. Vandaag kan een netwerk van veel kleintjes groot verslaan. Denk aan Linux en Wikipedia. De nieuwe platformbedrijven of “netarchische” kapitalisten (kapitalisten die heersen over het netwerk), zijn nog piepjong (Google is 20 jaar oud, Facebook 12, Uber 6) maar hebben in een mum van tijd de wereld veroverd. De vraag is hoe duurzaam die bedrijven zijn op langere termijn, gezien hun parasitair karakter en het feit dat de waarde die ze onttrekken uit menselijke samenwerking niet terugvloeit naar de mensen die deze waarde creëren.

Er bestaat volgens mij geen uniforme formule om deze bedrijven aan te pakken. Sommigen kunnen op termijn weggeconcurreerd (of weg”samengewerkt”) worden door nieuwe, coöperatieve modellen, op voorwaarde dat deze globaal opgeschaald worden (samenwerking in wereldwijde netwerken). Zowel de overheid als de traditionele organisaties van de arbeidersbeweging kunnen daarin een stimulerende rol spelen. Anderen zoals Google of Facebook worden best “openbare nutsbedrijven”, zoals destijds de spoorwegen en de elektriciteitsbedrijven. Natuurlijk zijn deze privéplatformen wereldwijd actief, maar ze zijn wel ingebed in een staat (meestal de VS) waarbinnen een politieke strijd kan gevoerd worden om ze om te turnen in door stakeholders beheerde nutsbedrijven (geen traditionele staatsbedrijven dus). Buiten de VS kunnen en worden ze via regulering meer aan banden gelegd, hoewel de resultaten nog niet spectaculair te noemen zijn (bv. Europa versus Facebook en Google).

Om te resumeren, wil ik de volgende stellingen poneren:

De commons kunnen het bindmiddel zijn van een nieuwe progressieve beweging
De drie groepen die mondiaal actief zijn in transitiebewegingen (rond ecologie, solidariteit en open source) moeten elkaar beter leren kennen en meer gaan samenwerken

Tegelijk kan geijverd worden voor een commons-transitieprogramma dat streeft naar een nieuw economisch-maatschappeijk paradigma dat steunt op drie pijlers:
Een productieve civiele maatschappij van burgers die vrijwillig bijdragen tot commons
Een ethische bedrijvencoalitie rond deze commons
Een nieuw overheidsmodel waarbij de overheid optreedt als partnerstaat die peer-productie van vrije burgers faciliteert en ondersteunt (met geld, infrastructuur, onderwijs etc.) Deze staat vervangt de welvaartsstaat niet, maar overstijgt ze. Strijden tegen de afbouw van de welvaartsstaat blijft dus 100 procent een progressieve strijd.

Daarnaast dringt zich een herlocalisering op van de productie in microfabrieken die eveneens wereldwijd genetwerkt zijn en aldus een tegengewicht kunnen bieden op transnationaal niveau tegenover de multinationals. Op die basis kunnen we de ecologische crisis bezweren (duurzame lokale energiecoöperatieven aangesloten op een smart grid, drastische vermindering van transport- en energiekosten, transparante aanvoerketens ten dienste van een circulaire economie waardoor het generatief vermogen van de planeet volledig wordt hersteld etc.)

Voor meer info:

P2P Foundation
Enspiral
Jean Lievens

Twee projecten en 3 prioriteiten voor de P2P Foundation in 2016

door Michel Bauwens

Geschreven voor de groepsboog ‘New Commons
De P2P Foundation is een internationaal netwerk van onderzoekers en activisten die peer-to-peer praktijken, geïnterpreteerd als de gezamenlijke productie van gedeelde goederen, i.e. commons, onderzoeken, proberen te begrijpen en promoten. In dit kader hebben we begin 2015 drie strategische prioriteiten bepaald, die we hier even willen toelichten voor een Nederlandstalig publiek.

De eerste prioriteit is het werken naar een commons-georiënteerd transitiebeleid. Dat betekent een heroriëntatie van het productieapparaat en de maatschappij naar het creëren van gedeelde kennis en eventueel ook materiële goederen. Wij geloven dat dit nodig is omdat de huidige productievorm steunt op twee foutieve veronderstellingen.

De eerste is dat natuurlijke hulpbronnen oneindig zijn. We zitten verstrikt in een groeimechanisme dat enorm veel ‘negatieve externaliteiten’ veroorzaakt. Essentieel daarin is de vernietiging van de regeneratieve capaciteiten van onze planeet, met daarnaast ook al het materiële leed en de sociale onrechtvaardigheid die daaruit voortvloeit.

De tweede verkeerde veronderstelling is dat kennis moet worden geprivatiseerd. Menselijke samenwerking om problemen op te lossen wordt enorm moeilijk zo niet onmogelijk gemaakt. In commons-georiënteerde peer-productie dragen burgers vrijwillig bij tot gedeelde kennis
waarrond een dynamische maatschappij en economie kunnen ontstaan.

In het ideale geval worden die productieve commons gestimuleerd en gebruikt binnen een generatieve economie die mogelijkheden tot levensonderhoud creëert rond die commons, in tegenstelling tot een extractieve economie.

Tenslotte worden de inkadering en stimulering van het geheel ook georganiseerd door een ‘partnerstaat’-model, dat zowel individuele als sociale menselijke autonomie maximaal ondersteunt. Dit voorgestelde model vloeit rechtstreeks voort uit bestaande ervaringen van de commons-economie en de combinatie van productieve gemeenschappen, ethische ondernemerscoalities en stichtingen die het coöperatieve systeem mogelijk maken en beschermen. Streven naar politieke transitie betekent een stem geven aan burgers die gemeengoed creëren en beschermen en bestaande politieke krachten beïnvloeden door een positief programma op te stellen voor die transitie.

De tweede prioriteit is het scheppen van de economische voorwaarden. Dit noemen we ‘open coöperativisme’. Dit betekent dat we generatieve bedrijfsmodellen ondersteunen die niet gericht zijn op winstmaximalisatie, maar op het ondersteunen van een sociaal doel. Ze creëren een economie met toegevoegde waarde rond die commons en zorgen ervoor dat mensen kunnen leven van hun bijdragen tot die gemeengoederen. De aandacht gaat hier dus naar praktijken die het mogelijk maken om ethische ondernemerscoalities in het leven te roepen, die commons-vriendelijk zijn en zelf commons coproduceren.

Onze derde prioriteit betreft de ecologische transitie en in het bijzonder onze overtuiging dat de overstap naar het peer-productiemodel een voorwaarde is om de ecologische transitie te bewerkstelligen. Wanneer design en ontwikkeling inderdaad gebeuren binnen een open productieve gemeenschap die een gemeengoed creëert, is er geen geplande veroudering. Ten tweede maken de openheid en transparantie in het netwerk de realisatie van een open circulaire economie heel snel mogelijk.

