Categorie archief: fablabs

Niet de deeleconomie, maar de commonseconomie kan de wereld redden

door Jean Lievens
P2P Foundation Belgium

Eerst verschenen op De Wereld Morgen op 29 mei 2016 (blog Jean Lievens – originele tekst)

De deeleconomie staat steeds meer in de belangstelling, maar over de commonseconomie wordt helaas veel minder gesproken. Waarschijnlijk blijft dit voor velen te abstract, maar als we het hebben over de noodzaak van een transitie naar een duurzame economie en naar een meer rechtvaardige en democratische samenleving, dan is de commonseconomie wel de hefboom.

We leven in een verandering van tijdperk, gekenmerkt door economische en financiële crisissen, sociale onrust en politieke instabiliteit. Ons sociaale-conomisch systeem functioneert niet meer en “de politiek” draagt geen oplossingen aan. Anderzijds opent de technologische vooruitgang enorme mogelijkheden om de huidige ecologische, economische en sociale problemen op te lossen, maar binnen de oude structuren en denkschema’s werkt ze de financieel-economische en sociale crisis juist in de hand.

Er is veel sociaal verzet tegen de neoliberale tegen-hervormingen van de afgelopen jaren, maar vaak blijven protestbewegingen beperkt tot “tegen iets zijn” en is er een gebrek aan coherent alternatief. Ook klassieke linkse formules schijnen niet meer te werken of worden de nek omgedraaid binnen een vijandige internationale context, wat de Grieken aan de lijve mochten ondervinden.

Wel zijn overal in de wereld mensen actief betrokken in allerhande initiatieven om te bouwen aan een betere wereld. Velen hebben zich afgekeerd van de politiek en bouwen “het nieuwe binnen het oude”. Ze zijn actief op gebied van sociale rechtvaardigheid en solidariteit (vakbonden, coöperatieven, NGO’s, fairtradeorganisaties, noord-zuidbewegingen etc.), openheid en transparantie (open source beweging, open designgemeenschappen…) en duurzaamheid (circulaire economie, microfabrieken…).

Tussen deze verschillende groepen bestaat echter weinig interactie en ook binnen deze groepen is de fragmentatie vaak groot. Maar ze dragen wel de kiemen van een nieuw systeem, waarbij “de commons” het bindmiddel kan zijn. Een van de organisaties die hierbij een verbindende en katalyserende rol kan spelen, is volgens mij Hart boven Hard, zowel in haar hoedanigheid van netwerk als van beweging.

Maar laat ik eerst even beknopt de kern van het transitiemodel uitleggen dat de P2P Foundation voorstelt. Het boek De Wereld Redden bevat heel wat ideeën, maar vaak pikken mensen alleen dat eruit wat in hun kraam past. Om te beginnen hebben we nooit beweerd dat de “deeleconomie” de wereld zal redden, zoals Rogier De Langhe schrijft in een van zijn opiniestukken in De Morgen van 17 mei (Welke deeleconomie willen we?). In ons boek hebben we het over peer-to-peer, maar maken we een onderscheid tussen peer-to-peer marktplaatsen (waar de deeleconomie zich grotendeels afspeelt) en peer-productie van commons. Ons transitieverhaal steunt vooral op de tweede pijler.

De deeleconomie (alleen) zal de wereld niet redden

De deeleconomie zoals ze zich tot nu toe heeft ontwikkeld, wordt vooral gedomineerd door commerciële platformen die vraag en aanbod van markttransacties tussen individuen (denk aan de “gig”-jobs, het “delen” van autoritten tegen betaling, het verhuren van appartementen…) regelen via algoritmes en daar flink wat geld aan verdienen. De belangrijkste voordelen van deze modellen is dat ze voor de gebruikers vaak performanter en goedkoper zijn dan de traditionele modellen en dat ze zorgen voor een beter gebruik van de bestaande infrastructuur (het “deel”aspect) waardoor ze deel uitmaken van een noodzakelijke evolutie naar een meer duurzame economie.

Maar de keerzijde is ook niet mals: ze ontwijken allerhande wetgevingen waaraan de traditionele modellen wel aan moeten beantwoorden (sociale wetgeving, voorschriften inzake veiligheid en gezondheid etc.), ze investeren zelf niet in infrastructuur en wentelen alle risico’s af op degenen die hun platform gebruiken om geld te verdienen. Zelfs degenen die voor de vrije markt zijn en pleiten voor een gelijk speelveld, kunnen toch niet anders dan vaststellen dat we hier te maken hebben met oneerlijke concurrentie. Je kan dan twee zaken doen: ofwel het speelveld gelijkschakelen door deze platformen te onderwerpen aan dezelfde regels die gelden voor andere bedrijven, ofwel de regels voor andere bedrijven ook afschaffen. Dus hier pleiten we uiteraard voor klassieke regulering.

Alternatieven op commerciële platformbedrijven

Maar er zijn andere manieren om dergelijke kapitalistische platformen van antwoord te dienen. Laten we Uber nemen als voorbeeld. Zo heeft sharing city Seoel Uber ronduit verboden. Maar tegelijk ontwikkelde de stad wel een even gebruiksvriendelijk alternatief: een mobiliteitsapp op stadsniveau waarin de klassieke taxisector werd geïntegreerd. Vakbonden kunnen Uberchauffeurs organiseren en opkomen voor hun belangen (zo heeft Seattle onlangs Uberchauffeurs syndicale rechten verleend waardoor ze expliciet erkend werden als werknemers en niet als freelancers) of zelfs helpen met het opzetten van een coöperatieve die gebruik maakt van een eigen app. Zo gaan alle verdiensten naar de chauffeurs zelf en niet naar Silicon Valley. Op dat vlak zijn de initiatieven echter enorm versnipperd, want elke entiteit gebruikt andere open source applicaties en apps. Het komt er dus op aan om al deze mini-initiatieven te coördineren en te stroomlijnen binnen één netwerk.

Maar goed, we blijven hier nog altijd op het terrein van marktactiviteiten, het kopen en verkopen van diensten om geld te verdienen. Daar is niks mis mee, mensen moeten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Maar als er wordt samengewerkt rond één platform, beheerd door de stakeholders (dus niet alleen de chauffeurs , maar bijvoorbeeld ook de klanten en de overheid), dan wordt dit gemeenschappelijk platform wel de kern van de economische activiteit waaraan de marktactiviteit is ondergeschikt.

Er zijn natuurlijk ook tal van deelinitiatieven die een maatschappelijk doel voor ogen hebben, zoals autodelen op buurtniveau (vb. Dégage in Gent), of logies delen op wereldniveau (couchsurfing). Dit is de originele deeleconomie, die nog altijd bestaat én groeit, maar inmiddels in de media werd overschaduwd door Uber en Airbnb. Deze laatste is trouwens zelf begonnen binnen de reële deeleconomie, wat nog steeds vervat zit in de naam (air staat voor air matrass: het idee was een luchtbed in de living voor toeristen, in ruil voor een kleine deelname in de kosten). Met de intrede van venture capital werd het platform geprofessionaliseerd, er kwamen diensten bij (zoals een verzekering tegen vandalisme), maar bovenal vervoegden steeds meer professionele spelers het platform om appartementen te verhuren aan toeristen. Op die manier omzeilen ze stedenbouwkundige vergunningen en de wetgeving op hotels, jagen ze tegelijk de huurprijzen voor lokale bewoners omhoog en maken bepaalde buurten onleefbaar (denk aan Barceloneta in Barcelona). Tussen haakjes, het is ook belangrijk om op te merken dat alleen mensen die iets hebben iets kunnen ‘delen’ (lees verhuren). Een huurder mag meestal niet onderverhuren, ook niet via Airbnb.

De commonseconomie

Tot daar de “deeleconomie”. Wat echter veel belangrijker is in ons transitieverhaal, is de zogenaamde commons-economie en meer bepaald de creatie van commons van open software, kennis en design. Bekende commons zijn Linux, Wikipedia en Arduino, maar er bestaan duizenden andere voorbeelden. We hebben hier te maken met een postkapitalistisch model, omdat:

Het niet gebaseerd is op arbeid/kapitaal, maar op vrijwillige bijdragen
Het geen goederen of diensten voortbrengt om te verkopen op de markt (ruilwaarde), maar rechtstreekse gebruikswaarde die vrij beschikbaar is, in overvloed aanwezig, vrijwel kosteloos, oneindig reproduceerbaar en dus niet eens “vermarkt” kan worden.
Sommigen rangschikken ook deze commons onder de ‘deeleconomie’ omdat ze vrij beschikbaar zijn (en dus vrij kunnen ‘gedeeld’ worden), maar dan gooi je Uber en Wikipedia op één hoop, wat toch problematisch is. Om verwarring te vermijden is het dus aangewezen om bij elk project de volgende vragen te stellen:
wat is de hoofddoelstelling (maatschappelijk of winstgevend)?
wordt er gemeengoed gecreëerd dat vrij beschikbaar is?

Alleen in het twee geval spreken we van een commons-economie. Is de doelstelling maatschappelijk en wordt er gewerkt via een collectief deelplatform, dan is het deelplatform zelf de commons en kan je ook dit soort van deelinitiatieven tot de commons-economie rekenen. Gaat het om pure markttransacties, dan hebben we te maken met P2P marktplaatsen die strik genomen niets met delen te maken hebben, maar door deze platformen zelf en door de media wel als dusdanig genoemd worden, dus ik veronderstel dat we ermee moeten leven.

Een productiever model…

Het gemeenschappelijk creëren van open gemeengoed van kennis, softwarecode en allerhande ontwerpen blijkt in de praktijk veel sneller, efficiënter en productiever dan de traditionele (lees kapitalistische) manier om deze zaken voort te brengen. Sinds Wikipedia zijn papieren encyclopedieën alleen nog in tweedehandszaken verkrijgbaar. Wikipedia is gratis, wordt elke dag beter en volgt de actualiteit. Een paar minuten nadat de media hebben bericht over de dood van Prince, is de popster ook dood op Wikipedia. Open software is de norm binnen de softwarewereld geworden. Nasa, BMW, het CERN, het Witte Huis… gebruiken Linux, een software die vrij beschikbaar is voor iedereen. Er bestaan een dertigtal open source-auto’s (inclusief een open source zelfrijdende auto) die stuk voor stuk milieuvriendelijke en energiezuiniger zijn dan industriële wagens, alleen komen de banken niet met geld over de brug om de productie ervan te financieren, tenzij ten minste een deel van het ontwerp beschermd wordt door patenten. Tot nu toe lijkt LocalMotors, een semi-open source wagen die in een microfabriek via 3D printing kan worden geproduceerd het enige model dat ook economisch succesvol is. Maar er zijn ook open source robotten, open source landbouwmachines, open source laboratoriumapparatuur en duizenden andere open hardwaresystemen. Daarnaast is er ook het delen van kennis allerhande, zoals open wetenschap tegenover het peperduur verkopen van academische artikels door privé-uitgeverijen.

… gedomineerd door het kapitalisme

Maar net als de deeleconomie waarvan eerder sprake, wordt ook de commonseconomie volop “gerecupereerd” door het kapitalisme, hoewel “gebruikt” me een beter woord lijkt in deze context, want er is hier toch iets anders aan de hand. We krijgen namelijk een model waarbij bedrijven die elkaar beconcurreren op de markt, wel samen bouwen aan een commons. Als toemaatje krijgen ze er de bijdragen bij van vrijwilligers die voor allerhande redenen gratis bijdragen tot het gemeengoed. Neem open software. Ongeveer 75% van de programmeurs die bijdragen tot Linux, worden betaald door grote bedrijven zoals IBM en Red Hat, die net als Google, Intel, HP, Samsung, Cisco enzovoort de Linux Foundation financieren. Waarom? Omdat het stukken goedkoper en efficiënter is Linux te helpen ontwikkelen dan eigen software te ontwikkelen. Voor hen is Linux een goedkope grondstof die ze kunnen gebruiken om andere diensten aan te bieden op de markt, meestal het maken van een gebruiksvriendelijke versie op maat van hun klanten, maar ook onderhoud, training, consultancy, enzovoort.

Laten we een voorbeeld nemen uit de open hardware. Alles wat de mens maakt, moet eerst ontworpen worden. Er komen meer en meer ontwerpen tot stand door open en transparante samenwerking van bijdragers via het internet. Het internet wordt naast een goedkoop communicatie- en coördinatiemiddel dus ook meer en meer een universeel productiemiddel. Tegelijk vervaagt de grens tussen (digitaal) ontwerp en geautomatiseerde productie. Machines zijn immers gekoppeld aan computers. Voeg daaraan toe dat na de miniaturisering van de computer ook de miniaturisering van machines aan de orde van de dag is, waarbij je “meer kunt doen met minder”, en je ziet meteen het potentieel dat zich opent om ons maatschappelijk en economisch model volgens volledig andere lijnen te gaan ordenen. Maar dat kan alleen als we ons organiseren en bewust modellen ontwikkelen die dat ook in de praktijk brengen. Want tot op heden, zwaait het kapitaal nog altijd de scepter, ook in de wereld van de commons.

Je hebt immers nog altijd kapitaal nodig om iets te produceren: een fysische ruimte, grondstoffen en arbeid. Je verlaat de digitale, postkapitalistische wereld van de overvloed en betreedt in zekere zin weer de wereld van arbeid en kapitaal. Maar ook binnen dat kader heb je de keuze welk soort van organisatie je hiervoor opricht. Een coöperatieve is hier ongetwijfeld de meest geschikte bedrijfsvorm omdat haar eigendom- en beheermodel het best aansluit met de peer-to-peer waardecreatie in de commons. Omdat jonge ondernemers vaak niet vertrouwd zijn met het coöperatieve model, domineren durfkapitalisten (venture capital) die torenhoge rendementen terugeisen voor hun investering logischerwijze nog altijd de open hardwaregemeenschappen, hoewel we oog moeten hebben voor de oprukkende fablabs, hackerspaces, co-working spaces en makerspaces die vaak ondersteund door lokale overheden, scholen of universiteiten, en ook via crowdfunding.

Sociale ondernemers

Het is belangrijk hier een punt te maken over sociale ondernemers. Klassiek links haalt vaak de neus op voor ondernemers omdat ze die onterecht vereenzelvigen met “kapitalisten”. De woorden “sociaal” en “ondernemen” vinden ze een contradictio in terminis. Bovendien schieten veel politici van groene en sociaaldemocratische partijen die ondernemers omarmen (zonder evenwel een onderscheid te maken in de aard en de grootte van de bedrijven) tegelijk op de vakbonden die ze bestempelen als “conservatief”. Ze behoren historisch tot de neoliberale strekking (gelukkig op zijn retours) die de derde weg van Blair voorstaat. Maar stel je in de schoenen van een jonge ingenieur die de wereld wil verbeteren. Geloof me, ze zijn niet in de minderheid. Zo wilt 98 procent van afgestudeerde ingenieurs in Finland duurzaam ontwerpen. Alleen… als ze het geluk hebben een baan te vinden in een klassiek bedrijf, moeten ze zorgen voor ingeplante slijtage. Het alternatief is zich aansluiten bij een open hardwaregemeenschap en proberen zelf of met vrienden een bedrijfje op te starten. Als je bijdragen levert voor een open ontwerp, is er immers geen enkel reden om slijtage in te plannen. Je probeert een product zo goed mogelijk te ontwerpen.

De laatste jaren zien we meer en meer jongeren die ecologische en maatschappelijke problemen willen oplossen door zelf een bedrijf op te starten. Maar ook mensen die al jaren voor traditionele bedrijven werken, stappen voor allerhande redenen uit de ratrace en gaan zelf een sociale bedrijfsactiviteit beginnen die goed is voor de samenleving en die hun eigen leven veel meer zin geeft. Het is juist dat we hier vaak te maken hebben met een geprivilegieerde groep, maar dit fenomeen illustreert toch een uittocht uit het bestaande systeem, zowel vrijwillig als gedwongen.

