Tagarchief: Dirk Holemans

dirk holemans

Met alle Chinezen… (maar waarom niet met ons?)

Eerst gepubliceerd in De Standaard van 11 juni 2016 (opiniepagina).
Overgenomen met toestemming van de auteurs Dirk Holemans en Steven Vromman.

Het is alsof niets meer werkt. Ministers morren omdat kiezers hun maatregelen niet waarderen, burgers gaan de straat op omdat ze onzeker zijn over hun toekomst. Het ongenoegen zit diep. Mensen zijn niet vergeten hoe banken gered zijn met hun belastinggeld. Is de beloning daarvoor dat hun geld op de spaarboekjes nu niets meer opbrengt? Klassieke instrumenten om vooruit te komen, zoals het sociaal overleg, haperen. Ondertussen vergeten we ons voor te bereiden op een duurzame toekomst.

Neem nu het energiebeleid. Federaal blijven we inzetten op versleten kerncentrales, waarbij we behalve de risico’s voor de bevolking jaarlijks nog 1 miljard euro winst cadeau doen aan het Franse Engie, moederbedrijf van Electrabel. Vlaanderen zal dan weer 2 miljard euro subsidies betalen aan een houtpelletproducent uit Estland om een verouderde steenkoolcentrale om te bouwen tot een biomassacentrale. Een belangrijk deel van de Turteltaks gaat naar de financiering van deze miskleun, die niet zal bijdragen aan een sociaal-ecologisch energiebeleid. Om daar iets over te lezen, moet je naar het buitenland kijken. Spanje produceert op winderige dagen meer groene stroom dan het zelf nodig heeft. Noorwegen wil zonder verpinken tegen 2025 de auto op fossiele brandstoffen bannen.

Ook ons land zit vol positieve energie, maar je moet het willen zien. Steeds meer burgers willen zelf de handen uit de mouwen steken om ons land voor te bereiden op de toekomstvaardig. Denk aan stadslandbouwprojecten, repaircafés, hernieuwbare-energiecoöperaties, weggeefpleinen, digitale uitleenplatformen.

Mindshift

Het zou evident moeten zijn dat regeringen deze burgerenergie inzetten. Toch gebeurt het niet. Het vraagt een mindshift: ministers en hun kabinetten beslissen niet langer alleen, co-creatie wordt het model. De ivoren toren vervelt tot horizontale netwerken. De tijd is gekomen om die banden tussen burger en staat te smeden.

Een unieke kans dient zich nu aan voor een essentiële infrastructuur: ons stroomnet. Het heeft er alle schijn van dat de intercommunale Eandis aandelen zal verkopen aan een Chinese investeerder (DS 2 juni). Eandis, dat zijn eigenlijk u en ik, die via onze gemeentebesturen een groot deel van ons elektriciteitsnetwerk (de distributie) in handen hebben. Deze netbeheerder, waar de regeringspartijen de lakens uitdelen, heeft extra kapitaal nodig. Een geweldige kans om de actieve burgers erbij te betrekken, zou je denken. Maar helaas.

Waarom vervangen we de Chinese investeerder niet door de gebruikers van het stroomnet, de bevolking? Bied de aandelen te koop aan aan de burgers, die zich kunnen verenigen in coöperaties. Zo garandeer je dat het algemeen belang voorgaat op dat van investeerders. In Duitsland, Denemarken en Spanje zijn steeds er steeds meer steden waar de burgers het distributienetwerk (deels) terugkopen, wat meteen een positief effect heeft op de dienstverlening en ecologische doelstellingen.

Zomaar Chinezen in plaats van de eigen bevolking mede-eigenaar maken van ons stroomnet, is om vier redenen een gemiste kans van­jewelste.

1. De transitie naar een duurzaam energiesysteem zit muurvast. Het onduidelijke groenestroombeleid heeft ongeveer iedereen kwaad gekregen. Door burgers mede-eigenaar te maken van het stroomnet, creëer je betrokkenheid en openheid. Chinezen die mee beslissen kunnen de zaak enkel bemoeilijken. Geven we zo onze autonomie niet op? Hebben we dan de ruimte om te gaan voor een smart grid dat klaar is voor 100 procent hernieuwbare energie?

2. Een deel van het ongenoegen heeft te maken met de steeds hogere energiefactuur, waarvan de distributiekosten een groot deel uitmaken. Buitenlanders investeren niet voor onze mooie ogen, ze willen rendement. Zal de stroom niet gewoon nog duurder worden?

3. Het zal nog slechter gaan met onze democratie: de intrede van een externe partner is meestal geen goede zaak voor de transparantie. Wegens commerciële belangen zal het voor de burgers moeilijker zijn inzage te krijgen in de boeken. Dat geldt trouwens in heel Europa: de Chinese partner heeft zich al ingekocht in Italiaanse en Portugese stroomnetten. Hoe zit het eigenlijk met de gewenste Vlaamse verankering van ons industrieel weefsel?

4. Het beloofde dividend aan de investeerder kunnen we veel beter gebruiken voor twee zaken: investeren in een smart grid en de burgers die mee investeren een centje laten meeverdienen. Een stuk van het geld kunnen we prima gebruiken om de omslag naar hernieuwbare energie te versnellen. En waarom bieden we burgers geen mooie kans om hun spaargeld te investeren in de toekomst van hun kinderen, terwijl het ook nog iets opbrengt? Wat willen de volkspartijen: de Chinezen rijk maken of het spaargeld van hun kiezers iets doen opbrengen?

0dc7b111-816c-444d-987a-590d8a0ab264

Het collectieve heruitvinden

door Dirk Holemans

Originele tekst uit Rekto Verso, tijdschrift voor Cultuur en Kritiek

Dit artikel maakt deel uit van het dossier Samen ik

Elk duurzaam model voor de toekomst zal een antwoord moeten bieden op de vraag hoe je bevrijde individuen tot meer samenwerking krijgt. Het peer-to-peermodel dat Michel Bauwens voorstelt in zijn boek De wereld redden, biedt alvast heel wat inspiratie. Het confronteert ook de kunstwereld met een paar fundamentele vragen.

In 1772 ronden Diderot en d’Alembert een ambitieus project af: het concept van de kennis veranderen. Zoals Diderot schrijft, ‘is het doel van een encyclopedie het verzamelen van de kennis die over de wereld verspreid is en haar als systeem aan onze samenleving te presenteren’. Dit werk staat symbool voor een trendbreuk in de visie op kennis. Gold tot dan de kerk als de traditionele autoriteit op vlak van wetenschap, dan is voortaan het uitgangspunt dat menselijke kennis voortkomt uit de mens zelf. En om alle menselijke kennis in kaart te brengen, engageren Diderot en d’Alembert 160 experts uit verschillende maatschappelijke domeinen. Dit model zal meer dan twee eeuwen dominant blijven, tot technologische innovaties de wereld helemaal veranderen.

Twee eeuwen later dus. Ten behoeve van zijn twee schoolgaande zonen koopt mijn vader de Nederlandstalige Standaard Encyclopedie. Een fors werk in twaalf banden van rood kunstleer. Het staat symbool voor de naoorlogse welvaartsstaat, waarin de middenklasse geniet van toenemende koopkracht, scholing en kennis. Tegelijk blijven, om een oud woord vanonder het stof te halen, de productieverhoudingen onveranderd. Een encyclopedie maken blijft het werk van een selecte groep experts. Aan de ene kant zijn er de commerciële uitgaven waar middenklassers veel geld aan uitgeven, omdat kennis toen nog een stevige investering waard was. Aan de andere kant is er de universiteit, ook een hiërarchische organisatie bij uitstek. Ik herinner me nog hoe ik als student aan de Universiteit Gent naar de Boekentoren trok, misschien wel de sterkste veruitwendiging van dit verticale type van kennismaatschappij. Het was een echte burcht: je meldde je aan bij een nukkige man in stofjas aan de balie en, als je geluk had, moest je geen uur wachten op het boek dat je wou ontlenen.

