Tagarchief: Rogier De Langhe

De deeleconomie moet open zijn, transparant en in handen van de werkers

door Jean Lievens
P2P Foundation Belgium

Verschenen in De Morgen van 14 mei 2016

Filosoof Rogier De Langhe hield in De Morgen van 11/5/2016 een vurig pleidooi voor de deeleconomie waarin hij een antwoord ziet op de huidige golf van burn-outs, depressies, vervroegde pensioneringen en zelfmoorden (DM 11/5). “Je werkt binnen structuren die jou als doel hebben, in plaats dat jij je te pletter moet lopen voor de structuren.” O ja?

Autonomie is voor veel deelnemers in de deeleconomie inderdaad een plus. Je “kiest” zelf min of meer wanneer je wilt werken en je kunt op verschillende terreinen naar keuze actief zijn. Bovendien is er een macro-economisch argument. De staat van de planeet laat niet langer toe dat we doorgaan zoals we bezig zijn. We verbruiken momenteel anderhalve planeet per jaar en als we niet radicaal overstappen naar een nieuw economisch paradigma, lijkt het doemscenario van het einde van onze soort reëel.

Op macro-economische schaal is het mutualiseren van grondstoffen en diensten de enige manier waarop we onze planeet kunnen behoeden voor roofbouw op grondstoffen die worden opgeofferd op het altaar van de groeilogica. En dit is precies waaraan de deeleconomie kan verhelpen. Alleen werkt het nu heersende model kwetsbaarheid en groeiende ongelijkheid in de hand.

Facebook, Google, Uber, Airbnb, Mechanical Turk: het zijn voorbeelden van kapitalistische bedrijven met een nieuw verdienmodel dat waarde onttrekt uit menselijke samenwerking. Ze hebben zich in ijltempo opgewerkt tot wereldspelers met zo goed als monopolieposities. Uber vergaarde in amper zeven jaar een marktwaarde van 60 miljard dollar (53 miljard euro). De vraag is of deze prille modellen gezien hun parasitair verdienmodel ooit volwassen zullen worden. Bart Eeckhout heeft dus overschot van gelijk: “Van bescheiden alternatief voor de vrije markt, heeft de deeleconomie zich ontwikkeld tot disruptieve steunbeer van deregulering.” (DM 12/5)

Deze ‘netarchische kapitalisten’ (die heersen over het netwerk), heiligen in woorden de vrije markt, maar bezondigen zich in de feiten aan oneerlijke concurrentie. Ze investeren zelf niet in infrastructuur, maar gebruiken de bestaande. Ze werken met freelancers waardoor ze sociale regressie in de hand werken.

Wat hier voor ‘deeleconomie’ doorgaat, wordt in de VS correcter omschreven als ‘gig-economie’. Een ‘gig’ is een optreden, maar betekent hier een korte klus. In de Amerikaanse verzoeknummer-economie – die niets met delen maar alles met huren en verkopen te maken heeft – bedraagt het gemiddelde uurloon amper 2,5 dollar (2,2 euro). Die ‘deeleconomie’ mag dan misschien een remedie zijn tegen de ratrace, maar of een race to the bottom zo veel beter is, durven wij sterk te betwijfelen.

Je kunt er, kortom, niet om heen dat De Langhe de huidige ‘deeleconomie’ te rooskleurig voorstelt. Want wat is je autonomie waard als je compleet afhankelijk bent van een platform dat een steeds groter deel van je omzet afleidt naar geldschieters die zelf niet investeren in een wagenpark, hotels of een uitzendbureau? Bovendien hebben werkers in deze gig-economie niet het recht om met elkaar in contact te treden waardoor hun inkomen permanent onder druk staat. Vraag en aanbod komen niet met elkaar in contact, maar vinden elkaar via ondoorzichtige algoritmes. In tegenstelling tot wat De Langhe suggereert, zijn dergelijke platformen niet ontworpen in het belang van de aanbieders, maar in dat van de eigenaars.