Alleen… je moet natuurlijk wel geld verdienen om te overleven. Het grootste probleem vandaag is dat de commons, die een steeds grotere plaats innemen in de kapitalistische economie, nog steeds ondergeschikt zijn aan het overheersende model en alleen collectief reproduceerbaar zijn maar niet individueel. Wat bedoel ik daarmee? Als individu kan je tijdelijk gratis bijdragen tot commons (als je student bent, werkloos, of in je vrije uurtjes), maar je kan dat niet blijven doen. De commons blijven echter collectief overleven omdat er steeds nieuwe mensen bijkomen die bijdragen leveren, terwijl anderen wegvallen.

Nieuwe bedrijfsmodellen

De vraag van een miljoen is dus: hoe kunnen we bedrijfsmodellen ontwikkelen die het de commoners (bijdragers tot commons) mogelijk maakt om in hun levensonderhoud te voorzien? Gelukkig is dit geen theoretische vraag aangezien er volop aan deze modellen wordt gewerkt. Met andere woorden, er bestaan reeds ethische bedrijven die samen een commons produceren, zoals Enspiral, een jong bedrijvennetwerk dat Loomio (een samenwerkingssoftware) en Co-Budget (een app om democratische investeringsbeslissingen te nemen binnen het netwerk) heeft ontwikkeld en “Stuff that Matters” als baseline heeft. Het initiatief ontstond in Nieuw-Zeeland, maar het netwerk groei als kool en de open software Loomio is inmiddels uitgegroeid tot een zelfstandig bedrijf (een coöperatieve in eigendom en zelfbeheer van de werknemers) binnen het Enspiral netwerk, met wereldwijde vertakkingen.

Ik geef deze voorbeelden mee om ons verhaal wat concreter te maken zodat de verhaallijn duidelijker wordt. Wij denken namelijk dat er een nieuwe economie in wording is rond de commons. Deze economie wordt inderdaad gedomineerd door het kapitaal, maar veroorzaakt binnen het kapitalisme een waardecrisis: de geproduceerde gebruikswaarde groeit exponentieel, maar de gerealiseerde marktwaarde stijgt slechts lineair en wordt grotendeels “opgevangen” door het kapitaal. Maar naarmate het kapitaal investeert in peer-to-peer-netwerken en commons, versterkt ze die tegelijk en maakt aldus het potentieel alternatief sterker. Vroegere systeemovergangen vonden op dezelfde lijnen plaats: het oude systeem maakt gebruik van het nieuwe systeem om zijn bestaan te rekken, maar versterkt daardoor het nieuwe systeem tot een punt wordt bereikt waarop het nieuwe systeem kan doorbreken en dominant worden.

Vandaag wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe bedrijfsmodellen, vaak coöperatieven, die commons voortbrengen en tegelijk in het levensonderhoud voorzien van de coöperanten. Ook wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe manieren om de waardecreatie binnen de commons te registreren (open boekhouding) en die te koppelen aan vergoedingen voor de commonors indien de projecten marktwaarde realiseren. Er ontstaan ook nieuwe solidariteitsmechanismen, zoals de broodfondsen in Nederland, een sociaal zekerheidssysteem op minischaal voor “zzp-ers” (zelfstandigen zonder personeel, hier meestal freelancers genoemd). Zo zie je dat de mutualiteiten van de vroege arbeidersbeweging vandaag nog eens dunnetjes overgedaan door mensen die buiten de mazen van het sociale zekerheidssysteem vallen.

Ook de nieuwe coöperatieven die wereldwijd groeien als kool brengen de hoogdagen van de arbeidersbeweging in herinnering. Ook zij probeerden het nieuwe te bouwen binnen het oude, maar streefden vooral naar het veroveren van de politieke macht om de economie gradueel (door hervormingen) of min of meer volledig (door revolutie) via de staat over te nemen. De traditionele coöperatieven werden echter grotendeels weggeconcurreerd door multinationals die over meer kapitaal beschikten en dankzij schaalvoordelen goedkopere producten konden op de markt brengen. Coöperatieven die overleefden, konden dit alleen door zich net te gedragen als kapitalistische bedrijven waardoor ze op de duur nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren. Toch kan de historische arbeidersbeweging een grote inspiratiebron zijn voor de open source- en commonsbeweging. Alleen is haar heroïsche geschiedenis gedurende de laatste decennia (en zelfs langer) grotendeels ondergesneeuwd door bureaucratisering en incorporatie binnen de staat.

Kloof tussen precariaat en salariaat dichten, niet aanwakkeren

Dat laatste verklaart waarom veel jongeren die zich wel als een vis in het water voelen in de open source- en commonsbeweging, zich niet herkennen in de huidige arbeidersbeweging. Deze laatste is dan weer al decennia in een defensieve strijd verwikkeld voor het behoud van sociale verworvenheden en vindt moeilijk aansluiting bij jongeren die opgroeien in een tijd waarin het oude sociale contract meer en meer wordt opgeblazen voor de nieuwe generatie. Sommigen concluderen daaruit dat de klassenstrijd moet wijken voor een generatiestrijd. Niet het falend systeem is verantwoordelijk, wel de oudere generatie die de rijkdom heeft opgesoupeerd waardoor er niks meer overblijft voor de jeugd . Hoewel minder brutaal (hoewel…) lijkt dit de redenering die ook economiefilosoof Rogier De Langhe volgt in zijn recente columns. Rogier geeft toe dat er een systeemcrisis is, maar vindt dat “wij daar allemaal samen” voor verantwoordelijk zijn. Zoiets kan je natuurlijk alleen maar beweren als je de klassennatuur van onze samenleving ontkent. Maar zelfs dan is het hallucinant om het volgende te beweren: ”Zoals in 2008 bleek dat bankiers niet hadden kunnen weerstaan aan de ‘hebzucht’, zo blijkt vandaag dat ook de vakbonden te ver gingen. Ze verwierven meer rechten dan duurzaam over de generaties heen konden worden voorzien. Zelfs de banksters waagden het niet het land plat te leggen uit protest tegen het instorten van het kaartenhuisje dat ze zelf hadden gebouwd.” (De Morgen van 25 mei 2016: Waarom betogers op bankiers lijken”)

Rogier vindt de vakbonden blijkbaar nog erger dan de banksters. Hij pleit wel voor meer solidariteit, maar dan wil binnen de groep van “have nots”: “Ik droom van een herverdeling van sterk naar arm, in plaats van van niet-gesyndiceerd naar gesyndiceerd en van ongeboren naar vandaag.” Dat er in de afgelopen dertig jaar 10 procent van het BNP verschoven is van Arbeid naar Kapitaal is bijzaak, want “De bedragen waar het om gaat, zijn zo gigantisch dat een vermogensbelasting weinig verschil maakt. Zeker in een land als het onze illustreert het discours over de 1 procent vooral dat het makkelijker is de schuld bij een externe vijand te zoeken, dan bij onszelf.”

Er bestaat ongetwijfeld een spanningsveld tussen de klassieke arbeidersklasse die bestaat uit (vaak oudere) werknemers die in een hiërarchisch verband voor een bedrijf werken, en de nieuwe klasse van precaire en autonome werkers die rechtstreeks voor de markt (moeten) werken. Dat kan gedwongen zijn omdat ze geen werk vinden, maar velen doen het ook vrijwillig, ook uit sociale bewogenheid. Die groep gebruikt het internet en de commons voor het opzetten van nieuwe solidariteitsmechanismen. Op dat vlak speelt Smart.be in België een voortrekkersrol. We hebben de vakbonden al vaker op de korrel genomen omdat ze deze groeiende groep precaire werkers rechts laten liggen (in Nederland is binnen het FNV al geruime tijd een fel debat aan de gang). We moeten bruggen bouwen tussen precaire en “beschermde” werknemers, niet door de rechten van de ene groep af te bouwen ten voordele van de andere, maar om samen te ijveren voor een maatschappij die eerlijkere, democratischer en meer gelijk is dan de huidige. Helaas drijft Rogier de tegenstelling tussen beide groepen op de spits en door ongenadeloos de vakbonden te viseren in hun verzet tegen de regeringsmaatregelen, staat hij objectief gezien natuurlijk 100 procent aan de kant van de regering die hij in zijn columns nooit op de korrel neemt.

De commons als nieuw bindmiddel in een positief transitieverhaal

Maar goed, terug naar mijn verhaal. Wat in het oude verhaal van de arbeidersbeweging ontbrak, was een nieuwe manier om waarde te creëren en te herverdelen, die bovendien superieur is aan het oude model. Vandaag bestaat deze nieuwe productiewijze wel. In het oude verhaal versloeg groot klein. Altijd. Vandaag kan een netwerk van veel kleintjes groot verslaan. Denk aan Linux en Wikipedia. De nieuwe platformbedrijven of “netarchische” kapitalisten (kapitalisten die heersen over het netwerk), zijn nog piepjong (Google is 20 jaar oud, Facebook 12, Uber 6) maar hebben in een mum van tijd de wereld veroverd. De vraag is hoe duurzaam die bedrijven zijn op langere termijn, gezien hun parasitair karakter en het feit dat de waarde die ze onttrekken uit menselijke samenwerking niet terugvloeit naar de mensen die deze waarde creëren.

Er bestaat volgens mij geen uniforme formule om deze bedrijven aan te pakken. Sommigen kunnen op termijn weggeconcurreerd (of weg”samengewerkt”) worden door nieuwe, coöperatieve modellen, op voorwaarde dat deze globaal opgeschaald worden (samenwerking in wereldwijde netwerken). Zowel de overheid als de traditionele organisaties van de arbeidersbeweging kunnen daarin een stimulerende rol spelen. Anderen zoals Google of Facebook worden best “openbare nutsbedrijven”, zoals destijds de spoorwegen en de elektriciteitsbedrijven. Natuurlijk zijn deze privéplatformen wereldwijd actief, maar ze zijn wel ingebed in een staat (meestal de VS) waarbinnen een politieke strijd kan gevoerd worden om ze om te turnen in door stakeholders beheerde nutsbedrijven (geen traditionele staatsbedrijven dus). Buiten de VS kunnen en worden ze via regulering meer aan banden gelegd, hoewel de resultaten nog niet spectaculair te noemen zijn (bv. Europa versus Facebook en Google).

Om te resumeren, wil ik de volgende stellingen poneren:

De commons kunnen het bindmiddel zijn van een nieuwe progressieve beweging
De drie groepen die mondiaal actief zijn in transitiebewegingen (rond ecologie, solidariteit en open source) moeten elkaar beter leren kennen en meer gaan samenwerken

Tegelijk kan geijverd worden voor een commons-transitieprogramma dat streeft naar een nieuw economisch-maatschappeijk paradigma dat steunt op drie pijlers:
Een productieve civiele maatschappij van burgers die vrijwillig bijdragen tot commons
Een ethische bedrijvencoalitie rond deze commons
Een nieuw overheidsmodel waarbij de overheid optreedt als partnerstaat die peer-productie van vrije burgers faciliteert en ondersteunt (met geld, infrastructuur, onderwijs etc.) Deze staat vervangt de welvaartsstaat niet, maar overstijgt ze. Strijden tegen de afbouw van de welvaartsstaat blijft dus 100 procent een progressieve strijd.

Daarnaast dringt zich een herlocalisering op van de productie in microfabrieken die eveneens wereldwijd genetwerkt zijn en aldus een tegengewicht kunnen bieden op transnationaal niveau tegenover de multinationals. Op die basis kunnen we de ecologische crisis bezweren (duurzame lokale energiecoöperatieven aangesloten op een smart grid, drastische vermindering van transport- en energiekosten, transparante aanvoerketens ten dienste van een circulaire economie waardoor het generatief vermogen van de planeet volledig wordt hersteld etc.)

Voor meer info:

P2P Foundation
Enspiral
Jean Lievens

De tien geboden van peer-productie en de commons-economie

Originele tekst eerder gepubliceerd op de blog van de P2P Foundation en Wired

Voor een vrije, eerlijke en duurzame productiewijze en waardecreatie

Michel Bauwens, Berlijn, Oktober 23, 2015, voor de “Uncommons conferentie”

Zoals we elders probeerden aan te tonen, heeft het ontstaan van op commons gerichte peer-productie een nieuwe logica in het leven geroepen voor de samenwerking tussen open productieve gemeenschappen die gedeelde hulpbronnen (commons) creëren aan de hand van bijdragen, en marktgerichte entiteiten die toegevoegde waarde creëren bovenop of langs deze gedeelde commons.

Deze tekst handelt over ontluikende praktijken die een inspiratiebron kunnen zijn voor de nieuwe entiteiten van de ethische economie. De belangrijkste doelstelling is het creëren van nieuwe entiteiten die de traditionele bedrijfsvormen met hun winstmaximaliserende praktijken van waarde-extractie overstijgen. In plaats van extractieve kapitaalvormen hebben we generatieve vormen nodig die waarde co-creëren met en voor de commoners.

Voor de verklaring van de nieuwe praktijken, gebruik ik dezelfde formule als die van de Tien Geboden. Ze bestaan reeds allemaal onder verschillende gedaanten, maar moeten nog veralgemeend en geïntegreerd worden. Wat de wereld, de mensheid en alle wezens die de invloed ondergaan van onze activiteiten nodig hebben, is een productiewijze en productieverhoudingen die zowel vrij, eerlijk als duurzaam zijn.

Open en vrij

1. Gij zult open bedrijfsmodellen gebruiken die steunen op gedeelde kennis.

Gesloten bedrijfsmodellen zijn gebaseerd op artificiële schaarste. Hoewel kennis een niet- of zelfs anti-rivaliserend goed is waarvan de gebruikswaarde toeneemt naarmate het meer wordt gedeeld, en hoewel het in digitale vorm gemakkelijk kan gedeeld worden tegen zeer lage marginale kost, creëren veel extractieve bedrijven opzettelijk artificiële schaarste om rente te kunnen onttrekken aan het creëren of het gebruik van gedigitaliseerde kennis. Via legale onderdrukking of technologische sabotage worden goederen die natuurlijk kunnen worden gedeeld kunstmatig schaars gemaakt om extra winsten te genereren.

Dat is hemeltergend in een context waarin technische kennis in staat is levens te redden en de planeet te helen. Het eerste gebod is daarom het ethische gebod om te delen wat kan worden gedeeld, en om alleen marktwaarde te creëren bij hulpbronnen die schaars zijn, en toegevoegde waarde te creëren bovenop of langs deze commons. Open bedrijfsmodellen zijn marktstrategieën die gebaseerd zijn op de erkenning van natuurlijke overvloed en de weigering om een inkomen te genereren door die kunstmatig schaars te maken.

Meer informatie (in het Engels) is te vinden hier

Eerlijk

2. Gij zult werken via open coöperatieven

Er worden veel meer nieuwe ethische en generatieve entiteiten opgericht die meer in harmonie zijn met de uit bijdragen gecreëerde commons. De sleutel hierbij is om te kiezen voor postbedrijfsvormen die toelaten dat de bijdragende commoners in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

Vooral open coöperatieven komen hiervoor in aanmerking. Ze hebben de volgende kenmerken:

1. Ze zijn doelgericht en hebben een sociale doelstelling die verbonden is aan de creatie van gedeelde hulpbronnen
2. Ze worden beheerd volgens een multi-stakeholdermodel, waarbij iedereen betrokken wordt die beïnvloed wordt door de werkzaamheden of bijdragen levert tot de betrokken activiteit
3. Ze verbinden zich statutair en volgens hun eigen regels met de productieve gemeenschappen voor het co-creëren van commons.