En dan nu: slechts een generatie later, mijn tieners thuis. De loodzware encyclopedie is vervangen door de vederlichte iPod, elke kennisvraag is vijf seconden later draadloos beantwoord door Wikipedia. Deze encyclopedie staat voor een heel ander kennis- en productiemodel, voor andere sociale verhoudingen. Hij wordt niet langer samengesteld door een kleine groep experten, maar door een groot netwerk van burgers. En zij doen het niet voor het geld, of voor een academische titel, maar uit intrinsieke motivatie. Iedereen kan bijdragen tot Wikipedia, de kwaliteitscontrole gebeurt achteraf, door mensen die daar de merites voor hebben. Een product dus van inzet onder gelijken, of peer-to-peer (p2p). Een team dat samenwerkt in een concurrentieomgeving, zoals bij de voormalige redactie van de Standaard of Winkler Prins, is gewisseld voor een samenwerkingsomgeving waarbinnen concurrentie speelt. We gaan van ‘coöperatie binnen competitie’ naar ‘competitie binnen coöperatie’.

DE REVOLUTIE VAN INTERNET

Volgens Michel Bauwens, auteur van De wereld redden. Met peer-to-peer naar een postkapitalistische samenleving, staat Wikipedia symbool voor de overgang naar een andere wereld. Het zal volgens hem uitgroeien tot dé vorm van samenwerking en productie van de eenentwintigste eeuw. En hij ziet voorbeelden in tal van domeinen, zoals opensourcesoftware. Ook daar drukte de p2p-besturingssoftware Linux grote bedrijven als IBM niet gewoon uit de markt. Nee, meer fundamenteel: het maakte dat deze besturingssoftware geen marktproduct meer is. Niet dat er niemand meer zijn brood mee verdient. Dat gebeurt nu als dienstverlener, voor het ontwerpen van specifieke toepassingen. Maar de broncode van Linux blijft voor iedereen toegankelijk: het is een voorbeeld van een nieuwe digitale commons, of gemeengoed. En ook op vlak van goederenproductie ziet Bauwens de grote, verticale bedrijven verdwijnen voor netwerken van microfabrieken. Daar wordt terug op maat van de behoefte geproduceerd door burgers, via open design en 3D-printers.

Fora do Eixo: een gigantisch p2p-cultuurnetwerk

Een schoolvoorbeeld van culturele peer-productie is Fora do Eixo. Het is een netwerk dat eind 2005 werd opgericht door culturele producenten uit de noordelijke, de zuidelijke en de westelijke regio’s van Brazilië. Het begon met de samenwerking tussen producenten rond de circulatie van muzikale projecten, de uitwisseling van productietechnologie en de handel van culturele producten. Door de middelen voor de muziekproductie (studio’s … ), de instrumenten en de organisatie van festivals te mutualiseren, drukken de artiesten hun kosten, gaan tussenpersonen niet met het gros van de inkomsten lopen en werd een nieuw verdienmodel ontwikkeld.

Het is een model met verschillende lagen: het publiek, de cultuurproducenten en de organisatoren. Een van de belangrijke innovaties van Fora do Eixo is de introductie van een soort kredietkaart die maar liefst vier alternatieve munten hanteert. Dat betekent dat de interne processen niet door klassiek geld worden gemanaged, maar door een intern systeem dat de uitwisselingsstromen in evenwicht moet houden. Boeiend is ook dat de overheid met de Fora een partnership heeft afgesloten vanwege haar grote mobilisatiekracht. Zo ontstaat er zicht op een autonoom p2p-systeem.

Deze ontwikkelingen passen in de radicale evolutie die onze samenleving ondergaat door de laatste golf van technologische innovaties. Net als de vorige vernieuwingen, denk aan stoomkracht of elektriciteit, is deze van informatie- en communicatietechnologieën disruptive: ze verstoort de maatschappelijke orde, maakt nieuwe zaken mogelijk. Bauwens schrijft: ‘Mijn belangrijkste thesis over het internet is dat het web horizontale contacten mogelijk maakt tussen gebruikers die zich vrijwillig met elkaar verbinden om te communiceren of samen te werken, zonder daarbij een beroep te moeten doen op traditionele, hiërarchische organisaties of instellingen. Die horizontalisering maakt een zeer bijzondere vorm van socialisatie mogelijk.’ De gebruikers van het internet kunnen immers zichzelf organiseren. En ‘lokaal’ betekent met het internet meteen ook ‘globaal’: zo kunnen lokale initiatieven op vlak van bijvoorbeeld stadslandbouw samenwerken in een globaal netwerk, opgedane kennis delen … Je krijgt hier een opschaling van wat voorheen enkel in kleine groep mogelijk was. Voor Bauwens vertegenwoordigt dit een revolutie: het werkt radicaal kosten- en drempelverlagend. Dankzij internet wordt autodelen kinderspel, net als tweehandsspullen doorverkopen of het netwerk van je oude schoolkameraden heropbouwen.

HET MODEL VAN PEER-PRODUCTIE

Hoe ziet Michel Bauwens de uitbouw van een p2p-systeem, dat op termijn in staat moet zijn het kapitalisme achter zich te laten? ‘Aan de basis dragen mensen bij tot bepaalde commons. Aan dergelijke commons zijn meestal verenigingen voor maatschappelijk nut verbonden, een doelgedreven organisatie die de infrastructuur van de commons beschermt en beheert. Marktspelers maken gebruik van de commons om geld te verdienen via allerhande complementaire diensten zoals opleiding, onderhoud, softwareaanpassing op maat van de klant enzovoort.’ Het p2p-systeem kan uitgroeien tot een autonoom systeem wanneer de gecreëerde gebruikswaarde beschermd kan worden door bijvoorbeeld een bijzondere licentie. Die zou kunnen bepalen dat de commons vrij beschikbaar blijven voor iedereen die ertoe bijdraagt, inclusief ethische bedrijven gedefinieerd als verenigingen voor maatschappelijk nut. Kapitalistische bedrijven moeten nog wel betalen. En in de mate dat commoners dan zelf hun eigen organisaties oprichten, zoals coöperatieven, kan er geld verdiend worden voor de instandhouding van de commons. In technische termen: zo gebeurt de sociale reproductie van de commons binnen de commons zelf. En dergelijke ethische bedrijven zouden een netwerk kunnen opzetten van onderlinge en transparante samenwerking, zoals bij Fora do Eixo (zie kader).

DE TOEKOMST VEROVEREN

Michel Bauwens is niet zomaar een naïeve denker die droomt van een nieuwe utopie. Als gewezen werknemer van Belgacom en British Petroleum kent hij het harde kapitalisme. Een p2p-wereld waarin de burger en de democratie zegevieren, is een mogelijkheid, maar zeker geen evidentie. Vanuit een helder historisch inzicht stelt Bauwens dat elke technologische schok de gevestigde orde verstoort, en emancipatorische kansen biedt om meer mogelijkheden te creëren voor meer mensen. Maar tegelijk wil de gevestigde orde dezelfde technologie naar zich toe trekken. De toekomst is dus onbeslist en hangt af van een reeks factoren, waaronder sociale strijd en sociale krachtsverhoudingen. Een belangrijk strijdpunt daarbij is, als vorm van nieuwe sociale zekerheid in een p2p-samenleving, dat iedereen recht heeft op een gegarandeerd basisinkomen.