Ten derde maakt de combinatie van globale samenwerking en lokale productie in microfabrieken enorme besparingen mogelijk op het vlak van goederentransport dat binnen het huidige productiesysteem momenteel twee derde van de materie en energie opslorpt . Ook de mutualisering van infrastructuur heeft ingrijpende gevolgen op het gebruik van hulpbronnen.

Hiermee zijn we beland bij het eerste onderzoeksproject van 2016: het berekenen van de maximale thermodynamische efficiëntie die we kunnen bereiken dankzij die transitie. Onze intuïtie zegt ons dat we met 20% van de hulpbronnen die we vandaag gebruiken zeker 80% van de goederen en diensten van de huidige samenleving kunnen vrijwaren. Voor dit project werken we we samen met het Frans-Australische BlaqSwans collectief.

Ons tweede onderzoeksproject is iets minder formeel en gaat over een economie die het minder moet hebben van het zeer inefficiënte prijzenmechanisme, maar evenmin van autoritaire centrale planning. Wat prijzen zijn voor een markteconomie en beslissingen voor een planeconomie, is gemeenschappelijke coördinatie voor een commons-economie.

Hoe moeten we ons dat inbeelden? Wat we vandaag al weten is dat de immateriële productie van commons gebeurt door middel van sociale signalen, i.e. stigmergie. Dat is vandaag de dominante methode in het produceren van open kennis (Wikipedia), vrije software (Linux) , en gedeelde conceptontwikkeling (Arduino).

Vermits we ook al weten dat bedrijven die werken in ethische ondernemerscoalities (Enspiral, Sensorica), interne transparantie beoefenen, dan is dit maar één stap naar de hypothese dat open logistiek en open boekhouding kan leiden tot het invoeren van stigmergische coördinatie in fysieke productieprocessen en dus naar een veralgemeende open circulaire economie. Het goede nieuws is dat de blockchain, het universele logboek dat voor bitcoin werd ontworpen, ook hiervoor kan dienen!

Tot zover de twee voorbeelden van hoe we proberen vooruit te gaan in het denken rond de commons-transitie in 2016.

De tien geboden van peer-productie en de commons-economie

Originele tekst eerder gepubliceerd op de blog van de P2P Foundation en Wired

Voor een vrije, eerlijke en duurzame productiewijze en waardecreatie

Michel Bauwens, Berlijn, Oktober 23, 2015, voor de “Uncommons conferentie”

Zoals we elders probeerden aan te tonen, heeft het ontstaan van op commons gerichte peer-productie een nieuwe logica in het leven geroepen voor de samenwerking tussen open productieve gemeenschappen die gedeelde hulpbronnen (commons) creëren aan de hand van bijdragen, en marktgerichte entiteiten die toegevoegde waarde creëren bovenop of langs deze gedeelde commons.

Deze tekst handelt over ontluikende praktijken die een inspiratiebron kunnen zijn voor de nieuwe entiteiten van de ethische economie. De belangrijkste doelstelling is het creëren van nieuwe entiteiten die de traditionele bedrijfsvormen met hun winstmaximaliserende praktijken van waarde-extractie overstijgen. In plaats van extractieve kapitaalvormen hebben we generatieve vormen nodig die waarde co-creëren met en voor de commoners.

Voor de verklaring van de nieuwe praktijken, gebruik ik dezelfde formule als die van de Tien Geboden. Ze bestaan reeds allemaal onder verschillende gedaanten, maar moeten nog veralgemeend en geïntegreerd worden. Wat de wereld, de mensheid en alle wezens die de invloed ondergaan van onze activiteiten nodig hebben, is een productiewijze en productieverhoudingen die zowel vrij, eerlijk als duurzaam zijn.

Open en vrij

1. Gij zult open bedrijfsmodellen gebruiken die steunen op gedeelde kennis.

Gesloten bedrijfsmodellen zijn gebaseerd op artificiële schaarste. Hoewel kennis een niet- of zelfs anti-rivaliserend goed is waarvan de gebruikswaarde toeneemt naarmate het meer wordt gedeeld, en hoewel het in digitale vorm gemakkelijk kan gedeeld worden tegen zeer lage marginale kost, creëren veel extractieve bedrijven opzettelijk artificiële schaarste om rente te kunnen onttrekken aan het creëren of het gebruik van gedigitaliseerde kennis. Via legale onderdrukking of technologische sabotage worden goederen die natuurlijk kunnen worden gedeeld kunstmatig schaars gemaakt om extra winsten te genereren.

Dat is hemeltergend in een context waarin technische kennis in staat is levens te redden en de planeet te helen. Het eerste gebod is daarom het ethische gebod om te delen wat kan worden gedeeld, en om alleen marktwaarde te creëren bij hulpbronnen die schaars zijn, en toegevoegde waarde te creëren bovenop of langs deze commons. Open bedrijfsmodellen zijn marktstrategieën die gebaseerd zijn op de erkenning van natuurlijke overvloed en de weigering om een inkomen te genereren door die kunstmatig schaars te maken.

Meer informatie (in het Engels) is te vinden hier

Eerlijk

2. Gij zult werken via open coöperatieven

Er worden veel meer nieuwe ethische en generatieve entiteiten opgericht die meer in harmonie zijn met de uit bijdragen gecreëerde commons. De sleutel hierbij is om te kiezen voor postbedrijfsvormen die toelaten dat de bijdragende commoners in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

Vooral open coöperatieven komen hiervoor in aanmerking. Ze hebben de volgende kenmerken:

1. Ze zijn doelgericht en hebben een sociale doelstelling die verbonden is aan de creatie van gedeelde hulpbronnen
2. Ze worden beheerd volgens een multi-stakeholdermodel, waarbij iedereen betrokken wordt die beïnvloed wordt door de werkzaamheden of bijdragen levert tot de betrokken activiteit
3. Ze verbinden zich statutair en volgens hun eigen regels met de productieve gemeenschappen voor het co-creëren van commons.

Ik voeg daar vaak nog een vierde voorwaarde aan toe, namelijk dat ze organisatorisch een globale visie hebben ten einde een tegenmacht te kunnen creëren tegenover de extractieve multinationals.

Coöperatieven zijn maar één van de potentiële vormen die commons-vriendelijke marktentiteiten kunnen aannemen. We zien ook de opkomst van meer open entiteiten zoals neo-tribale vormen (denk aan de werkwijze van de gemeenschap rond Ouishare), of meer strak georganiseerde nieuwe modellen zoals Enspiral.org, Las Indias of de Ethos Foundation. Een nog opener vorm is het soort van netwerk waarvoor de gemeenschap rond de open wetenschappelijke hardware Sensorica heeft gekozen. Ze wil de bijdragen strakker koppelen aan de gegenereerde inkomsten door alle microtaken in het beloningssysteem toe te laten aan de hand van open value accounting of contibutory acccounting (verder meer hierover).

