Categorie archief: economie en bedrijven

dirk holemans

Met alle Chinezen… (maar waarom niet met ons?)

Eerst gepubliceerd in De Standaard van 11 juni 2016 (opiniepagina).
Overgenomen met toestemming van de auteurs Dirk Holemans en Steven Vromman.

Het is alsof niets meer werkt. Ministers morren omdat kiezers hun maatregelen niet waarderen, burgers gaan de straat op omdat ze onzeker zijn over hun toekomst. Het ongenoegen zit diep. Mensen zijn niet vergeten hoe banken gered zijn met hun belastinggeld. Is de beloning daarvoor dat hun geld op de spaarboekjes nu niets meer opbrengt? Klassieke instrumenten om vooruit te komen, zoals het sociaal overleg, haperen. Ondertussen vergeten we ons voor te bereiden op een duurzame toekomst.

Neem nu het energiebeleid. Federaal blijven we inzetten op versleten kerncentrales, waarbij we behalve de risico’s voor de bevolking jaarlijks nog 1 miljard euro winst cadeau doen aan het Franse Engie, moederbedrijf van Electrabel. Vlaanderen zal dan weer 2 miljard euro subsidies betalen aan een houtpelletproducent uit Estland om een verouderde steenkoolcentrale om te bouwen tot een biomassacentrale. Een belangrijk deel van de Turteltaks gaat naar de financiering van deze miskleun, die niet zal bijdragen aan een sociaal-ecologisch energiebeleid. Om daar iets over te lezen, moet je naar het buitenland kijken. Spanje produceert op winderige dagen meer groene stroom dan het zelf nodig heeft. Noorwegen wil zonder verpinken tegen 2025 de auto op fossiele brandstoffen bannen.

Ook ons land zit vol positieve energie, maar je moet het willen zien. Steeds meer burgers willen zelf de handen uit de mouwen steken om ons land voor te bereiden op de toekomstvaardig. Denk aan stadslandbouwprojecten, repaircafés, hernieuwbare-energiecoöperaties, weggeefpleinen, digitale uitleenplatformen.

Mindshift

Het zou evident moeten zijn dat regeringen deze burgerenergie inzetten. Toch gebeurt het niet. Het vraagt een mindshift: ministers en hun kabinetten beslissen niet langer alleen, co-creatie wordt het model. De ivoren toren vervelt tot horizontale netwerken. De tijd is gekomen om die banden tussen burger en staat te smeden.

Een unieke kans dient zich nu aan voor een essentiële infrastructuur: ons stroomnet. Het heeft er alle schijn van dat de intercommunale Eandis aandelen zal verkopen aan een Chinese investeerder (DS 2 juni). Eandis, dat zijn eigenlijk u en ik, die via onze gemeentebesturen een groot deel van ons elektriciteitsnetwerk (de distributie) in handen hebben. Deze netbeheerder, waar de regeringspartijen de lakens uitdelen, heeft extra kapitaal nodig. Een geweldige kans om de actieve burgers erbij te betrekken, zou je denken. Maar helaas.

Waarom vervangen we de Chinese investeerder niet door de gebruikers van het stroomnet, de bevolking? Bied de aandelen te koop aan aan de burgers, die zich kunnen verenigen in coöperaties. Zo garandeer je dat het algemeen belang voorgaat op dat van investeerders. In Duitsland, Denemarken en Spanje zijn steeds er steeds meer steden waar de burgers het distributienetwerk (deels) terugkopen, wat meteen een positief effect heeft op de dienstverlening en ecologische doelstellingen.

Zomaar Chinezen in plaats van de eigen bevolking mede-eigenaar maken van ons stroomnet, is om vier redenen een gemiste kans van­jewelste.

1. De transitie naar een duurzaam energiesysteem zit muurvast. Het onduidelijke groenestroombeleid heeft ongeveer iedereen kwaad gekregen. Door burgers mede-eigenaar te maken van het stroomnet, creëer je betrokkenheid en openheid. Chinezen die mee beslissen kunnen de zaak enkel bemoeilijken. Geven we zo onze autonomie niet op? Hebben we dan de ruimte om te gaan voor een smart grid dat klaar is voor 100 procent hernieuwbare energie?

2. Een deel van het ongenoegen heeft te maken met de steeds hogere energiefactuur, waarvan de distributiekosten een groot deel uitmaken. Buitenlanders investeren niet voor onze mooie ogen, ze willen rendement. Zal de stroom niet gewoon nog duurder worden?

3. Het zal nog slechter gaan met onze democratie: de intrede van een externe partner is meestal geen goede zaak voor de transparantie. Wegens commerciële belangen zal het voor de burgers moeilijker zijn inzage te krijgen in de boeken. Dat geldt trouwens in heel Europa: de Chinese partner heeft zich al ingekocht in Italiaanse en Portugese stroomnetten. Hoe zit het eigenlijk met de gewenste Vlaamse verankering van ons industrieel weefsel?

4. Het beloofde dividend aan de investeerder kunnen we veel beter gebruiken voor twee zaken: investeren in een smart grid en de burgers die mee investeren een centje laten meeverdienen. Een stuk van het geld kunnen we prima gebruiken om de omslag naar hernieuwbare energie te versnellen. En waarom bieden we burgers geen mooie kans om hun spaargeld te investeren in de toekomst van hun kinderen, terwijl het ook nog iets opbrengt? Wat willen de volkspartijen: de Chinezen rijk maken of het spaargeld van hun kiezers iets doen opbrengen?

12006159_10207424606596276_8552091078701843873_n

Niet de deeleconomie, maar de commonseconomie kan de wereld redden

door Jean Lievens
P2P Foundation Belgium

Eerst verschenen op De Wereld Morgen op 29 mei 2016 (blog Jean Lievens – originele tekst)

De deeleconomie staat steeds meer in de belangstelling, maar over de commonseconomie wordt helaas veel minder gesproken. Waarschijnlijk blijft dit voor velen te abstract, maar als we het hebben over de noodzaak van een transitie naar een duurzame economie en naar een meer rechtvaardige en democratische samenleving, dan is de commonseconomie wel de hefboom.

We leven in een verandering van tijdperk, gekenmerkt door economische en financiële crisissen, sociale onrust en politieke instabiliteit. Ons sociaale-conomisch systeem functioneert niet meer en “de politiek” draagt geen oplossingen aan. Anderzijds opent de technologische vooruitgang enorme mogelijkheden om de huidige ecologische, economische en sociale problemen op te lossen, maar binnen de oude structuren en denkschema’s werkt ze de financieel-economische en sociale crisis juist in de hand.

Er is veel sociaal verzet tegen de neoliberale tegen-hervormingen van de afgelopen jaren, maar vaak blijven protestbewegingen beperkt tot “tegen iets zijn” en is er een gebrek aan coherent alternatief. Ook klassieke linkse formules schijnen niet meer te werken of worden de nek omgedraaid binnen een vijandige internationale context, wat de Grieken aan de lijve mochten ondervinden.

Wel zijn overal in de wereld mensen actief betrokken in allerhande initiatieven om te bouwen aan een betere wereld. Velen hebben zich afgekeerd van de politiek en bouwen “het nieuwe binnen het oude”. Ze zijn actief op gebied van sociale rechtvaardigheid en solidariteit (vakbonden, coöperatieven, NGO’s, fairtradeorganisaties, noord-zuidbewegingen etc.), openheid en transparantie (open source beweging, open designgemeenschappen…) en duurzaamheid (circulaire economie, microfabrieken…).

Tussen deze verschillende groepen bestaat echter weinig interactie en ook binnen deze groepen is de fragmentatie vaak groot. Maar ze dragen wel de kiemen van een nieuw systeem, waarbij “de commons” het bindmiddel kan zijn. Een van de organisaties die hierbij een verbindende en katalyserende rol kan spelen, is volgens mij Hart boven Hard, zowel in haar hoedanigheid van netwerk als van beweging.

Maar laat ik eerst even beknopt de kern van het transitiemodel uitleggen dat de P2P Foundation voorstelt. Het boek De Wereld Redden bevat heel wat ideeën, maar vaak pikken mensen alleen dat eruit wat in hun kraam past. Om te beginnen hebben we nooit beweerd dat de “deeleconomie” de wereld zal redden, zoals Rogier De Langhe schrijft in een van zijn opiniestukken in De Morgen van 17 mei (Welke deeleconomie willen we?). In ons boek hebben we het over peer-to-peer, maar maken we een onderscheid tussen peer-to-peer marktplaatsen (waar de deeleconomie zich grotendeels afspeelt) en peer-productie van commons. Ons transitieverhaal steunt vooral op de tweede pijler.

De deeleconomie (alleen) zal de wereld niet redden

De deeleconomie zoals ze zich tot nu toe heeft ontwikkeld, wordt vooral gedomineerd door commerciële platformen die vraag en aanbod van markttransacties tussen individuen (denk aan de “gig”-jobs, het “delen” van autoritten tegen betaling, het verhuren van appartementen…) regelen via algoritmes en daar flink wat geld aan verdienen. De belangrijkste voordelen van deze modellen is dat ze voor de gebruikers vaak performanter en goedkoper zijn dan de traditionele modellen en dat ze zorgen voor een beter gebruik van de bestaande infrastructuur (het “deel”aspect) waardoor ze deel uitmaken van een noodzakelijke evolutie naar een meer duurzame economie.

Maar de keerzijde is ook niet mals: ze ontwijken allerhande wetgevingen waaraan de traditionele modellen wel aan moeten beantwoorden (sociale wetgeving, voorschriften inzake veiligheid en gezondheid etc.), ze investeren zelf niet in infrastructuur en wentelen alle risico’s af op degenen die hun platform gebruiken om geld te verdienen. Zelfs degenen die voor de vrije markt zijn en pleiten voor een gelijk speelveld, kunnen toch niet anders dan vaststellen dat we hier te maken hebben met oneerlijke concurrentie. Je kan dan twee zaken doen: ofwel het speelveld gelijkschakelen door deze platformen te onderwerpen aan dezelfde regels die gelden voor andere bedrijven, ofwel de regels voor andere bedrijven ook afschaffen. Dus hier pleiten we uiteraard voor klassieke regulering.