Naïef zijn is dus het domste wat we kunnen doen. We moeten juist kritische en actieve encyclopedisten 2.0 worden.De emancipatie van burgers zal afhangen van hoe sterk zij inzicht krijgen in de digitale wereld, een eerste voorwaarde om er zelf greep op te krijgen. Want niet elk p2p-systeem leidt tot een commons, of is postkapitalistisch. Integendeel, voorbeelden als Facebook zijn juist hyperkapitalistisch. Terwijl de 1 miljard gebruikers zich amuseren – dat hoop ik toch – en genieten van de gebruikswaarde die ze zelf produceren, is er de 1% die schatrijk wordt van de ruilwaarde. En sterker nog: van enige democratie is geen sprake, de code en het design van Facebook zijn strikt geheim. Bauwens roept hier op tot actie: de overheid kan besluiten dat het om een infrastructuur van algemeen belang gaat, of gebruikers kunnen zich organiseren om Facebook over te nemen. In de kennismaatschappij zijn immers niet de arbeiders, maar de kenniswerkers de emancipatorische klasse. Hun productiemiddel – hun hoofd en laptop – neem je hen niet zomaar af. Ze werken ook meer en meer op zelfstandige basis, in variabele netwerken en projecten. De belangrijke vraag is dan ook hoe ze zich kunnen verenigen om strijd te voeren voor een verdere emancipatie.

EEN ANDERE WERELD, EEN ANDER MENSBEELD

Jean Lievens, de kompaan van Bauwens, stelt in de inleiding van het boek het uitgangspunt van p2p op scherp: ‘Ons economisch systeem steunt op het absurde idee van materiële overvloed en immateriële schaarste. We doen alsof de planeet oneindig is en plegen er roofbouw op. Anderzijds bouwen we met auteursrechten en patenten artificiële muren rond menselijke kennis om delen en samenwerking zo moeilijk mogelijk te maken.’ Een heldere analyse waar ik het mee eens ben. Alleen kan je zaken als het auteursrecht niet zomaar van vandaag op morgen afschaffen. En in feite is dat zelfs niet het voorstel. De hamvraag is hoe je zaken als culturele producten opvat: gaat het over een commons, waar burgers vrije toegang toe hebben om er verder toe bij te dragen, of gaan we mee in de verdere vermarkting van alles?

Interessant is ook het mensbeeld verbonden met de p2p-beweging: het erkent de fragmentatie van de mens onder de kapitalistische moderniteit en biedt daar een antwoord op. De identiteit kan heropgebouwd worden, zonder de illusie van homogeniteit te koesteren, door engagement aan verschillende p2p-projecten. Of in technische termen: het gaat niet om de zoektocht naar een nieuwe autoritaire collectivistische socialisering, wel om een vrije socialisering op basis van wat ons verbindt. De wijze waarop mensen zich in dergelijke horizontale netwerken tot elkaar verhouden, kan hen zonder toestemming doen samenwerken om gemeenschappelijke waarde te creëren, en is dus volgens Bauwens productiever dan de bestaande modellen.

INSPIRATIE VOOR KUNST EN CULTUUR?

De overgang die Bauwens schetst naar een andere wereld, met haar nieuwe praktijken en p2p-filosofie, kan een boeiende inspiratiebron zijn voor kunst en cultuur. Ik bespreek een aantal aspecten zonder volledig te willen zijn. Een eerste punt handelt over de mate waarin p2p-projecten, en de sociale logica ervan, verwantschap vertonen met culturele en artistieke productie – voor zover daar een scherp beeld van te maken valt. Een paar zaken vallen op. P2p-productie gebeurt uit vrije wil, vanuit gedrevenheid en passie. Productie en loon zijn ontkoppeld: de kunstenaar maakt geen koopwaar, met de klassieke ruilwaarde van een verhandelbaar product, maar heeft uiteraard wel onrechtstreeks een inkomen nodig. Verder is p2p ook altijd samenwerking rond een gemeenschappelijk doel: de logica van het doel bepaalt de sociale logica, waarbij elk peer-project een eigen invulling heeft. Dit lijkt veraf te staan van de nood van waaruit artiesten opereren, tenzij men die noodzaak en hun open nieuwsgierigheid kan formuleren als een gemeenschappelijk doel. We kunnen ook een stap verder gaan, en denken aan een aantal kunstenaars die in een (wereldwijd) p2p-netwerk samenwerken rond een gemeenschappelijke droom, uitdaging of probleemstelling. Zelf lijkt me de verhouding natuur/cultuur zo’n relevant onderzoeksthema: op meer en meer plaatsen in de wereld vernietigt de dominante cultuur de omringende natuur, vraagt dat niet om een ferme blik in de artistieke spiegel?

Een andere kwestie is de organisatievorm waartoe dat kan leiden. Voor Bauwens zijn de p2p-netwerken de voorbode van de nieuwe instituties die de huidige emancipatorische groep van kenniswerkers uitbouwen als uitdrukking van hun noden als nieuwe sociale groep. Hoe zit het met de instituties die kunstenaars uitbouwen? Kunnen we, de terminologie van Bauwens aanhoudend, de kunstenaars als de flexwerkers van de cultuursector beschouwen, die dan hun eigen p2p-netwerken kunnen opbouwen, zodat ze minder afhankelijk worden van de verticale kunstinstellingen? Daarbij aansluitend is er het vraagstuk rond nieuwe productiemodellen voor de culturele sector. Kan het model dat Bauwens schetst – met culturele commons beschermd door verenigingen voor maatschappelijk nut, en daarrond eigen economische actoren zoals coöperatieven – een inspiratiebron zijn? En wanneer starten we in Vlaanderen met een eigen versie van Fora do Eixo, inclusief een eigen complementaire munt? Hier en daar zie je al mooie aanzetten in hedendaagse netwerken rond nieuwe thema’s, zoals Green Track, waarbij cultuurinstellingen zich engageren om op ecologisch gebied met elkaar samen te werken en kennis uit te wisselen.

Zo komen we terug op de sociale logica van p2p: open samenwerking. Is er verwantschap met huidige artistieke praktijken? In hoeverre bouwt dat verder op historische ijkpunten, zoals het Gesamtkunstwerk uit de periode na mei ’68? Zoals de Nederlandse filosoof Henk Oosterling schrijft in zijn artikel ‘Gesamtkunstwerk’, is ‘een van de meest vooraanstaande exponenten van het Gesamtkunstwerk in deze turbulente tijd toch Joseph Beuys. Iedereen kent zijn in 1974 in een New Yorkse galerie gehouden “Aktion” Coyote. De publieksdeelname is bij Beuys echter beperkt: vaak kunnen zijn activiteiten slechts indirect door ramen of via de schermen van de technologische media worden gadegeslagen.’ Oosterling stelt dat er rond de vraag naar de aard van dit ‘Gesamt’ minstens drie voorstellen zijn gedaan door de geschiedenis: de samenstelling van diverse media door één kunstenaar; de samenwerking van een aantal kunstenaars vanuit hun eigen medium; en een kunstpraktijk waarbij het publiek onontbeerlijk is. Binnen dat laatste voorstel zijn er nog twee opties: het publiek kan passief observeren, of het kan actief participeren, waarbij dan sprake is van interactiviteit. Zo biedt p2p nieuwe inspiratie om de autonomie van de kunstenaar te herdenken in functie van nieuwe vormen van participatie. De frequentie waarmee ik de jongste jaren toeschouwers bij een voorstelling op de theatervloer heb zien staan – soms zonder dat ze dat voorzagen bij het begin van de voorstelling, zoals bij Alexis, a Greek Tragedy van het Italiaanse gezelschap Motus – doet mij vermoeden dat er bij een aantal makers wat gist.