Gij zult hierover meer informatie (in het Engels) vinden hier

3. Gij zult gebruik maken van Open Value Accounting (“open-waarde-boekhouding”) of Contibutory Accounting (“bijdragende boekhouding”)

Peer-productie is gebaseerd op vrije, gedistribueerde taken van bijdragers die werken binnen een samenwerkingsinfrastructuur gedreven door een open gemeenschap. De traditie van een baan met vaste taakbeschrijving in ruil voor een salaris is allicht niet de meest aangewezen manier om de bijdragers tot dergelijke processen te belonen. Vandaar de geboorte van de open-waarde-boekhouding of bijdragende boekhouding, een praktijk die al bestaat bij Sensorica. Het systeem bestaat erin dat elke commoner bijdragen kan leveren, ingelogd naargelang een projectnummer, en ‘karmapunten’ krijgt na een peer-evaluatie. Als er inkomsten worden gegenereerd, dan vloeien die naargelang de gewogen bijdragen, zodat elke commoner op een eerlijke manier wordt vergoed. Bijdragende boekhouding of andere gelijkaardige oplossingen zijn belangrijk om te vermijden dat enkel een beperkt aantal bijdragers die dichter bij de markt staan zich alle waarde die door een veel grotere gemeenschap werd gecreëerd, zouden toe-eigenen. Open boekhouding verzekert een transparante (her)verdeling van de waarde voor alle deelnemers.

Gij zult meer informatie (in het Engels vinden hier

4. Gij zult een eerlijke verdeling van gemeenschappelijk gecreëerde waarde verzekeren via CopyFair Licenties

De copyleft licenties laten iedereen toe om de noodzakelijke kenniscommons te hergebruiken, op voorwaarde dat elke verandering en elke verbetering aan dezelfde commons wordt toegevoegd. Dat is een groot voordeel, maar we mogen daarbij de noodzaak tot eerlijkheid niet uit het oog verliezen. Wanneer we overgaan tot fysieke productie die middelen vergt voor gebouwen, grondstoffen en lonen, zien we dat een dergelijke licentie de onbeperkte commerciële exploitatie van de commons door extractieve modellen in de hand werkt. We moeten dus verzekeren dat het delen van kennis behouden blijft, maar wederkerigheid vragen voor de commerciële exploitatie van de commons zodat er een gelijk speelveld ontstaat voor de economisch ethische spelers die de sociale en ecologische kosten internaliseren. Dit wordt bewerkstelligd door copyfair licenties die wederkerigheid vragen in ruil voor het recht op commercialisering, met behoud van het volledig delen van de kennis.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie vinden hier

5. Gij zult solidariteit bedrijven en de levens- en werkrisico’s verminderen via commonfare-praktijken

Aangezien een van de grote gevolgen van de financiële en neoliberale globalisering de geleidelijke verzwakking van de macht van nationale staten is, bestaat er vandaag een sterke en geïntegreerde poging om de solidariteitsmechanismen, ingebed in het model van de welvaartsstaten, terug te schroeven. Zolang we de macht niet hebben om het tij te doen keren, is het noodzakelijk dat we substantiële gedistribueerde solidariteitsmechanismen heropbouwen, een praktijk die we “commonvaart” (versus welvaart) kunnen noemen. Voorbeelden als het Broodfonds (Nederland), Friendsurance (Duitsland) en de “health sharing ministries” (U.S.), of coöperatieve entiteiten zoals Coopaname in Frankrijk laten nieuwe vormen van gedistribueerde solidariteit zien die kunnen worden ontwikkeld om ons te beschermen tegen levens- en werkrisico’s

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

Duurzaam

6. Gij zult open en duurzame ontwerpen gebruiken voor een open source circulaire economie

Productieve open gemeenschappen verzekeren maximale participatie via modulariteit en granulariteit. Omdat ze opereren in een context van gedeelde en overvloedige middelen, is de praktijk van geplande slijtage -die geen fout is maar een kenmerk van winstmaximaliserende bedrijven- volledig vreemd aan hen. Ethische ondernemersentiteiten zullen daarom deze open en duurzame modellen gebruiken en duurzame goederen en diensten produceren.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

7. Gij zult verder gaan dan uitsluitend te steunen op onvolkomen prijssignalen van de markt en overgaan tot wederzijdse coördinatie van de productie via open aanvoerketens en open boekhouding.

Wat besluitvorming is voor planning en het prijsmechanisme voor de markt, is wederzijdse coördinatie voor de commons.

We zullen nooit komen tot een duurzame ‘circulaire economie’ waarbij de output van het ene productieproces gebruikt wordt als de input voor een ander, als we gesloten aanvoerketens gebruiken en als elke samenwerking onderworpen is aan pijnlijke onderhandelingen in een weinig transparante omgeving. Maar ondernemingscoalities die reeds onderling afhankelijk zijn door hun bijdragen aan collaboratieve commons kunnen ecosystemen van samenwerking creëren aan de hand van open aanvoerketens waarin de productieprocessen transparant worden en waarbij elke participant zijn gedrag kan aanpassen gebaseerd op de beschikbare kennis binnen het netwerk. Overproductie doet zich niet voor wanneer de werkelijke productie van het netwerk algemene kennis wordt.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

8. Gij zult cosmo-lokalisering bedrijven

Als het licht is, is het globaal, als het zwaar is, is het lokaal: dit is het nieuwe principe van commons gebaseerde peer-productie, waarbij kennis wereldwijd wordt gedeeld maar de productie kan plaatsvinden op basis van de vraag en gebaseerd op werkelijke noden via een netwerk van gedistribueerde co-working ateliers en microfabrieken. Sommige studies hebben aangetoond dat tot tweederden van de grondstoffen en energie niet naar de productie gaan, maar naar transport. Dit is duidelijk onhoudbaar. Een terugkeer naar plaatselijke productie via herlocalisering is een voorwaarde sine qua non voor de overgang naar duurzame productie.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier
http://p2pfoundation.net/Category:Sustainable_Manufacturing

9. Gij zult fysieke infrastructuur wederzijds delen

Platformcoöperatieven, datacoöperatieven en fairshare-vormen van gedistribueerde eigendom kunnen worden aangewend om samen de productie-infrastructuur te bezitten.