Wat stellen wij dan voor? Om te beginnen is regulering een must zodat de concurrentie met traditionele spelers eerlijk verloopt. Ten tweede moeten de sociale statuten worden gelijkgeschakeld. De vakbonden laten hier een kans liggen omdat ze zich vrijwel uitsluitend richten op het salariaat. Gelukkig zijn er initiatieven zoals Smart die zich met groeiend succes opwerpen als belangenverdediger van freelancers. Ten derde komt het erop aan alternatieven te ontwikkelen in de vorm van platformcoöperatieven, waarbij stedencoalities technische ontwikkelingen kunnen ondersteunen. Tegenover de extractieve kapitalistische modellen wordt meer en meer geëxperimenteerd met nieuwe coöperatieve modellen die zelf platformen en apps ontwikkelen, waardoor het eigendom- en beheermodel in lijn wordt gebracht met de peer-to-peer waardecreatie.

Het ontwikkelen van een app à la Uber is minder onoverkomelijk dan kapitaal bijeenschrapen om een staalfabriek te bouwen. Union Taxi Cooperative in Denver is maar één voorbeeld van een plaatselijk alternatief voor Uber. Steden als Seoel hebben Uber verboden en zelf een even gebruiksvriendelijke app ontwikkeld. Lokale overheden kunnen dus een belangrijke rol spelen bij het ontwikkelen van nieuwe bedrijfsmodellen die voordeliger zijn voor de werknemers. Nog een voorbeeld: in New York City bestaat een coalitie van 24 coöperatieven die eigendom zijn van hoofdzakelijk vrouwelijke werkers. De leden hebben hun uurloon van 10 tot 25 dollar zien stijgen.

Het alternatief dat wij verdedigen moet open (source) zijn, transparant en in handen van de werkers. Plus: het moet gemeengoed voortbrengen – zoals het bedrijvennetwerk Enspiral, ontstaan in Nieuw-Zeeland, dat de open samenwerkingstool Loomio en de gemeenschappelijke investeringsapp CoBudget hebben ontwikkeld – draaien op een multi-stakeholderbestuur en transnationaal georganiseerd zijn. Enkel op die manier kan de deeleconomie uitgroeien tot mondiale, democratische alternatieven voor de huidige multinationals.

Peer-to-peer economie: van negatieve naar positieve vrijheid

Overgenomen uit De Wereld Morgen (origineel verscheen op 30 januari 2015, geschreven door Rogier De Langhe)

‘Mensen zijn het kotsbeu enkel consument te zijn’, de open brief van Oikos-coördinator Dirk Holemans, heeft diverse reacties opgeroepen. Hier volgen de indrukken van Roger De Lange van het Gentse TimeLab.

Ergens in de vroege jaren 1770, terwijl de Industriële Revolutie zich al piepend en krakend op gang trok, bracht Adam Smith een bezoek aan een nagelfabriek. Hij zag er hoe diezelfde arbeiders die elk apart een handvol spelden per dag maakten, er dankzij gestandaardiseerde arbeidsverdeling een veelvoud produceerden. Standaardisering is groei. Dit inzicht werd de kern van ons economisch denken. Door alles en iedereen op dezelfde leest te schoeien, kun je met 20% van de middelen 80% van het werk doen. De keerzijde is dat die groei ten koste gaat van diversiteit, want voor die laatste 20% moet je 80% van het werk doen. Die laatste 20% is dus vaak de moeite niet, want je moet vier keer zoveel middelen inzetten voor vier keer minder resultaat. Die dingen gaan verloren. Van kromme komkommers tot mensen met een afwijkende mentale gesteldheid. Met de komst van de standaardisering ontstond ook de notie “afval”.

De industriële maatschappij

De standaardiseringslogica is zeer productief maar verspillend, en ook zelfversterkend. Hoe meer aanhangers, hoe dwingender de druk om zelf ook aan de standaard te voldoen, op het gevaar af zélf als afval te worden bestempeld. Niet lang na Smiths inzicht werd al een uitgebreid controlesysteem opgezet om de kromme komkommers eruit te halen of recht te trekken, het onderwijs. In 1819 was Pruisen het eerste land om de schoolplicht in te voeren. Wie door de mazen van dat net viel, die 20% waar de gestandaardiseerde maatschappij geen raad mee weet, was plots “afval”. Naargelang dat “afval” zich ophoopte in de decennia daarop (in 1847 introduceerde Karl Marx de notie van het “proletariaat”) ontstond tegen het midden van de negentiende eeuw de nood aan een vergaarbak ervoor, de sociale zekerheid. De steeds omvattender angst voor en vervreemding door de standaard leidde in de tweede helft van de negentiende eeuw tot de geboorte van de psychologie. De standaardisering gaf betekenis aan het concept “normaliteit” en legitimeerde de sanctionering van het abnormale. En voor wie de wortel niet werkte was er de stok. Michel Foucault documenteerde uitgebreid het ontstaan van de psychiatrie en de gevangenis als disciplineringsmechanismen.