Alternatieven op commerciële platformbedrijven

Maar er zijn andere manieren om dergelijke kapitalistische platformen van antwoord te dienen. Laten we Uber nemen als voorbeeld. Zo heeft sharing city Seoel Uber ronduit verboden. Maar tegelijk ontwikkelde de stad wel een even gebruiksvriendelijk alternatief: een mobiliteitsapp op stadsniveau waarin de klassieke taxisector werd geïntegreerd. Vakbonden kunnen Uberchauffeurs organiseren en opkomen voor hun belangen (zo heeft Seattle onlangs Uberchauffeurs syndicale rechten verleend waardoor ze expliciet erkend werden als werknemers en niet als freelancers) of zelfs helpen met het opzetten van een coöperatieve die gebruik maakt van een eigen app. Zo gaan alle verdiensten naar de chauffeurs zelf en niet naar Silicon Valley. Op dat vlak zijn de initiatieven echter enorm versnipperd, want elke entiteit gebruikt andere open source applicaties en apps. Het komt er dus op aan om al deze mini-initiatieven te coördineren en te stroomlijnen binnen één netwerk.

Maar goed, we blijven hier nog altijd op het terrein van marktactiviteiten, het kopen en verkopen van diensten om geld te verdienen. Daar is niks mis mee, mensen moeten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Maar als er wordt samengewerkt rond één platform, beheerd door de stakeholders (dus niet alleen de chauffeurs , maar bijvoorbeeld ook de klanten en de overheid), dan wordt dit gemeenschappelijk platform wel de kern van de economische activiteit waaraan de marktactiviteit is ondergeschikt.

Er zijn natuurlijk ook tal van deelinitiatieven die een maatschappelijk doel voor ogen hebben, zoals autodelen op buurtniveau (vb. Dégage in Gent), of logies delen op wereldniveau (couchsurfing). Dit is de originele deeleconomie, die nog altijd bestaat én groeit, maar inmiddels in de media werd overschaduwd door Uber en Airbnb. Deze laatste is trouwens zelf begonnen binnen de reële deeleconomie, wat nog steeds vervat zit in de naam (air staat voor air matrass: het idee was een luchtbed in de living voor toeristen, in ruil voor een kleine deelname in de kosten). Met de intrede van venture capital werd het platform geprofessionaliseerd, er kwamen diensten bij (zoals een verzekering tegen vandalisme), maar bovenal vervoegden steeds meer professionele spelers het platform om appartementen te verhuren aan toeristen. Op die manier omzeilen ze stedenbouwkundige vergunningen en de wetgeving op hotels, jagen ze tegelijk de huurprijzen voor lokale bewoners omhoog en maken bepaalde buurten onleefbaar (denk aan Barceloneta in Barcelona). Tussen haakjes, het is ook belangrijk om op te merken dat alleen mensen die iets hebben iets kunnen ‘delen’ (lees verhuren). Een huurder mag meestal niet onderverhuren, ook niet via Airbnb.

De commonseconomie

Tot daar de “deeleconomie”. Wat echter veel belangrijker is in ons transitieverhaal, is de zogenaamde commons-economie en meer bepaald de creatie van commons van open software, kennis en design. Bekende commons zijn Linux, Wikipedia en Arduino, maar er bestaan duizenden andere voorbeelden. We hebben hier te maken met een postkapitalistisch model, omdat:

Het niet gebaseerd is op arbeid/kapitaal, maar op vrijwillige bijdragen
Het geen goederen of diensten voortbrengt om te verkopen op de markt (ruilwaarde), maar rechtstreekse gebruikswaarde die vrij beschikbaar is, in overvloed aanwezig, vrijwel kosteloos, oneindig reproduceerbaar en dus niet eens “vermarkt” kan worden.
Sommigen rangschikken ook deze commons onder de ‘deeleconomie’ omdat ze vrij beschikbaar zijn (en dus vrij kunnen ‘gedeeld’ worden), maar dan gooi je Uber en Wikipedia op één hoop, wat toch problematisch is. Om verwarring te vermijden is het dus aangewezen om bij elk project de volgende vragen te stellen:
wat is de hoofddoelstelling (maatschappelijk of winstgevend)?
wordt er gemeengoed gecreëerd dat vrij beschikbaar is?

Alleen in het twee geval spreken we van een commons-economie. Is de doelstelling maatschappelijk en wordt er gewerkt via een collectief deelplatform, dan is het deelplatform zelf de commons en kan je ook dit soort van deelinitiatieven tot de commons-economie rekenen. Gaat het om pure markttransacties, dan hebben we te maken met P2P marktplaatsen die strik genomen niets met delen te maken hebben, maar door deze platformen zelf en door de media wel als dusdanig genoemd worden, dus ik veronderstel dat we ermee moeten leven.

Een productiever model…

Het gemeenschappelijk creëren van open gemeengoed van kennis, softwarecode en allerhande ontwerpen blijkt in de praktijk veel sneller, efficiënter en productiever dan de traditionele (lees kapitalistische) manier om deze zaken voort te brengen. Sinds Wikipedia zijn papieren encyclopedieën alleen nog in tweedehandszaken verkrijgbaar. Wikipedia is gratis, wordt elke dag beter en volgt de actualiteit. Een paar minuten nadat de media hebben bericht over de dood van Prince, is de popster ook dood op Wikipedia. Open software is de norm binnen de softwarewereld geworden. Nasa, BMW, het CERN, het Witte Huis… gebruiken Linux, een software die vrij beschikbaar is voor iedereen. Er bestaan een dertigtal open source-auto’s (inclusief een open source zelfrijdende auto) die stuk voor stuk milieuvriendelijke en energiezuiniger zijn dan industriële wagens, alleen komen de banken niet met geld over de brug om de productie ervan te financieren, tenzij ten minste een deel van het ontwerp beschermd wordt door patenten. Tot nu toe lijkt LocalMotors, een semi-open source wagen die in een microfabriek via 3D printing kan worden geproduceerd het enige model dat ook economisch succesvol is. Maar er zijn ook open source robotten, open source landbouwmachines, open source laboratoriumapparatuur en duizenden andere open hardwaresystemen. Daarnaast is er ook het delen van kennis allerhande, zoals open wetenschap tegenover het peperduur verkopen van academische artikels door privé-uitgeverijen.

… gedomineerd door het kapitalisme

Maar net als de deeleconomie waarvan eerder sprake, wordt ook de commonseconomie volop “gerecupereerd” door het kapitalisme, hoewel “gebruikt” me een beter woord lijkt in deze context, want er is hier toch iets anders aan de hand. We krijgen namelijk een model waarbij bedrijven die elkaar beconcurreren op de markt, wel samen bouwen aan een commons. Als toemaatje krijgen ze er de bijdragen bij van vrijwilligers die voor allerhande redenen gratis bijdragen tot het gemeengoed. Neem open software. Ongeveer 75% van de programmeurs die bijdragen tot Linux, worden betaald door grote bedrijven zoals IBM en Red Hat, die net als Google, Intel, HP, Samsung, Cisco enzovoort de Linux Foundation financieren. Waarom? Omdat het stukken goedkoper en efficiënter is Linux te helpen ontwikkelen dan eigen software te ontwikkelen. Voor hen is Linux een goedkope grondstof die ze kunnen gebruiken om andere diensten aan te bieden op de markt, meestal het maken van een gebruiksvriendelijke versie op maat van hun klanten, maar ook onderhoud, training, consultancy, enzovoort.

Laten we een voorbeeld nemen uit de open hardware. Alles wat de mens maakt, moet eerst ontworpen worden. Er komen meer en meer ontwerpen tot stand door open en transparante samenwerking van bijdragers via het internet. Het internet wordt naast een goedkoop communicatie- en coördinatiemiddel dus ook meer en meer een universeel productiemiddel. Tegelijk vervaagt de grens tussen (digitaal) ontwerp en geautomatiseerde productie. Machines zijn immers gekoppeld aan computers. Voeg daaraan toe dat na de miniaturisering van de computer ook de miniaturisering van machines aan de orde van de dag is, waarbij je “meer kunt doen met minder”, en je ziet meteen het potentieel dat zich opent om ons maatschappelijk en economisch model volgens volledig andere lijnen te gaan ordenen. Maar dat kan alleen als we ons organiseren en bewust modellen ontwikkelen die dat ook in de praktijk brengen. Want tot op heden, zwaait het kapitaal nog altijd de scepter, ook in de wereld van de commons.

Je hebt immers nog altijd kapitaal nodig om iets te produceren: een fysische ruimte, grondstoffen en arbeid. Je verlaat de digitale, postkapitalistische wereld van de overvloed en betreedt in zekere zin weer de wereld van arbeid en kapitaal. Maar ook binnen dat kader heb je de keuze welk soort van organisatie je hiervoor opricht. Een coöperatieve is hier ongetwijfeld de meest geschikte bedrijfsvorm omdat haar eigendom- en beheermodel het best aansluit met de peer-to-peer waardecreatie in de commons. Omdat jonge ondernemers vaak niet vertrouwd zijn met het coöperatieve model, domineren durfkapitalisten (venture capital) die torenhoge rendementen terugeisen voor hun investering logischerwijze nog altijd de open hardwaregemeenschappen, hoewel we oog moeten hebben voor de oprukkende fablabs, hackerspaces, co-working spaces en makerspaces die vaak ondersteund door lokale overheden, scholen of universiteiten, en ook via crowdfunding.

Sociale ondernemers

Het is belangrijk hier een punt te maken over sociale ondernemers. Klassiek links haalt vaak de neus op voor ondernemers omdat ze die onterecht vereenzelvigen met “kapitalisten”. De woorden “sociaal” en “ondernemen” vinden ze een contradictio in terminis. Bovendien schieten veel politici van groene en sociaaldemocratische partijen die ondernemers omarmen (zonder evenwel een onderscheid te maken in de aard en de grootte van de bedrijven) tegelijk op de vakbonden die ze bestempelen als “conservatief”. Ze behoren historisch tot de neoliberale strekking (gelukkig op zijn retours) die de derde weg van Blair voorstaat. Maar stel je in de schoenen van een jonge ingenieur die de wereld wil verbeteren. Geloof me, ze zijn niet in de minderheid. Zo wilt 98 procent van afgestudeerde ingenieurs in Finland duurzaam ontwerpen. Alleen… als ze het geluk hebben een baan te vinden in een klassiek bedrijf, moeten ze zorgen voor ingeplante slijtage. Het alternatief is zich aansluiten bij een open hardwaregemeenschap en proberen zelf of met vrienden een bedrijfje op te starten. Als je bijdragen levert voor een open ontwerp, is er immers geen enkel reden om slijtage in te plannen. Je probeert een product zo goed mogelijk te ontwerpen.

De laatste jaren zien we meer en meer jongeren die ecologische en maatschappelijke problemen willen oplossen door zelf een bedrijf op te starten. Maar ook mensen die al jaren voor traditionele bedrijven werken, stappen voor allerhande redenen uit de ratrace en gaan zelf een sociale bedrijfsactiviteit beginnen die goed is voor de samenleving en die hun eigen leven veel meer zin geeft. Het is juist dat we hier vaak te maken hebben met een geprivilegieerde groep, maar dit fenomeen illustreert toch een uittocht uit het bestaande systeem, zowel vrijwillig als gedwongen.