Dirk Holemans is coördinator van de denktank Oikos.

De wereld redden van Michel Bauwens valt te bestellen via www.oikos.be.

10437337_845988588748999_1270480293390927516_n

Feestcongres – Ecologie en autonomie: hoe onze toekomst heroveren?

31 januari 2015 20:00
Kunstencentrum Vooruit Sint-Pietersnieuwstraat 23, 9000 Gent, België

Denktank Oikos, die streeft naar sociaalecologische verandering, bestaat vijf jaar. En dat viert ze met stevige inhoud. Over hoe we als burgers de toekomst kunnen heroveren, de wereld redden van zielloos winstbejag. Dat vraagt om een visie over welvaart zonder groei, respect voor de planeet en solidariteit met de huidige en toekomstige generaties.
Dus geen economische G8, wel een ecologische E4. Vier topdenkers met wie Oikos samenwerkt, buigen zich over de opdracht die ecologische denkers van het eerste uur formuleerden: als burgers terug greep krijgen op je leefomgeving, je autonomie opeisen. En ook: samen werk maken van het goede leven, de vreugdevolle capaciteit ontwikkelen om de wereld zelf vorm te geven. Anno 2014 luidt die opdracht: hoe kunnen we als bevrijde individuen terug samenwerken, voorbij eenzijdige individualisering, op weg naar Autonomie 2.0? Deze topdenkers zijn Michel Bauwens, Olivier De Schutter, Paul Verhaeghe en Harald Welzer.
We organiseren voor onze verjaardag niet één maar twee evenementen: een feestcongres in de avond en vier gelijklopende eco-conversaties in de namiddag, waaruit je eentje kan kiezen.
Feestcongres
De avond van het Feestcongres wordt ingezet door Dirk Holemans die de ecologische uitdaging aan de hand van het begrip autonomie schetst. Vervolgens zullen Michel Bauwens, Paul Verhaeghe en Harald Welzer een bijdrage leveren van het perspectief van de economie, de mens en de samenleving. Ze gaan ook met elkaar in dialoog. Afsluitend formuleert Olivier De Schutter ‘Food for Thought’: een opdrachtverklaring voor de komende vijf jaar voor Oikos … en alle geëngageerde burgers. Inschrijven voor het feestcongres, kan hier of via de ‘Registreer’-knop onderaan de pagina.
Zelf meedenken in een eco-conversatie!
Oikos staat voor diepgang én interactie, het Feestcongres is daarom meer dan een luisteravond. We organiseren in de namiddag vier parallelle Eco-conversaties, waarin een van de denkers in gesprek gaat met een beperkte groep geïnteresseerden. In deze groepjes kan je zo ideeën uitwisselen, elkaar inspireren, en zelfs het risico lopen van gedacht te veranderen…
Welke vragen wil jij aan een van de E4 voorleggen? Over welke uitdaging wil je meer weten en in dialoog gaan? Laat het ons weten in een beknopte motivatie van maximum 5 lijnen via feestcongres[at]oikos.be, met als onderwerp ‘Eco-conversatie + Naam denker’. Wij laten je vervolgens via e-mail weten of je bij de gelukkigen bent. Op deze manier geven we niet alleen de snelle vogels een kans. Aan de deelnemers zal een inkom van 8€ gevraagd worden als deelname in de onkosten.
Meer lezen?

Speciaal voor dit Feestcongres schreef Oikos coördinator Dirk Holemans een beknopt essay om de uitdaging scherp te stellen. Het essay verschijnt in Oikos 71 en is vanaf begin december beschikbaar op de Oikos website.

De vier topsprekers met wie Oikos samenwerkt, zijn:

Michel Bauwens
michel bauwensMichel Bauwens is de oprichter van de Foundation for Peer-to-Peer Alternatives. In 2012 werd hij door het Post Growth Institute als enige Belg opgenomen in de lijst van de 100 meest inspirerende personen voor een duurzame toekomst. Hij schrijft onder meer voor Al Jazeera English en is adviseur voor Shareable magazine (San Francisco), Zumbara Time Bank (Istanbul) and ShareLex (Forum International des Dirigeants de l’Economie Sociale et Solidaire).
Oikos publiceerde samen met uitgeverij Houtekiet van hem De wereld redden. Met peer-to-peer naar een postkapitalistische samenleving, een boek waarin hij de absurde logica omdraait waarop onze samenleving steunt: materiële overvloed (alsof de aarde oneindig is) en immateriële schaarste (alsof ideeën delen fout zou zijn). Terwijl we juist door ideeën te delen een duurzame samenleving kunnen bouwen. Burgers die als gelijken onder elkaar nieuwe samenwerkingsverbanden opstarten, gebaseerd op de commons, vormt volgens Bauwens de juiste weg naar een duurzame economie.

Paul Verhaeghe
Verhaeghe Paul-C Michiel Hendryckx-AEG voor bb en pers 2-12-2013
Paul Verhaeghe is gewoon hoogleraar psychologie aan de UGent. Sinds 2000 bestudeert hij de invloed van maatschappelijke veranderingen op de geestelijke gezondheid, een thema dat hij behandelt in Het einde van de psychotherapie en Identiteit. Verhaeghe analyseert hoe het neoliberale kader onze waarden en identiteit vormt. Het leidt tot een permanente concurrentiestrijd, een eenzijdig efficiëntieparadigma, dat een gevoel van mislukking veroorzaakt bij steeds meer mensen, mensen ziek maakt (burn-out) en geen ruimte laat voor het aanpakken van de ecologische uitdaging.
Paul Verhaeghe gaf in 2010 de jaarlijkse Oikos zomerlezing die een jaar later gepubliceerd werd in Oikos Tijdschrift onder de titel De effecten van een neoliberale meritocratie op identiteit en interpersoonlijke verhoudingen. Het artikel werd door Liberales bekroond als ‘essay van het jaar’.

Olivier De Schutter
spindle-law-interview-olivier-de-schutterOlivier De Schutter is professor rechten aan de UCL en visiting professor aan de Columbia University. Hij is vooral gekend door zijn werk als gewezen Speciaal VN Rapporteur voor het Recht op Voedsel, waar hij agro-ecologie verdedigde als alternatief voor de onduurzame bio-industrie, en sterk gelooft in innovatie van onderuit. Verder is hij sinds 2004 secretaris-generaal van de Internationale Federatie voor Mensenrechten. Vanaf 2015 zetelt hij in de VN-commissie ‘Economische, Sociale en Culturele Rechten’.
In maart 2014 gaf De Schutter een lezing De Toekomst van ons voedsel georganiseerd door Oikos, Oxfam Wereldwinkels en GONZ. Hierin gaf hij aan dat met een ander landbouwmodel, gebaseerd op agro-ecologie, het perfect mogelijk is voldoende gezond voedsel te produceren met respect voor de landbouwers en de aarde.