Ik voeg daar vaak nog een vierde voorwaarde aan toe, namelijk dat ze organisatorisch een globale visie hebben ten einde een tegenmacht te kunnen creëren tegenover de extractieve multinationals.

Coöperatieven zijn maar één van de potentiële vormen die commons-vriendelijke marktentiteiten kunnen aannemen. We zien ook de opkomst van meer open entiteiten zoals neo-tribale vormen (denk aan de werkwijze van de gemeenschap rond Ouishare), of meer strak georganiseerde nieuwe modellen zoals Enspiral.org, Las Indias of de Ethos Foundation. Een nog opener vorm is het soort van netwerk waarvoor de gemeenschap rond de open wetenschappelijke hardware Sensorica heeft gekozen. Ze wil de bijdragen strakker koppelen aan de gegenereerde inkomsten door alle microtaken in het beloningssysteem toe te laten aan de hand van open value accounting of contibutory acccounting (verder meer hierover).

Gij zult hierover meer informatie (in het Engels) vinden hier

3. Gij zult gebruik maken van Open Value Accounting (“open-waarde-boekhouding”) of Contibutory Accounting (“bijdragende boekhouding”)

Peer-productie is gebaseerd op vrije, gedistribueerde taken van bijdragers die werken binnen een samenwerkingsinfrastructuur gedreven door een open gemeenschap. De traditie van een baan met vaste taakbeschrijving in ruil voor een salaris is allicht niet de meest aangewezen manier om de bijdragers tot dergelijke processen te belonen. Vandaar de geboorte van de open-waarde-boekhouding of bijdragende boekhouding, een praktijk die al bestaat bij Sensorica. Het systeem bestaat erin dat elke commoner bijdragen kan leveren, ingelogd naargelang een projectnummer, en ‘karmapunten’ krijgt na een peer-evaluatie. Als er inkomsten worden gegenereerd, dan vloeien die naargelang de gewogen bijdragen, zodat elke commoner op een eerlijke manier wordt vergoed. Bijdragende boekhouding of andere gelijkaardige oplossingen zijn belangrijk om te vermijden dat enkel een beperkt aantal bijdragers die dichter bij de markt staan zich alle waarde die door een veel grotere gemeenschap werd gecreëerd, zouden toe-eigenen. Open boekhouding verzekert een transparante (her)verdeling van de waarde voor alle deelnemers.

Gij zult meer informatie (in het Engels vinden hier

4. Gij zult een eerlijke verdeling van gemeenschappelijk gecreëerde waarde verzekeren via CopyFair Licenties

De copyleft licenties laten iedereen toe om de noodzakelijke kenniscommons te hergebruiken, op voorwaarde dat elke verandering en elke verbetering aan dezelfde commons wordt toegevoegd. Dat is een groot voordeel, maar we mogen daarbij de noodzaak tot eerlijkheid niet uit het oog verliezen. Wanneer we overgaan tot fysieke productie die middelen vergt voor gebouwen, grondstoffen en lonen, zien we dat een dergelijke licentie de onbeperkte commerciële exploitatie van de commons door extractieve modellen in de hand werkt. We moeten dus verzekeren dat het delen van kennis behouden blijft, maar wederkerigheid vragen voor de commerciële exploitatie van de commons zodat er een gelijk speelveld ontstaat voor de economisch ethische spelers die de sociale en ecologische kosten internaliseren. Dit wordt bewerkstelligd door copyfair licenties die wederkerigheid vragen in ruil voor het recht op commercialisering, met behoud van het volledig delen van de kennis.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie vinden hier

5. Gij zult solidariteit bedrijven en de levens- en werkrisico’s verminderen via commonfare-praktijken

Aangezien een van de grote gevolgen van de financiële en neoliberale globalisering de geleidelijke verzwakking van de macht van nationale staten is, bestaat er vandaag een sterke en geïntegreerde poging om de solidariteitsmechanismen, ingebed in het model van de welvaartsstaten, terug te schroeven. Zolang we de macht niet hebben om het tij te doen keren, is het noodzakelijk dat we substantiële gedistribueerde solidariteitsmechanismen heropbouwen, een praktijk die we “commonvaart” (versus welvaart) kunnen noemen. Voorbeelden als het Broodfonds (Nederland), Friendsurance (Duitsland) en de “health sharing ministries” (U.S.), of coöperatieve entiteiten zoals Coopaname in Frankrijk laten nieuwe vormen van gedistribueerde solidariteit zien die kunnen worden ontwikkeld om ons te beschermen tegen levens- en werkrisico’s

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

Duurzaam

6. Gij zult open en duurzame ontwerpen gebruiken voor een open source circulaire economie

Productieve open gemeenschappen verzekeren maximale participatie via modulariteit en granulariteit. Omdat ze opereren in een context van gedeelde en overvloedige middelen, is de praktijk van geplande slijtage -die geen fout is maar een kenmerk van winstmaximaliserende bedrijven- volledig vreemd aan hen. Ethische ondernemersentiteiten zullen daarom deze open en duurzame modellen gebruiken en duurzame goederen en diensten produceren.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

7. Gij zult verder gaan dan uitsluitend te steunen op onvolkomen prijssignalen van de markt en overgaan tot wederzijdse coördinatie van de productie via open aanvoerketens en open boekhouding.

Wat besluitvorming is voor planning en het prijsmechanisme voor de markt, is wederzijdse coördinatie voor de commons.

We zullen nooit komen tot een duurzame ‘circulaire economie’ waarbij de output van het ene productieproces gebruikt wordt als de input voor een ander, als we gesloten aanvoerketens gebruiken en als elke samenwerking onderworpen is aan pijnlijke onderhandelingen in een weinig transparante omgeving. Maar ondernemingscoalities die reeds onderling afhankelijk zijn door hun bijdragen aan collaboratieve commons kunnen ecosystemen van samenwerking creëren aan de hand van open aanvoerketens waarin de productieprocessen transparant worden en waarbij elke participant zijn gedrag kan aanpassen gebaseerd op de beschikbare kennis binnen het netwerk. Overproductie doet zich niet voor wanneer de werkelijke productie van het netwerk algemene kennis wordt.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

8. Gij zult cosmo-lokalisering bedrijven

Als het licht is, is het globaal, als het zwaar is, is het lokaal: dit is het nieuwe principe van commons gebaseerde peer-productie, waarbij kennis wereldwijd wordt gedeeld maar de productie kan plaatsvinden op basis van de vraag en gebaseerd op werkelijke noden via een netwerk van gedistribueerde co-working ateliers en microfabrieken. Sommige studies hebben aangetoond dat tot tweederden van de grondstoffen en energie niet naar de productie gaan, maar naar transport. Dit is duidelijk onhoudbaar. Een terugkeer naar plaatselijke productie via herlocalisering is een voorwaarde sine qua non voor de overgang naar duurzame productie.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier
http://p2pfoundation.net/Category:Sustainable_Manufacturing

9. Gij zult fysieke infrastructuur wederzijds delen

Platformcoöperatieven, datacoöperatieven en fairshare-vormen van gedistribueerde eigendom kunnen worden aangewend om samen de productie-infrastructuur te bezitten.

De zogenaamde deeleconomie van Airbnb en Uber is verkeerd genoemd, maar toont niettemin het potentieel aan van middelen die anders niet zouden worden gebruikt. Co-working, skill-sharing, ride-sharing zijn voorbeelden van de vele manieren waarop we middelen kunnen delen en hergebruiken om de thermodynamische efficiëntie van onze consumptie dramatisch te verhogen.

In de juiste context van co-eigendom en co-governance, kan een echte deeleconomie gigantische voordelen opleveren op het vlak van een verminderd gebruik van hulpbronnen. Onze productiemiddelen, inclusief machines, kunnen wederzijds gedeeld worden, in eigen eigendom, door al degenen die de waarde creëren.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

10. Gij zult generatief kapitaal mutualiseren

Generatieve kapitaalvormen kunnen niet steunen op een extractief geldaanbod dat gebaseerd is op samengestelde interest verschuldigd aan extractieve banken. We moeten af van de 38% rente die in alle goederen en diensten vervat is en ons geldsysteem veranderen, en het gebruik van wederzijdse kredietsystemen substantieel verhogen.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

Vertaling Jean Lievens

Alles suggesties voor verbeteringen aan de vertaling welkom op [email protected]

Een nieuw verhaal voor links

eerst gepubliceerd in de Wereld Morgen

Links heeft een nieuw, optimistisch verhaal nodig. Het oude werkt niet meer. Welbeschouwd speelt de arbeidersbeweging al minstens drie decennia in verdediging. Met dit defensieve spel verliest ze de ene match na de andere. Als het roer niet snel wordt omgegooid, dreigt de degradatie, of erger. Een heroriëntatie naar nieuwe burgerinitiatieven en -bewegingen dringt zich op.

Het blijft nog wachten op de slaagkansen van de hervormingen in Griekenland en het effect ervan op de rest van Europa, maar tot nu toe is sociale afbraak overal de boodschap. Vaste jobs worden schaarser, studeren duurder, de ongelijkheid neemt toe, solidariteitsmechanismen gaan op de schop, de natuur gaat om zeep en het klimaat slaat op hol.

En er zijn geen sociale zekerheden meer. Leuke tijd om in op te groeien. Jongeren krijgen een negatief sociaal contract aangeboden, en velen concluderen dat de vorige generatie alles heeft opgebrast. Soylent Green, een sciencefictionfilm uit de begin jaren zeventig waarin 65-plussers tot groene koekjes worden verwerkt, komt achter het hoekje gluren.

Destructieve creatie

De creatieve destructie van Schumpeter heeft plaats geruimd voor destructieve creatie. Binnen twintig jaar zullen robots tot 50% van de huidige jobs in België hebben overgenomen. Op zich een leuk vooruitzicht, ware het niet dat alle winst naar de eigenaars van de robotten gaat. Met de automatisering kalft het salariaat zienderogen af. Het vaste arbeidscontract moet wijken voor precaire statuten van freelancers en zzp-ers (zelfstandigen zonder personeel), vandaag al goed voor een derde (tegen 2020 de helft) van de Amerikaanse werkers.

In Nederland, altijd een stapje “voorop”, is dit al een op vier. Velen vinden hun autonomie een pluspunt, maar ze hossen wel zonder sociale bescherming van de ene tijdelijke opdracht naar de andere. Permanent. Ze vallen naast het sociale vangnet van de overheid en kunnen een privéverzekering niet betalen Daarom vonden ze de broodfondsen uit, solidariteitsfondsen van ongeveer 150 man die maandelijks 25 euro in een pot leggen en bij ziekte een uitkering krijgen van 750 euro. Het is de hergeboorte van de negentiende-eeuwse mutualiteiten.

Klusjes en bullshit jobs

Daarnaast groeit het leger dat met de eigen auto taxichauffeur speelt voor Uber, een kamer op overschot verhuurt via Airbnb of (bij)klust voor een habbekrats via Taskrabbit of Mechanical Turk. Denk niet dat het gaat om onkruid wieden of de hond uitlaten: in de VS heb je al platforms voor dokters (Health Tap) en advocaten (Upcounsel).

Voor velen bieden deze platforms nog altijd een leuke bijverdienste, maar steeds meer mensen worden ervan afhankelijk om te overleven. Oorspronkelijk hadden veel platforms een sociale doelstelling: delen tegen kostprijs of zelfs gratis. Maar ze worden zienderogen gekaapt door beleggers die alleen maar uit zijn op financieel gewin. Met hun geld breiden de platforms uit en worden ze professioneler, maar de sociale logica moet wijken voor de winstlogica.

Durfkapitalisten (ze hebben hun naam niet gestolen) hebben een flink deel van de ontluikende deeleconomie gekaapt. De term had oorspronkelijk vooral betrekking op het delen (sharing) van gemeenschappelijke dingen (auto’s, boren, tuinen..) wat zowel het milieu als het sociale weefsel ten goede komt. Gelukkig bestaan er nog altijd heel wat deelplatformen waar de nadruk blijft liggen op dat laatste.

Maar dat geldt al lang niet meer voor de Airbnb’s en Ubers van deze wereld. Airbnb investeert niet in hotels, Uber niet in taxi’s. Het zijn slechts platforms die vraag en aanbod samenbrengen, maar wel met een steeds groter stuk van de koek gaan lopen. Voor jonge mensen die af en toe hun appartement verhuren aan toeristen (en dan tijdelijk bij hun ouders of vrienden logeren), biedt Airbnb een mooi extraatje. Maar als je voor je hele inkomen afhankelijk bent van dergelijke platforms, krijg je al gauw een moderne vorm van feodalisme. “Vazaleconomie” zou misschien een beter woord zijn. Op de keper beschouwd, hebben we hier te maken met een parasitair systeem van de ergste soort.

Basisinkomen

Vandaag verdien je vooral geld met geld (rente), eigendom (aandelen en obligaties) en controle over netwerken via intellectueel eigendom en marketing. Immateriële zaken dus, waarvan de waarde eigenlijk “politiek” bepaald wordt. Volgens Roland Duchatelet is in België maar 7% van de bevolking meer betrokken bij de productie van voedsel en materiële goederen. De rest zijn diensten, vaak verpakt in wat de Amerikaanse antropoloog en anarchist David Graeber “bullshit jobs” noemt: banen waarvan de betrokkenen zelf vinden dat ze eigenlijk overbodig zijn. Winsten vallen steeds minder te rapen in de productie, die grotendeels naar het zuiden is verhuist waar arbeid in overvoed en dus goedkoop is.

Onlangs kwam Rutger Bregman daarover vertellen in Reyers Laat. De Nederlandse golden boy verdedigde er op speelse wijze een andere visie op arbeid die hij koppelde aan een onvoorwaardelijk basisinkomen. Zijn standpunt botste op ongeloof bij een oogbolrollende Liesbeth Homans die zich – mondhoeken richting studiovloer – afvroeg wie dit ging betalen. Rutger Bregman repliceerde gevat dat de minister er negentiende-eeuwse opvattingen op nahield. In onze samenleving bestaan andere herverdelingsmechanismen dan via de overheid.

Er stroomt inderdaad heel wat geld naar boven, naar mensen met “bullshitjobs” die in wezen geen bijdrage leveren tot de reële economie en zelfs welvaart vernietigen. Spreekt er eigenlijk nog iemand over de bankencrisis? Nee, natuurlijk niet. De Islam, ja. En 60-plussers die op hun gat in Benidorm profiteren. Activeren dat zootje!

Rutger Bregman noemt zich liberaal in hart en nieren. Hij gelooft in meritocratie en vindt dat mensen moeten bijdragen voor hun geld. Een basisinkomen is daar niet mee in contradictie omdat dit juist de mogelijkheid biedt om te doen wat je graag doet en waar je het best in bent. Iedereen profiteert daarbij, de maatschappij al zeker. Mensen met minder prettige en zware beroepen zouden juist meer moeten verdienen. Daar kan “de wortel en de stok” nog spelen. Allemaal interessante denkpistes waar ik het in de grond mee eens ben. Alleen hebben we een transitieprogramma nodig dat steunt op een nieuw paradigma, want binnen het oude zie ik het niet gebeuren.

Peer-productie en het gemeengoed

We moeten inderdaad anders gaan aankijken tegen arbeid, maar hoe? Welk werk bedoelen we? Spreken we over loonarbeid, of nuttige bijdragen aan gemeengoed projecten, die tot nu toe meestal onbetaald blijven? Hoe komen we tot een systeem waarin mensen meer beloond worden naar werk (en minder naar bezit), maar met sterke ingebouwde solidariteitsmechanismen die de zwakkeren de nodige bescherming bieden? We bevinden ons immers voor de volgende paradox.