Alleen… je moet natuurlijk wel geld verdienen om te overleven. Het grootste probleem vandaag is dat de commons, die een steeds grotere plaats innemen in de kapitalistische economie, nog steeds ondergeschikt zijn aan het overheersende model en alleen collectief reproduceerbaar zijn maar niet individueel. Wat bedoel ik daarmee? Als individu kan je tijdelijk gratis bijdragen tot commons (als je student bent, werkloos, of in je vrije uurtjes), maar je kan dat niet blijven doen. De commons blijven echter collectief overleven omdat er steeds nieuwe mensen bijkomen die bijdragen leveren, terwijl anderen wegvallen.

Nieuwe bedrijfsmodellen

De vraag van een miljoen is dus: hoe kunnen we bedrijfsmodellen ontwikkelen die het de commoners (bijdragers tot commons) mogelijk maakt om in hun levensonderhoud te voorzien? Gelukkig is dit geen theoretische vraag aangezien er volop aan deze modellen wordt gewerkt. Met andere woorden, er bestaan reeds ethische bedrijven die samen een commons produceren, zoals Enspiral, een jong bedrijvennetwerk dat Loomio (een samenwerkingssoftware) en Co-Budget (een app om democratische investeringsbeslissingen te nemen binnen het netwerk) heeft ontwikkeld en “Stuff that Matters” als baseline heeft. Het initiatief ontstond in Nieuw-Zeeland, maar het netwerk groei als kool en de open software Loomio is inmiddels uitgegroeid tot een zelfstandig bedrijf (een coöperatieve in eigendom en zelfbeheer van de werknemers) binnen het Enspiral netwerk, met wereldwijde vertakkingen.

Ik geef deze voorbeelden mee om ons verhaal wat concreter te maken zodat de verhaallijn duidelijker wordt. Wij denken namelijk dat er een nieuwe economie in wording is rond de commons. Deze economie wordt inderdaad gedomineerd door het kapitaal, maar veroorzaakt binnen het kapitalisme een waardecrisis: de geproduceerde gebruikswaarde groeit exponentieel, maar de gerealiseerde marktwaarde stijgt slechts lineair en wordt grotendeels “opgevangen” door het kapitaal. Maar naarmate het kapitaal investeert in peer-to-peer-netwerken en commons, versterkt ze die tegelijk en maakt aldus het potentieel alternatief sterker. Vroegere systeemovergangen vonden op dezelfde lijnen plaats: het oude systeem maakt gebruik van het nieuwe systeem om zijn bestaan te rekken, maar versterkt daardoor het nieuwe systeem tot een punt wordt bereikt waarop het nieuwe systeem kan doorbreken en dominant worden.

Vandaag wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe bedrijfsmodellen, vaak coöperatieven, die commons voortbrengen en tegelijk in het levensonderhoud voorzien van de coöperanten. Ook wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe manieren om de waardecreatie binnen de commons te registreren (open boekhouding) en die te koppelen aan vergoedingen voor de commonors indien de projecten marktwaarde realiseren. Er ontstaan ook nieuwe solidariteitsmechanismen, zoals de broodfondsen in Nederland, een sociaal zekerheidssysteem op minischaal voor “zzp-ers” (zelfstandigen zonder personeel, hier meestal freelancers genoemd). Zo zie je dat de mutualiteiten van de vroege arbeidersbeweging vandaag nog eens dunnetjes overgedaan door mensen die buiten de mazen van het sociale zekerheidssysteem vallen.

Ook de nieuwe coöperatieven die wereldwijd groeien als kool brengen de hoogdagen van de arbeidersbeweging in herinnering. Ook zij probeerden het nieuwe te bouwen binnen het oude, maar streefden vooral naar het veroveren van de politieke macht om de economie gradueel (door hervormingen) of min of meer volledig (door revolutie) via de staat over te nemen. De traditionele coöperatieven werden echter grotendeels weggeconcurreerd door multinationals die over meer kapitaal beschikten en dankzij schaalvoordelen goedkopere producten konden op de markt brengen. Coöperatieven die overleefden, konden dit alleen door zich net te gedragen als kapitalistische bedrijven waardoor ze op de duur nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren. Toch kan de historische arbeidersbeweging een grote inspiratiebron zijn voor de open source- en commonsbeweging. Alleen is haar heroïsche geschiedenis gedurende de laatste decennia (en zelfs langer) grotendeels ondergesneeuwd door bureaucratisering en incorporatie binnen de staat.

Kloof tussen precariaat en salariaat dichten, niet aanwakkeren

Dat laatste verklaart waarom veel jongeren die zich wel als een vis in het water voelen in de open source- en commonsbeweging, zich niet herkennen in de huidige arbeidersbeweging. Deze laatste is dan weer al decennia in een defensieve strijd verwikkeld voor het behoud van sociale verworvenheden en vindt moeilijk aansluiting bij jongeren die opgroeien in een tijd waarin het oude sociale contract meer en meer wordt opgeblazen voor de nieuwe generatie. Sommigen concluderen daaruit dat de klassenstrijd moet wijken voor een generatiestrijd. Niet het falend systeem is verantwoordelijk, wel de oudere generatie die de rijkdom heeft opgesoupeerd waardoor er niks meer overblijft voor de jeugd . Hoewel minder brutaal (hoewel…) lijkt dit de redenering die ook economiefilosoof Rogier De Langhe volgt in zijn recente columns. Rogier geeft toe dat er een systeemcrisis is, maar vindt dat “wij daar allemaal samen” voor verantwoordelijk zijn. Zoiets kan je natuurlijk alleen maar beweren als je de klassennatuur van onze samenleving ontkent. Maar zelfs dan is het hallucinant om het volgende te beweren: ”Zoals in 2008 bleek dat bankiers niet hadden kunnen weerstaan aan de ‘hebzucht’, zo blijkt vandaag dat ook de vakbonden te ver gingen. Ze verwierven meer rechten dan duurzaam over de generaties heen konden worden voorzien. Zelfs de banksters waagden het niet het land plat te leggen uit protest tegen het instorten van het kaartenhuisje dat ze zelf hadden gebouwd.” (De Morgen van 25 mei 2016: Waarom betogers op bankiers lijken”)

Rogier vindt de vakbonden blijkbaar nog erger dan de banksters. Hij pleit wel voor meer solidariteit, maar dan wil binnen de groep van “have nots”: “Ik droom van een herverdeling van sterk naar arm, in plaats van van niet-gesyndiceerd naar gesyndiceerd en van ongeboren naar vandaag.” Dat er in de afgelopen dertig jaar 10 procent van het BNP verschoven is van Arbeid naar Kapitaal is bijzaak, want “De bedragen waar het om gaat, zijn zo gigantisch dat een vermogensbelasting weinig verschil maakt. Zeker in een land als het onze illustreert het discours over de 1 procent vooral dat het makkelijker is de schuld bij een externe vijand te zoeken, dan bij onszelf.”

Er bestaat ongetwijfeld een spanningsveld tussen de klassieke arbeidersklasse die bestaat uit (vaak oudere) werknemers die in een hiërarchisch verband voor een bedrijf werken, en de nieuwe klasse van precaire en autonome werkers die rechtstreeks voor de markt (moeten) werken. Dat kan gedwongen zijn omdat ze geen werk vinden, maar velen doen het ook vrijwillig, ook uit sociale bewogenheid. Die groep gebruikt het internet en de commons voor het opzetten van nieuwe solidariteitsmechanismen. Op dat vlak speelt Smart.be in België een voortrekkersrol. We hebben de vakbonden al vaker op de korrel genomen omdat ze deze groeiende groep precaire werkers rechts laten liggen (in Nederland is binnen het FNV al geruime tijd een fel debat aan de gang). We moeten bruggen bouwen tussen precaire en “beschermde” werknemers, niet door de rechten van de ene groep af te bouwen ten voordele van de andere, maar om samen te ijveren voor een maatschappij die eerlijkere, democratischer en meer gelijk is dan de huidige. Helaas drijft Rogier de tegenstelling tussen beide groepen op de spits en door ongenadeloos de vakbonden te viseren in hun verzet tegen de regeringsmaatregelen, staat hij objectief gezien natuurlijk 100 procent aan de kant van de regering die hij in zijn columns nooit op de korrel neemt.

De commons als nieuw bindmiddel in een positief transitieverhaal

Maar goed, terug naar mijn verhaal. Wat in het oude verhaal van de arbeidersbeweging ontbrak, was een nieuwe manier om waarde te creëren en te herverdelen, die bovendien superieur is aan het oude model. Vandaag bestaat deze nieuwe productiewijze wel. In het oude verhaal versloeg groot klein. Altijd. Vandaag kan een netwerk van veel kleintjes groot verslaan. Denk aan Linux en Wikipedia. De nieuwe platformbedrijven of “netarchische” kapitalisten (kapitalisten die heersen over het netwerk), zijn nog piepjong (Google is 20 jaar oud, Facebook 12, Uber 6) maar hebben in een mum van tijd de wereld veroverd. De vraag is hoe duurzaam die bedrijven zijn op langere termijn, gezien hun parasitair karakter en het feit dat de waarde die ze onttrekken uit menselijke samenwerking niet terugvloeit naar de mensen die deze waarde creëren.

Er bestaat volgens mij geen uniforme formule om deze bedrijven aan te pakken. Sommigen kunnen op termijn weggeconcurreerd (of weg”samengewerkt”) worden door nieuwe, coöperatieve modellen, op voorwaarde dat deze globaal opgeschaald worden (samenwerking in wereldwijde netwerken). Zowel de overheid als de traditionele organisaties van de arbeidersbeweging kunnen daarin een stimulerende rol spelen. Anderen zoals Google of Facebook worden best “openbare nutsbedrijven”, zoals destijds de spoorwegen en de elektriciteitsbedrijven. Natuurlijk zijn deze privéplatformen wereldwijd actief, maar ze zijn wel ingebed in een staat (meestal de VS) waarbinnen een politieke strijd kan gevoerd worden om ze om te turnen in door stakeholders beheerde nutsbedrijven (geen traditionele staatsbedrijven dus). Buiten de VS kunnen en worden ze via regulering meer aan banden gelegd, hoewel de resultaten nog niet spectaculair te noemen zijn (bv. Europa versus Facebook en Google).