Harald Welzer
Harald Welzer fotoHarald Welzer is directeur van Futurzwei – Stichting Toekomstvaardigheid en hoogleraar Transformatiedesign. Als sociaalpsycholoog is hij gespecialiseerd in cultuurwetenschappelijk onderzoek over de impact van klimaatverandering en de rol van transitie-initiatieven. In Klimaatoorlogen (2009) schetste hij nog een pessimistisch beeld over de toekomst, nu trekt hij in Zelf denken (2014) resoluut de kaart van het realistisch optimisme.
Welzer was in 2013 te gast op Het Groene Boek, waar hij wees op het belang van een andere mentale infrastructuur. De eenzijdige invulling van het Vooruitgangsdenken als ‘steeds meer, steeds sneller’ leidt tot een planetaire burn-out. Verhalen over rechtvaardigere en gelukkigere leefwijzen zijn broodnodig. Harald Welzer roept burgers op hun autonomie in handen te nemen via experimenten in het laboratorium van het maatschappelijk middenveld. In Zelf Denken, het resultaat van de samenwerking tussen uitgeverij Jan Van Arkel, het Goethe Institut en Oikos, werkt hij deze visie uit tot een hoopvol verhaal van verzet.

Praktisch

Locatie: Theaterzaal Kunstencentrum Vooruit, Sint-Pietersnieuwstraat 23 in 9000 Gent
Programma:
16u-18u: Eco-conversaties: ga in dialoog met een van de vier denkers in beperkte groep; inschrijven via feestcongres[at]oikos.be; bijdrage in de kosten €8
20u: Feestcongres: Toegang gratis, inschrijven verplicht via feestcongres[at]oikos.be

Een organisatie van Denktank Oikos in samenwerking met Vooruit en Triodos Bank.

Foto Dirk website_0

Scheer deelinitiatieven als Autopia en Uber niet over dezelfde kam

Overgenomen van blog Dirk Holemans; voor het eerst gepubliceerd als Opiniestuk voor de Morgen (17 september 2014)

“Delen is het nieuwe hebben”, zo lees je bij alle trendwatchers. Waarom een boormachine kopen als we ze maar om de twee jaar gebruiken? Of een auto kopen als hij zo vaak stil staat voor de deur? Delen is dan toch beter? Zo behouden we ons levenscomfort, maar hebben we minder spullen nodig. En dat is zowel goed voor het milieu als voor onze portemonnee. Het lijkt een hoopvol antwoord op onze huidige consumptiemaatschappij, die meer van de aarde vraagt dan die kan dragen. Het belang van deze evolutie kan inderdaad moeilijk onderschat worden. Het toont een culturele omslag, waarbij het hebben van een goed om de status, taant. Zo blijken meer en meer jongeren niet langer geïnteresseerd in een eigen auto. Sterker nog, ze willen zelfs geen rijbewijs meer. Langs de andere kant is de statuscultuur nog niet voorbij, anders zouden spullen als iPhones niet zo gegeerd zijn.

Sommigen zien in de nieuwe deelinitiatieven de opkomst van een nieuwe, solidaire en duurzame economie. De realiteit is complexer. Want achter de verschillende initiatieven zitten verscheiden modellen van samenwerking, eigenaarschap en waardecreatie. Waarbij maatschappelijke en financiële return ongelijk verdeeld zijn. Vier voorbeelden.

1. Het eerste is het autodeelsysteem Autopia. Deze vereniging ondersteunt burgers die een eigen auto delen. Dit is een peer-to-peersysteem: burgers verenigen zich als gelijken (peers). Het is een systeem waaraan een expliciet maatschappelijk doel is verbonden: geëngageerde burgers werken zelf aan duurzame mobiliteit. En spaart elke deelnemer er geld mee uit, dan genereert het systeem op zich in klassiek economische termen geen financiële opbrengst. Dit is een mooi voorbeeld van ‘urban commons’: wat burgers gezamenlijk realiseren, zonder verbonden te zijn met een winstlogica. De samenwerking is maximaal; eigendom en meerwaarde worden transparant verdeeld.

2. Airbnb is een tweede voorbeeld: de lege slaapkamer in je huis verhuren. De deellogica speelt nog altijd – waarom lege ruimte niet openstellen voor andere gebruikers? – maar we zitten al dichter bij het huidige economisch systeem. De verhuurder verdient er effectief geld mee. En nog belangrijker: het systeem is in handen van één bedrijf dat werkt volgens het beurskapitalisme. Waar dus finaal speculatie en overdreven eisen van aandeelhouders het systeem bepalen, met de gekende crisis tot gevolg. Eigenlijk worden we met Airbnb allemaal minikapitalisten.

3. De paradox wordt nog groter bij Freecycle, gemeenschappen waar leden spullen gratis weggeven, doorgaans via Facebook. Deze ‘gifteconomie’ staat aan het andere uiteinde van het casinokapitalisme en verdient alle steun. De pijnlijke paradox is wel dat Facebook alle gegevens van de leden van Freecycle verzamelt en doorverkoopt aan multinationals.
Zijn de autodelers bij Autopia burgers die autonoom handelen, dan is hier van zeggenschap over het economisch model geen sprake. Want Facebook kan morgen eenzijdig de regels wijzigen waardoor een Freecycle-groep onmogelijk wordt. Of wie weet wordt Facebook gewoonweg betalend binnen enkele jaren. In elk geval: Facebook verdient handenvol geld over de rug van mensen die netwerken aan een duurzame economie. Michel Bauwens verwoordt het helder in ‘De wereld redden’: “Hoe kunnen we een nieuw systeem opbouwen dat mensen toelaat te produceren volgens de logica van peer-productie, zonder een kapitalistische logica in te voeren die de peer-productie kapotmaakt?”

Marktwerking
4. En dan is er Uber, dat meesurft op de golf van sympathie die deelinitiatieven overspoelt. Wat kan er nu op tegen zijn dat iemand zijn auto efficiënter gebruikt en in een vrij uur wat bijverdient als taxichauffeur? Zijn de vakbonden die internationaal de krachten bundelen tegen Uber (DM 16/9) dan echt zo zuur? Sommige economen zeggen: laat de markt spelen, innovatie kan je niet tegenhouden. Maar zo eenvoudig is het niet. Want het bedrijf achter Uber wil helemaal geen marktwerking. Een markt werkt als er voldoende vraag en aanbod is en iedereen over voldoende informatie beschikt om rationele beslissingen te nemen. Om zo’n marktevenwicht te realiseren, is er nood aan overheidsregulering. Daarom hebben we wetten die geheime prijsafspraken verbieden en monopolievorming tegengaan. Uber wil evenwel geen van beide: marktwerking noch overheidsregulering! Het vraagt gewoon de vrijheid om als makelaar een monopolie op te bouwen.

Stel je bij wijze van vergelijking een huizenmarkt voor waarbij wereldwijd slechts één bedrijf weet wat verkopers vragen voor hun huis, en wat potentiële kopers willen aanbieden. Zo gaat dat bij Uber: het is een makelaar die werkt met een geheim algoritme. Noch de klant, noch de chauffeur krijgen enige informatie over andere klanten of aanbieders. Hun doel: een open, door de overheid gereguleerde markt vervangen door een gesloten Ubermonopolie.

Dat is geen goede zaak voor de markt, en heeft niets te maken met deelinitiatieven waar burgers op transparante wijze samenwerken om te komen tot een betere samenleving. In feite deelt Uber niets, dat is de essentie van hun verdienmodel, gefinancierd door Goldman Sachs.