Onze welvaartsstaat steunt op solidariteitsmechanismen die werden uitgevonden, uitgebouwd en uiteindelijk via de staat veralgemeend door de arbeidersbeweging (mutualiteiten, pensioenkassen, werkloosheidskassen). Overal in Europa wordt dit stelsel afgebouwd. Maar dit is maar één zijde van de medaille. De andere blijft tot nu toe onderbelicht.

In de afgelopen twintig jaar zijn we immers ook getuige van een nieuw ontluikend economisch systeem dat een andere logica volgt. Dit systeem wordt aangedreven door het internet dat horizontale communicatie en collaboratie mogelijk maakt tegen zeer lage kostprijs. Daardoor kunnen steeds meer zaken beter en goedkoper geregeld worden via samenwerkingsplatformen dan via traditionele organisaties. Burgers bouwen samen software, kennis en ontwerpen.

Met meer dan 30.000 open-hardwareprojecten, van auto’s over landbouwmachines tot robotten en satellieten zien we dat de logica van delen en produceren via het internet zich ook doorzet in het productieproces. Na de miniaturisering van de computer zijn vandaag de machines aan de beurt. Het delen en kopiëren van digitale muziek, software, film, design, kennis… op het internet vloeit over naar het delen van infrastructuur in fablabs, co-working-, hackers- en makerspaces.

Helaas bestaan er nog geen uitgewerkte studies om al die nieuwe ontwikkelingen in kaart te brengen, maar in Barcelona groeide het aantal co-workingspaces van 3 naar 50 in drie jaar tijd, in Wenen was er drie jaar geleden één hackerspace, vandaag zijn er vijftien, in de VS groeide stadslandbouw door (hoofdzakelijk) collectieve groepen met 48% in twee jaar tijd… De laatste tien jaar groeit het aantal burgerinitiatieven als kool, zoals te zien is in een recente studie van Tine de Moor. Ook de coöperatieve beweging zit in de lift: vandaag werken meer mensen voor coöperatieven dan voor multinationals.

Naar een nieuw model rond de commons

Maar de belangrijkste revolutionaire verandering is volgens mij de opkomst van digitaal gemeengoed: globale, complexe projecten rond open kennis, software en design, die voor iedereen vrij beschikbaar is. Rond dit nieuw gemeengoed groeit een nieuwe economie van freelancers en allerhande bedrijven die deze “commons” als grondstof gebruiken voor het maken van producten en diensten met toegevoegde waarde.

Het gebruik van open software door bedrijven (denk aan IBM en Linux) is vrij bekend, maar nieuw is toch de snelle opkomst van allerhande open-hardwareprojecten. Het idee is eenvoudig: alles dat gemaakt wordt, moet eerst geconcipieerd worden. In klassieke bedrijven wordt die kennis beschermd door patenten. Die zijn bedoeld om innovatie te stimuleren omdat bedrijven hun onderzoekskosten willen recupereren. Maar in de praktijk zijn ze uitgegroeid tot innovatieremmers die patenthouders zolang mogelijk monopoliewinsten bezorgen.

Niet zo bij open hardware: iedereen kan de concepten verbeteren en iedereen kan ze downloaden. Met de nodige machines, eventueel gedeeld in een fablab, kan een doe-het-zelver het product zelf maken. Soms kan je een pakket onderdelen (vaak vervaardigd met 3D-printers) kopen en ze als een meubel van Ikea zelf ineen steken, of je kan het afgewerkte product kopen bij een open hardwarebedrijf. Deze laatste wint dan wel niks op het intellectueel eigendom, aangezien het ontwerp vrij beschikbaar is, maar wordt wel vergoed voor zijn arbeid. Loon naar werk dus.

Open-hardwarebedrijven zijn vaak starters die een klassieke bedrijfsvorm aannemen en voor hun financiering een beroep doen op crowdfunding en durfkapitalisten. Maar niets belet jonge ondernemers om een coöperatieve op te richten, een bedrijfsvorm die veel beter aansluit bij de praktijk van vrije bijdragen aan een gemeengoed en de deelcultuur in de virtuele wereld.

Als die productiecoöperatieven zich dan nog eens met elkaar zouden verbinden in een wereldwijd netwerk rond het open-designgemeengoed, dan krijg je een soort van gedistribueerde multinational die in staat is het klassieke model te verslaan omdat ze efficiënter en goedkoper kan werken. Als je ten slotte ook de boekhouding en aanvoerketen van die coöperatieven open en transparant maakt en alle stakeholders betrekt, dan kom je tot een nieuw economisch model dat zowel de markt als de klassieke planeconomie in de schaduw stelt.

In dit verhaal moet de overheid het geweer van schouder veranderen en evolueren van betuttelende marktstaat naar faciliterende partnerstaat: een overheid die burgerinitiatieven mogelijk maakt en stimuleert. Ook die evolutie is bezig, zij het vooral op plaatselijk vlak. Zo heeft Bologna onlangs een “reglement voor de commons” ingevoerd, die al door 25 andere gemeenten is overgenomen (Michel Bauwens en Dirk Holemans in Knack van 22/2/2015).

Burgers doen voorstellen aan de gemeente, bijvoorbeeld om hun wijk te verfraaien. Na overleg kan de gemeente middelen vrijmaken waarmee die burgers hun plannen zelf kunnen waarmaken. Dat vergt ook een ommekeer in het politieke denken, want de meeste politici willen zich vooral profileren rond wat zij doen voor de burger.

Utopisch? Misschien. Maar op microniveau wordt er al volop geëxperimenteerd en in theorie kunnen we ons vandaag voorstellen hoe dit model op macroniveau zou kunnen werken. Daarom kan het P2P-verhaal vandaag dezelfde rol spelen als het socialistisch verhaal in de negentiende eeuw. Ook toen waren er honderden en duizenden basisinitiatieven.

De arbeiders vochten niet alleen op hun werkplaats voor betere werkomstandigheden, maar creëerden ook machtige organisaties waarmee ze hun politieke stempel drukten op de twintigste eeuw. Maar hun macht kalft af. De productie is voor een groot deel verhuisd naar ontwikkelingslanden en hier proberen bedrijven de syndicale macht verder te breken, gisteren door outsourcing, vandaag door crowdsourcing.

Nieuw links

De erosie van de macht van de arbeidersbeweging weerspiegelt zich in een crisis van de sociaaldemocratie, die probeert afstand te nemen van de syndicale achterban om te kunnen verruimen (met bijzonder weinig succes), maar ook weinig aansluiting vindt bij de nieuwe bewegingen en de vele initiatieven die opborrelen vanuit de civiele maatschappij.

De nieuwe progressieve formaties in Griekenland en Spanje knopen daar wel bij aan. Het is zeer significant dat Gianni Dragasakis, de nieuwe vicepremier van de Syriza-regering in Griekenland, in zijn parlementstoespraak expliciet verwees naar het ontwikkelen van bottom-up, op gemeengoed gebaseerde peerproductiemodellen om tegemoet te komen aan de noden van de Griekse bevolking.

Dr. Vasilis Kostakis, medewerker van de P2P Foundation en samen met Michel Bauwens auteur van het boek Network Society and Future Scenarios for a Collaborative Economy, schrijft: “Het lijkt erop dat Syriza een politiek nastreeft die in de lijn ligt van het idee van de “partnerstaat” en dat op het vlak van onderwijs, overheidsbeleid en R&D. Om er een paar te vernoemen:

– Het vrijgeven van openbare data
– Het vrijgeven van alles kennis die gefinancierd wordt met belastingsgeld
– Het creëren van een omgeving die samenwerking stimuleert tussen kleine ondernemers en coöperatieven, waarbij initiatieven die steunen op open-source-technologieën en -praktijken worden aangemoedigd
– Het ontwikkelen van bepaalde participatieve processen (en het versterken van de bestaande) om burgers te betrekken bij het beleid
– Het aannemen van open standaarden en patronen voor openbare diensten en onderwijs.

Het is bij mijn weten voor de eerste keer dat een Europese regering expliciet een politiek verdedigt die aansluit bij de nieuwe economische logica in wording. Onafhankelijk van de manier waarop in België deze nieuwe politiek gestalte zal krijgen, ben ik hoopvol dat er een progressieve meerderheid kan gevonden worden rond de kernideeën van de nieuwe p2p-logica: de creatie van een nieuwe economie van ethische bedrijven rond collectief gecreëerd gemeengoed, of in de woorden van Jeremy Rifkin, commons-based peer production. Daarbij kan elke politieke partij haar eigen klemtonen leggen: duurzaamheid, sociaal ondernemerschap, solidariteit.

Maar niet alleen de rechtse partijen, ook de vakbonden en de sociaaldemocratie zijn in mijn ogen nog te veel gericht op het verdedigen van het oude systeem dat steunt op arbeid en kapitaal. Veel verder dan een vermogenswinstbelasting komt men niet.

Ik denk echter dat de ommekeer zich niet kan realiseren via een loutere herverdeling binnen het oude systeem, als dit niet gekoppeld wordt aan een heroriëntatie naar het nieuwe systeem. Dit is nu eenmaal nodig om de traditionele links-rechtsverhouding te overstijgen en een zo groot mogelijke politieke meerderheid te verwerven om een begeleide, vreedzame transitie mogelijk te maken.

Jean Lievens

Het FabLab in CODA Junior is leuk, leerzaam en uniek in Apeldoorn!

Volledige tekst op Coda

Lasersnijden en 3D printen: het kan allemaal in CODA FabLab. Iedereen is van harte welkom om met de moderne apparatuur aan de slag te gaan en de mogelijkheden hiervan te ontdekken. Het FabLab is interactief, leerzaam en laagdrempelig.

Het FabLab (afkorting van Fabrication Laboratory) is de ideale leeromgeving voor jong en oud waar kunst en techniek samenkomen. Het stimuleert creativiteit en ondernemerschap waarbij het vooral om samenwerken gaat. De kracht zit niet alleen in de moderne techniek, maar vooral in het delen van kennis.

CODA FabLab maakt deel uit van een wereldwijd netwerk van 360 FabLabs waarvan er ruim 30 in Nederland gevestigd zijn.

“We beleven het einde van het Romeinse Rijk. Dat geeft moed”

Een uitgebreid interview met Michel Bauwens in De Morgen van 11 oktober 2014 (Zeno-bijlage)

De westerse economie gaat om zeep, maar dat is juist geweldig nieuws. Eindelijk wat anders! Welkom in de wereld van Michel Bauwens (56), een filosoof die zo radicaal outside the box denkt, dat er in de verste verte geen box meer te bekennen valt.

Misschien kent u Michel Bauwens niet – en dat is dan erg jammer. Maar die ene onbekende Belg, waarvan u de naam alweer vergeten bent, die plots opdook naast Mahatma Gandhi en Martin Luther King in die lijst van honderd meest inspirerende personen van het Post Growth Institute, herinnert u zich die nog? Dat was Michel Bauwens.

De rest van het interview hier

Deeleconomie, grootkapitaal en de nieuwe sociale klasse

Oorspronkelijk gepubliceerd in MO (originele tekst) op 4 juli 2014

Het internet transformeert zichzelf van communicatieplatform tot productieplatform. Dat wijzigt de sociale verhoudingen fundamenteel. Een op vier werknemers is nu al freelance en tegen 2020 zou dat een op drie zijn. Kenniswerkers verdienen vaak erg weinig, terwijl ze toch hun eigen productiemiddelen bezitten. Creëert deze nieuwe sociale klasse ook een nieuw politiek speelveld?

Volgens de onlangs overleden Jean-Luc Dehaene zijn de klassieke politieke partijen, maar ook vakbonden en werkgeversorganisaties producten van een verleden tijd. Vandaag is het niet langer de politiek, maar technologie de drijfveer van verandering. In De Standaard van 19 april verwees hij in dat verband expliciet naar gedelocaliseerde peer-to-peer-initiatieven. Zijn er parallellen met het ontstaan van vakbonden en coöperaties tijdens het begin van de industriële samenleving?

In de negentiende eeuw ontstond een nieuwe klasse van proletarische arbeiders die waren weggejaagd uit hun land en ambacht, en zonder enige zekerheid en solidariteit afhankelijk waren van het kapitaal.

Om hun levensvoorwaarden te verbeteren, richtten zij solidariteitsmechanismen op, en allerlei sociale en politieke bewegingen die hun sociale eisen konden bijstaan. Die eisen en verlangens werden in belangrijke mate gerealiseerd toen de welvaartstaat die voorstellen ernstig nam en begon te realiseren.

Vandaag vindt een deproletarisering plaats. Een op vier werknemers is nu al freelance en tegen 2020 zou dat een op drie zijn, en in de VS zelfs een op twee. De nieuwe sociale klasse, de precaire kenniswerkers, bezitten hun eigen productie-middelen, zoals de computer, de netwerken, en in toenemende mate de nieuwe gedistribueerde productie-middelen zoals 3D printers. Toch is die nieuwe klasse vandaag ook erg onzeker in de context van de afbraak van de solidariteitsmechanismen van de welvaartstaat.

Breuk tussen kapitalisme en ondernemerschap

De nieuwe structurele realiteit van de kenniswerkers kwam zeer duidelijk tot uiting na de internet crisis van 2001. Ondanks de enorme kapitaalvlucht uit het internet, vond een enorme heropleving van de innovatie plaats en werd het participatieve Web 2.0 geboren, aanvankelijk zonder echte medewerking of financiering van het kapitaal.

De conclusie was duidelijk: het is vandaag mogelijk om heel complexe technologische projecten te creëren op basis van vrijwillige samenwerking, die bovendien minder dan ooit beperkt wordt door nationale of andere grenzen. Geld en kapitaal zijn nu minder nodig in de beginfase, eerder wanneer het project succesvol is en een economie begint te creëren. Er is dus een historische breuk onstaan tussen het kapitalisme en het ondernemerschap.
Het internet is inderdaad niet louter een communicatie-medium, het blijkt vooral een productie-medium te zijn. Overal ter wereld ontstaan er vrije software gemeenschappen, open hardware gemeenschappen, en vele andere projecten die gebaseerd zijn op gedeelde kennis. Volgens het Amerkaanse Fair Use Economy Report zou die economie in de VS nu al zorgen voor 17 miljoen arbeidsplaatsen en een zesde van het bruto nationaal product, geen peulschil dus.

Die mutualisering van de kennis gaat gepaard met een mutualisering van de fysieke economie. Meer en meer jongeren richten co-working ruimten in, en organiseren hackerspaces, makerspaces, diy biolabs en dies meer. En de zogenaamde deeleconomie laat de mutualisering toe van veel tot nu toe overtollige en ongebruikte goederen.

Het kapitalsme recupereert de vernieuwing

Maar het kapitalisme zou het kapitalisme niet zijn, als het daar geen winstmogelijkheden in zag. De nieuwe peer to peer economie is dus inderdaad al ingekapseld in het dominante system. Grote multinationals maken gebruik van vrije software, zoals IBM dat doet met Linux. Op die manier kan de multinational gebruik maken van het werk van honderdduizenden arbeiders, waarvan minstens een kwart gratis voor Linux werken.

Bedrijven zoals Facebook and Google, produceren geen goederen of diensten meer, zij zijn als platform een doorgeefluik voor de waarde die we als gebruikers zelf creëren door onze uitwisseling via sociale media. Wie de waarde creëert, krijgt geen inkomen, de volle honderd procent gaat naar de eigenaars van het platform.

De deeleconomie en de gedistribueerde netwerken voor klussen etc .. (crowdsourcing) zijn zo opgevat dat ze de belangen van de vraagzijde (consumptie) bevoordelen, en de belangen van het aanbod (de arbeid), benadelen. Volgens Trebor Scholz, in een nog ongepubliceerde studie, zou het gemiddelde loon van dit soort werk soms amper twee dollar per uur zijn, veel lager dan het legale minimumloon in de VS.