Om te resumeren, wil ik de volgende stellingen poneren:

De commons kunnen het bindmiddel zijn van een nieuwe progressieve beweging
De drie groepen die mondiaal actief zijn in transitiebewegingen (rond ecologie, solidariteit en open source) moeten elkaar beter leren kennen en meer gaan samenwerken

Tegelijk kan geijverd worden voor een commons-transitieprogramma dat streeft naar een nieuw economisch-maatschappeijk paradigma dat steunt op drie pijlers:
Een productieve civiele maatschappij van burgers die vrijwillig bijdragen tot commons
Een ethische bedrijvencoalitie rond deze commons
Een nieuw overheidsmodel waarbij de overheid optreedt als partnerstaat die peer-productie van vrije burgers faciliteert en ondersteunt (met geld, infrastructuur, onderwijs etc.) Deze staat vervangt de welvaartsstaat niet, maar overstijgt ze. Strijden tegen de afbouw van de welvaartsstaat blijft dus 100 procent een progressieve strijd.

Daarnaast dringt zich een herlocalisering op van de productie in microfabrieken die eveneens wereldwijd genetwerkt zijn en aldus een tegengewicht kunnen bieden op transnationaal niveau tegenover de multinationals. Op die basis kunnen we de ecologische crisis bezweren (duurzame lokale energiecoöperatieven aangesloten op een smart grid, drastische vermindering van transport- en energiekosten, transparante aanvoerketens ten dienste van een circulaire economie waardoor het generatief vermogen van de planeet volledig wordt hersteld etc.)

Voor meer info:

P2P Foundation
Enspiral
Jean Lievens

Schermafbeelding 2015-06-09 om 20.18.11

MEER MARKT BETEKENT: MEER BUREAUCRATIE

Origineel artikel door Eelke Van Ark:
gepubliceerd op “Follow the Money“, 8 juni 2015
Meer marktwerking leidt niet tot minder, maar tot meer bureaucratie, stelt David Graeber in zijn nieuwste boek Utopia of Rules. De vergelijking met de Nederlandse zorgsector dringt zich op.
De Amerikaanse antropoloog David Graeber, professor aan de London School of Economics, is zo’n schrijver die je aan het denken zet op een manier die weinigen gegeven is. Zo haalde hij met zijn fascinerende boek Debt, the first 5000 years, onze fundamentele manier van denken over geld, schuld en krediet overhoop met een uiteenzetting over hoe geld daadwerkelijk ontstond. Niet, zoals ons geleerd wordt op school, om ruilhandel makkelijker te maken – maar vanuit een complex systeem van wederzijdse gunsten en sociale transacties; ofwel krediet was de voorloper van geld. Dit jaar verscheen zijn boek Utopia of Rules: on technology, stupidity, and the secret joys of bureaucracy, dat eenzelfde poging doet om onze ideeën over bureaucratie op de proef te stellen.

Het is een essaybundel in drie delen, die met kleurrijke voorbeelden vanuit de prehistorie tot aan het verschijnen van de film The Dark Knight Rises onze wereld toont als een immer uitbreidende bureaucratie die steeds meer aspecten van ons leven omvat en onze inventiviteit en creativiteit smoort. Maar tegelijkertijd werpen deze opstellen een licht op de aantrekkelijke kanten en de functionaliteit van een onpersoonlijk regelframewerk.

De IJzeren Wet van Liberalisme
Graeber gaat in Utopia of Rules voortvarend van start door ons voor te houden hoe het discours over bureaucratie steeds meer verdween, terwijl de hoeveelheid papierwerk steeg. ‘Bureaucracy is the water in which we swim‘, stelt hij. We ademen bureaucratie, het valt ons nauwelijks meer op en daarom praten we er niet meer over. Ter illustratie bevat het boek twee grafieken. Een die het gebruik van het woord ‘bureaucratie’ met een piek vlak voor de jaren tachtig weergeeft, en een van in het algemeen aan papierwerk gerelateerde termen. Die vertoont een hockeystick-curve die blijft stijgen tot in het heden.
De grootste eye-opener van het boek volgt al vlot. Die hangt samen met de manier waarop we markt en overheid zien: als twee onafhankelijk bestaande, ja zelfs diametraal tegenovergestelde realiteiten die niets met elkaar te maken hebben. Een illusie die zijn oorsprong vindt in het liberalisme van de negentiende eeuw met zijn droom van een markt die vrijheid zou bieden en de macht van de autoritaire staat uiteindelijk zou ondermijnen. Maar, laat Graeber zien, geen enkele markt is ooit ontstaan buiten die overheid om. Integendeel: markten zijn altijd ofwel het bijproduct geweest van overheidsingrijpen, ofwel direct door overheden geschapen.

Met die droom van marktvrijheid ontstond ook de overtuiging dat de markt het fenomeen bureaucratie vanzelf zou oplossen. Een idee dat we vandaag de dag nog voor lief nemen: overheid staat gelijk aan bureaucratie, terwijl elementen van markt en marktwerking geassocieerd worden met minder regels en meer efficiency.

Niets was echter minder waar, demonstreert Graeber aan de hand van de opkomst van het Engelse liberalisme: dat leidde tot een explosie van dienaren van die bureaucratie: juristen, notarissen, inspecteurs, politie-functionarissen en meer. ‘Het onderhouden van een vrije markteconomie bleek duizendmaal meer papierwerk te vergen dan een absolute monarchie in de stijl van Lodewijk de Veertiende’.

Die groei van bureaucratie was er niet ondanks maar terwille van de vrije markt, bureaucratie diende juist voor het faciliteren van die markt. Dit zien we zo vaak terug in onze wereld dat David Graeber er een sociologische wet voor voorstelt: De IJzeren Wet van Liberalisme. Die stelt: iedere markthervorming, ieder initiatief vanuit de overheid om te dereguleren en marktelementen de ruimte te geven, zal uiteindelijk leiden tot een toename van de totale hoeveelheid papierwerk en het aantal ambtenaren dat de overheid in dienst heeft.

Oftewel: meer markt brengt altijd meer regels en meer papierwerk.

‘Deregulering’ in de zorg
Hoe dit idee ook tegen ons intuïtieve beeld van de markt als flexibele, regelarme vrijplaats indruist – Graeber maakt hier een uitstekend punt. De enige plek in het Nederlandse debat waar de afgelopen paar jaar voorzichtig het thema bureaucratie weer opduikt, is niet voor niets de vers geprivatiseerde zorgsector.

Een eerste vereiste om van de zorg een markt te maken was het ontwerpen van een stelsel om alle mogelijke behandelingen als uniforme producten te kunnen voorzien van een prijs. Het systeem van Diagnose- en Behandelcombinaties, kortweg ‘DBC-systeem’, werd daarvoor opgetuigd. Veertigduizend verschillende ‘zorgproducten’ werden daarin beschreven. Het systeem zorgde voor een enorme toename aan administratieve lasten, was even prijsopdrijvend als het 26 jaar eerder ook al was toen het in de Verenigde Staten werd ingevoerd en is inmiddels vervangen door een versimpelde versie getiteld ‘DBC’s op weg naar Transparantie’ – met alle menselijke en financiële inzet van dien en de bijbehorende regels en verplichtingen ten opzichte van het gebruik van het systeem.

Ziekenhuisfusies
Maar een misschien nog simpelere illustratie van Graeber’s punt is te vinden in de recente discussie in onze omgeving over ziekenhuisfusies. Dat ziekenhuizen het aantrekkelijk vinden om te fuseren zag iedereen aankomen: de stimulans daartoe is groot, doordat de instellingen een betere onderhandelingspositie willen in de verplichte onderhandelingen met de machtige zorgverzekeraars. Dat te grote ziekenhuizen onwenselijk zijn, vinden zelfs de voorstanders van het zorgstelsel, minister Edith Schippers voorop.

Er waren in principe twee opties: óf een algeheel fusieverbod – zoals dat ook al eerder van kracht was geweest, óf fusies toelaten onder voorwaarden. De eerste optie is direct overheidsingrijpen op de vrijheid van ziekenhuizen. De tweede is een vorm van meer marktvrijheid, waarbij twee toezichthouders per geval groen licht geven voor een fusie of niet. Aan de hand van een aantal protocollen en criteria uiteraard. Liberaal Schippers koos vanzelfsprekend voor de laatste optie. Met als gevolg: een flinke ureninzet van de toezichthouders om de fusievoorstellen te beoordelen, waarvan er een achteraf liet weten dat de meeste fusies tot onacceptabele prijsstijgingen zouden leiden. Geen enkele fusie werd afgewezen, wat leidde tot nieuwe commotie over de ziekenhuisfusies in de politiek en de roep om beter toezicht. Een verbod had zowel de belasting van de toezichthouders bespaard als de commotie over gevaarlijke fusies.

Winstuitkering
Tot slot laat het wetsvoorstel dat winstuitkering in de zorg mogelijk moet maken, zien hoe meer marktvrijheid meer bureaucratie veroorzaakt. Op dit moment is het nog steeds verboden voor een zorginstelling om winst uit te keren aan aandeelhouders. Bijzonder markt-onvrij, zou je kunnen zeggen. Edith Schippers wil op dit punt dan ook graag dereguleren. Winstuitkering moet mogelijk worden. Gewoon dat verbod opheffen dus?

Dat blijkt lastig: door zonder verdere voorwaarden aandeelhouderswinst mogelijk te maken, wordt het voor investeerders van twijfelachtig allooi ook makkelijk om een instelling leeg te trekken. Al zou de investeerder het in principe goed menen: onder druk van aandeelhouders winst maken geeft veel risico op beknibbelen op kwaliteit of het verhogen van prijzen, vrezen economen. Daarom zijn er allerlei extra wettelijke voorwaarden nodig om winstuitkering mogelijk te maken. Ten eerste de wet zelf, die eind 2014 werd teruggetrokken door Schippers om hem later opnieuw voor te kunnen leggen aan de Kamer. Daarin staat onder meer opgenomen aan welke voorwaarden een ziekenhuis moet voldoen om winst te mogen uitkeren en na hoeveel tijd dat mag. De wet zou een heel nieuw toetsingskader voor ziekenhuizen met zich meebrengen, om maar te zwijgen over bijkomende beleidsregels of inzet van toezichthouders en juristen als ziekenhuizen daadwerkelijk met hun aandelen de markt zouden betreden.

De IJzeren wet van Liberalisme lijkt hier kortom onverkort op te gaan: dat wordt een flinke groei in papierwerk.

Menselijkheid
Graebers boek is een aanklacht tegen het steeds verder uitbreiden van bureaucratie. Het bedrijfsleven wordt in groeiende mate beheerst door bureaucratieën, niet alleen van buitenaf maar ook van binnenuit. Grote bedrijven zijn in feite bureaucratieën op zich. Zoals de zorgverzekeraars in Nederland dat zijn, maar ook het gemiddelde telecombedrijf of de bank. Deels is dat noodgedwongen: zowel Achmea als DSW hebben zich te houden aan de verplichtingen die de overheid stelt aan zorgverzekeraars. Dat krijg je als je als commercieel bedrijf een publieke taak moet uitvoeren. Maar deels hangt dat ook samen met de grootte van het bedrijf. De grote zorgverzekeraars zijn met hun enorme klantenbestanden per definitie aangewezen op de binaire logica van de bureaucratie die alles vereenvoudigt en standaardiseert; iets anders zou het niet werkbaar zijn.