De opdracht voor de toekomst lijkt duidelijk. De overheid heeft twee taken op haar bord. Eén: haar regelgeving aanpassen aan nieuwe spelers als Uber. We hoeven innovatie niet tegen te houden maar ook niet welwillend te zijn tegenover marktverstoorders die niet geven om de samenleving. Willen we bijvoorbeeld de job van taxichauffeur vervangen door onderbetaalde freelancers in precaire statuten? Twee: een wettelijk kader bieden dat burgerinitiatieven eerder versterkt dan tegenwerkt. Zo kennen we privaat en publieke eigendom, maar is samen een grond bezitten als ‘commons’ onmogelijk gemaakt, kort na de oprichting van België.

Coöperaties
Heeft de overheid een duidelijke rol, dan ligt de bal ook in het kamp van ons allemaal als burger. Wil de authentieke behoefte om spullen te delen uitgroeien tot een duurzame economie, dan moeten we ons om meer bekommeren dan onze toestellen. We zullen de economie zelf mee in handen moeten nemen. Het meest beloftevolle model is hier dat van de coöperaties. Deze maken winst, maar dat vormt niet het hoofddoel. Elke gebruiker kan mede-eigenaar worden en elke aandeelhouder heeft een gelijke stem in het kapittel.

De coöperatieve sector is nog klein, maar overal starten burgers nieuwe coöperatieven op en bestaande groeien gestaag. Of deze ‘commons’ kunnen uitgroeien tot een echt alternatief, bepalen we zelf. Maar het is mogelijk: op onze spaarboekjes staat meer dan 230 miljard euro. Nu bepalen de banken wat daar vooral niet mee gebeurt. Mochten we daar enkele procenten van investeren in door de burger gestuurde coöperatieven, dan kan een duurzame economie zich ontwikkelen gebaseerd op open samenwerking, gedeeld eigenaarschap en sociale waardecreatie.

Last but not least: met een lokale, door burgers gecontroleerd alternatief voor Facebook, zouden we tenminste weten dat alle gegevens niet actief worden doorgegeven aan de Verenigde Staten.

0dc7b111-816c-444d-987a-590d8a0ab264

Coffee with the Future

Coffee with the Future Dirk Holemans

16 september om 19u30
Clouds in my Coffee, Dendermondsesteenweg 104, Gent

Dirk Holemans is coördinator van de sociaal-ecologische denktank Oikos, houdt van groene thee en het publieke debat. Dat maakt hem tot een ideale gast voor een volgende coffee with the future! Ga met hem het debat aan over politieke ecologie, democratie, ruimtelijke ordening, duurzame mobiliteit en milieufilosofie.

Schrijf je snel in via [email protected]!

Dirk Holemans is ook hoofdredacteur van Oikos en fractieleider van Groen! van de Gentse Gemeenteraad. Hij was Vlaams parlementslid voor Groen!, onderzoeker, docent en zakelijk leider van het sociaal-artistiek huis Victoria Deluxe te Gent.

Deze inspirerende ontmoeting vindt plaats in Clouds in my Coffee, vlakbij station Gent Dampoort en een hemelse plek om te dromen over een duurzame toekomst!

Coffee with the Future Michel Bauwens

12 oktober om 19.30
Koffiebar Mok, Diestsestraat 165, Leuven.

Ga het boeiende gesprek aan met Michel Bauwens, Belgische cyberfilosoof en oprichter van de Peer-to-Peer Foundation for Alternatives. P2P Foundation is een wereldwijd netwerk van wetenschappers en activisten dat onderzoek doet naar peer-to-peer netwerken en praktijken.

Bauwens ziet in nieuwe fenomenen zoals de samenwerkingseconomie, peer-to-peernetwerken, open source, crowdsourcing, fab labs, microfabrieken, de makersbeweging en stadslandbouw een weg naar een postkapitalistische samenleving, waarbij de markt zal onderworpen worden aan het algemeen belang.

Doordat het aantal plaatsen beperkt is kun je in directe, diepgaande dialoog gaan met deze boeiende spreker. Schrijf je dus snel in via [email protected]!

06bba3b6-09a5-11e3-b9dc-c8e62cdc46dc_original

Het collectieve heruitvinden

Integrale overname van artikel van Dirk Holemans (foto), voor Rekto Verso (april-mei 2014)
Dit artikel maakt deel uit van het dossier Samen ik

Elk duurzaam model voor de toekomst zal een antwoord moeten bieden op de vraag hoe je bevrijde individuen tot meer samenwerking krijgt. Het peer-to-peermodel dat Michel Bauwens voorstelt in zijn boek De wereld redden, biedt alvast heel wat inspiratie. Het confronteert ook de kunstwereld met een paar fundamentele vragen.

In 1772 ronden Diderot en d’Alembert een ambitieus project af: het concept van de kennis veranderen. Zoals Diderot schrijft, ‘is het doel van een encyclopedie het verzamelen van de kennis die over de wereld verspreid is en haar als systeem aan onze samenleving te presenteren’. Dit werk staat symbool voor een trendbreuk in de visie op kennis. Gold tot dan de kerk als de traditionele autoriteit op vlak van wetenschap, dan is voortaan het uitgangspunt dat menselijke kennis voortkomt uit de mens zelf. En om alle menselijke kennis in kaart te brengen, engageren Diderot en d’Alembert 160 experts uit verschillende maatschappelijke domeinen. Dit model zal meer dan twee eeuwen dominant blijven, tot technologische innovaties de wereld helemaal veranderen.

Twee eeuwen later dus. Ten behoeve van zijn twee schoolgaande zonen koopt mijn vader de Nederlandstalige Standaard Encyclopedie. Een fors werk in twaalf banden van rood kunstleer. Het staat symbool voor de naoorlogse welvaartsstaat, waarin de middenklasse geniet van toenemende koopkracht, scholing en kennis. Tegelijk blijven, om een oud woord vanonder het stof te halen, de productieverhoudingen onveranderd. Een encyclopedie maken blijft het werk van een selecte groep experts. Aan de ene kant zijn er de commerciële uitgaven waar middenklassers veel geld aan uitgeven, omdat kennis toen nog een stevige investering waard was. Aan de andere kant is er de universiteit, ook een hiërarchische organisatie bij uitstek. Ik herinner me nog hoe ik als student aan de Universiteit Gent naar de Boekentoren trok, misschien wel de sterkste veruitwendiging van dit verticale type van kennismaatschappij. Het was een echte burcht: je meldde je aan bij een nukkige man in stofjas aan de balie en, als je geluk had, moest je geen uur wachten op het boek dat je wou ontlenen.

En dan nu: slechts een generatie later, mijn tieners thuis. De loodzware encyclopedie is vervangen door de vederlichte iPod, elke kennisvraag is vijf seconden later draadloos beantwoord door Wikipedia. Deze encyclopedie staat voor een heel ander kennis- en productiemodel, voor andere sociale verhoudingen. Hij wordt niet langer samengesteld door een kleine groep experten, maar door een groot netwerk van burgers. En zij doen het niet voor het geld, of voor een academische titel, maar uit intrinsieke motivatie. Iedereen kan bijdragen tot Wikipedia, de kwaliteitscontrole gebeurt achteraf, door mensen die daar de merites voor hebben. Een product dus van inzet onder gelijken, of peer-to-peer (p2p). Een team dat samenwerkt in een concurrentieomgeving, zoals bij de voormalige redactie van de Standaard of Winkler Prins, is gewisseld voor een samenwerkingsomgeving waarbinnen concurrentie speelt. We gaan van ‘coöperatie binnen competitie’ naar ‘competitie binnen coöperatie’.

