Vorige week geplaatst op RTL-Z, een interview met C.K. Prahalad, auteur van o.a. The Future of Competition. Deze keer spreekt hij over zijn nieuwe boek, over succesvolle business modellen toegepast in ontwikkelingslanden, en over co-creatie.
Een boek review hebben we nog niet gezien op deze blog. De meeste boeken zijn dan ook in het Engels. Gelukkig zijn er ook echte Nederlandse (niet vertaalde) boeken, zoals Generatie Einstein. Het boek is inmiddels een jaar oud, maar relevatie van de tekst is er niet minder op geworden.
Generatie Einstein is de term die in het boek gebruikt wordt op de huidige jonge generatie een naam te geven. Volgens de schrijvers van het boek is deze generatie die is opgegroeid met het Internet ontzettend mediasmart. Zij zijn slimmer, sneller en socialer, en worden niet begrepen door oudere generaties die niet met het Internet zijn opgegroeid. Zo zwart-wit wordt het in het boek neergezet. Misschien komt het door de doelgroep van het boek, namelijk iedereen die jongeren wil bereiken. Als lezer wordt je vooraf ook gewaarschuwd dat er veel gechargeerd en gegeneraliseerd wordt, dit wordt dus ook bewust gedaan.
In het kader van peer-to-peer een interessant boek om te lezen. Jongeren denken namelijk meer in de peer-to-peer gedachte, bijvoorbeeld dat zij leven, leren en werken in netwerken terwijl oudere generaties dit meer op zichzelf doen. Het Internet als gedistribueerd netwerk laat jongeren ook zo denken. Volgens de schrijvers vinden jongeren eerlijkheid op openheid veel belangrijker dan de oudere generaties. Dit is wel interessant omdat het a posteriori beoordelen zoals bij peer-governance beter werkt wanneer er eerlijk en objectief mee omgegaan wordt. Ik denk dat Wikipedia hier wel een goed voorbeeld is, als de inhoud van een artikel klopt, dan zal het blijven staan.
Het boek beschrijft deze generatie als positief, sociaal, trouw, zakelijk, serieus, hebben een goede toekomst, respecteren ‘echte’ personen waar je identiteit belangrijk is en hebben traditionele idealen. Hierin verschillen deze jongeren van de babyboomers en de generatie X. Het boek beschrijft de belevingswereld van jongeren, de invloed van de multiculturele samenleving, en hoe ze met alle verschillende soorten media omgaan.
De generatie Einstein wordt soms echt als een supergeneratie gezien. Ze snappen alles, zijn allemaal slim, niet voor de gek te houden. Hiermee wordt vooral op het bereiken van de jongeren gedoeld, hoe ze via de media benaderd moeten worden. Als je imago bij de jongeren negatief is, dan kun je het wel schudden. Ze buzzen alles door aan hun peers. Het boek eindigt met een model hoe het wel moet, wat ik wel weer erg simplistisch neergezet vind.
Een van de eerste zaken die we leren in onze klassen economie is dat het gaat om schaarse goederen die op een optimale wijze geproduceerd en gedistribueeerd moeten worden. Volgens economisten wordt die optimale wijze bepaald of door het marktmechanisme, met de prijs als indicatie van de wenselijkheid van het goed, hierbij geholpen door de onderneming als mechanisme om de coordinatie en transactie-kosten te drukken.
Maar wat als schaarste vervangen wordt door een overvloed, wat als er hierdoor geen spanning meer is tussen vraag en aanbod. Hebben we dan nog een markt nodig, en de bijbehorende ondernemingsstructuur. Zowel de theorie als de praktijk suggereren dat het antwoord hierop inderdaad negatief is. De technologische ontwikkeling, en het materiele sukses van de kapitalistische economie, heeft de mogelijkheid gecreerd om immateriele goederen te produceren die gereproduceerd kunnen worden met een minimum aan transactie en coordinatiekosten, wat een kortsluiting veroorzaakt van het marktmechanisme en een nieuwe manier van produceren, beheren, en distribueren in het leven roept. Dat mechanisme is Open Source, en het razendsnelle sukses van die nieuwe methode is het thema van het boek van Steven Weber. Deze professor Politieke Wetenschappen heeft hierover een zeer belangrijk, vlot leesbaar, maar analytisch zeer rijk boek geschreven. Het is dus geen technisch boek voor programmeurs, maar een boek over de belangrijkste post-socialistische rivaal van het kapitalisme, een rivaal die nochtans heel belangrijk is voor het overleven van het economisch systeem, en waar spitsonderneming al gretig zelf gebruik van nemen.
Webber’s boek is niet het eerste over dit thema, maar wel een aanrader. Het belangrijkste boek over ‘commons-oriented peer production’, de naam voor open source wanneer het zich verspreid buiten het gebied van software, is dat van Yochai Benkler, ‘The Wealth of Networks’, die op zeer specifieke wijze analyseert, gebaseerd op de transactiekosten theorie van Ronarld Coase, wanneer de nieuwe productiemethode efficienter is dan productie door een prive onderneming. Het is heel intens geschreven, leest niet altijd zo vlot, maar is na Adam Smith’s Wealth of Nations, een onmisbaar boek. Pekka Himanen’s Hacker Ethic beschrijft de verandering in werkcultuur, die de door Max Weber beschreven protestant-kapitalistische werkethiek onderuit haalt. Hij probeert op de vraag te beantwoorden: wat is de logica van de nieuwe ‘passionele productie’ die binnen open source gemeenschappen worden toegepast? Mackenzie WarkHacker’s Manifesto doet een poging om de nieuwe klassestructuur uit te werken, en probeert aan te tonen dat zowel de eigenaars van communicatievectoren (Murdoch et al.) als de ‘cognitieve kapitalisten’ die leven van de rente van het intellectuele eigendom (Gates et al.), ondermijnd worden door open source. Meer praktisch georienteerde, en zeer vlot leesbare verhalen over de groei van de participatieve economie, en hoe bedrijven zich hier reeds aan aanpassen, vindt men bij Don Tapscott’s Wikinomics, en Charles Leadbeater’s We Think: the power of mass creativity.