Er is dus schijnbaar een grote contradictie tussen het passionele engagement van de nieuwe laag kennisarbeiders voor het creëren van een gemeengoed dat voor allen beschikbaar is, en de economische realiteit in het kapitalisme, die voor hen meestal neerkomt op een structurele precariteit.

Marktwaarde en samenwerking

Er is echter hoop. Hoewel de peer to peer economie functioneert binnen het kader van de huidige politieke economie, beschikt ze ook over een aanzienlijke post-kapitalistische potentialiteit.

De post-kapitalische logica van peer productie hangt nauw samen met het creëren van wat Jeremy Rifkin de ‘collaboratieve commons’ noemt: het gemeengoed dat door samenwerking gecreëerd wordt. De logica is er niet een van arbeid en kapitaal maar van bijdragen tot een open gemeengoed. Kenniswerkers, betaald of niet, dragen met hun kennis, code of design bij aan een gemeengoed dat beheerd wordt door een nieuwsoortig sociaal contract: iedereen kan gebruikmaken van en bijdragen aan het gemeengoed, op voorwaarde dat het beschikbaar blijft voor iedereen.

De peer to peer dynamiek creëert dus een commons, een overvloedige, kopieerbare commons die op zichzelf geen marktwaarde heeft omdat zij door haar overvloed geen spanning kan creëren tussen vraag en aanbod, en dus geen prijs. Het werk zelf, dat gebeurt door de vrije bijdrage van tijd, kennis en energie, gebeurt via gemeenschappelijke coördinatie, dus niet via een hiërarchisch bevel. Het is dus geen prijsmechanisme (markt) of bevel (hiërarchie), maar een nieuw toewijzingsmechanisme gebaseerd op sociale coördinatie.

Binnen de huidige kapitalistische maatschappij kan men echter niet in zijn levensonderhoud voorzien zonder de creatie van marktwaarde, maar die gebeurt dus in de periferie van de commons, door rond en op basis van het gemeengoed diensten en producten te leveren die wel schaars zijn en dus marktwaarde creëren. De twee logica’s moeten dus samenwerken, de commons heeft de markt nodig om te overleven, maar de markt heeft de commons nodig om te innoveren en waarde te creeren.

Het probleem, bekeken vanuit het standpunt van de kenniswerkers, is dat de kapitalische markt nog steeds dominant is. Winstgerichte bedrijven gaan dus een aantal van die peerproducenten betaald werk bezorgen, maar zorgen er ook voor dat de meerwaarde gereasliseerd wordt via de bedrijven. De commons is dus niet autonoom.

Een Internationale van wederkerigheid?

Vandaag zien we hoe kennisarbeiders, diegenen die samen de commons creëren, net zoals de arbeiders van de 19de eeuw, naar oplossingen zoeken om hun welvaart en autonomie te versterken. Een van die projecten is de Freelancers Union in New York, die al bijna driehonderdduizend freelance kenniswerkers organiseert. Kenmerkend is dat die beweging niet louter een klassieke vakbond is, maar zelf ook geëngageerd is in het creëren van een alternatieve economie. Ze doen dat in een project dat ze de Quiet Revolution noemen.

Een andere reactie is het creëren van een coöperatieve economie rond de commons. Zo kent Argentinië bijvoorbeeld al een paar dozijn software coöperaties die uitsluitend, en tegen betaling, vrije software produceren voor het bedrijfsleven. De Cooperativa Integral Catalana is een voorbeeld van een snelgroeiend en open coöperatief consortium dat structureel verbonden is met het co-produceren van gemeengoed. In Baskenland is het zeer originele lasindias.net actief.

De P2P Foundation zelf speelt hierin een rol door het debat te lanceren rond een nieuw type licentie, gebaseerd op wederkerigheid. Het idee is dat een bepaald gemeengoed open en vrij gebruikt kan worden voor niet-commerciële doeleinden, door zowel niet-commerciële als commerciële actoren die het gemeenschappelijk welzijn nastreven. De licentie zou zelfs gelden voor op winst gerichte bedrijven op voorwaarde dat zij op hun beurt onbetaald bijdragen. Wie enkel gebruikt maar niet bijdraagt, moet dus betalen voor het gebruik van die licentie.

Wat belangrijk is, is echter niet die geldstroom, maar het principe dat de markt gericht moet zijn op wederkerigheid. De bedoeling van de nieuwe licentie is dus het creëren van een ethische marktcoalitie die mee het gemeengoed produceert, en om traditionele bedrijven te helpen in hun transformatie tot medewerkers aan de commons.

We moeten van de huidige, uitsluitend extractieve vormen van eigendom evolueren naar generatieve vormen van eigendom. Binnen die nieuwe sfeer ontstaan ook de debatten over en de experimenten voor nieuwe vormen van ‘genetwerkte’ solidariteit. Uitgangspunt is dat de welvaartstaat wellicht gedoemd is om te verzwakken in de huidige conjunctuur, en dat nieuwe vormen van solidariteit door de basis zelf moeten uitgewerkt worden. Dit soort ontwikkelingen worden nauwgezet opgevolgd in een speciale sectie van de p2pfoundation.net wiki.

Nieuwe politiek

Langzamerhand krijgt de nieuwe cultuur van de commons-producerende kennisarbeiders ook een politieke expressie.

Het eerste voorbeeld hiervan waren de Piraat Partijen die rechtsreeks voortkwamen uit de filesharing gemeenschappen in Zweden. In Spanje werd een Partido X gecreëerd, die een platform-partij wil zijn en gebruik wil maken van de directe democratie die via internettechnieken mogelijk wordt. Zij werd in electorale resultaten echter overvleugeld door het succes van Podemos, een partij die rechtstreeks voortkomt uit de 15M beweging, de sociale beweging van de precaire Spaanse jongeren. En in Griekenland haalde Syriza een elektorale overwinning. De partij komt voort uit de andersglobaliseringsbeweging enonderhoudt nauwe banden met zowat drieduizend door p2p waarden geinspireerde solidariteits initiatieven zoals social clinics, social farmacies…

Er beweegt dus iets: de nieuwe digitale cultuurexpressies van de jonge kenniswerkers krijgen stilaan politieke vorm. Net zoals dat gebeurde met de industrie-arbeiders in de 19de eeuw. Dehaene had dat goed gezien.

Staan Nederlandse Bibliotheken open voor FabLabs?

uit Mijns Inziens, blog van EDWIN MIJNSBERGEN, gepubliceerd op 14 april 2014

(…)

Tot voor kort werden bibliotheken nauwelijks geassocieerd met FabLabs, maar daar begint verandering in te komen. Zo besteedde Library Journal in het najaar van 2012 uitgebreid aandacht aan het onderwerp, in de reeks The Makings of Maker Spaces (waarin wordt verwezen naar verschillende FabLabs in Amerikaanse bibliotheken), evenals het blog ALA TechSource, van de American Library Association. In Nederland was het Jeroen de Boer, van Bibliotheekservice Fryslân, die er recentelijk over schreef in het artikel BiblioLab: van transactie naar transformatie. Deze artikelen (zie ‘Meer lezen’) helpen je bij het begrijpen van de dwarsverbanden. Jeroen:

Een FabLab is een context waarbinnen het maken, verbeelden, spelen en experimenteren wordt bevorderd. Dit leidt tot nieuwe producten en projecten, maar ook tot nieuwe vormen van samenwerking. Vertaald naar de bibliotheek heb je het dan over een andere soort dienstverlening. Waar het nu immers hoofdzakelijk draait om transactie (in- en uitlenen van boeken, vraag en antwoord) kan het straks draaien om transformatie: de bibliotheek is een plek waar daadwerkelijk verandering optreedt in blikveld en gedachten, die kunnen leiden tot nieuwe verbindingen tussen mensen, materialen en ideeën.

Er zijn –bij mijn weten- nog geen bibliotheken in Nederland die als gastheer fungeren voor een FabLab, of die er nauw mee samenwerken. Het is evenmin zo dat er al veel discussie is over de vraag of bibliotheken dat überhaupt zouden moeten willen. Het is nog niet wat je noemt een ‘hot item’ op bibliotheekcongressen. Dat zegt echter niet zo veel. Het duurde in het verleden ook enige tijd voordat gratis internet in bibliotheken stof deed opwaaien. Of het faciliteren van game-evenementen. Het omhelzen van sociale media. Of het uitlenen van stripboeken.

Wellicht horen FabLabs niet thuis in dit rijtje, maar dat is ook niet waar het om gaat. Het gaat, zoals Jeroen stelt, om nieuwe vormen van samenwerking, en om het bedienen van de gemeenschap. De vragen die de gemeenschap stelt veranderen mee met de ontwikkelingen rondom technologie en informatie. Zo werd de vraag waar een bepaald boek is te vinden op zeker moment aangevuld met de vraag hoe je zoekt binnen een bepaalde database. Inmiddels willen mensen weten of er van die database ook een app beschikbaar is. En straks? Straks willen ze die app misschien zelf samenstellen, bijvoorbeeld met bibliotheekboeken die ze zelf in twee minuten hebben ingescand.

De huidige technologie is daar in ieder geval al prima toe in staat. Binnen FabLabs wordt gewerkt aan dit soort technologie, vanuit de open gedachte dat alle kennis gedeeld moet worden. Daar kunnen bibliotheken hun voordeel mee doen. Samenwerking met FabLabs biedt niet alleen veel mogelijkheden op het gebied van innovatie van media-educatie en de ontmoetingsfunctie; het schept ook ruimte voor nieuwe toepassingen van technologie in het gebouw en de dienstverlening. Een 3D-printer die door je publiek wordt samengesteld, in een ruimte die je als bibliotheek faciliteert, kan natuurlijk ook gebruikt worden door datzelfde publiek. Boeken uit het publieke domein die eenmaal gescand zijn, kunnen worden ontsloten worden via het web, zodat derden er ook profijt van hebben. Je kunt vele kruisbestuivingen bedenken.

(…)

Misschien past een FabLab niet bij iedere bibliotheek, maar het concept verdient het zonder meer om verkend te worden, zeker door de wat grotere bibliotheekorganisaties. Het besef dat er open gemeenschappen zijn, die technische kennis in huis hebben én die staan te popelen om samen te werken zou eigenlijk al voldoende motivatie moeten zijn. Investeren in de gemeenschap met hulp van de gemeenschap zelf: dat is toch prachtig? Het is in ieder geval een mooie kans.

Een blauwdruk voor de P2P-samenleving: de partnerstaat en de ethische economie

vertaling door Jean Lievens van het artikel van Michel Bauwens: “Blueprint for P2P Society: The Partner State & Ethical Economy”, gepubliceerd op 07/04/2012 op de website van Shareable

Zie ook Nederlandstalige sectie P2P Foundation

“Er is zich een nieuwe productiewijze aan het ontwikkelen. Daarmee bedoelen wij een nieuwe manier om werkelijk eender wat te produceren, van software over voedsel tot zelfs steden! Vroeger kon dit niet zonder starre organisaties in een maatschappij waarin hiërarchische modellen de mentaliteit overheersen. Vandaag ontdekken we -en in veel gevallen herontdekken we- hoe we veel zaken kunnen aanpakken door middel van vrije verenigingen van gelijken (‘peers’).

Michel Bauwens

We beginnen ook steeds meer in te zien dat het aanbreken van een nieuw tijdperk dat gekenmerkt wordt door een ethiek van vrije verenigingen en horizontale structuren niet betekent dat de instellingen zelf zullen verdwijnen, maar wel dat ze zeer diepgaande veranderingen zullen ondergaan.

In het nieuwe institutionele model van peer-productie, dat vooral zichtbaar is in de software-industrie, stellen we de volgende wisselwerking vast tussen drie partners:

1. een gemeenschap van medewerkers die een commons van kennis, software of design creëert;
2. een bedrijfscoalitie die marktwaarde creëert bovenop die commons; en
3. een aantal op voordelen gerichte verenigingen die de “samenwerkingsinfrastructuur” beheren.

Tussen die drie spelers bestaat er een duidelijke institutionele arbeidsverdeling.

De medewerkers scheppen de gebruikswaarde die gedeponeerd wordt in een gezamenlijke ‘innovatiecommons’ van kennis, code en design.
De op voordelen gerichte vereniging beheert en verdedigt de algemene samenwerkingsinfrastructuur, die op haar beurt zorgt voor de “collectieve” duurzaamheid van het project. De Wikimedia Foundation bijvoorbeeld verzamelt financiële middelen om de servers te betalen zonder dewelke toegang tot Wikipedia onmogelijk zou zijn.

De bedrijfscoalitie zorgt voor de “duurzaamheid” van de individuele medewerkers door hen een inkomen te verschaffen. Heel vaak ondersteunen ze ook de op voordelen gerichte instellingen financieel zodat die kan blijven voortbestaan.
Kunnen we ook iets leren over de politiek van deze nieuwe manier van waardeschepping, iets dat niet alleen nuttig kan zijn voor de betrokken gemeenschappen, maar voor de hele samenleving? Geven die nieuwe sociale praktijken ook aanleiding tot een nieuwe machtsvorm en een democratisch model die een mogelijk antwoord kunnen bieden op de hedendaagse crisis van de democratie? Wij antwoorden daarop met een empathisch ‘ja’. Meer nog, we beweren dat we getuige zijn van een nieuw staatsmodel, een P2P-staat als je wil.
Laten we even kijken naar de machtsmechanismen en de politiek van op de commons gerichte peer-productie door de drie spelers die betrokken zijn in deze nieuwe institutionele opstelling nader te onderzoeken.

1. De postdemocratische logica van gemeenschappen

Verrassend genoeg moeten we beginnen met de vaststelling dat die gemeenschappen niet democratisch zijn. Waarom? Heel eenvoudig: omdat democratie, de markt en hiërarchie mechanismen zijn voor de toewijzing van schaarse middelen.

In een hiërarchie beslissen onze oversten; in de markt beslist de prijs; in een democratie beslissen “wij”. Maar als de middelen onbeperkt zijn, wat het geval is met immateriële kennis, code en design, is dat niet nodig omdat die gemakkelijk en tegen marginale kostprijs kopieerbaar zijn.
Dergelijke gemeenschappen zijn echte “polyarchieën”. Het soort macht dat er heerst is meritocratisch, gedistribueerd en ad hoc. Iedereen kan bijdragen zonder toestemming te vragen, maar dit gebrek aan toestemming vooraf wordt gecompenseerd door gemeenschappelijke waarderingsmechanismen achteraf (a posteriori), waarbij degenen met een erkende expertise die aanvaard worden door de gemeenschap –de zogenaamde “beheerders” en “redacteurs”- beslissen welke deeltjes van de software of het ontwerp aanvaardbaar zijn. Die beslissingen vergen expertise, geen gemeenschappelijke consensus.
De spanning tussen inclusiviteit van deelname en selectiviteit voor uitmuntendheid bestaat in elk sociaal systeem. Peer-productie heeft die spanning echter op een vrij elegante manier opgelost. Het geniale is niet dat er geen conflicten zouden optreden, wel dat ‘onnodige’ conflicten geen kans krijgen omdat het doel van de samenwerking compatibel is met maximale menselijke vrijheid. Peer-productie is immers altijd “doelgedreven” samenwerking en het betrokken doel is bepalend voor de keuze van de mechanismen voor “Peer Governance”.

Het belangrijkste toewijzingsmechanisme in een project dat de markt, de hiërarchie en de democratie vervangt, berust op een taakverdeling. In tegenstelling tot het industrieel model is hier niet langer sprake van een arbeidsverdeling in aparte jobs, terwijl de wederzijdse coördinatie verloopt via zogenaamde ‘stigmergische’ signalen.