De zogenaamde deeleconomie van Airbnb en Uber is verkeerd genoemd, maar toont niettemin het potentieel aan van middelen die anders niet zouden worden gebruikt. Co-working, skill-sharing, ride-sharing zijn voorbeelden van de vele manieren waarop we middelen kunnen delen en hergebruiken om de thermodynamische efficiëntie van onze consumptie dramatisch te verhogen.

In de juiste context van co-eigendom en co-governance, kan een echte deeleconomie gigantische voordelen opleveren op het vlak van een verminderd gebruik van hulpbronnen. Onze productiemiddelen, inclusief machines, kunnen wederzijds gedeeld worden, in eigen eigendom, door al degenen die de waarde creëren.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

10. Gij zult generatief kapitaal mutualiseren

Generatieve kapitaalvormen kunnen niet steunen op een extractief geldaanbod dat gebaseerd is op samengestelde interest verschuldigd aan extractieve banken. We moeten af van de 38% rente die in alle goederen en diensten vervat is en ons geldsysteem veranderen, en het gebruik van wederzijdse kredietsystemen substantieel verhogen.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

Vertaling Jean Lievens

Alles suggesties voor verbeteringen aan de vertaling welkom op [email protected]

P2P economie – Geert Hofman presenteert “OWAES: een oase voor talent”

In het kader van de digitale week organiseerden stad Kortrijk en ESF project OWAES op 30/4/2015 een studienamiddag rond digitale peer-to-peer economie in The Level te Kortrijk.

Geert Hofman, projectleider van het ESF project OWAES, kadert het OWAES project dat een platform ontwikkelt rond peer-to-peer arbeid en vorming in een historische context: waarom OWAES een oase is en wil zijn.

P2P economie – Thomas Rooselaer presenteert “P2P in economisch perspectief: een introductie”

In het kader van de digitale week organiseerden stad Kortrijk en ESF project OWAES op 30/4/2015 een studienamiddag rond digitale peer-to-peer economie in The Level te Kortrijk.

Thomas Rooselaer lanceert deze studienamiddag met een overzicht van peer-to-peer in economisch perspectief.

Studie- en netwerkdag: 8 profielen van digitale inclusie – Digitale peer-to-peer economie

(foto: Jean Lievens, met dank aan Zeitgeist Belgium)

Op deze studie- en netwerkdag bieden we studenten en iedereen uit het werkveld een boeiend programma aan:
8 profielen van digitale inclusie – voormiddag, 9u30-12u
Stof tot nadenken voor de ontwikkeling en promotie van digitale dienstverlening.

Ilse Mariën is als onderzoekster aan de slag bij iMinds, een onderzoekscentrum verbonden aan de Vrije Universiteit Brussel en actief op het gebied van digitale media en e-inclusie. Ilse Mariën onderzocht de invloed van het opleidingsniveau, sociaal netwerk, toegang tot computers en internet, computer vaardigheden… op de deelname aan de digitale wereld.
Op basis van haar onder zoek kwam ze tot 8 profielen van digitale inclusie. Deze profielen bieden een rijke bron aan informatie voor het ontwikkelen en bijsturen van e-inclusie initiatieven en het e -inclusie beleid. Ook voor het ontwikkelen en promoten van digitale dienstverlening bieden deze profielen belangrijke inzichten. Deze voormiddag is opgevat als een interactieve workshop. Ilse vertaalt haar opgedane kennis naar aanbevelingen voor lokale projecten en het lokale beleid. Daarnaast kijkt ze uit naar de input vanuit de praktijkervaringen van de aanwezigen.

Digitale peer-to-peer economie
Digitaal voor elkaar

Fenomenen als Uber, AirBNB en Bitcoin zijn niet meer weg te denken uit het nieuws. Via digitale middelen leveren we rechtstreeks diensten aan elkaar, zonder tussenpersoon. Er is enkel een machine met een stuk software die ergens in de wereld zonder commentaar de verbindingen legt die we nodig hebben. We omschrijven dit als digitale peer-to-peer economie. Mensen, organisaties en bedrijven vinden elkaar rechtstreeks in hun dienstverlening en maken dingen voor elkaar mogelijk die vroeger zonder een groot bureaucratisch
apparaat onmogelijk waren. Dat houdt vele beloftes in maar ook grote risico’s.
Enkele interessante sprekers en video’s lichten dit ruimere thema toe. Vervolgens demonstreren we lokale initiatieven rond delen, werken en leren. Daarna volgt een open debat waarin we het thema en de projecten bespreken en analyseren.

Het programma voor de namiddag ziet er als volgt uit:

– P2P: kadering in een economische context – Thomas Rooselaer – Researcher, consultan
– Freecycling: afval als grondstof en bindmiddel – Steven Vanden Broucke & Jaron Fontaine – Claimd
– Gedeelde mobiliteit – Angelo Meuleman – Taxistop
– OWAES: een oase voor talent – Geert Hofman – Howest, OWAES
– mokka.coop : gemeenschapsvorming op het web en in het echte leven – Geert De Vuyst mokka.coop
– Geld in een P2P perspectief – Hans Luyten – Maker
– P2P als prototype van een nieuwe productiewijze en een toekomstige economie – Jean Lievens – P2P Foundation
– Slotdebat: Digitale P2P economie: illusie, toekomst of dreiging?

Programma:
9u–9u30: ontvangst met koffie
9u30–12u.: digitale inclusie, Ilse Mariën
12u–13u30.: netwerkmoment met broodjeslunch
13u30–16u30: digitale peer-to-peer economie

Prijs – Extra Info: volledige dag: € 10 (incl. broodjeslunch) | studenten gratis voormiddag: € 10 (incl. broodjeslunch) | studenten gratis namiddag: € 5 | studenten gratis

Reservatie: Reserveren is verplicht

Reserveren – Extra Info: 1777 (gratis nummer) of via de website

Labo voor een andere wereld: De Broeikas

De Broeikas wil een laboratorium zijn voor een andere wereld. Een wereld waarin het hart klopt op een duurzame manier. In the picture staan sociaal-groene experimenten. Experimenteren is zoeken, leren door vallen en opstaan. De Broeikas zal dus een ruimte zijn waar nieuwe coalities welkom zijn. Jonge kiemen, gewaagde ideeën. Projecten die niet altijd de nodige ademruimte krijgen in onze snelle samenleving. Tegenstrooms willen we dan ook varen. Om zo te komen tot vertraging, verstilling en verdieping. Essentiële stapstenen in de weg naar die andere wereld toe.

Een hele waaier aan activiteiten vonden reeds plaats onder ons dak. Concertjes, creakampjes voor kinderen omtrent grafiek en textiel, kampeerweken voor vrienden en buurtbewoners, kampvuurkringen, voetbalwedstrijden op groot scherm, rondleidingen rond ecologisch verbouwen, opendeurdagen rond samenhuizen,… En binnenkort ook thuisplatform voor het Neervelpse voedselteam dat hier in de lente van start gaat. Vanalles wat, en toch te vatten onder 1 gemeenschappelijke noemer!