Het gevaar daarvan is volgens David Graeber de teloorgang van onze capaciteit voor innovatie en het creatief oplossen van problemen. Wetenschappers zijn meer tijd kwijt met het invullen van formulieren en het schrijven van onderzoeksaanvragen, laat hij zien, en het pitchen van een origineel idee is per definitie weinig kansrijk voor het ontvangen van financiering. Managers moeten in de bureaucratie namelijk kunnen aantonen dat ze onderzoeksgelden zinnig besteden en zijn daarom op zoek naar veilige investeringen. Een origineel idee is risicovol: niemand heeft namelijk ooit laten zien dat het werkt. Zo smoort de auditcultuur ieder creatief initiatief in de kiem.

Ook daarin dringt de vergelijking met de zorg zich op. Het controleren van kwaliteit van zorg lijkt een doel op zich te worden. Het aantal kwaliteitsindicatoren vertienvoudigde de afgelopen vijf jaar en oud-minister Hans Hoogervorst zegt in bestuursblad Lucide begin dit jaar dat het nog maar het begin is: ‘Kwaliteitsmanagement staat nog maar in de kinderschoenen’. De hoeveelheid tijd en middelen die in het controleren en administreren van al die indicatoren gaat zitten verdringt niet alleen in financieel opzicht de professional, maar ook diens vakkennis en creatieve vermogen tot probleemoplossing.

De binaire logica van de zakelijke bureaucratie, waarin alles noodzakelijkerwijs versimpeld, onpersoonlijk en inwisselbaar is, botst met de fundamentele menselijkheid die de zorg hoort te behouden.

Om daaruit te komen, is het zaak om onze systemen ondergeschikt te maken aan hun intrinsieke bedoelingen. Professionals en patiënten de ruimte te geven voor nieuwe oplossingen. Dat vergt een kritische blik op zowel de zucht naar controle en beheersing van de zorg als de notie dat marktmechanismen vanzelf alles wel op zouden lossen.

Het is tijd om in actie te komen. In een wereld waar alles om geld draait, kunnen we alleen samen het verschil maken

pompen

Wereld subsidieert fossiele brandstoffen met €150.000 per seconde

Bron: Radio 1 (21 mei 2015)
Van de stelling dat fossiele brandstoffen te goedkoop zijn, zal u niet van uw stoel vallen. Maar het IMF heeft de werkelijke kosten van het gebruik van gas, olie en steenkool berekend, en die liggen wereldwijd zo maar eventjes 4775 miljard euro (5300 miljard dollar) hoger dan er nu wordt betaald.

Uit een rapport dat het IMF pas publiceerde, zou blijken dat de fossiele brandstoffensector dit jaar zo’n 4775 miljard euro overheidssubsidies geniet. Dat is 9 miljoen euro per minuut of 150.000 euro per seconde.

Het IMF noemt het schokkend dat globaal meer geïnvesteerd wordt in fossiele brandstof dan in gezondheidszorg. En dat kosten die klimaatopwarming, milieu- en gezondheidsschade en verlies aan biodiversiteit met zich meebrengen, niet worden doorgerekend.

Bovendien hebben subsidies die bedoeld zijn om energie betaalbaar te maken voor de allerarmsten niet het beoogde effect, schrijft het IMF. Het zijn vooral de rijken die er nog rijker van worden.

Onze vragen zijn vooral retorisch van aard. Hoe moet de hernieuwbare energiesector daar tegenop concurreren? Had de G-20 in 2009 in Londen niet besloten tot een ‘groen en duurzaam herstel‘? Wie of wat kan het tij toch nog doen keren?

Benieuwd of onze favoriete kenner van de internationale energiepolitiek ook zo geschrokken is van dat rapport.

Luister naar de podcast

Steve Keen over geld en schulden

Economen weten vooral waarom ze geld en schulden niét in hun modellen hebben stelt Steve Keen, Professor of Economics & Finance University of Western Sydney.
Door private schulden wel te verwerken in een economisch model wist Keen al in 2005 dat er een crisis aan zat te komen; de private schulden werden veel te hoog.
Keen was onlangs gastspreker bij Duisenberg School of Finance. http://bit.ly/1kvVFyP

oshw-logos

Een nieuw verhaal voor links

eerst gepubliceerd in de Wereld Morgen

Links heeft een nieuw, optimistisch verhaal nodig. Het oude werkt niet meer. Welbeschouwd speelt de arbeidersbeweging al minstens drie decennia in verdediging. Met dit defensieve spel verliest ze de ene match na de andere. Als het roer niet snel wordt omgegooid, dreigt de degradatie, of erger. Een heroriëntatie naar nieuwe burgerinitiatieven en -bewegingen dringt zich op.

Het blijft nog wachten op de slaagkansen van de hervormingen in Griekenland en het effect ervan op de rest van Europa, maar tot nu toe is sociale afbraak overal de boodschap. Vaste jobs worden schaarser, studeren duurder, de ongelijkheid neemt toe, solidariteitsmechanismen gaan op de schop, de natuur gaat om zeep en het klimaat slaat op hol.

En er zijn geen sociale zekerheden meer. Leuke tijd om in op te groeien. Jongeren krijgen een negatief sociaal contract aangeboden, en velen concluderen dat de vorige generatie alles heeft opgebrast. Soylent Green, een sciencefictionfilm uit de begin jaren zeventig waarin 65-plussers tot groene koekjes worden verwerkt, komt achter het hoekje gluren.

Destructieve creatie

De creatieve destructie van Schumpeter heeft plaats geruimd voor destructieve creatie. Binnen twintig jaar zullen robots tot 50% van de huidige jobs in België hebben overgenomen. Op zich een leuk vooruitzicht, ware het niet dat alle winst naar de eigenaars van de robotten gaat. Met de automatisering kalft het salariaat zienderogen af. Het vaste arbeidscontract moet wijken voor precaire statuten van freelancers en zzp-ers (zelfstandigen zonder personeel), vandaag al goed voor een derde (tegen 2020 de helft) van de Amerikaanse werkers.

In Nederland, altijd een stapje “voorop”, is dit al een op vier. Velen vinden hun autonomie een pluspunt, maar ze hossen wel zonder sociale bescherming van de ene tijdelijke opdracht naar de andere. Permanent. Ze vallen naast het sociale vangnet van de overheid en kunnen een privéverzekering niet betalen Daarom vonden ze de broodfondsen uit, solidariteitsfondsen van ongeveer 150 man die maandelijks 25 euro in een pot leggen en bij ziekte een uitkering krijgen van 750 euro. Het is de hergeboorte van de negentiende-eeuwse mutualiteiten.

Klusjes en bullshit jobs

Daarnaast groeit het leger dat met de eigen auto taxichauffeur speelt voor Uber, een kamer op overschot verhuurt via Airbnb of (bij)klust voor een habbekrats via Taskrabbit of Mechanical Turk. Denk niet dat het gaat om onkruid wieden of de hond uitlaten: in de VS heb je al platforms voor dokters (Health Tap) en advocaten (Upcounsel).

Voor velen bieden deze platforms nog altijd een leuke bijverdienste, maar steeds meer mensen worden ervan afhankelijk om te overleven. Oorspronkelijk hadden veel platforms een sociale doelstelling: delen tegen kostprijs of zelfs gratis. Maar ze worden zienderogen gekaapt door beleggers die alleen maar uit zijn op financieel gewin. Met hun geld breiden de platforms uit en worden ze professioneler, maar de sociale logica moet wijken voor de winstlogica.

Durfkapitalisten (ze hebben hun naam niet gestolen) hebben een flink deel van de ontluikende deeleconomie gekaapt. De term had oorspronkelijk vooral betrekking op het delen (sharing) van gemeenschappelijke dingen (auto’s, boren, tuinen..) wat zowel het milieu als het sociale weefsel ten goede komt. Gelukkig bestaan er nog altijd heel wat deelplatformen waar de nadruk blijft liggen op dat laatste.

Maar dat geldt al lang niet meer voor de Airbnb’s en Ubers van deze wereld. Airbnb investeert niet in hotels, Uber niet in taxi’s. Het zijn slechts platforms die vraag en aanbod samenbrengen, maar wel met een steeds groter stuk van de koek gaan lopen. Voor jonge mensen die af en toe hun appartement verhuren aan toeristen (en dan tijdelijk bij hun ouders of vrienden logeren), biedt Airbnb een mooi extraatje. Maar als je voor je hele inkomen afhankelijk bent van dergelijke platforms, krijg je al gauw een moderne vorm van feodalisme. “Vazaleconomie” zou misschien een beter woord zijn. Op de keper beschouwd, hebben we hier te maken met een parasitair systeem van de ergste soort.

Basisinkomen

Vandaag verdien je vooral geld met geld (rente), eigendom (aandelen en obligaties) en controle over netwerken via intellectueel eigendom en marketing. Immateriële zaken dus, waarvan de waarde eigenlijk “politiek” bepaald wordt. Volgens Roland Duchatelet is in België maar 7% van de bevolking meer betrokken bij de productie van voedsel en materiële goederen. De rest zijn diensten, vaak verpakt in wat de Amerikaanse antropoloog en anarchist David Graeber “bullshit jobs” noemt: banen waarvan de betrokkenen zelf vinden dat ze eigenlijk overbodig zijn. Winsten vallen steeds minder te rapen in de productie, die grotendeels naar het zuiden is verhuist waar arbeid in overvoed en dus goedkoop is.

Onlangs kwam Rutger Bregman daarover vertellen in Reyers Laat. De Nederlandse golden boy verdedigde er op speelse wijze een andere visie op arbeid die hij koppelde aan een onvoorwaardelijk basisinkomen. Zijn standpunt botste op ongeloof bij een oogbolrollende Liesbeth Homans die zich – mondhoeken richting studiovloer – afvroeg wie dit ging betalen. Rutger Bregman repliceerde gevat dat de minister er negentiende-eeuwse opvattingen op nahield. In onze samenleving bestaan andere herverdelingsmechanismen dan via de overheid.

Er stroomt inderdaad heel wat geld naar boven, naar mensen met “bullshitjobs” die in wezen geen bijdrage leveren tot de reële economie en zelfs welvaart vernietigen. Spreekt er eigenlijk nog iemand over de bankencrisis? Nee, natuurlijk niet. De Islam, ja. En 60-plussers die op hun gat in Benidorm profiteren. Activeren dat zootje!