Aangezien de werkomgeving volledig open en transparant ontworpen is (we noemen dit holoptisme) kan elke deelnemer zien wat er nodig is en op die basis beslissen om al dan niet een bepaalde bijdrage te leveren.
Wat dit nieuwe model zo bijzonder maakt, is dat het globale coördinatie kan combineren met kleine groepsdynamiek die kenmerkend is voor primitieve stammen en dit kan verwezenlijken zonder een bevel- en controlestructuur! Peer-productie maakt bijgevolg het mondiaal schalen van kleine groepsdynamica mogelijk.

Uiteraard kunnen er tijdens de samenwerking conflicten optreden tussen de deelnemers en dat gebeurt ook vaak, alleen worden die niet op autoritaire wijze beslecht maar via een “onderhandelde coördinatie”. Geschillen worden uit de weg geruimd in de fora, mailinglijsten en chatsessies die deze gemeenschappen gebruiken om hun werk te coördineren.
De resterende hiërarchische beslissing om een bijdrage aan een programma al dan niet te accepteren -wat nodig is om de kwaliteit en uitmuntendheid van de productie te verzekeren- wordt in evenwicht gehouden door de vrijheid om “te vertakken”. Dat betekent dat deelnemers die het niet eens zijn met de eindbeslissing altijd de basiscode kunnen gebruiken om een andere versie te maken waarbij hun keuzes overwegen. Die beslissing word niet lichtzinnig genomen, maar de mogelijkheid tot vertakking vormt wel een tegenmacht. Beheerders weten dat onrechtvaardige en unilaterale beslissingen kunnen leiden tot een tanend lidmaatschap en/of tot vertakkingen.

2. De relatie tussen de gemeenschap en de bedrijfscoalitie

Wat is de relatie tussen de bedrijfscoalitie en de commons die de basis vormt van hun waardeschepping? De coalitie steunt de individuele ‘commoners’ in hun levensonderhoud en kunnen ook bijdragen tot de op voordelen gerichte vereniging. Een voorbeeld is IBM die de salarissen betaalt van softwareontwikkelaars/commoners die bijdragen tot de Linux-poel, en ook de non-profitorganisatie (de Linux Foundation) financiert. Op die manier dragen ze bij tot de commons waaraan ze hun succes ontlenen.

Maar dat betekent ook dat ze Linux veranderd hebben in een gedeeltelijke ‘bedrijfscommons’. Doc Searls , hoofdredacteur van de Linux Journal, legt het als volgt uit: “Linux is een economische joint venture geworden van een aantal bedrijven, net zoals Visa een economische joint venture is van een aantal financiële instellingen. Uit het verslag van de Linux Foundation blijkt duidelijk dat bedrijven er voor allerhande commerciële redenen aan deelnemen.”

Volgende passage over het werk aan de Linux-kernel maakt dit duidelijk: “Meer dan 70% van de kernontwikkeling wordt aantoonbaar verricht door ontwikkelaars die betaald worden voor hun werk. Meer dan 14% komt van ontwikkelaars van wie geweten is dat ze onbetaald en onafhankelijk zijn en 13% door mensen die al dan niet betaald worden (onbekend). Met andere woorden, de hoeveelheid werk die gepresteerd wordt door betaalde werknemers kan oplopen tot 85%. De Linux-kernel is dus in hoofdzaak het product van professionelen, niet van vrijwilligers.”

Alleen is dit niet het volledige verhaal. Timothy Lee legt uit dat de verzelfstandiging van Linux het onderliggend organisatorisch model niet veranderd heeft:
“Waar het om gaat, is de manier waarop open-sourceprojecten intern georganiseerd zijn. Bij een traditioneel softwareproject beslist een projectmanager over de kenmerken die het product moet hebben en geeft werknemers de opdracht om te werken aan de verschillende functies. Maar er is niemand die de algemene ontwikkeling van de Linux-kernel aanstuurt. Ja, Linus Torvalds en zijn luitenants beslissen welke onderdelen het uiteindelijk tot in de kernel schoppen, maar de werknemers van Red Hat, IBM en Novell die werken aan de Linux-kernel krijgen van hen geen orders. Ze werken aan om het even wat zij (of hun respectievelijke cliënten) belangrijk vinden. Torvalds kan alleen beslissen of de deeltjes software die ze hebben bijgedragen goed genoeg zijn om in de kernel op te nemen.”

Clay Shirky, de auteur van “Here Comes Everybody: The Power of Organizing Without Organisations” benadrukt dat bedrijven zoals IBM die met Linux werken “afstand hebben gedaan van hun recht om de projecten waarvoor ze betalen te leiden; bovendien hebben hun concurrenten directe toegang tot alles wat ze doen. Het is geen IBM-product.” Dat is het punt dat we willen benadrukken: zelfs wanneer beursgenoteerde ondernemingen betrokken zijn in peer-productie, speelt de waardeschepping van de gemeenschap nog altijd een centrale rol in het proces. De bedrijfscoalitie volgt nu al in belangrijke mate deze nieuwe logica die de gemeenschap op de eerste plaats zet en de onderneming pas op de tweede. In dit model moet het bedrijfsmodel de sociale logica volgen. Anders gesteld: het is al een “ethische economie”.

3. De democratische logica van de op voordelen gerichte verenigingen

Peer-productie rust soms op een dure samenwerkingsinfrastructuur. Wikipedia kan niet bestaan zonder de financiering van zijn servers en zonder gelijkaardige ondersteunende mechanismen zijn ook vrije software of open hardware niet mogelijk. Dat is de reden waarom open-sourcegemeenschappen een nieuwe sociale instelling in het leven hebben geroepen: de op voordelen gerichte vereniging.

Ook hier hebben we te maken met een belangrijke sociale innovatie, want in tegenstelling tot klassieke non-profits of niet-gouvernementele organisaties opereren ze niet vanuit een standpunt van schaarste. Klassieke NGO’s functioneren grotendeels op dezelfde manier als industriële instellingen zoals bedrijven en de marktgerichte staat. Ze gaan er immers van uit dat middelen moeten ingezameld en beheerd worden.
De nieuwe op voordelen gerichte verenigingen daarentegen spelen enkel een actieve rol bij het in staat stellen en stimuleren van de gemeenschap om samen te werken door een infrastructuur ter beschikking te stellen. Ze spelen geen enkele rol bij het beheer van het productieproces. Die verenigingen hebben als enige doel de gemeenschap waarvan zij de uitdrukking zijn te doen floreren. Doorgaans worden ze democratisch bestuurd, en dat is ook nodig aangezien een ondemocratische instelling participanten zou ontmoedigen om bij te dragen.

Welnu, hier komt de kat op de koord: hoe zou je een instelling noemen die verantwoordelijk is voor het welzijn van alle deelnemers – in dit geval niet de inwoners van een bepaald gebied, maar van mensen die betrokken zijn in eenzelfde project? Wij beweren dat een dergelijke instelling een rol vervult die zeer gelijkaardig is als degene die we normaal toeschrijven aan de staat. Terwijl de staat ook altijd een op klassen gebaseerde instelling is die een bepaalde regeling inzake sociale privileges verdedigt, kan een op voordelen gerichte vereniging zich nooit beperken tot een instrument voor de heerschappij van een elite, maar dient ze ook de commons te beheren. In de mate dat ze die rol vervult, zullen de meeste mensen dit beschouwen als een aanvaardbare of zelfs goede staatsvorm. Maar naarmate ze daarin faalt, verliest ze legitimiteit en wordt ze in toenemende mate gezien als een bron van onderdrukking door een minderheid.

Algemeen gesproken, weerspiegelt een staat de krachtsverhoudingen in een bepaalde samenleving. De welvaartsstaat was een aanvaardbare staatsvorm omdat ze gebaseerd was op een sociaal compromis en op een sterke arbeidersbeweging, terwijl de geprivilegieerde lagen van de bevolking geconfronteerd werden met het schrikbeeld van een alternatieve staatsvorm die de trouw van hun burgers potentieel kon wegkapen.
Dit alternatief stortte in 1989 ineen met de sociale bewegingen in Oost-Europa. Het werd verder uitgehold door de sociale, politieke en economische keuze om vanaf de jaren 80 het Noorden te desindustrialiseren.
Geleidelijk aan moest de sociale welvaartsstaat plaatsruimen voor de hedendaagse verzorgingsstaat voor bedrijven (ook wel eens de marktstaat genoemd), die enkel de bevoorrechte klasse helpt, sociale solidariteitsmechanismen vernietigt, de meerderheid van de bevolking armer maakt en de middenklasse fataal verzwakt. Helaas kan een dergelijk systeem zijn legitimiteit op langere termijn niet behouden omdat het elk sociaal contract verbreekt dat sociale vrede kan waarborgen. Het is moeilijk om loyaliteit te bouwen door de belofte van steeds meer pijn!

Dat betekent dat we niet alleen getuige zijn van de dood van de sociale welvaartsstaat, maar ook van de dood en de logische onmogelijkheid van de neoliberale verzorgingsstaat voor bedrijven. We moeten daaraan toevoegen dat zelfs de welvaartsstaat problematisch is geworden. De belangrijkste reden is dat haar sociale basis, de westerse industriële arbeidersklasse en haar sociale bewegingen, in het Westen een demografische minderheid is geworden. Haar mechanismen -zelfs als ze werkten- kunnen niet veel meer doen om de huidige sociale meerderheid –vaak freelancende en sociaal kwetsbare kenniswerkers en bedienden- te helpen.

Bovendien verdragen de nieuwe klasse kenniswerkers die streven naar persoonlijke en sociale zelfstandigheid de paternalistische en bureaucratische werking van veel instellingen van de welvaartstaat niet langer. Veel andere positieve kenmerken van de welvaartsstaat werden ondermijnd door de neoliberale hervormingen van de “derde weg” die tot doel hadden de logica van de private sector te introduceren in de overheidssector.

4. Naar een partnerstaat

Kunnen we ons dan een nieuwe staatsvorm voorstellen? Graag introduceren we hierbij het concept van de partnerstaat. De partnerstaat, waarvan het theoretisch concept voor het eerst werd uitgewerkt door de Italiaanse politicologe Cosma Orsi, is een staatsvorm die de sociale waardecreatie door haar burgers mogelijk maakt en ondersteunt. Ze beschermt de samenwerkingsinfrastructuur voor de hele samenleving.

De partnerstaat kan op elk territoriaal niveau bestaan als een verzameling instellingen die het gemeenschappelijk welzijn beschermt en de burgers in staat stelt om waarde te creëren. Ze doet op territoriale schaal wat de op voordelen gerichte vereniging doet op projectmatige schaal. Terwijl de op voordelen gerichte verenigingen werken voor de commoners als medewerkers en participanten van welbepaalde projecten, werkt de partnerstaat voor de burgers. Dit is nodig want net zoals de Onzichtbare Hand die de markt regeert een mythe is, bestaat er ook geen onzichtbare hand voor de commons. Commoners hebben de neiging om zorg te dragen voor hun commons, niet voor de maatschappij in haar geheel. Die specifieke zorg voor het geheel vergt eigen specifieke instellingen!

Het goede nieuws is dat een dergelijke partnerstaat al bestaat. We hebben ze al in actie gezien, zij het op embryonale schaal. Enkele jaren geleden bezocht ik de stad Brest in het Franse Bretagne. Brest is niet echt een mooie stad, hoewel ze omringd is door prachtig natuurgebied. De stad werd platgebombardeerd in WOII en op het puin verrezen onaantrekkelijke sociale woningen die een broeihaard zijn voor heel wat sociale problemen. Michel Briand, gemeenteraadslid in Brest en verantwoordelijk voor internet en multimedia, en zijn team gemeenteambtenaren hadden een briljant idee: waarom geen beroep doen op de virtuele wereld om het echte sociale leven in de stad te verbeteren?

Het team creëerde een plaatselijke versie van Facebook, YouTube en Flickr, hielp plaatselijke verenigingen om online aanwezig te zijn, investeerde zwaar in opleidingen en stelde zelfs een bibliotheek ter beschikking waar burgers productiemateriaal konden lenen. Een van hun projecten bestond erin oude ‘smokkelroutes’ nieuw leven in te blazen om wandelaars aan te trekken. Ze beslisten dus om de paden “virtueel te verrijken”.
Het is op dat punt dat sociale innovatie de kop opsteekt: het gemeentebestuur stelde zich niet in de plaats van de burgers (door middel van overheidsvoorzieningen) en vroeg evenmin aan de privésector om zich over die taak te ontfermen (via privatisering of een privaatpublieke samenwerking) . In plaats daarvan gaven ze burgerteams de middelen om zelf waarde te creëren.
Dit gebeurde aan de hand van verschillende initiatieven, zoals het maken van een fotogalerie van opmerkelijke monumenten, mondelinge historische verhalen, enz. Zelfs het opnemen van vogelgeluiden stond op het menu! Dit is een goed voorbeeld van de partnerstaat: publieke autoriteiten die de juiste omgeving en ondersteunende infrastructuur creëren om de burgers in staat te stellen om via peer-productie waarde te creëren die de hele maatschappij ten goede komt.

Dergelijke initiatieven stimuleren de lokale economie en geven plaatselijke ondernemers de kans om bovenop die commons marktwaarde te creëren en nog meer toeristen aan te trekken. Michel Briand en zijn team werkten onvermoeibaar “voor het welzijn van de burgers”, door hun vermogen tot het scheppen van burgerlijke waarde te verbeteren. De kennis en cultuur dat op die manier werden gecreëerd, leidden tot een bruisende commons.
Indien we dit voorbeeld zouden verheffen tot een nationaal en zelfs supranationaal niveau, dan komen we tot een staatsvorm die zorgt voor ‘common-vaart’, met andere woorden, een staat die de commons en waardecreërende commoners bevordert.

Natuurlijk zijn er nog andere voorbeelden. De Oostenrijkse regio Linz heeft zichzelf uitgeroepen tot een ‘Commons Regio’; de stad Napels heeft een nieuwe post in het leven geroepen, een “assistent voor de burgemeester van de commons’, en San Francisco heeft een werkgroep opgericht om de samenwerkingseconomie (of sharing economie) te bevorderen.
Aan dit alles is echter ook een groot gevaar verbonden dat we kunnen illustreren aan de hand van het ‘Big Society’-programma in het Verenigd Koninkrijk, waar de autoriteiten dezelfde taal over burgerlijke autonomie en actie hanteren, waar achter echter een volledig andere praktijk schuilgaat. Hun politiek is erop gericht de welvaartstaat en haar sociale voorzieningen verder te ondermijnen. Een partnerstaat kan zich niet baseren op de vernietiging van de openbare samenwerkingsinfrastructuur.

Misschien was dat niet de oorspronkelijke bedoeling van Philipp Blond en zijn “Red Tories” die zich richten op het sociaal middenveld, maar het is wel wat de regering van David Cameron met zijn “Big Society” in de praktijk brengt. De peer-productie van gemeenschappelijke waarde heeft civiele rijkdom en sterke burgerlijke instellingen nodig! Met andere woorden, het concept van de partnerstaat overstijgt en omvat al het beste van de welvaartstaat, namelijk sociale solidariteitsmechanismen, een hoog opleidingsniveau en een bruisend cultureel leven, ondersteund door de gemeenschap.
De Britse Tories gebruikten de retoriek van de ‘Big Society’ in een poging om de overblijfselen van sociale solidariteit verder uit te hollen en mensen weer aan hun eigen lot over te laten zonder de minste overheidssteun. Dit heeft niets te maken met mensen te machtigen en te ondersteunen; het is precies het omgekeerde.

Terwijl peer-productie ongetwijfeld ook zal toenemen als toevlucht om zich weerbaarder te op te stellen in slechte tijden, heeft een bloeiende op de commons gebaseerde maatschappij nood aan een partnerstaat, met andere woorden een netwerk van op voordelen gerichte instellingen die democratisch worden bestuurd en het gemeenschappelijke welzijn op territoriale schaal beschermen.