Het doel is om met een ploeg van 20 mensen toe te werken naar ’t Broeiweekend. Dat is een campagneweekend dat doorgaat op zaterdag 26 september 2015 en zondag 27 september 2015. Wil je graag een bijdrage leveren dan kan dit simpelweg door een schenking te doen via het rekeningnummer van ‘De Broeikas’ BE88 7450 5594 6841, BIC-code KREDBEBB, met de vermelding ‘steun oprichting’.

Meer informatie vind je hier

Een eerste reactie op Dominique Willaert

In De Wereld Morgen , in Zeronaut en op deze blog (een paar artikels naar beneden scrollen) verscheen een artikel van Dominique Willaert met zeer interessante kritiek op de P2P-economie.

Helaas zijn er enkele misvattingen in geslopen, die ik hierbij wil rechtzetten. Alvorens meer uitgebreid te antwoorden op de tekst van Dominique, wil ik hem om te beginnen toch enkele vragen stellen:

1) kan Dominique één citaat geven waarin Michel Bauwens of ikzelf beweren dat we tegen de welvaartsstaat zijn?

2) En kan hij de bewering dat wij vinden dat een regulerende overheid niet langer noodzakelijk is aantonen met feiten?

Er staan nog andere beweringen in die onze visie niet of verstoord weergeven, maar ik wil me hier beperken tot een eerste reactie.

Basisinkomen

1) In ons boek “De Wereld Redden” wordt bijzonder weinig aandacht geschonken aan het basisinkomen, een punt dat verschillende keren naar voor werd gebracht door critici. Welnu, dat is juist, maar het boek gaat daar niet over, en daarom heb ik er ook geen verdere vragen over gesteld (ter herinnering: het boek is een lang interview dat ik had met Michel Bauwens, verspreid over twaalf Skype-gesprekken). Het boek gaat in essentie over de ontwikkeling van een nieuwe productiewijze (uiteraard binnen het kapitalisme), dat echter (nog) niet op eigen poten kan staan. Om dat te verwezenlijken, hebben we een hele reeks concrete voorstellen en werken we samen met organisaties die in de praktijk aan de weg timmeren, zoals de Open Coöperatieve van Catalonië.

2) Zowel Michel als ikzelf hebben twijfels geuit over de haalbaarheid van het basisinkomen. We pleiten voor een transitie-inkomen voor mensen die bijdragen tot de gemeengoedeconomie, dit als overgangsmaatregel. Nochtans wordt in het hele artikel van Dominique Willaert de P2P economie en het basisinkomen in één zak gestopt.

Religie?

3) We zijn geen “believers” in de P2P economie: ze bestaat en ontwikkelt zich aan een razend tempo. We zijn dus “vaststellers”.

4) Over die ontwikkelingen staan meer dan 20.000 artikels in de wiki van de P2P Foundation. Het bestuderen van al die ontwikkelingen kan je dan ook niet bestempelen als een “geloof”. Bovendien geven we nergens een blauwdruk van de toekomstige P2P-economie. In ons boek “De Wereld Redden” schetst Michel Bauwens vier ontwikkelingen (en daaraan gekoppelde toekomstscenario’s), waarbij wij de kant kiezen van de P2P-initiatieven met een sociaal doel, zowel lokaal als mondiaal. Deze bestuderen we niet alleen, maar propageren we ook. Tegelijk bekritiseren we de winstgerichte initiatieven zoals Uber en Airbnb, met name omdat deze netarchische kapitalistische bedrijven sociale verworvenheden op de helling zetten. We houden dus wel degelijk rekening met de klassennatuur van de samenleving en ontkennen nergens sociale strijd. We proberen zo wetenschappelijk mogelijk te werk te gaan, kortom, het tegenovergestelde van een religie.

Post-kapitalisme

5) De baseline van “De Wereld Redden” is “met P2P naar een postkapitalistische samenleving.” De zin “Het debat rond P2P-economie en het basisinkomen moet gekoppeld worden aan de vraag of we het vanuit een post-kapitalistisch perspectief durven voeren”. Sta me toe dit een bijzonder vreemde opmerking te vinden.

6) Zowel in het boek als in lezingen tonen we ons fervente tegenstanders van de Nederlandse participatiesamenleving of de Big Society. Dus nee, dat is niet hoe we de P2P-economie zien.

7) Onze stelling is dat we evolueren van een kapitalistische economie gebaseerd op Arbeid en Kapitaal en een daarbij horende arbeidsverdeling naar een P2P economie gebaseerd op de commons en een daarbij horende vrije taakverdeling. Binnen het huidige kapitalistische kader heeft deze tendens bijzonder destructieve kanten, zoals de Ubers en Mechanical Turks van deze wereld overduidelijk laten zien. Hoe we een inkomen kunnen verwerven uit deze activiteiten (en de commonseconomie onafhankelijk kunnen maken van het kapitalisme, net zoals de kapitalisten destijds hun economie wilden bevrijden van het feodale juk), is inderdaad een cruciale kwestie. We hebben daar voorstellen over, zoals de oprichting van open, solidaire coöperatieven en de vorming van een coalitie van ethische bedrijven rond de commons (coöperatieven, fairtradeorganisaties, ngo’s, non-profits, sociale ondernemers)… Voor meer uitleg verwijs ik naar een recent interview met Michel Bauwens in de OBS (weliswaar in het Frans)

Voor de rest stelt Dominique heel wat pertinente en interessante vragen, ook vragen waarop het onmogelijk is om vandaag al een antwoord te geven, tenzij hij een blauwdruk verwacht van een toekomstige P2P-maatschappij op wereldvlak. Welnu, die hebben we niet, hoewel we toch al een idee kunnen hebben op basis van bestaande praktijken op microschaal over hoe zo’n wereld er zou kunnen uitzien. Dat is meer dan Karl Marx destijds kon doen (niet dat we ons aan hem willen meten, maar alleen om te zeggen dat je van ons niet meer mag verwachten dan van Marx destijds). Marx heeft heel veel over het kapitalisme en de arbeidersklasse geschreven, maar nauwelijks iets over hoe de toekomstige socialistische maatschappij er zou (moeten) uitzien (behalve in vage algemeenheden en enkele utopische frasen over het communisme als ‘laatste stadium’ in de menselijke ontwikkeling)…

De sociaal-democratische massapartijen die de basis hebben gelegd voor de welvaartsstaat zijn pas na zijn dood van de grond gekomen overigens, maar dat is een ander verhaal…

De Peer-to-peer economie leidt niet noodzakelijk tot meer inclusie op de arbeidsmarkt maar werkt de atomisering en deregulering ervan in de hand waardoor sociale bescherming bemoeilijkt wordt.