Rutger Bregman noemt zich liberaal in hart en nieren. Hij gelooft in meritocratie en vindt dat mensen moeten bijdragen voor hun geld. Een basisinkomen is daar niet mee in contradictie omdat dit juist de mogelijkheid biedt om te doen wat je graag doet en waar je het best in bent. Iedereen profiteert daarbij, de maatschappij al zeker. Mensen met minder prettige en zware beroepen zouden juist meer moeten verdienen. Daar kan “de wortel en de stok” nog spelen. Allemaal interessante denkpistes waar ik het in de grond mee eens ben. Alleen hebben we een transitieprogramma nodig dat steunt op een nieuw paradigma, want binnen het oude zie ik het niet gebeuren.

Peer-productie en het gemeengoed

We moeten inderdaad anders gaan aankijken tegen arbeid, maar hoe? Welk werk bedoelen we? Spreken we over loonarbeid, of nuttige bijdragen aan gemeengoed projecten, die tot nu toe meestal onbetaald blijven? Hoe komen we tot een systeem waarin mensen meer beloond worden naar werk (en minder naar bezit), maar met sterke ingebouwde solidariteitsmechanismen die de zwakkeren de nodige bescherming bieden? We bevinden ons immers voor de volgende paradox.

Onze welvaartsstaat steunt op solidariteitsmechanismen die werden uitgevonden, uitgebouwd en uiteindelijk via de staat veralgemeend door de arbeidersbeweging (mutualiteiten, pensioenkassen, werkloosheidskassen). Overal in Europa wordt dit stelsel afgebouwd. Maar dit is maar één zijde van de medaille. De andere blijft tot nu toe onderbelicht.

In de afgelopen twintig jaar zijn we immers ook getuige van een nieuw ontluikend economisch systeem dat een andere logica volgt. Dit systeem wordt aangedreven door het internet dat horizontale communicatie en collaboratie mogelijk maakt tegen zeer lage kostprijs. Daardoor kunnen steeds meer zaken beter en goedkoper geregeld worden via samenwerkingsplatformen dan via traditionele organisaties. Burgers bouwen samen software, kennis en ontwerpen.

Met meer dan 30.000 open-hardwareprojecten, van auto’s over landbouwmachines tot robotten en satellieten zien we dat de logica van delen en produceren via het internet zich ook doorzet in het productieproces. Na de miniaturisering van de computer zijn vandaag de machines aan de beurt. Het delen en kopiëren van digitale muziek, software, film, design, kennis… op het internet vloeit over naar het delen van infrastructuur in fablabs, co-working-, hackers- en makerspaces.

Helaas bestaan er nog geen uitgewerkte studies om al die nieuwe ontwikkelingen in kaart te brengen, maar in Barcelona groeide het aantal co-workingspaces van 3 naar 50 in drie jaar tijd, in Wenen was er drie jaar geleden één hackerspace, vandaag zijn er vijftien, in de VS groeide stadslandbouw door (hoofdzakelijk) collectieve groepen met 48% in twee jaar tijd… De laatste tien jaar groeit het aantal burgerinitiatieven als kool, zoals te zien is in een recente studie van Tine de Moor. Ook de coöperatieve beweging zit in de lift: vandaag werken meer mensen voor coöperatieven dan voor multinationals.

Naar een nieuw model rond de commons

Maar de belangrijkste revolutionaire verandering is volgens mij de opkomst van digitaal gemeengoed: globale, complexe projecten rond open kennis, software en design, die voor iedereen vrij beschikbaar is. Rond dit nieuw gemeengoed groeit een nieuwe economie van freelancers en allerhande bedrijven die deze “commons” als grondstof gebruiken voor het maken van producten en diensten met toegevoegde waarde.

Het gebruik van open software door bedrijven (denk aan IBM en Linux) is vrij bekend, maar nieuw is toch de snelle opkomst van allerhande open-hardwareprojecten. Het idee is eenvoudig: alles dat gemaakt wordt, moet eerst geconcipieerd worden. In klassieke bedrijven wordt die kennis beschermd door patenten. Die zijn bedoeld om innovatie te stimuleren omdat bedrijven hun onderzoekskosten willen recupereren. Maar in de praktijk zijn ze uitgegroeid tot innovatieremmers die patenthouders zolang mogelijk monopoliewinsten bezorgen.

Niet zo bij open hardware: iedereen kan de concepten verbeteren en iedereen kan ze downloaden. Met de nodige machines, eventueel gedeeld in een fablab, kan een doe-het-zelver het product zelf maken. Soms kan je een pakket onderdelen (vaak vervaardigd met 3D-printers) kopen en ze als een meubel van Ikea zelf ineen steken, of je kan het afgewerkte product kopen bij een open hardwarebedrijf. Deze laatste wint dan wel niks op het intellectueel eigendom, aangezien het ontwerp vrij beschikbaar is, maar wordt wel vergoed voor zijn arbeid. Loon naar werk dus.

Open-hardwarebedrijven zijn vaak starters die een klassieke bedrijfsvorm aannemen en voor hun financiering een beroep doen op crowdfunding en durfkapitalisten. Maar niets belet jonge ondernemers om een coöperatieve op te richten, een bedrijfsvorm die veel beter aansluit bij de praktijk van vrije bijdragen aan een gemeengoed en de deelcultuur in de virtuele wereld.

Als die productiecoöperatieven zich dan nog eens met elkaar zouden verbinden in een wereldwijd netwerk rond het open-designgemeengoed, dan krijg je een soort van gedistribueerde multinational die in staat is het klassieke model te verslaan omdat ze efficiënter en goedkoper kan werken. Als je ten slotte ook de boekhouding en aanvoerketen van die coöperatieven open en transparant maakt en alle stakeholders betrekt, dan kom je tot een nieuw economisch model dat zowel de markt als de klassieke planeconomie in de schaduw stelt.

In dit verhaal moet de overheid het geweer van schouder veranderen en evolueren van betuttelende marktstaat naar faciliterende partnerstaat: een overheid die burgerinitiatieven mogelijk maakt en stimuleert. Ook die evolutie is bezig, zij het vooral op plaatselijk vlak. Zo heeft Bologna onlangs een “reglement voor de commons” ingevoerd, die al door 25 andere gemeenten is overgenomen (Michel Bauwens en Dirk Holemans in Knack van 22/2/2015).

Burgers doen voorstellen aan de gemeente, bijvoorbeeld om hun wijk te verfraaien. Na overleg kan de gemeente middelen vrijmaken waarmee die burgers hun plannen zelf kunnen waarmaken. Dat vergt ook een ommekeer in het politieke denken, want de meeste politici willen zich vooral profileren rond wat zij doen voor de burger.

Utopisch? Misschien. Maar op microniveau wordt er al volop geëxperimenteerd en in theorie kunnen we ons vandaag voorstellen hoe dit model op macroniveau zou kunnen werken. Daarom kan het P2P-verhaal vandaag dezelfde rol spelen als het socialistisch verhaal in de negentiende eeuw. Ook toen waren er honderden en duizenden basisinitiatieven.

De arbeiders vochten niet alleen op hun werkplaats voor betere werkomstandigheden, maar creëerden ook machtige organisaties waarmee ze hun politieke stempel drukten op de twintigste eeuw. Maar hun macht kalft af. De productie is voor een groot deel verhuisd naar ontwikkelingslanden en hier proberen bedrijven de syndicale macht verder te breken, gisteren door outsourcing, vandaag door crowdsourcing.

Nieuw links

De erosie van de macht van de arbeidersbeweging weerspiegelt zich in een crisis van de sociaaldemocratie, die probeert afstand te nemen van de syndicale achterban om te kunnen verruimen (met bijzonder weinig succes), maar ook weinig aansluiting vindt bij de nieuwe bewegingen en de vele initiatieven die opborrelen vanuit de civiele maatschappij.

De nieuwe progressieve formaties in Griekenland en Spanje knopen daar wel bij aan. Het is zeer significant dat Gianni Dragasakis, de nieuwe vicepremier van de Syriza-regering in Griekenland, in zijn parlementstoespraak expliciet verwees naar het ontwikkelen van bottom-up, op gemeengoed gebaseerde peerproductiemodellen om tegemoet te komen aan de noden van de Griekse bevolking.

Dr. Vasilis Kostakis, medewerker van de P2P Foundation en samen met Michel Bauwens auteur van het boek Network Society and Future Scenarios for a Collaborative Economy, schrijft: “Het lijkt erop dat Syriza een politiek nastreeft die in de lijn ligt van het idee van de “partnerstaat” en dat op het vlak van onderwijs, overheidsbeleid en R&D. Om er een paar te vernoemen:

– Het vrijgeven van openbare data
– Het vrijgeven van alles kennis die gefinancierd wordt met belastingsgeld
– Het creëren van een omgeving die samenwerking stimuleert tussen kleine ondernemers en coöperatieven, waarbij initiatieven die steunen op open-source-technologieën en -praktijken worden aangemoedigd
– Het ontwikkelen van bepaalde participatieve processen (en het versterken van de bestaande) om burgers te betrekken bij het beleid
– Het aannemen van open standaarden en patronen voor openbare diensten en onderwijs.

Het is bij mijn weten voor de eerste keer dat een Europese regering expliciet een politiek verdedigt die aansluit bij de nieuwe economische logica in wording. Onafhankelijk van de manier waarop in België deze nieuwe politiek gestalte zal krijgen, ben ik hoopvol dat er een progressieve meerderheid kan gevonden worden rond de kernideeën van de nieuwe p2p-logica: de creatie van een nieuwe economie van ethische bedrijven rond collectief gecreëerd gemeengoed, of in de woorden van Jeremy Rifkin, commons-based peer production. Daarbij kan elke politieke partij haar eigen klemtonen leggen: duurzaamheid, sociaal ondernemerschap, solidariteit.

Maar niet alleen de rechtse partijen, ook de vakbonden en de sociaaldemocratie zijn in mijn ogen nog te veel gericht op het verdedigen van het oude systeem dat steunt op arbeid en kapitaal. Veel verder dan een vermogenswinstbelasting komt men niet.

Ik denk echter dat de ommekeer zich niet kan realiseren via een loutere herverdeling binnen het oude systeem, als dit niet gekoppeld wordt aan een heroriëntatie naar het nieuwe systeem. Dit is nu eenmaal nodig om de traditionele links-rechtsverhouding te overstijgen en een zo groot mogelijke politieke meerderheid te verwerven om een begeleide, vreedzame transitie mogelijk te maken.

Jean Lievens

Peer-to-peer economie: van negatieve naar positieve vrijheid

Overgenomen uit De Wereld Morgen (origineel verscheen op 30 januari 2015, geschreven door Rogier De Langhe)

‘Mensen zijn het kotsbeu enkel consument te zijn’, de open brief van Oikos-coördinator Dirk Holemans, heeft diverse reacties opgeroepen. Hier volgen de indrukken van Roger De Lange van het Gentse TimeLab.