5. Een waardecrisis van de kapitalistische economie.

Peer-productie is verbonden met een bedrijfscoalitie die marktwaarde creëert bovenop de commons. Maar de exponentiële toename van waardeschepping door een creatieve gemeenschap van ‘prosumenten” (“produsers”) zoals Axel Bruns ze noemt, schept problemen en contradicties voor de huidige politieke economie.

Peer-productie schept niet alleen een groot probleem voor het kapitalistisch systeem, maar ook voor de arbeiders in de traditionele zin, aangezien de markt gedefinieerd wordt als een mechanisme voor het toewijzen van schaarse middelen. Bovendien is het kapitalisme niet alleen een systeem om schaarse middelen te verdelen, maar ook een systeem dat schaarste creëert. Het kan alleen kapitaal accumuleren door voortdurend de omstandigheden voor schaarste te reproduceren en uit te breiden. Als er geen spanning is tussen vraag en aanbod, kan er geen markt noch kapitaalaccumulatie bestaan.
Wat peer-producenten doen –momenteel voornamelijk op het vlak van immateriële productie van kennis, software en design- is het scheppen van een overvloed aan gemakkelijk te reproduceren informatie en bruikbare kennis die niet direct omzetbaar zijn in marktwaarde. Ze zijn immers helemaal niet schaars, maar in tegendeel overvloedig. En de kenniswerkers die deze activiteit verrichten, worden vandaag ook op massale schaal ‘geproduceerd’ waardoor ook zij worden herleid tot kwetsbare arbeiders.

Het resultaat is een exodus van productieve capaciteit in de vorm van productie van directe gebruikswaarde, die plaatsvindt buiten het bestaande systeem van monetisering, en enkel aan de rand opereert. Telkens er in het verleden een soortgelijke exodus plaatsvond, van slaven tijdens het verval van het Romeinse Rijk of van lijfeigenen tijdens de vervalperiode in de middeleeuwen, was dat altijd op het moment dat de voorwaarden klaar waren voor belangrijke en fundamentele maatschappelijke en economische faseovergangen.

We kunnen ons namelijk moeilijk voorstellen dat het kapitalisme kan voortbestaan als het niet langer in hoofdzaak afhankelijk is van kapitaal, grondstoffen en arbeid.
Het probleem van het scheppen van gebruikswaarde, mogelijk gemaakt door samen te werken via het internet, is dat dit de normale gang van zaken volledig omzeilt. Voor de normale werking van ons economisch systeem is het nodig dat productiviteitsstijgingen op een of andere manier worden beloond en dat die beloningen consumenten in staat stellen om een inkomen te verwerven waarmee ze producten kunnen kopen.
Maar dat gebeurt niet langer. Gebruikers van Facebook en Google creëren commerciële waarde voor hun platformen, maar slechts zeer onrechtstreeks. Bovendien worden ze totaal niet beloond voor hun waardeschepping. Aangezien datgene dat ze creëren niet wordt omgezet in verhandelbare, schaarse goederen op de markt, ontstaat er geen omgekeerde inkomensstroom in de richting van de makers. Dat betekent dat de platformen van sociale media een belangrijke breuklijn in ons systeem blootleggen.

De huidige zogenaamde kenniseconomie is daarom een schijnvertoning en een utopie omdat goederen in overvloed slecht gedijen in een markteconomie. Maar is er een uitweg uit deze impasse, gezien de toenemende onzekerheid waarmee werknemers wereldwijd geconfronteerd worden? Kunnen we de gebroken feedbacklus herstellen?

6. De prefiguratie van een nieuw sociaal model

Vreemd genoeg zouden we het antwoord op die vraag wel eens kunnen vinden in de recente politieke Occupy beweging, omdat de occupiers naast de peer-productie van hun “politieke commons” ook nieuwe praktijken ontwikkelden op het vlak van ondernemen en waardecreatie. Hun praktijken waren zelfs opmerkelijk vergelijkbaar met de institutionele ecologie die reeds van toepassing is in de productiegemeenschappen van vrije software en open hardware. En dat is geen toeval.
Blikken we even terug naar de werking van Occupy Wall Street (OWS) aan Zuccotti Park in de herfst van vorig jaar toen de occupiers nog altijd actief waren. Centraal bevond zich een productieve gemeenschap die via de Algemene Vergadering consensus bereikte en allerhande sjablonen aanbood (Mic check, protestcamping, werkgroepen, etc.), die in ware open-sourcestijl konden worden gekopieerd en overgenomen door gelijkaardige groepen wereldwijd, maar ook konden worden aangepast aan de plaatselijke behoeften (in het jargon van open source “forking” of “vertakking” genoemd). Indien je niet bijdroeg, had je ook geen inspraak, dus engagement was en is noodzakelijk. Die gemeenschap had nood aan allerlei zaken zoals voedsel, onderdak, maar ook gezondheidszorg. Deden ze hiervoor een beroep op de markteconomie? Nee, maar ook ja, zij het op een kwalitatieve manier. Laten we dit even uitleggen.

OWS riep allerhande werkgroepen in het leven om oplossingen te vinden voor hun fysieke noden. Met andere woorden: de occupiers beschouwden de economie als een voorzieningssysteem, zoals uitgelegd in het uitstekende boek van Marvin Brown, “Civilizing the Economy”. Het waren burgers, georganiseerd in werkgroepen, die beslisten welke voorzieningssystemen geschikt waren en in overeenstemming met hun ethische waarden.
Organische landbouwers uit Vermont leverden bijvoorbeeld gratis voedsel aan de kampeerders; vrijwillige koks bereidden de maaltijden. Maar deze praktijk had een negatief neveneffect. De plaatselijke straatventers, meestal arme immigranten, verging het minder goed. Aangezien iedereen gratis voedsel kreeg, konden zij hun waren nog moeilijk kwijt. Het antwoord op dit drama kwam van de bezetters die zich het lot van de straatventers aantrokken. Daarom zetten ze het “OWS Street Vendor Project” op touw om fondsen in te zamelen waarmee ze voedsel konden kopen van de straatverkopers.
En met succes: in één klap creëerde OWS een goedfunctionerende ethische economie waarin ook een marktdynamiek aanwezig was, die echter in harmonie was met het waardesysteem van de bezetters. De doorslaggevende factor was dat burgers beslisten over het meest aangewezen bevoorradingssysteem en niet rijke eigenaars in een economie die geen ethische waarden kent.
Wat kunnen we leren van het prille Occupy-model als we het zouden veralgemenen tot het niveau van de hele samenleving?

Vandaag gaan we ervan uit dat waarde gecreëerd wordt in de private sector door winstgedreven ondernemingen, en beschouwen we het maatschappelijke middenveld eigenlijk als een restcategorie. Het is wat we doen als we thuiskomen, uitgeput na een dag hard werken voor een loon. We herkennen dit fenomeen ook aan ons taalgebruik: organisaties van het maatschappelijk middenveld noemen we non-profit en niet-gouvernementeel.
Het systeem in zijn totaliteit wordt beheerd door een staat, maar de sociaaldemocratische welvaartsstaat heeft steeds meer plaats moeten ruimen voor een neoliberale verzorgingsstaat voor bedrijven, waarbij de winsten worden geprivatiseerd en de verliezen gesocialiseerd. Anders gesteld: de staat is zelf een verlengstuk geworden van de onderneming en staat steeds minder ten dienste van de burger. We kunnen de voortgang van dit model zien aan de hand van de meedogenloze bezuinigingspolitiek die de trojka oplegt in het hart van Europa –Griekenland. Draconische bezuinigingen zijn dus niet langer beperkt tot zwakkere ontwikkelingslanden.

De modellen van Occupy en open source
De modellen van Occupy en open source tonen ons de mogelijkheid van een nieuwe realiteit, een model waarbij het maatschappelijk middenveld, de productieve commons en een bruisende markt samen kunnen bestaan ten voordelen van iedereen:
1. Centraal in de waardeschepping staan verschillende commons, waar innovaties ter beschikking staan aan iedereen om te delen en om aan verder te bouwen.
2. Die commons worden mogelijk gemaakt en beschermd door burgerlijke instellingen zonder winstoogmerk, die als nationaal equivalent de partnerstaat hebben, die sociale productie stimuleert maakt en ondersteunt.
3. Rond de commons ontstaat een bruisende op de commons georiënteerde economie, aangedreven door allerlei ethische ondernemingen met wettelijke structuren die hen binden aan de waarden en doelstellingen van de gemeenschappen rond de commons, en niet van afwezige private aandeelhouders met als enig doel het maximaliseren van de winst ten koste van alles.

Daar waar de drie sectoren elkaar overlappen, bevinden zich de burgers die beslissen over de optimale vorm van hun bevoorradingssystemen. Dit model kan bestaan als submodel binnen het kapitalisme, wat vandaag reeds gedeeltelijk het geval is zoals de bedrijfsecologie rond open software aantoont. Maar het kan ook, mits enkele noodzakelijke ingrepen, de hoofdlogica worden van een nieuwe samenleving. De Occupy-beweging heeft ons niet alleen prefiguratieve politieke praktijken laten zien, maar in feite ook een prefiguratieve economie. Een afzonderlijke vraag is natuurlijk hoe we tot een dergelijke samenleving kunnen komen. Een gedeeltelijk antwoord is dat daar niet alleen krachtige sociale bewegingen voor nodig zijn die ijveren voor sociale hervorming en omvorming, maar ook een verdere transformatie en ontwikkeling van het peer-productiemodel zelf.
Vandaag is het een proto-productiewijze die volledig verweven is met het kapitalistisch systeem. De betrokken kenniswerkers zouden zich sociaal niet kunnen reproduceren zonder een algemene openbare infrastructuur die verschaft wordt door de overheid en meer specifiek zonder een inkomen uit de arbeid die ze verrichten voor een kapitalistische onderneming (of de overheid). Is het mogelijk om een echt autonoom model van peer-productie te maken dat zijn eigen reproductiecyclus kan creëren? Hiervoor stellen we twee ingrepen voor.

Ten eerste willen we een andere soort licentie gebruiken, namelijk de peer-productielicentie zoals voorgesteld door Dmytri Kleiner. Die “sharing licentie” houdt in dat iedereen die bijdraagt tot de commons ook gebruik kan maken van de commons. Ten tweede stellen we de oprichting voor van onafhankelijke ondernemingsvormen die niet gericht zijn op winst, maar ethische bedrijven waarvan de leden commoners zijn en die als taak hebben de commons en hun medewerkers te ondersteunen.
Geïnspireerd door het fictieverhaal van Neal Stephenson, “The Diamond Age,” en de baanbrekende praktijken van het samenwerkingsnetwerk Las Indias, stellen we voor deze ondernemingen “phyles” te noemen. Phyles zijn doelgerichte entiteiten die de gemeenschap ondersteunen en die op een mondiale schaal opereren binnen de markt, maar werken voor de commons.
Op die manier zou de sociale reproductie van de commoners niet langer afhankelijk zijn van de accumulatiecyclus van het kapitaal, maar van haar eigen cyclus van waardecreatie en -realisatie. Samen met sociale bewegingen en politieke vertegenwoordiging geloven we dat deze drie componenten de basis zouden kunnen vormen van een nieuwe sociale en politieke heerschappij, die de fundamentele stuwende sociale kracht zou zijn voor maatschappelijke verandering in de zin van een verdieping en verbreding van peer-productiemodellen, van de micro-economie tot de macro-economie.

7. Naar een beschaving die steunt op ‘bereikvoordelen’ en niet op ‘schaalvoordelen’

In navolging van de internationale arbeidsverdeling opgelegd door de globalisering, proberen bedrijven meer stuks te produceren om de prijs per eenheid te drukken en zo hun concurrenten de loef af te steken.
Multinationals en wereldmerken beschikken vandaag over zeer complexe waardeketens, waarbij de verschillende componenten van een product op massale schaal worden vervaardigd in verschillende plaatsen van de wereld.
Niettemin vertoont het systeem duidelijke zwakheden. Een zwakte is dat het monoculturen in de hand werkt, zowel in de landbouw als in de industrie. Een voorbeeld zijn de bedrijven in de kuststreek van China die zeer afhankelijkheid zijn van de export. Dit voorbeeld legt trouwens een tweede probleem bloot dat daaraan verbonden is.

Competitie drijft prijzen ongenadig naar beneden, waardoor in de jaren 80 de dominante Westerse spelers van strategie veranderden. Ze keerden de dure Westerse arbeiders de rug toe, duwden ze in bestaansonzekerheid en brachten de weinig winstgevende industriële productie over naar lagelonenlanden. Daarnaast kwam de nadruk meer en meer te liggen op IP-stelsels (intellectuele rechten) waarbij ze hun rendement en superwinsten haalden uit patenten, copyrights en handelsmerken. Thijs Markus schrijft in de blog ‘Rick Falkvinge’ het volgende over Nike: “Als je schoenen ter waarde van 5 $ tegen 150 $ wilt verkopen in het Westen, kan je beter steunen op een vreselijk repressief IP-regime. Vandaar de nood voor SOPA, PIPA, ACTA en andere pogingen om sharing te criminaliseren.

Maar er is natuurlijk een fundamenteler probleem: het hele systeem van globalisering en schaalvoordelen rust op goedkoop internationaal transport en bijgevolg op de voortdurende beschikbaarheid van overvloedige fossiele brandstoffen. Na piekolie en het einde van goedkope olieproducten, gekoppeld aan de nog altijd exploderende vraag van de BRIC-landen, is het meer dan waarschijnlijk dat dit hele systeem zal ineenstorten. Uiteraard zal dit niet in één klap gebeuren, maar geleidelijk aan, ook al mogen we ons ook verwachten aan niet-lineaire sprongen.

Een onderbroken evenwicht is inderdaad niet alleen een kenmerk van biologische systemen, maar ook van sociale stelsels. Dat betekent dat uiteindelijk ook het competitiespel op basis van schaal aan betekenis zal verliezen, ook al is het vandaag nog steeds efficiënt. Alleen degenen die totaal onverschillig zijn voor de vernietiging van onze planeet zullen dat spel nog spelen. Maar welk spel kunnen de anderen spelen? Als de prijzen van fossiele brandstoffen voortdurend stijgen, zullen innovatie en competitie een andere uitweg moeten vinden. Maar eigenlijk zullen we een volledig nieuw spel moeten bedenken. Laten we echter eerst even stilstaan bij een kort historisch intermezzo, aangezien dit overgangsdrama zich al eerder heeft afgespeeld in de geschiedenis.

Terwijl de Romeinen van de late vijfde eeuw nog altijd aan het vechten waren voor de kroon van Caesar Augustus, stonden de Germaanse “barbaren” al aan de poort. De Christelijke gemeenschappen weerspiegelden reeds de waarden van een komend tijdperk van herlokalisering dat niet langer gebaseerd was op schaalvoordelen, maar op bereikvoordelen. Wat zijn bereikvoordelen? Als voorproefje geven met de volgende korte definitie: “We spreken van bereikvoordelen als we twee goederen die een gemeenschappelijk kost delen samen produceren zodat de gemeenschappelijke kost verlaagt.” Anders gezegd: iets dat de gemeenschappelijke kost van een productiefactor doet dalen, niet door meer eenheden van een bepaald goed te produceren, maar door de kosten van een gemeenschappelijke infrastructuur te delen.