Gedurende de twintigste eeuw is het Industriële groeimodel gebaseerd op standaardisering de hele wereld gaan omvatten en daar ook de grenzen van gaan bereiken. Krampachtige pogingen om de groei toch te behouden leiden tot het toepassen van de logica van de standaardisering in domeinen waarvoor ze zelfs nooit was bedoeld, zoals ziekenhuizen en universiteiten. Nu het groeimodel van de standaardisering steeds grotere opofferingen vraagt en steeds minder opbrengt, zien steeds meer mensen in dat het zo niet verder kan. Dat je niet ongestraft het gras kunt hebben zonder de humus, dat het weggooien van komkommers en mensen geen “optimalisering” is maar “verspilling” en dat het “afval” van onze maatschappij net haar rijkdom is.

Van negatieve naar positieve vrijheid

Van natiestaten en Napoleontisch recht tot de supermarkt: onze institutionele werkelijkheid is niets minder dan de belichaming van de industriële logica van de standaardisering. Pleidooien om de ketting te sluiten, voor een afvalloze economie en tegen de standaardiseringsdwang, zijn daarom minder onschuldig dan ze lijken. Wie het echt meent, moet bereid zijn de institutionele werkelijkheid van wetten en structuren in zijn geheel in vraag te stellen. En zelfs wie daarin slaagt moet er een geloofwaardig alternatief voor bedenken. Wat te doen?

Zoals steeds wanneer een probleem actie vereist zijn er twee fundamentele opties: vechten of vluchten. Wanneer de stress in de omgeving te hoog wordt, kan je ofwel proberen om die omgeving te veranderen ofwel op zoek gaan naar een nieuwe omgeving. Tegen de standaardiseringsstroom ingaan is niet zonder gevaar. Wie de standaardisering eenzijdig doorbreekt loopt het gevaar zelf “afval” te worden. Tien jaar geleden al signaleerde de filosoof Alain de Botton dat de “statusangst” in onze samenleving nooit zo groot was. En zelfs al slagen we erin het groeimodel van de standaardisering te stoppen, moet er nog een alternatief worden gevonden voor onze over de eeuwen uitgebouwde structuren. Vandaar kiest men vandaag vooral voor de vlucht. Weg uit het systeem, weg van de arbeidsmarkt. Met tijdskrediet en brugpensioen als de voornaamste ontsnappingsroutes. Onze productiviteit is het probleem en het verminderen ervan is de oplossing voor onze doorholeconomie. Op naar de vrijheid!

Maar het is een negatieve vrijheid. Een vrijheid van externe belemmeringen. Vroeg of laat komt echter de vraag der vragen, de zingevingsvraag: wat te doen met al die vrijheid? Zalig nietsdoen klinkt aantrekkelijk, zeker bij het lezen van de verontrustende berichten over burnouts, depressies en zelfmoorden. Er is echter maar weinig verband tussen burnouts en teveel werken of te weinig loon. We zijn de afgelopen decennia per werknemer steeds minder gaan werken en steeds meer gaan verdienen, terwijl net in die periode de epidemie van burnouts, depressies en zelfmoorden uitbrak. Het is niet omdat onze burnouts, depressies en zelfmoordpogingen samen stijgen met de productiviteit dat die productiviteit daar ook de oorzaak van is. Het kan net zo goed de standaardisering zijn die de gemeenschappelijke oorzaak is van allebei. We worden dan niet productiever omdat we harder werken, maar vooral omdat we betere machines hebben en ons werk efficiënter organiseren. Maar het is diezelfde standaardisering die ons productief maakt, die ons ook ongelukkig maakt. We zijn dan dus niet ongelukkig omdat we teveel werken, maar net omgekeerd omdat we onszelf als veelzijdig mens niet genoeg meer kunnen ontplooien omdat we vastzitten in een eenzijdig, gestandaardiseerd systeem. We worden gedwongen om “eendimensionale mensen” te worden, aldus de Duitse socioloog Herbert Marcuse.