Ergens in de vroege jaren 1770, terwijl de Industriële Revolutie zich al piepend en krakend op gang trok, bracht Adam Smith een bezoek aan een nagelfabriek. Hij zag er hoe diezelfde arbeiders die elk apart een handvol spelden per dag maakten, er dankzij gestandaardiseerde arbeidsverdeling een veelvoud produceerden. Standaardisering is groei. Dit inzicht werd de kern van ons economisch denken. Door alles en iedereen op dezelfde leest te schoeien, kun je met 20% van de middelen 80% van het werk doen. De keerzijde is dat die groei ten koste gaat van diversiteit, want voor die laatste 20% moet je 80% van het werk doen. Die laatste 20% is dus vaak de moeite niet, want je moet vier keer zoveel middelen inzetten voor vier keer minder resultaat. Die dingen gaan verloren. Van kromme komkommers tot mensen met een afwijkende mentale gesteldheid. Met de komst van de standaardisering ontstond ook de notie “afval”.

De industriële maatschappij

De standaardiseringslogica is zeer productief maar verspillend, en ook zelfversterkend. Hoe meer aanhangers, hoe dwingender de druk om zelf ook aan de standaard te voldoen, op het gevaar af zélf als afval te worden bestempeld. Niet lang na Smiths inzicht werd al een uitgebreid controlesysteem opgezet om de kromme komkommers eruit te halen of recht te trekken, het onderwijs. In 1819 was Pruisen het eerste land om de schoolplicht in te voeren. Wie door de mazen van dat net viel, die 20% waar de gestandaardiseerde maatschappij geen raad mee weet, was plots “afval”. Naargelang dat “afval” zich ophoopte in de decennia daarop (in 1847 introduceerde Karl Marx de notie van het “proletariaat”) ontstond tegen het midden van de negentiende eeuw de nood aan een vergaarbak ervoor, de sociale zekerheid. De steeds omvattender angst voor en vervreemding door de standaard leidde in de tweede helft van de negentiende eeuw tot de geboorte van de psychologie. De standaardisering gaf betekenis aan het concept “normaliteit” en legitimeerde de sanctionering van het abnormale. En voor wie de wortel niet werkte was er de stok. Michel Foucault documenteerde uitgebreid het ontstaan van de psychiatrie en de gevangenis als disciplineringsmechanismen.

Gedurende de twintigste eeuw is het Industriële groeimodel gebaseerd op standaardisering de hele wereld gaan omvatten en daar ook de grenzen van gaan bereiken. Krampachtige pogingen om de groei toch te behouden leiden tot het toepassen van de logica van de standaardisering in domeinen waarvoor ze zelfs nooit was bedoeld, zoals ziekenhuizen en universiteiten. Nu het groeimodel van de standaardisering steeds grotere opofferingen vraagt en steeds minder opbrengt, zien steeds meer mensen in dat het zo niet verder kan. Dat je niet ongestraft het gras kunt hebben zonder de humus, dat het weggooien van komkommers en mensen geen “optimalisering” is maar “verspilling” en dat het “afval” van onze maatschappij net haar rijkdom is.

Van negatieve naar positieve vrijheid

Van natiestaten en Napoleontisch recht tot de supermarkt: onze institutionele werkelijkheid is niets minder dan de belichaming van de industriële logica van de standaardisering. Pleidooien om de ketting te sluiten, voor een afvalloze economie en tegen de standaardiseringsdwang, zijn daarom minder onschuldig dan ze lijken. Wie het echt meent, moet bereid zijn de institutionele werkelijkheid van wetten en structuren in zijn geheel in vraag te stellen. En zelfs wie daarin slaagt moet er een geloofwaardig alternatief voor bedenken. Wat te doen?

Zoals steeds wanneer een probleem actie vereist zijn er twee fundamentele opties: vechten of vluchten. Wanneer de stress in de omgeving te hoog wordt, kan je ofwel proberen om die omgeving te veranderen ofwel op zoek gaan naar een nieuwe omgeving. Tegen de standaardiseringsstroom ingaan is niet zonder gevaar. Wie de standaardisering eenzijdig doorbreekt loopt het gevaar zelf “afval” te worden. Tien jaar geleden al signaleerde de filosoof Alain de Botton dat de “statusangst” in onze samenleving nooit zo groot was. En zelfs al slagen we erin het groeimodel van de standaardisering te stoppen, moet er nog een alternatief worden gevonden voor onze over de eeuwen uitgebouwde structuren. Vandaar kiest men vandaag vooral voor de vlucht. Weg uit het systeem, weg van de arbeidsmarkt. Met tijdskrediet en brugpensioen als de voornaamste ontsnappingsroutes. Onze productiviteit is het probleem en het verminderen ervan is de oplossing voor onze doorholeconomie. Op naar de vrijheid!

Maar het is een negatieve vrijheid. Een vrijheid van externe belemmeringen. Vroeg of laat komt echter de vraag der vragen, de zingevingsvraag: wat te doen met al die vrijheid? Zalig nietsdoen klinkt aantrekkelijk, zeker bij het lezen van de verontrustende berichten over burnouts, depressies en zelfmoorden. Er is echter maar weinig verband tussen burnouts en teveel werken of te weinig loon. We zijn de afgelopen decennia per werknemer steeds minder gaan werken en steeds meer gaan verdienen, terwijl net in die periode de epidemie van burnouts, depressies en zelfmoorden uitbrak. Het is niet omdat onze burnouts, depressies en zelfmoordpogingen samen stijgen met de productiviteit dat die productiviteit daar ook de oorzaak van is. Het kan net zo goed de standaardisering zijn die de gemeenschappelijke oorzaak is van allebei. We worden dan niet productiever omdat we harder werken, maar vooral omdat we betere machines hebben en ons werk efficiënter organiseren. Maar het is diezelfde standaardisering die ons productief maakt, die ons ook ongelukkig maakt. We zijn dan dus niet ongelukkig omdat we teveel werken, maar net omgekeerd omdat we onszelf als veelzijdig mens niet genoeg meer kunnen ontplooien omdat we vastzitten in een eenzijdig, gestandaardiseerd systeem. We worden gedwongen om “eendimensionale mensen” te worden, aldus de Duitse socioloog Herbert Marcuse.

Negatieve vrijheid is tegelijk dus ook een zelfgekozen verbanning uit de structuren die ons betekenis geven. Wie die betekenis wil behouden, zal ervoor moeten vechten. We moeten onszelf dan de middelen geven om onszelf te organiseren zoals we dat dan wel willen. Dat is een positieve vrijheid, een vrijheid om opnieuw onszelf te worden en de controle over onze leefwereld te heroveren. Anders blijft het pleidooi voor autonomie beperkt tot de vrijheid die ontstaat wanneer men wordt afgeschermd van belemmerende factoren. De logica van het systeem wordt dan behouden, behoudens misschien enkele cosmetische ingrepen zoals composteerbare plasticzakken in de supermarkt.

Positieve vrijheid in peer-to-peernetwerken

Misschien is het probleem dus niet zozeer de groei maar het groeimodel, dat verantwoordelijk is voor de verregaande standaardisering. We moeten onze groei dan niet afschaffen maar heruitvinden door te tonen dat groei mogelijk is zonderstandaardisering. Groei niet als een dwingend keurslijf met één enkel doel en een unieke, optimale methode, maar groei in de middelen waarover we beschikken om zelf onze eigen standaard te bepalen, onszelf te worden en opnieuw de controle te herwinnen over onze leefwereld. Dat is wat peer-to-peer interactie toelaat en daarom is het ook zo revolutionair. In een peer-to-peer netwerk kunnen mensen interageren zonder centrale standaard, veelal gecontroleerd door markt of staat. Het model kent een steile opgang sinds de komst van het internet. Vroege voorbeelden waren file-sharing platforms zoals Napster en Kazaa waar leden rechtstreeks met elkaar digitale bestanden uitwisselen. De online encyclopedie Wikipedia toont hoe die directe contacten kunnen uitgroeien tot iets dat groter is dan de som van de delen. Zo kunnen commons groeien, die in het geval van Wikipedia in geen tijd de grootste en meest geconsulteerde encyclopedie ter wereld werd.

De impact van peer-to-peer blijft niet beperkt tot de digitale sfeer. Fablabs brengen de digitale logica binnen in de materiële wereld. Mensen krijgen er letterlijk de middelen om hun arbeidsproces zelf te organiseren in de vorm van vier basismachines (waaronder een lasercutter en een 3D-printer) die samen voldoende zijn om zo goed als elk product te maken op niet-industriële schaal. Zelfs al wist je niet dat je die had, het is moeilijk om een spontane drang tot creëren en experimenteren te onderdrukken bij het zien van de haast ongelimiteerde mogelijkheden. De machines mogen door iedereen worden gebruikt op voorwaarde dat de geprogrammeerde designs worden gedeeld met de internetgemeenschap. De productdesigns zijn dus nooit af maar steeds in ontwikkeling. Wat in het fablab wordt gemaakt is dus eigenlijk geen product maar een proces. Het enige moment waarop het kan worden gestandaardiseerd is wanneer het sterft. Industriële noties als eigendomsrechten en patenten hebben hier dan ook weinig zin. Die afwezigheid van eigendomsrecht op designs blijkt in de praktijk geen rem maar net een katalysator voor innovatie te zijn.

Een mooi voorbeeld is dat van een type 3D-printer dat over de afgelopen jaren werd ontwikkeld doorheen een iteratief proces van verbeteringen door een gemeenschap van honderdduizenden creatievelingen die ontwerpen en ideeën vrijuit delen. Makerbot, een bedrijf dat dit proces tot zijn eigendom maakte met de bedoeling het te exploiteren, moest met lede ogen toezien hoe haar model tegen de tijd dat het klaar was om verdeeld te worden al lang achterhaald was door het model dat online vrij te verkrijgen was en daardoor was blijven evolueren aan een tempo dat geen enkel commercieel bedrijf kan bijhouden.

Timelab

In het fablab zijn de productiemiddelen van iedereen en de designs van niemand. De standaard maak je zelf, of kopieer je van iemand anders. Als “stadslabo” gaat Timelab in Gent nog een stapje verder. Er wordt actief geëxperimenteerd met samenwerking en hoe die tot stand kan komen zonder vooraf vastgelegde standaard, wat verre van evident is. Hoe creëer je in godsnaam een spel zonder spelregels? Timelab is een experiment in positieve vrijheid. De inzet is hoog. Op het spel staat de mogelijkheid van een ander soort samenleving.