De P2P werkgroep binnen De Toekomstfabriek organiseerde samen met Victoria Deluxe in Gent een denkdag op donderdag 12 maart onder leiding van Michel Bauwens en Francine Mestrum.

De bedoeling van deze denkdag was om rond een vijftal stellingen te werken, gecentreerd rond de P2P-economie en aanverwante thema’s (bv. het onvoorwaardelijk basisinkomen).

We publiceren hier de stelling van Herman Peeters

STELLING: De Peer-to-peer economie leidt niet noodzakelijk tot meer inclusie op de arbeidsmarkt maar werkt de atomisering en deregulering ervan in de hand waardoor sociale bescherming bemoeilijkt wordt.

Afbakening:
Ik ga hier vooral in op het spanningsveld van de for-profit-/for-benefit as in het assenstelsel in het boek “De Wereld Redden”.
De stelling werk ik uit aan de hand van de arbeidsmarktpositie van de kenniswerker en de tegenstelling tussen de taxichauffeur en de Uberchauffeur.

1. Hoe bedient een werknemer zich van de arbeids- en inkomensverhogende mogelijkheden die het P2P-gemeengoed op de markt biedt?
Niet iedereen bedient zich even goed van de meerwaarden die uit een P2P-applicatie. (vb Uber) Zij die goed in de arbeidsmarkt ingebed zitten bedienen zich er beter van dan zij die in een precairder positie verkeren. De Uber-chauffeur blijkt een kenniswerker die goed geïntegreerd is op de arbeidsmarkt. Op basis van dit gegeven leidt de P2P-praktijk in de open accessomgeving tot uitsluiting i.p.v. insluiting.

2. Het mimetische karakter van de P2P-productie
P2P-werkers zitten in een geatomiseerde arbeidsmarkt vol gelijken in een zeer rivaliserende dynamiek. In het mimetische spanningsveld tracht de mens zich daarom van zijn gelijke te onderscheiden door zich te beroepen op vlijt en eigen verdienste.
Dit kan op verschillende manieren in een P2P-omgeving: Eén: investering in zijn menselijk kapitaal en het verhogen van zijn credits. Twee: Trachten zelf een netarchisch kapitalist te worden door een platform voor kennis-en informatieuitwisseling te stichten. Hiervoor kan hij putten uit de onuitputtelijke bron van gedeelde kennis die voor alle anderen even toegankelijk is.

3. Kenmerken van de arbeidsmarktpositie van de peer-to-peerwerker en de gevolgen voor zijn bescherming
De positie van P2P-werker is geïndividualiseerd in een gedereguleerde arbeidsmarkt met minimale bescherming. In een P2P-arbeidsomgeving wordt arbeid bekeken als ‘menselijk kapitaal’.
In de open-access omgeving is de houding (van een kenniswerker) t.a.v. het omgaan met (inkomens)bescherming een stuk ambigu: De kenniswerkers staan als individuen op de markt (die weinig of verkeerd gereguleerd is). Ze zijn afhankelijk van de open beschikbaarheid van kennis als hulpbron waaraan zij vrij bijdragen en naar goeddunken kunnen uit putten en die zij bijgevolg open willen houden. Daarnaast worden zijn constant verleid in te grijpen in de gedeelde hulpbron door hun kennisproduct te beschermen (d.i. schaars maken b.v. via auteursrecht), om een stabiel inkomen te kunnen bekomen.

4. Hoe komen we hier uit? (voer voor de discussie)
Verschillende pistes:
1. Activisme voor regulering.
2. Zelforganisatie van P2P-werkers. (moet de hand naar de ‘oude’ werknemersbeweging gereikt worden?)
3. Organiseren van het alternatief P2P-landschap, t.t.z. Het zelf in handen proberen nemen van de internetplatforms of het beschermen van het gemeengoed via licenties.
4. Onafhankelijk worden van een inkomen uit de hulpbron (via basisinkomen)
De strijd is politiek.

Dominique Willaert: De zwakke elementen van de P2P-economie

De P2P werkgroep binnen De Toekomstfabriek organiseerde samen met Victoria Deluxe in Gent een denkdag op donderdag 12 maart onder leiding van Michel Bauwens en Francine Mestrum.

De bedoeling van deze denkdag was om rond een vijftal stellingen te werken, gecentreerd rond de P2P-economie en aanverwante thema’s (bv. het onvoorwaardelijk basisinkomen).

We publiceren hier de stelling van Dominique Willaert

Met veel interesse probeer ik de ontwikkelingen van de P2P economie te volgen.
Telkens ik teksten en interviews lees (en het boek ‘De wereld redden’) valt mij het enorm uitdagende karakter op van de P2P – maar ik kan me niet van de indruk ont-doen dat een aantal cruciale thema’s telkens een stuk uit de weg worden gegaan. Mij intrigeert vooral de vraag waarom dit zo is. In discussies die op de sociale media worden gevoerd over één van die thema’s – met name het basisinkomen – valt op dat wie in het basisinkomen gelooft dit niet zelden op een heel onvoorwaardelijke ma-nier doet. Wie vragen of opmerkingen m.b.t. het basisinkomen durft te formuleren wordt niet zelden weggezet als reactionair of tegendraads. Het onvoorwaardelijke geloof in het basisinkomen neemt naar mijn aanvoelen soms een soort religieuze vorm aan. Of: het neemt de vorm aan van een utopie aan en wie erin gelooft reageert geprikkeld op elke vorm van kritiek of bevraging. Omgekeerd is het echter ook zo dat wie sceptisch staat t.a.v. het basisinkomen dit soms weinig of niet on-derbouwt met argumenten. De denkdag die we op 12 maart organiseren is bedoeld om de wij/zij opstelling inzake P2P economie en basisinkomen op te heffen en te vervangen door een verdiepende dialoog.

In de stelling die ik wil ontwikkelen, wil ik graag enkele stappen uitwerken.

1. In de bespreking van de ontwikkeling van de P2P economie is één van de zwakke elementen dat er te weinig wordt gesproken over welk inkomen mensen uit deze nieuwe arbeid zullen/kunnen halen. Zelf denk ik dat de P2P economie zich in sneltreinvaart zal ontwikkelen en niet alleen binnen het terrein van kenniswerk(ers). Ook binnen andere werkdomeinen zal de P2P economie zich ontvouwen. Via nieuwe technologische toepassingen zal de P2P economie ook ingang vinden in de zorg-, onderwijs-, vormingssector. Meer en meer goederen EN diensten zullen binnen een P2P logica worden ontwikkeld. Dit maakt dat de arbeid en arbeidsorganisatie zich fundamenteel zal wijzigen. Dit zal ongetwijfeld een ingrijpende impact hebben op hoe de arbeidsvoorwaarden worden onderhandeld, verdedigd, bewaakt en over wie er beslist welke waarde er wordt ontwikkeld en naar wie de meerwaarde zal opeisen die binnen een P2P economie zal worden geproduceerd.