DE REVOLUTIE VAN INTERNET

Volgens Michel Bauwens, auteur van De wereld redden. Met peer-to-peer naar een postkapitalistische samenleving, staat Wikipedia symbool voor de overgang naar een andere wereld. Het zal volgens hem uitgroeien tot dé vorm van samenwerking en productie van de eenentwintigste eeuw. En hij ziet voorbeelden in tal van domeinen, zoals opensourcesoftware. Ook daar drukte de p2p-besturingssoftware Linux grote bedrijven als IBM niet gewoon uit de markt. Nee, meer fundamenteel: het maakte dat deze besturingssoftware geen marktproduct meer is. Niet dat er niemand meer zijn brood mee verdient. Dat gebeurt nu als dienstverlener, voor het ontwerpen van specifieke toepassingen. Maar de broncode van Linux blijft voor iedereen toegankelijk: het is een voorbeeld van een nieuwe digitale commons, of gemeengoed. En ook op vlak van goederenproductie ziet Bauwens de grote, verticale bedrijven verdwijnen voor netwerken van microfabrieken. Daar wordt terug op maat van de behoefte geproduceerd door burgers, via open design en 3D-printers.

—————————————————————————————————————————-
Volgens Michel Bauwens staat Wikipedia symbool voor de overgang naar een andere wereld

—————————————————————————————————————————-

Deze ontwikkelingen passen in de radicale evolutie die onze samenleving ondergaat door de laatste golf van technologische innovaties. Net als de vorige vernieuwingen, denk aan stoomkracht of elektriciteit, is deze van informatie- en communicatietechnologieën disruptive: ze verstoort de maatschappelijke orde, maakt nieuwe zaken mogelijk. Bauwens schrijft: ‘Mijn belangrijkste thesis over het internet is dat het web horizontale contacten mogelijk maakt tussen gebruikers die zich vrijwillig met elkaar verbinden om te communiceren of samen te werken, zonder daarbij een beroep te moeten doen op traditionele, hiërarchische organisaties of instellingen. Die horizontalisering maakt een zeer bijzondere vorm van socialisatie mogelijk.’ De gebruikers van het internet kunnen immers zichzelf organiseren. En ‘lokaal’ betekent met het internet meteen ook ‘globaal’: zo kunnen lokale initiatieven op vlak van bijvoorbeeld stadslandbouw samenwerken in een globaal netwerk, opgedane kennis delen … Je krijgt hier een opschaling van wat voorheen enkel in kleine groep mogelijk was. Voor Bauwens vertegenwoordigt dit een revolutie: het werkt radicaal kosten- en drempelverlagend. Dankzij internet wordt autodelen kinderspel, net als tweehandsspullen doorverkopen of het netwerk van je oude schoolkameraden heropbouwen.

HET MODEL VAN PEER-PRODUCTIE

Hoe ziet Michel Bauwens de uitbouw van een p2p-systeem, dat op termijn in staat moet zijn het kapitalisme achter zich te laten? ‘Aan de basis dragen mensen bij tot bepaalde commons. Aan dergelijke commons zijn meestal verenigingen voor maatschappelijk nut verbonden, een doelgedreven organisatie die de infrastructuur van de commons beschermt en beheert. Marktspelers maken gebruik van de commons om geld te verdienen via allerhande complementaire diensten zoals opleiding, onderhoud, softwareaanpassing op maat van de klant enzovoort.’ Het p2p-systeem kan uitgroeien tot een autonoom systeem wanneer de gecreëerde gebruikswaarde beschermd kan worden door bijvoorbeeld een bijzondere licentie. Die zou kunnen bepalen dat de commons vrij beschikbaar blijven voor iedereen die ertoe bijdraagt, inclusief ethische bedrijven gedefinieerd als verenigingen voor maatschappelijk nut. Kapitalistische bedrijven moeten nog wel betalen. En in de mate dat commoners dan zelf hun eigen organisaties oprichten, zoals coöperatieven, kan er geld verdiend worden voor de instandhouding van de commons. In technische termen: zo gebeurt de sociale reproductie van de commons binnen de commons zelf. En dergelijke ethische bedrijven zouden een netwerk kunnen opzetten van onderlinge en transparante samenwerking, zoals bij Fora do Eixo (zie kader).

DE TOEKOMST VEROVEREN

Michel Bauwens is niet zomaar een naïeve denker die droomt van een nieuwe utopie. Als gewezen werknemer van Belgacom en British Petroleum kent hij het harde kapitalisme. Een p2p-wereld waarin de burger en de democratie zegevieren, is een mogelijkheid, maar zeker geen evidentie. Vanuit een helder historisch inzicht stelt Bauwens dat elke technologische schok de gevestigde orde verstoort, en emancipatorische kansen biedt om meer mogelijkheden te creëren voor meer mensen. Maar tegelijk wil de gevestigde orde dezelfde technologie naar zich toe trekken. De toekomst is dus onbeslist en hangt af van een reeks factoren, waaronder sociale strijd en sociale krachtsverhoudingen. Een belangrijk strijdpunt daarbij is, als vorm van nieuwe sociale zekerheid in een p2p-samenleving, dat iedereen recht heeft op een gegarandeerd basisinkomen.

—————————————————————————————————————————-
Naïef zijn is dus het domste wat we kunnen doen.
We moeten juist kritische en actieve encyclopedisten 2.0 worden

—————————————————————————————————————————-
Naïef zijn is dus het domste wat we kunnen doen. We moeten juist kritische en actieve encyclopedisten 2.0 worden.De emancipatie van burgers zal afhangen van hoe sterk zij inzicht krijgen in de digitale wereld, een eerste voorwaarde om er zelf greep op te krijgen. Want niet elk p2p-systeem leidt tot een commons, of is postkapitalistisch. Integendeel, voorbeelden als Facebook zijn juist hyperkapitalistisch. Terwijl de 1 miljard gebruikers zich amuseren – dat hoop ik toch – en genieten van de gebruikswaarde die ze zelf produceren, is er de 1% die schatrijk wordt van de ruilwaarde. En sterker nog: van enige democratie is geen sprake, de code en het design van Facebook zijn strikt geheim. Bauwens roept hier op tot actie: de overheid kan besluiten dat het om een infrastructuur van algemeen belang gaat, of gebruikers kunnen zich organiseren om Facebook over te nemen. In de kennismaatschappij zijn immers niet de arbeiders, maar de kenniswerkers de emancipatorische klasse. Hun productiemiddel – hun hoofd en laptop – neem je hen niet zomaar af. Ze werken ook meer en meer op zelfstandige basis, in variabele netwerken en projecten. De belangrijke vraag is dan ook hoe ze zich kunnen verenigen om strijd te voeren voor een verdere emancipatie.

EEN ANDERE WERELD, EEN ANDER MENSBEELD

Jean Lievens, de kompaan van Bauwens, stelt in de inleiding van het boek het uitgangspunt van p2p op scherp: ‘Ons economisch systeem steunt op het absurde idee van materiële overvloed en immateriële schaarste. We doen alsof de planeet oneindig is en plegen er roofbouw op. Anderzijds bouwen we met auteursrechten en patenten artificiële muren rond menselijke kennis om delen en samenwerking zo moeilijk mogelijk te maken.’ Een heldere analyse waar ik het mee eens ben. Alleen kan je zaken als het auteursrecht niet zomaar van vandaag op morgen afschaffen. En in feite is dat zelfs niet het voorstel. De hamvraag is hoe je zaken als culturele producten opvat: gaat het over een commons, waar burgers vrije toegang toe hebben om er verder toe bij te dragen, of gaan we mee in de verdere vermarkting van alles?