Misschien wordt Timelab wel een blauwdruk voor zo’n standaardloze samenleving? De afwezigheid van een voorafbepaalde standaard betekent dat de 80/20-regel niet opgaat. 80% van de producten maak je niet langer tegen 20% van de kosten, bij peer-to-peerproductie kost elk product evenveel. Zo verdwijnt de notie “afval”. De eerste peer-to-peer geproduceerde schoen kost evenveel als de honderdste. Dus dan kan je net zo goed 100 verschillende schoenen maken. En waarom niet de een maken uit de restproducten van de ander? Niets is verloren. Daar waar het klassieke industriële model groeit door via schaalvergroting van alles steeds meer te maken, groeit een peer-to-peersamenleving in de eerste plaats door beter gebruik te maken van wat er al is.

Zonder vaste standaard verdwijnt ook de typisch industriële arbeidsvervreemding. Denk aan het onderscheid tussen arbeider en kapitalist, werk en vrije tijd of zelfs componist en muzikant. De oorsprong van al die onderscheiden ligt bij het feit dat het productieproces werd gescheiden van het ontdekkingsproces. Makende mensen verliezen zo de controle over wat ze doen. Dat kon ook niet anders. Een gestandaardiseerd proces vereist nu eenmaal een vooraf bepaald doel, een duidelijk afgesproken arbeidsverdeling met duidelijke spelregels omdat één fout nefast kan zijn voor het geheel. De mogelijkheid om samen dingen te maken zonder standaard betekent dat het doel niet vooraf vast hoeft te liggen. Als gevolg van voortschrijdend inzicht kunnen de spelregels ook tijdens het spel nog worden veranderd. Fouten zijn geen ramp maar net een wezenlijk onderdeel van het productieproces, dat zo ook altijd een zoekproces blijft. Een collectief zoekproces, want iedereen die betrokken wordt bij het maakproces is mede-eigenaar van de standaard. De vloeibaarheid van de standaard zorgt ervoor dat makers niet naast elkaar werken, zoals aan de lopende band het geval is, maar het eigenaarschap over hun standaard delen en zo betrokken blijven. Die betrokkenheid revolutionaliseert het samenwerkingsproces. Werk wordt terug spel, niet afstompend maar net stimulerend. De maker herwint de controle over het proces waar die deel van uitmaakt. De arbeidsverdeling zelf kan spontaan ontstaan of worden bijgestuurd naargelang de uitdagingen duidelijker worden en je anderen ontmoet die je hebt aangestoken met je idee.

Conclusie

Zoals zo vaak zijn de oplossingen van gisteren de problemen van vandaag geworden. De standaardisering die de motor was van onze industriële welvaart is vandaag de oorzaak geworden van onze voornaamste moderne problemen. Of we ertegen vechten of ervan wegvluchten hangt af van of we geloven dat er een alternatief is. Dat alternatief moet op een geloofwaardige manier aantonen dat mensen in staat zijn om samen te werken zonder hen van bovenaf een voorgekauwde standaard op te dringen. Als “stadslabo” is dit het experiment dat Timelab uitvoert. De vrijheid om dingen te maken zonder vooraf opgelegde standaard laat toe om een helemaal nieuwe dingen op een helemaal nieuwe manier tot stand te laten komen. Hoe en wat precies, dat is wat het experiment zal uitwijzen.

Rogier De Langhe is economiefilosoof aan de Universiteit Gent en lid van de Timelab denktank.

irene-van-staveren

Kapitalisme is niet de markt maar een bepaalde invulling ervan

Volledig artikel op Joop.nl

Wat drijft de kapitalistische motor van de markt? Niet innovatie en concurrentie, dat kunnen andere marktsystemen ook. Het gaat bij kapitalisme om twee elkaar versterkende mechanismen. Ten eerste het feit dat in een kapitalistische economie kapitaal arbeid inhuurt en niet andersom. En ten tweede accumulatie met via bankschuld gecreëerd geld. Dat zet een eindeloze keten in beweging waarbij geld (M) in waarde toeneemt door productie en verkoop van consumptiegoederen (C): M – C – M’ – C’ – M”. Deze twee mechanismen versterken elkaar omdat meer kapitaal vervanging van arbeid door techniek mogelijk maakt en verschuiving van winst uit productie, naar winst uit financiële transacties.
Alternatieven voor kapitalisme liggen niet buiten de markt, zoals de val van het ijzeren gordijn heeft geleerd, en ook niet in filantropie. Het gaat om een geheel andere invulling van de markt met de drie basiskenmerken van elke markt: ruil, keuzevrijheid en competitie.
Dit is het idee: het niet langer verwarren van kapitalisme met de markt. Want die verwarring maakt blind voor werkelijke alternatieven voor kapitalisme, die inmiddels hun weg vinden in de economie. Bijvoorbeeld coöperatieve bedrijven, lokale voedsel- en energieproductie in gemeenschappen, alternatieve geldsystemen, en crowdfunding met spaargeld of menskracht in plaats van bankschuld, en met rendementen in natura.

door Irene van Staveren, hoogleraar pluralistische ontwikkelingseconomie aan het Institute of Social Studies van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Schermafbeelding 2014-10-13 om 19.29.13_0

Nieuwe publicatie: De circulaire economie – Waarom productie, consumptie en groei fundamenteel anders moeten

originele tekst

Grondstoffen zijn te waardevol om verloren te laten gaan als afval. Steeds meer burgers en bedrijven zijn zich daarvan bewust. Op 14 oktober wordt tijdens de lezing van Michel Bauwens een nieuwe publicatie van De Helling gepresenteerd: ‘De circulaire economie: waarom productie, consumptie en groei fundamenteel anders moeten’ (Socrates Schouten). Deze publicatie wordt op dezelfde dag gepresenteerd als de notitie van Tweede Kamerlid Liesbeth van Tongeren over een duurzame deeleconomie.

De circulaire economie geniet groeiende belangstelling van burgers, bedrijven en overheden. Groene ondernemers knopen het uiteinde van de ene keten aan het begin van een andere en ontwikkelen en passant nieuwe verdienmodellen. Ook bestaande bedrijven haken aan. Eindelijk lijkt er een manier gevonden waarop de economie kan blijven groeien en toch duurzaam wordt. De belofte wordt echter niet zomaar ingelost. De meeste aandacht gaat uit naar de economische schaarste van grondstoffen. Dat fenomeen is van een veel lichtere orde dan het werkelijke probleem: de eindige capaciteit van de natuurlijke ecosystemen. Als we een gezonde, houdbare economie willen die de eigen voedingsbodem intact laat, dan moet het economisch systeem flink op de schop. De kloof tussen producent en consument, die na anderhalve eeuw olie-gedreven globalisering flink is gegroeid, zal de komende decennia kleiner moeten. De circulaire economie kan daarbij een uitstekend model zijn. Een verkeerde invulling van de circulaire economie kan echter ook averechts werken. Dit boek analyseert de verschillende aspecten en mogelijkheden van de circulaire economie en stelt een fundamentele, groene invulling voor, met winst voor mens en milieu.

Het boek ‘De circulaire economie’ kan hier besteld worden.

Deze publicatie valt tegelijk met de notitie die Tweede Kamerlid Liesbeth van Tongeren lanceerde over de deeleconomie. Daarin worden tien stappen naar een duurzame deeleconomie gepresenteerd, waarin ze de overheid aanmoedigt de deeleconomie beter te faciliteren.

10437337_845988588748999_1270480293390927516_n

15 oktober: Ontmoet het Leuvense tech ecosysteem

originele link

Tijdens het netwerkevent ‘Inspirerend ondernemen in een tech regio’ krijgen deelnemers de kans om ervaringen uit te wisselen en waardevolle contacten te leggen met bedrijven uit het Leuvense tech ecosysteem. Laat je inspireren door getuigenissen en debatten met jonge en ervaren ondernemers, visionaire onderzoekers en geïnteresseerde beleidsmakers.

15 oktober, van 14u tot 19u in Leuven. Deelname is gratis. Meer informatie en inschrijven.

Keynote speaker: Michel Bauwens. De wereld redden. Met peer-to-peer naar een post-kapitalistische samenleving

De peer-to-peer economie is niet alleen maar een afdruk van de oude Schumpeteriaanse start-up economie, maar brengt een fundamentele nieuwe dynamiek die soms haaks staat op de verwachtingen van klassieke investeerders. Tijdens deze inleiding kijken we naar een nieuwe dynamiek waarbij de technische en wetenschappelijke kennis de vorm krijgt van een gemeengoed door het gebruik van open licenties, waar de communautaire dynamiek van ‘contributies’ centraal staat, en waar ondernemerscoalities toegevoegde waarde creëren voor de markt, zonder daarbij het gemeengoed te privatiseren. Tijdens zijn lezing gaat Michel Bauwens dieper in op elementen die essentieel zijn voorhet succes van de ondernemer en voor de nieuwe collaboratieve economie (‘sharing economy’). Hij lanceert ook een oproep om nieuwe modellen uit te vinden, waarbij generatieve modellen van eigendom en beheer de plaats innemen van de extractieve modellen.

In dialoog met vier dynamische jonge ondernemers
Dirk Loeckx, Co-Founder & CEO, icoMetrix
Veronique Van de Kerckhove, Managing Director, VeroTech
Dirk Stevens, Co-Founder & CEO, Made with Wonder
Leen Buelens, Co-Founder & Strategic Partner, Zenjoy

Wat is hun motivatie? Wat zijn hun verwachtingen? Waarin voelen ze zich gesteund? Welke hinderpalen ontmoeten ze? Waarom vinden ze het belangrijk om aanwezig te zijn in het Leuvense techecosysteem

Vragen en antwoorden binnen handbereik. Drie duo’s gaan in dialoog.

Wat kunnen een jonge en gevestigde ondernemer van elkaar leren? Herman Verrelst, CEO, Cartagenia en Kin-Chi Chow, Business Developer, Wigoh
Is kennisuitwisseling tussen Vlaamse onderzoekgroepen en Vlaamse ondernemingen mogelijk? Stephane Berghmans, Innovation Partnerships Manager, TE Connectivity en Wim Dehaene, Head of Dept. Elektrotechniek ESAT-MICAS, Prof. KULeuven

Kan een match worden gevonden tussen ondernemingen die groeien op verschillende schaal?
Claudia Put, CEO, BrandNewHealth en Fried Vancraen, CEO, Materialise

Vlaanderen, de provincie en de stad faciliteren ondernemerschap. Drie beleidsverantwoordelijken geven hun visie

Patrick Jordens, projectleider ViA Gazellesprong, Agentschap Ondernemen
Marc Florquin, gedeputeerde, provincie Vlaams-Brabant
Mohamed Ridouani, schepen van economie, stad Leuven