Negatieve vrijheid is tegelijk dus ook een zelfgekozen verbanning uit de structuren die ons betekenis geven. Wie die betekenis wil behouden, zal ervoor moeten vechten. We moeten onszelf dan de middelen geven om onszelf te organiseren zoals we dat dan wel willen. Dat is een positieve vrijheid, een vrijheid om opnieuw onszelf te worden en de controle over onze leefwereld te heroveren. Anders blijft het pleidooi voor autonomie beperkt tot de vrijheid die ontstaat wanneer men wordt afgeschermd van belemmerende factoren. De logica van het systeem wordt dan behouden, behoudens misschien enkele cosmetische ingrepen zoals composteerbare plasticzakken in de supermarkt.

Positieve vrijheid in peer-to-peernetwerken

Misschien is het probleem dus niet zozeer de groei maar het groeimodel, dat verantwoordelijk is voor de verregaande standaardisering. We moeten onze groei dan niet afschaffen maar heruitvinden door te tonen dat groei mogelijk is zonderstandaardisering. Groei niet als een dwingend keurslijf met één enkel doel en een unieke, optimale methode, maar groei in de middelen waarover we beschikken om zelf onze eigen standaard te bepalen, onszelf te worden en opnieuw de controle te herwinnen over onze leefwereld. Dat is wat peer-to-peer interactie toelaat en daarom is het ook zo revolutionair. In een peer-to-peer netwerk kunnen mensen interageren zonder centrale standaard, veelal gecontroleerd door markt of staat. Het model kent een steile opgang sinds de komst van het internet. Vroege voorbeelden waren file-sharing platforms zoals Napster en Kazaa waar leden rechtstreeks met elkaar digitale bestanden uitwisselen. De online encyclopedie Wikipedia toont hoe die directe contacten kunnen uitgroeien tot iets dat groter is dan de som van de delen. Zo kunnen commons groeien, die in het geval van Wikipedia in geen tijd de grootste en meest geconsulteerde encyclopedie ter wereld werd.

De impact van peer-to-peer blijft niet beperkt tot de digitale sfeer. Fablabs brengen de digitale logica binnen in de materiële wereld. Mensen krijgen er letterlijk de middelen om hun arbeidsproces zelf te organiseren in de vorm van vier basismachines (waaronder een lasercutter en een 3D-printer) die samen voldoende zijn om zo goed als elk product te maken op niet-industriële schaal. Zelfs al wist je niet dat je die had, het is moeilijk om een spontane drang tot creëren en experimenteren te onderdrukken bij het zien van de haast ongelimiteerde mogelijkheden. De machines mogen door iedereen worden gebruikt op voorwaarde dat de geprogrammeerde designs worden gedeeld met de internetgemeenschap. De productdesigns zijn dus nooit af maar steeds in ontwikkeling. Wat in het fablab wordt gemaakt is dus eigenlijk geen product maar een proces. Het enige moment waarop het kan worden gestandaardiseerd is wanneer het sterft. Industriële noties als eigendomsrechten en patenten hebben hier dan ook weinig zin. Die afwezigheid van eigendomsrecht op designs blijkt in de praktijk geen rem maar net een katalysator voor innovatie te zijn.

Een mooi voorbeeld is dat van een type 3D-printer dat over de afgelopen jaren werd ontwikkeld doorheen een iteratief proces van verbeteringen door een gemeenschap van honderdduizenden creatievelingen die ontwerpen en ideeën vrijuit delen. Makerbot, een bedrijf dat dit proces tot zijn eigendom maakte met de bedoeling het te exploiteren, moest met lede ogen toezien hoe haar model tegen de tijd dat het klaar was om verdeeld te worden al lang achterhaald was door het model dat online vrij te verkrijgen was en daardoor was blijven evolueren aan een tempo dat geen enkel commercieel bedrijf kan bijhouden.