Waar een groot deel van de P2P economie zich misschien nu nog in de vrije tijd van mensen afspeelt, zal dit snel doorschuiven naar de reguliere arbeid. Mensen zullen benieuwd zijn en vragen naar welk soort inkomen ze uit hun (nieuwe) arbeid zullen halen. De kans bestaat dat in het begin veel mensen bereid zullen zijn om ‘onder’ een bepaalde prijs te zullen werken, omdat ze op die manier met hun nieuwe netwerken een plek zullen kunnen veroveren binnen ‘de markt’. Ik gebruik bewust het woord ‘markt’ omdat ik er hoegenaamd niet van overtuigd ben dat de P2P economie automatisch zal resulteren in een postkapitalistische samenleving. Dit zal enkel het geval zijn wanneer er een diepgaand debat + strijd wordt gevoerd rond hoe we de arbeid zullen waarderen (en koppelen aan een onderhandeld en gegarandeerd inkomen) + wanneer de meerwaarde in de toekomst niet langer in handen van een kleine elite zal terecht komen of blijven.

Mij lijkt het logisch dat mensen die arbeid verrichten binnen een P2P netwerk een inkomen kunnen halen uit die arbeid. Een inkomen dat onderhandeld kan worden en dat door middel van een reeks bindende afspraken kan gegarandeerd worden. De technologische evoluties doen vermoeden dat arbeidsduurvermindering eigenlijk al lang een politiek en economisch feit zou moeten zijn. Een volle werkweek zal uit 25 of 30 uur/week kunnen bestaan en voor de geleverde arbeid moet een volwaardig inkomen kunnen gegarandeerd worden. Voorstanders van een basisinkomen verge-ten soms dat geld (en een inkomen) nooit uit het niets ontstaat. Een inkomen is meestal het resultaat van waarde die gecreëerd wordt en een reeks politieke en economische besluiten die tot herverdelingsmechanismen leiden. Een deel van de waarde wordt omgezet in loon, een ander deel wordt omgezet in ‘kapitaal’. Kapitaal die de voorbije decennia steeds vaker in een soort speculatieve en virtuele economie terecht kwam en niet langer in de reële economie. O.a. Picketty leert ons dat het inkomen dat uit arbeid werd gehaald de voorbije decennia significant gedaald is t.o.v. het inkomen die een kleine elite uit kapitaal heeft kunnen halen.

Wanneer je mensen (en het liefst op mondiale schaal) een basisinkomen wil garan-deren moet je durven benoemen dat dit een strijd impliceert om een groot deel van ‘het ontsnapte’ kapitaal terug te halen, terug in handen te krijgen en dit geld (deze waarde) inzet te maken van een debat over hoe je deze middelen zal besteden/herverdelen. Je kan inkomen garanderen voor wie arbeid presteert en je kan ook in de toekomst vervangingsinkomens garanderen voor wie tijdelijk geen arbeid presteert. Bepaalde vormen van arbeid kun je ook fundamenteel hoger en beter ver-lonen dan wat nu het geval is. Handenarbeid, het uitvoeren van lastig en vuil werk kun je opwaarderen door hier een hoger inkomen aan te verbinden. Ouders die kie-zen om voor hun kinderen zorgen kun je een hoog inkomen garanderen omdat we dit als maatschappelijke arbeid beschouwen en willen waarderen.

En als uitsmijter: om mensen wereldwijd van een (basis) minimuminkomen te voor-zien kan er misschien een mondiale beweging ontstaan die eist dat extreme rijkdom (enkelingen die over gigantisch veel privaat eigendom/middelen beschikken) deze middelen terug naar de gemeenschap moeten laten vloeien. Noem het een geweld-loze en democratisch verworven actiemiddelen om extreme ongelijkheid onwettelijk te maken. Kan zo’n mondiale beweging eisen dat kapitaal niet wordt opgepot maar telkens terug wordt geïnvesteerd in verantwoorde economische activiteiten?

Vraag: op welke manier willen we binnen een P2P economie de maatschappelijke, ecologische, economische arbeid waarderen. Doen wit met een onderhandeld inko-men, kiezen we voor een basisinkomen? Naar wie gaat de (meer)waarde die binnen een P2P economie wordt gecreëerd?

2. Een tweede cruciaal thema die moet worden uitgediept is de vraag wie er binnen de P2P economie verantwoordelijk wordt voor de noodzakelijke reguleringen. Het is immers een illusie om te denken dat de diverse P2P netwerken op basis van zelf-organisatie en horizontale besluitvormingsprocessen vat kunnen krijgen op prijssetting, inkomensgarantie, respecteren van arbeidsafspraken,…
Het kapitalisme doet het net heel goed omdat het aansluit op wat door sociaal psy-chologen en sociologen wordt omschreven in de distinctietheorie (Weber – Bourdieu). Mensen willen zich onophoudelijk van elkaar onderscheiden. De P2P econo-mie zal leiden tot een nieuwe habitus voor veel mensen (= een plek waar mensen zich thuis voelen en waar ze veel gemeenschappelijk hebben met elkaar), maar pa-rallel zullen mensen zoeken hoe ze zich zullen kunnen onderscheiden van elkaar. Eén van de wijzen waarop dit zich willen van elkaar onderscheiden, zal manifeste-ren zal ook in de toekomst gesitueerd zijn binnen de arbeidswereld. In de wijze waarop we creëren, produceren zullen we ons willen onderscheiden van elkaar en in de verwachtingen die we ontwikkelen op vlak van de (zelf)waardering en verloning van onze arbeid. Vreemd genoeg wordt er binnen de P2P-beweging zelden tot nooit stil gestaan bij de factor ‘macht’. De machtsmechanismen die vandaag hegemonisch zijn gestructureerd zullen niet zo maar verdwijnen. Er zal slimme en duurzame en volhardende strijd nodig zijn om de macht te her veroveren. Eén van de meest uit-dagende perspectieven is dat binnen de P2P economie het onderscheid tussen werkgever en werknemer zich misschien wel fundamenteel kan wijzigen. Peer2Peer netwerken kunnen erin slagen om arbeidsprocessen en de wijze waarop de productie wordt georganiseerd terug te veroveren op anonieme, onzichtbare aandeelhouders. Zelf geloof ik dat er binnen een P2P economisch model de kans ontstaat dat de arbeiders veel sterker de productieprocessen bepalen en terug in handen krijgen. Er kan dus een veel sterkere economische democratie ontstaan. Het onderscheid tussen arbeiders en bedienden zal/kan vervagen en wie arbeid ver-richt kan zichzelf deels als werknemer maar ook deels als werkgever gaan be-schouwen. Het syndicalisme zal dus zich op compleet andere en nieuwe manieren moeten ontwikkelen en niet langer gebaseerd op de oorspronkelijke arbeidsdeling en de ontwikkeling van de naoorlogse welvaartsstaat. Vakbonden zetten zich nu heel sterk in op wie er nog werkt (en op het behoud van koopkracht), terwijl de mensen die geen werk (meer) vinden, of de mensen die zich willen onttrekken aan de kapitalistische economie eigenlijk weinig syndicale aandacht en zorg ervaren.