Interessant is ook het mensbeeld verbonden met de p2p-beweging: het erkent de fragmentatie van de mens onder de kapitalistische moderniteit en biedt daar een antwoord op. De identiteit kan heropgebouwd worden, zonder de illusie van homogeniteit te koesteren, door engagement aan verschillende p2p-projecten. Of in technische termen: het gaat niet om de zoektocht naar een nieuwe autoritaire collectivistische socialisering, wel om een vrije socialisering op basis van wat ons verbindt. De wijze waarop mensen zich in dergelijke horizontale netwerken tot elkaar verhouden, kan hen zonder toestemming doen samenwerken om gemeenschappelijke waarde te creëren, en is dus volgens Bauwens productiever dan de bestaande modellen.

INSPIRATIE VOOR KUNST EN CULTUUR?

De overgang die Bauwens schetst naar een andere wereld, met haar nieuwe praktijken en p2p-filosofie, kan een boeiende inspiratiebron zijn voor kunst en cultuur. Ik bespreek een aantal aspecten zonder volledig te willen zijn. Een eerste punt handelt over de mate waarin p2p-projecten, en de sociale logica ervan, verwantschap vertonen met culturele en artistieke productie – voor zover daar een scherp beeld van te maken valt. Een paar zaken vallen op. P2p-productie gebeurt uit vrije wil, vanuit gedrevenheid en passie. Productie en loon zijn ontkoppeld: de kunstenaar maakt geen koopwaar, met de klassieke ruilwaarde van een verhandelbaar product, maar heeft uiteraard wel onrechtstreeks een inkomen nodig. Verder is p2p ook altijd samenwerking rond een gemeenschappelijk doel: de logica van het doel bepaalt de sociale logica, waarbij elk peer-project een eigen invulling heeft. Dit lijkt veraf te staan van de nood van waaruit artiesten opereren, tenzij men die noodzaak en hun open nieuwsgierigheid kan formuleren als een gemeenschappelijk doel. We kunnen ook een stap verder gaan, en denken aan een aantal kunstenaars die in een (wereldwijd) p2p-netwerk samenwerken rond een gemeenschappelijke droom, uitdaging of probleemstelling. Zelf lijkt me de verhouding natuur/cultuur zo’n relevant onderzoeksthema: op meer en meer plaatsen in de wereld vernietigt de dominante cultuur de omringende natuur, vraagt dat niet om een ferme blik in de artistieke spiegel?

—————————————————————————————————————————-
De hamvraag is hoe je zaken als culturele producten opvat: gaat het over een commons,
of gaan we mee in de verdere vermarkting

—————————————————————————————————————————-
Een andere kwestie is de organisatievorm waartoe dat kan leiden. Voor Bauwens zijn de p2p-netwerken de voorbode van de nieuwe instituties die de huidige emancipatorische groep van kenniswerkers uitbouwen als uitdrukking van hun noden als nieuwe sociale groep. Hoe zit het met de instituties die kunstenaars uitbouwen? Kunnen we, de terminologie van Bauwens aanhoudend, de kunstenaars als de flexwerkers van de cultuursector beschouwen, die dan hun eigen p2p-netwerken kunnen opbouwen, zodat ze minder afhankelijk worden van de verticale kunstinstellingen? Daarbij aansluitend is er het vraagstuk rond nieuwe productiemodellen voor de culturele sector. Kan het model dat Bauwens schetst – met culturele commons beschermd door verenigingen voor maatschappelijk nut, en daarrond eigen economische actoren zoals coöperatieven – een inspiratiebron zijn? En wanneer starten we in Vlaanderen met een eigen versie van Fora do Eixo, inclusief een eigen complementaire munt? Hier en daar zie je al mooie aanzetten in hedendaagse netwerken rond nieuwe thema’s, zoals Green Track, waarbij cultuurinstellingen zich engageren om op ecologisch gebied met elkaar samen te werken en kennis uit te wisselen.

Zo komen we terug op de sociale logica van p2p: open samenwerking. Is er verwantschap met huidige artistieke praktijken? In hoeverre bouwt dat verder op historische ijkpunten, zoals het Gesamtkunstwerk uit de periode na mei ’68? Zoals de Nederlandse filosoof Henk Oosterling schrijft in zijn artikel ‘Gesamtkunstwerk’, is ‘een van de meest vooraanstaande exponenten van het Gesamtkunstwerk in deze turbulente tijd toch Joseph Beuys. Iedereen kent zijn in 1974 in een New Yorkse galerie gehouden “Aktion” Coyote. De publieksdeelname is bij Beuys echter beperkt: vaak kunnen zijn activiteiten slechts indirect door ramen of via de schermen van de technologische media worden gadegeslagen.’ Oosterling stelt dat er rond de vraag naar de aard van dit ‘Gesamt’ minstens drie voorstellen zijn gedaan door de geschiedenis: de samenstelling van diverse media door één kunstenaar; de samenwerking van een aantal kunstenaars vanuit hun eigen medium; en een kunstpraktijk waarbij het publiek onontbeerlijk is. Binnen dat laatste voorstel zijn er nog twee opties: het publiek kan passief observeren, of het kan actief participeren, waarbij dan sprake is van interactiviteit. Zo biedt p2p nieuwe inspiratie om de autonomie van de kunstenaar te herdenken in functie van nieuwe vormen van participatie. De frequentie waarmee ik de jongste jaren toeschouwers bij een voorstelling op de theatervloer heb zien staan – soms zonder dat ze dat voorzagen bij het begin van de voorstelling, zoals bij Alexis, a Greek Tragedy van het Italiaanse gezelschap Motus – doet mij vermoeden dat er bij een aantal makers wat gist.

—————————————————————————————————————————-
Fora do Eixo: een gigantisch p2p-cultuurnetwerk

Een schoolvoorbeeld van culturele peer-productie is Fora do Eixo. Het is een netwerk dat eind 2005 werd opgericht door culturele producenten uit de noordelijke, de zuidelijke en de westelijke regio’s van Brazilië. Het begon met de samenwerking tussen producenten rond de circulatie van muzikale projecten, de uitwisseling van productietechnologie en de handel van culturele producten. Door de middelen voor de muziekproductie (studio’s…), de instrumenten en de organisatie van festivals te mutualiseren, drukken de artiesten hun kosten, gaan tussenpersonen niet met het gros van de inkomsten lopen en werd een nieuw verdienmodel ontwikkeld.

Het is een model met verschillende lagen: het publiek, de cultuurproducenten en de organisatoren. Een van de belangrijke innovaties van Fora do Eixo is de introductie van een soort kredietkaart die maar liefst vier alternatieve munten hanteert. Dat betekent dat de interne processen niet door klassiek geld worden gemanaged, maar door een intern systeem dat de uitwisselingsstromen in evenwicht moet houden. Boeiend is ook dat de overheid met de Fora een partnership heeft afgesloten vanwege haar grote mobilisatiekracht. Zo ontstaat er zicht op een autonoom p2p-systeem.

—————————————————————————————————————————-

Dirk Holemans is coördinator van de denktank Oikos.

De wereld redden van Michel Bauwens valt te bestellen via www.oikos.be. Wees ook welkom op 27 april op Het Groene Boek, dé ontmoetingsplek voor al wie begaan is met de transitie naar een sociaalecologische samenleving.