Timelab

In het fablab zijn de productiemiddelen van iedereen en de designs van niemand. De standaard maak je zelf, of kopieer je van iemand anders. Als “stadslabo” gaat Timelab in Gent nog een stapje verder. Er wordt actief geëxperimenteerd met samenwerking en hoe die tot stand kan komen zonder vooraf vastgelegde standaard, wat verre van evident is. Hoe creëer je in godsnaam een spel zonder spelregels? Timelab is een experiment in positieve vrijheid. De inzet is hoog. Op het spel staat de mogelijkheid van een ander soort samenleving.

Misschien wordt Timelab wel een blauwdruk voor zo’n standaardloze samenleving? De afwezigheid van een voorafbepaalde standaard betekent dat de 80/20-regel niet opgaat. 80% van de producten maak je niet langer tegen 20% van de kosten, bij peer-to-peerproductie kost elk product evenveel. Zo verdwijnt de notie “afval”. De eerste peer-to-peer geproduceerde schoen kost evenveel als de honderdste. Dus dan kan je net zo goed 100 verschillende schoenen maken. En waarom niet de een maken uit de restproducten van de ander? Niets is verloren. Daar waar het klassieke industriële model groeit door via schaalvergroting van alles steeds meer te maken, groeit een peer-to-peersamenleving in de eerste plaats door beter gebruik te maken van wat er al is.

Zonder vaste standaard verdwijnt ook de typisch industriële arbeidsvervreemding. Denk aan het onderscheid tussen arbeider en kapitalist, werk en vrije tijd of zelfs componist en muzikant. De oorsprong van al die onderscheiden ligt bij het feit dat het productieproces werd gescheiden van het ontdekkingsproces. Makende mensen verliezen zo de controle over wat ze doen. Dat kon ook niet anders. Een gestandaardiseerd proces vereist nu eenmaal een vooraf bepaald doel, een duidelijk afgesproken arbeidsverdeling met duidelijke spelregels omdat één fout nefast kan zijn voor het geheel. De mogelijkheid om samen dingen te maken zonder standaard betekent dat het doel niet vooraf vast hoeft te liggen. Als gevolg van voortschrijdend inzicht kunnen de spelregels ook tijdens het spel nog worden veranderd. Fouten zijn geen ramp maar net een wezenlijk onderdeel van het productieproces, dat zo ook altijd een zoekproces blijft. Een collectief zoekproces, want iedereen die betrokken wordt bij het maakproces is mede-eigenaar van de standaard. De vloeibaarheid van de standaard zorgt ervoor dat makers niet naast elkaar werken, zoals aan de lopende band het geval is, maar het eigenaarschap over hun standaard delen en zo betrokken blijven. Die betrokkenheid revolutionaliseert het samenwerkingsproces. Werk wordt terug spel, niet afstompend maar net stimulerend. De maker herwint de controle over het proces waar die deel van uitmaakt. De arbeidsverdeling zelf kan spontaan ontstaan of worden bijgestuurd naargelang de uitdagingen duidelijker worden en je anderen ontmoet die je hebt aangestoken met je idee.

Conclusie

Zoals zo vaak zijn de oplossingen van gisteren de problemen van vandaag geworden. De standaardisering die de motor was van onze industriële welvaart is vandaag de oorzaak geworden van onze voornaamste moderne problemen. Of we ertegen vechten of ervan wegvluchten hangt af van of we geloven dat er een alternatief is. Dat alternatief moet op een geloofwaardige manier aantonen dat mensen in staat zijn om samen te werken zonder hen van bovenaf een voorgekauwde standaard op te dringen. Als “stadslabo” is dit het experiment dat Timelab uitvoert. De vrijheid om dingen te maken zonder vooraf opgelegde standaard laat toe om een helemaal nieuwe dingen op een helemaal nieuwe manier tot stand te laten komen. Hoe en wat precies, dat is wat het experiment zal uitwijzen.

Rogier De Langhe is economiefilosoof aan de Universiteit Gent en lid van de Timelab denktank.