Maar laten we eerst terugkeren naar onze korte historische uitstap.
Aangezien het Romeinse Rijk niet langer de kosten kon dragen van zijn eigen uitgestrektheid en complexiteit, en de aanvoer van goud en slaven alsmaar problematischer werd, begonnen slimmere landeigenaars hun slaven te bevrijden. Maar ze verbonden hen wel contractueel aan de grond, waardoor ‘coloni’ (lijfeigenen) werden. Anderzijds zochten de steeds zwaarder belaste en bankroete eigenerfden bescherming bij diezelfde domeinhouders.
Enerzijds hadden we dus een pure en eenvoudige lokalisering aangezien het systeem de grootte van het Rijk niet langer in stand kon houden. Maar het nieuwe post-Romeinse stelsel vond ook een nieuw innovatiesysteem uit dat gebaseerd was op bereikvoordelen en niet langer op schaalvoordelen. Terwijl de steden leegliepen –en samen daarmee het kennissysteem van de stedelijke bibliotheken- vonden de Christenen kloosters uit, de nieuwe agrarische kenniscentra.

Het is echter belangrijk dat terwijl het fysieke systeem zich lokaal terugplooide, de Christelijke Kerk eigenlijk functioneerde als een globale ‘open-designgemeenschap’. Monniken en manuscripten reisden rond waardoor de vele uitvindingen van de (werkende) kloosterlingen zich konden verspreiden. Terwijl Europa aanvankelijk in verval geraakte en de restanten van het Romeinse Rijk ineenstortten na de eerste Europese sociale omwenteling van 975, legde dit nieuwe systeem de zaden voor de eerste middeleeuwse industriële revolutie.

Dankzij een verenigde kenniscultuur brak in Europa tussen de 10de en 13de eeuw een nieuwe bloeiperiode aan. Europa voerde opnieuw geld in tegen een negatieve interest, waardoor accumulatie door elites onder controle werd gehouden. De bevolking verdubbelde, haar prachtige steden werden heropgebouwd en vele kregen een democratisch bestuur van gilderaden. Bovendien werden in de elfde eeuw ‘peer-to-peer’-universiteiten uitgevonden in Bologna. De eerste Europese renaissance was volledig gebaseerd op bereikvoordelen, de verenigde kennis waarop Europese intellectuelen en ambachtslui konden verder bouwen. De gilden hadden wel hun geheimen, maar namen die overal mee waar kathedralen werden gebouwd.

Meer recent zagen we in 1989 een soortgelijk experiment op nationale schaal en onder zeer moeilijke omstandigheden in het geïsoleerde Cuba, toen het land niet langer kon rekenen op de schaalvoordelen van het Sovjetsysteem. De Cubaanse crisis van 1989 was een voorafbeelding van de huidige wereldsituatie aangezien de Cubanen hun eigen moment van piekolie kenden toen de Sovjet-Unie abrupt stopte met het leveren van olie onder de wereldmarktprijs. Terwijl de Cubanen aanvankelijk opnieuw ezels gebruikten en het lichaamsgewicht van de bevolking naar beneden dook, namen de leiders een aantal interessante initiatieven.
Ten eerste gaven ze ruimte aan het plaatselijk ondernemerschap door meer autonomie te verlenen aan de landbouwcoöperaties. Ten tweede verzamelden ze basiskennis bij de bevolking, ook in de steden. Maar ten derde, wat misschien het belangrijkste was, richtten ze een aantal landbouwinstellingen op met als belangrijkste doelstelling het nabootsen en verspreiden van lokale innovaties. Wat ook de mankementen van het totalitaire systeem in Cuba zijn, dit open-designexperiment overtrof alle verwachtingen.

Zoals Bill McKibben heeft aangetoond, produceert Cuba vandaag gezond organisch voedsel in overvloed met maar een fractie van de fossiele brandstoffen die gebruikt worden in de industriële landbouw. En ze doen het op dezelfde manier als de Christelijke Kerk in het middeleeuwse Europa: door het delen van kennis en het creëren van bereikvoordelen. Landbouwinnovaties verspreidden zich snel overal ten lande en werden door iedereen overgenomen.
Grootschalige economieën werken goed in periodes waarin energie steeds overvloediger aanwezig is, maar zijn minder efficiënt in periodes waarin de energievoorraden slinken. Dan zijn bereikvoordelen nodig, waarbij je kunt “opschalen vanaf één”, zoals vandaag het geval is met de opkomende infrastructuur voor “productie op aanvraag” (on demand).
Peer-productie (in haar verschillende gedaantes van open kennis, vrije cultuur, vrije sofware, open en gedeelde ontwerpen, open hardware en gedistribueerde productie) draait precies rond deze bereikvoordelen. Laten we even herhalen wat verkeerd is aan het huidige wereldsysteem dat volledig steunt op economische schaalvoordelen en in veel gevallen bereikvoordelen zelfs illegaal maakt.
1.Ons huidige systeem steunt op de overtuiging dat groei oneindig is en grondstoffen eindeloos beschikbaar, ook al leven we op een eindige planeet; we noemen dit kenmerk uit de hand gelopen “pseudo-overvloed”
2.Het hedendaagse systeem steunt op de mening dat innovaties moeten worden geprivatiseerd en enkel mogen beschikbaar zijn tegen een fikse prijs (het IP-stelsel). Het beschouwt het delen van kennis en cultuur een misdaad; dit kenmerk noemen we opgedrongen “artificiële schaarste”.

De methodologie van peer-productie steunt op precies het tegenovergestelde economische en sociale DNA. Peer-productiegemeenschappen geloven dat kennis een commons is die iedereen mag delen, en dat bijgevolg geen enkele innovatie verborgen mag blijven voor de hele mensheid.

Meer nog, we beschouwen het verberg van een uitvinding die de wereld kan redden onethisch. Dit komt neer op een heuse omkering van waarden. Peer-productie is gericht op distributie en inclusie, op kleinschalige en zelfs persoonlijke productie. Geplande slijtage, een kenmerk dat eigen is aan ons systeem en geen toevallige fout, staat haaks op de logica van peer-productie. Anders gesteld: duurzaamheid is een inherent kenmerk van open-designgemeenschappen, geen toevallig bijverschijnsel.

Ook voor dergelijke waarde-inversies bestaan er historische precenten. De Christelijke gemeenschappen in het Romeinse Rijk concurreerden niet met het Imperium, maar bouwden hun eigen instellingen die gebaseerd waren op een andere en ongebruikelijke logica. Daar waar de Romeinse elite een hekel had aan werken (dat was weggelegd voor de lagere slaven), prezen Christelijke monniken arbeid en probeerden ze een voorafspiegeling te bouwen van het Aardse Paradijs in de wereldlijke Steden van God.

Op dezelfde manier streden de Franse sansculotten van 1789 niet voor feodale privileges, maar schaften die allemaal op één dag af. Daarom zou het verkeerd zijn om peer-productie alleen maar te zien als een stel concurrerende technieken. In werkelijkheid vinden die evoluties plaats op een volledig ander terrein. Ze leven en co-existeren in dezelfde wereld, maar behoren niet echt tot dezelfde wereldlogica.

Wat zijn dan de bereikvoordelen van het nieuwe P2P-tijdperk? Ze komen in twee smaken:
1. het onderling delen van kennis en immateriële middelen
2. het onderling delen van materiële productiemiddelen

Het eerste principe is eenvoudig te begrijpen. Als we als individu iets niet weten (niemand kan alles weten), is de kans groot dat we het als lokale of virtuele gemeenschap wel weten omdat er in die ruimere groep wel iemand zal zijn die het weet. Vandaar dat het onderling delen van kennis en door de menigte (crowd) aangedreven innovatie een vertrouwd kenmerk is van de samenwerkingseconomie. Maar het voordeel van bereik wordt gecreëerd wanneer die kennis gedeeld word, en bijgevolg door anderen kan worden gebruikt. Laten we het voorbeeld nemen van het Nutrient Dense Project.
Deze globale gemeenschap van landbouwers en burgerwetenschappers experimenteert met gezondere voedingsstoffen om betere gewassen te telen. Op die manier kunnen ze samen onderzoek verrichten en verschillende nutriënten uitproberen in verschillende bodems en klimaatzones. Niet alleen de hele werkgemeenschap haalt onmiddellijk voordeel uit de resultaten, maar potentieel de hele mensheid. Strategieën die gebaseerd zijn op het privatiseren van intellectueel eigendom kunnen dergelijke bereikvoordelen niet halen, of toch niet in die mate.

Of neem de stadsboerderij van de familie Dervaes in Los Angeles die jaarlijks 6.000 pond voedsel kan produceren op een klein lapje stadsgrond. Omdat ze hun productiviteitsinnovatie delen, hebben honderdduizenden landbouwers geleerd om hun eigen teelt te verbeteren. Maar stel je de snelheid van innovatie voor indien ze de steun zouden krijgen van overheidsinstellingen die dergelijke sociale innovaties nog verder zouden verspreiden!
Het tweede principe -het onderling delen van fysieke productiemiddelen- kunnen we illustreren aan de hand van samenwerkingsconsumptie. Het algemene idee blijft hetzelfde. Als ik alleen ben, kan ik een bepaald werktuig, vaardigheid of dienst ontberen, maar in een gemeenschap is de kans groot dat iemand anders het wel heeft, en dat die andere persoon het zou kunnen delen, verhuren of ruilen. Het is niet nodig dat iedereen hetzelfde toestel in huis heeft zolang het maar beschikbaar is wanneer we het nodig hebben. Vandaar dat we overal marktplaatsen zien opduiken.
Laten we dit illustreren met een bekend voorbeeld: carsharing. Carsharing kan gebeuren via de tussenkomst van een privébedrijf die de auto’s bezit (vlootdelen zoals Zipcar of Cambio), via P2P-marktplaatsen die autogebruikers met elkaar in verbinding stellen (RelayRides en Getaround), of via non-profits of overheidsinitiatieven (Autolib in Parijs). Maar ze hebben allemaal bereikvoordelen. Volgens een onderzoek dat Zipcar aanhaalt, zijn er voor elke huurwagen 15 keer minder persoonlijke auto’s op de baan. En mensen die zijn overgeschakeld op carsharing gebruiken 31% minder de wagen. Dus in 2009 alleen al verminderde carsharing de wereldwijde kooldioxide-uitstoot met bijna een half miljoen ton.

Stel je voor dat elke productiesector gelijkaardige resultaten behaalt.
Hoe zal het nieuwe systeem er dan uitzien als bereikvoordelen de norm worden en schaalvoordelen vervangen als belangrijkste motor van het economisch en sociaal systeem? We hebben al gesproken over globale open-designgemeenschappen en zijn van mening dat die zullen gepaard gaan met een wereldwijd netwerk van microfabrieken die plaatselijk zullen produceren, zoals nu al voorgesteld door open-sourcebedrijven als Local Motors en Wikispeed en die al praktische vorm krijgen door netwerken van hackerspaces, Fab Labs en werkplaatsen voor “co-working”.

Dat betekent dat we ook globale materiële organisaties nodig hebben, niet om op wereldschaal te produceren, maar om onze materiële activiteiten te organiseren ten einde de ‘gemeenschappelijke kosten” van de verschillende netwerken te minimaliseren, en dat niet alleen in termen van het delen van kennis. Met andere woorden: wie zal de rol vervullen die de Christelijke Kerk met haar rondtrekkende monniken speelde tijdens de middeleeuwen? Vergeet niet dat het niet alleen een open-designgemeenschap was, maar ook een effectieve materiële organisatie die leiding gaf aan een heel continentaal cultuurgebied. Beschikken wij over een equivalente potentiële P2P-versie die wereldwijd kan opereren?

Het antwoord luidt natuurlijk: de veralgemening van de “phyles” die we eerder aan u voorstelden.
Rest ons alleen nog te antwoorden op de cruciale vraag: hoe ziet een wereldbestuur (Global Governance) eruit in een P2P-beschaving? Hoe kunnen we het globale materiële Imperium die momenteel het wereldgebeuren overheerst in het voordeel van een kleine minderheid veranderen en hoe kunnen we de ondoeltreffende wereldinstellingen vervangen die vandaag niet meer in staat zijn om de globale uitdagingen van vandaag aan te gaan?”

FABLAB LEUVEN VOOR EXPERIMENTERENDE STUDENTEN

uit: Veto, 24 maart 2014 (door FRANK PIETERMAAT EN KAREL PEETERS)

Leuvense spin-offs en het Fablab zijn koplopers in de wereld van het 3D-printing. Toch is iedereen met een 3D-plan welkom om met wat hulp van de medewerkers zijn eigen ontwerp te printen.

In de schaduw van het Arenbergkasteel in Heverlee vind je het Fablab. Naast 3D-printers kan je er ook werken met lasercutters en andere leuke machines. Een ideale plek om jezelf op een wetenschappelijke manier uit te leven.

“Wetenschap betekent ook durven mislukken,” stelt Marc Lambaerts, een van de verantwoordelijken van het Leuvense Fablab, die wil afstappen van het streven naar perfectie binnen de wetenschapsopleidingen. “Hier kunnen studenten hun ontwerpen komen uitproberen. Mensen vergeten dat wetenschap trial and error is. Niet alles lukt van de eerste keer, ook hier niet. Zelfs in de opleidingen aan de KU Leuven wordt er vaak te veel met het hoofd gewerkt in plaats van met de handen.”

“Er wordt te veel aandacht geschonken aan theorie en te weinig aan praktijk. Je kan nog de mooiste plannen en modellen maken op de computer, maar hier kan je ze komen maken en testen,” aldus Lambaerts.

Zo kunnen meerdere opleidingen gebruik maken van de apparatuur. Maar spijtig genoeg zijn sommige richtingen hun praktijkervaring volledig kwijt, stelt Lambaerts vast: “We hebben geprobeerd om economiestudenten naar hier te halen maar we zijn daar tot op heden nog niet in geslaagd.Toch lijkt het me nuttig om bv. ingenieurschap in handelsingenieur meer aan te wakkeren. Die werken nu enkel virtueel.”

Een positieve evolutie is dan wel de komst van andere richtingen. “Wat je wel merkt, is dat meer zachte richtingen de weg naar hier vinden, zoals kleuteronderwijs. Die kunnen hier terecht om heel fijne ontwerpen te laten uitwerken voor de kindjes,” aldus Lambaerts.

MISBRUIKEN

In Fablab werken ze niet noodzakelijk met de nieuwste machines. Ook oude machines kan je gebruiken voor andere doeleinden dan waarvoor ze oorspronkelijk waren bedoeld. “Alles wat we hier hebben, zijn eigenlijk machines die al heel lang bestaan,” vertelt Lambaerts. “Wij misbruiken ze. We gebruiken andere manieren van ontwerpen en bekijken de machines op een andere manier. Zelfs 3D-printers bestaan al 25 jaar. Dat was een idee van na de Tweede Wereldoorlog, maar toen waren de computers gewoon niet slim genoeg om ermee te werken.”

De machines worden gefinancierd door verschillende overheden. Lambaerts beseft dat een voor gebruikers gratis Fablab enkel kan bestaan dankzij overheidssteun. “We krijgen financiële steun van overal die we ook echt nodig hebben om alles gratis te kunnen aanbieden.”

En die steun is niet voor niets. Leuven heeft een prominente rol gespeeld in de ontwikkeling van 3D-prints en bedrijven zoals Materialise en Layerwise hebben het al ver geschopt in de 3D-wereld. “Vele pioniers van 3D-printing komen uit deze regio. Sommige mensen verwachten misschien dat de Verenigde Staten daarin de voorloper zou zijn maar eigenlijk zit enorm veel kennis hier,” zegt Lambaerts.

IEDEREEN WELKOM

“Iedereen met een ontwerp dat overeenkomt met onze software kan zijn werk hier komen maken,” stelt Lambaerts.” Zowel studenten van de Associatie KU Leuven als inwoners van de stad kunnen gratis de machines gebruiken. Nu zijn het vooral studenten die langskomen.” Er zijn ook altijd medewerkers beschikbaar die je helpen, benadrukt Lambaerts. “Zeker wanneer mensen een eerste keer komen, moeten we ze helpen. Er zijn altijd collega’s en jobstudenten die je met plezier zullen bijstaan.”

Meer info: www.fablab-leuven.be