De vraag blijft wel: een P2P economie zal zich niet binnen een machtsvrije econo-mische en maatschappelijke ruimte ontwikkelen. Een auto die via een 3D-printer in Europa wordt geproduceerd zal niet noodzakelijk dezelfde prijs kosten als diezelfde auto (dus op dezelfde manier geproduceerd) in Brazilië wordt geproduceerd. Zullen arbeidsvoorwaarden, inkomens, prijzen, kwaliteitsgaranties op het niveau van de natiestaten worden geregeld of kun je hopen op mondiale reguleringsmechanis-men? Kunnen de huidige instellingen (WHO, IMF, …) binnen een P2P economie vervangen worden door nieuwe instellingen die op fundamenteel nieuwe manieren tot reguleringsafspraken komen (en dit omzetten in wetten die onderwerp van juri-dische bescherming kunnen worden?).

Vraag: op welke niveaus en schalen willen we dat er politieke en economische + ecologische reguleringsmechanismen worden ontwikkeld. Wat we als overheid of staat beschouwen hoeven we niet als iets vijandigs of beperkends te beschouwen maar als een veruitwendiging van democratische controle. Uiteraard hoeft dit geen kopie van onze parlementaire democratie te zijn. Er kunnen arbeids- en controleor-ganen worden ontwikkeld die een sterk bottom up karakter vertonen. Maar hoe sterk vinden we deze controle, regulering en bescherming noodzakelijk? Of denken we werkelijk dat de P2P economie en masse bevrijdde individuen en burgers zal voortbrengen die in staat zijn tot zelfregulering?

3. In de bespreking van de P2P economie en het basisinkomen wordt er tot nu niet doorgedacht over welke vorm van sociale bescherming en sociale zekerheid we bin-nen dit soort economie willen ontwikkelen. De sociale zekerheid zoals die in het Westen werd ontwikkeld, is een stelsel van solidariteit dat grotendeels voor een groot stuk door de werknemers wordt ontwikkeld. Een flink deel van het loon vloeit naar de overheid die deze middelen herverdeelt binnen het stelsel van de sociale zekerheid. Het zijn mensen die arbeid verrichten die voor een groot deel verantwoordelijk zijn voor dit soort solidariteit. Kapitaalsbezitters dragen hier ook toe bij, maar in veel mindere mate en de voorbije jaren is het aandeel dat uit arbeid komt significant groter geworden dan het deel dat uit kapitaal komt + laat ons niet verge-ten dat kapitaal heel dikwijls niets anders is dan rijkdom die door arbeid wordt voortgebracht en via accumulatie en het zich toe-eigenen van de meerwaarde als ‘kapitaal’ wordt beschouwd.

Een vreemde paradox is dat op vandaag van alle volwassenen wordt verwacht dat ze ‘werken’ en werkgevers vragen voortdurend om de loonkosten te dalen. Vreemd genoeg wordt het begrip loonkost door werkgevers bijna systematisch vervangen door loonlast. Het loon die werknemers voor hun arbeid ontvangen kunnen we toch nooit als last beschouwen. Terwijl een flink deel van het loon eigenlijk wordt ingezet om de sociale zekerheid te financieren en dus te waarborgen. Lonen die hoog genoeg liggen zijn dus een goede zaak wanneer we een kwaliteitsvolle sociale be-scherming willen organiseren.

Hoe zullen we binnen een Peer2Peer economie inzetten op de ontwikkeling van so-ciale bescherming? Verwachten we dat een deel van de sociale bescherming onder-ling tussen mensen (in lokale gemeenschappen) wordt georganiseerd? En leunt dit aan bij de participatiesamenleving die in Nederland al model vindt en ook stilaan opgang maakt in Vlaanderen? Of kiezen we voor een nog steeds door een overheid georganiseerd stelsel dat wordt gefinancierd door werknemers en diegenen die zich een groot deel van de meerwaarde toe-eigenen? Zal er sprake zijn van een nieuwe sociale kwestie? In het naoorlogse model werd van de werkgevers verwacht dat ze voor een quasi volledige tewerkstelling zouden zorgen. Van de overheid werd ver-wacht dat ze voor een opvangnet zouden zorgen in tijden van uitzonderingssituatie.
Vreemd genoeg staat vandaag ‘niet werken’ zo goed als synoniem van beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt’ ook al zijn er te weinig beschikbare jobs.

Qua arbeidsvolume en beschikbare jobs ziet het er naar uit dat het arbeidsvolume in de toekomst alleen maar kan en zal dalen. Daalt dan ook de (meer)waarde uit de verrichte arbeid? Uit welke andere bronnen kunnen we ‘rijkdom’ halen die tot her-verdeling kan leiden? Tot nu wordt de massawerkloosheid echter sterk misbruikt door middel van het drukken van de lonen. En het pleidooi om vervangingsinkom-sten te verlagen om op die manier mensen aan het werk te krijgen, is eigenlijk niet meer of minder dan een vorm van ontmanteling van de sociale zekerheid zoals deze tussen 1960 en 1990 werd ontwikkeld.

Vraag: Kan er binnen een P2P economie een fundamentele arbeidsherverdeling worden ontwikkeld zonder dat dit tot de ontmanteling van de sociale zekerheid leidt? Kunnen er loopbanen worden ontwikkeld die verbonden worden met een uni-verseel tijdskredietstelsel waarbij vormen van maatschappelijke en ecologische zorg mee onderdeel van dergelijke loopbaan worden? Beschouwen we het ontwikkelen van sociale bescherming als een volwaardig onderdeel van onze ‘economie’ waardoor we de uitgaven die we binnen het stelsel van sociale bescherming doen als in-vesteringen beschouwen? En: kan een P2P economie inzetten op het ontwikkelen van sociale bescherming op een zo universeel mogelijke schaal, tussen vanuit een mondiaal perspectief, zodat het imperialisme en oorlogen als onderdeel van het ka-pitalisme kunnen vervangen worden door vredesdividenden?