Categorie archief: Commons

Niet de deeleconomie, maar de commonseconomie kan de wereld redden

door Jean Lievens
P2P Foundation Belgium

Eerst verschenen op De Wereld Morgen op 29 mei 2016 (blog Jean Lievens – originele tekst)

De deeleconomie staat steeds meer in de belangstelling, maar over de commonseconomie wordt helaas veel minder gesproken. Waarschijnlijk blijft dit voor velen te abstract, maar als we het hebben over de noodzaak van een transitie naar een duurzame economie en naar een meer rechtvaardige en democratische samenleving, dan is de commonseconomie wel de hefboom.

We leven in een verandering van tijdperk, gekenmerkt door economische en financiële crisissen, sociale onrust en politieke instabiliteit. Ons sociaale-conomisch systeem functioneert niet meer en “de politiek” draagt geen oplossingen aan. Anderzijds opent de technologische vooruitgang enorme mogelijkheden om de huidige ecologische, economische en sociale problemen op te lossen, maar binnen de oude structuren en denkschema’s werkt ze de financieel-economische en sociale crisis juist in de hand.

Er is veel sociaal verzet tegen de neoliberale tegen-hervormingen van de afgelopen jaren, maar vaak blijven protestbewegingen beperkt tot “tegen iets zijn” en is er een gebrek aan coherent alternatief. Ook klassieke linkse formules schijnen niet meer te werken of worden de nek omgedraaid binnen een vijandige internationale context, wat de Grieken aan de lijve mochten ondervinden.

Wel zijn overal in de wereld mensen actief betrokken in allerhande initiatieven om te bouwen aan een betere wereld. Velen hebben zich afgekeerd van de politiek en bouwen “het nieuwe binnen het oude”. Ze zijn actief op gebied van sociale rechtvaardigheid en solidariteit (vakbonden, coöperatieven, NGO’s, fairtradeorganisaties, noord-zuidbewegingen etc.), openheid en transparantie (open source beweging, open designgemeenschappen…) en duurzaamheid (circulaire economie, microfabrieken…).

Tussen deze verschillende groepen bestaat echter weinig interactie en ook binnen deze groepen is de fragmentatie vaak groot. Maar ze dragen wel de kiemen van een nieuw systeem, waarbij “de commons” het bindmiddel kan zijn. Een van de organisaties die hierbij een verbindende en katalyserende rol kan spelen, is volgens mij Hart boven Hard, zowel in haar hoedanigheid van netwerk als van beweging.

Maar laat ik eerst even beknopt de kern van het transitiemodel uitleggen dat de P2P Foundation voorstelt. Het boek De Wereld Redden bevat heel wat ideeën, maar vaak pikken mensen alleen dat eruit wat in hun kraam past. Om te beginnen hebben we nooit beweerd dat de “deeleconomie” de wereld zal redden, zoals Rogier De Langhe schrijft in een van zijn opiniestukken in De Morgen van 17 mei (Welke deeleconomie willen we?). In ons boek hebben we het over peer-to-peer, maar maken we een onderscheid tussen peer-to-peer marktplaatsen (waar de deeleconomie zich grotendeels afspeelt) en peer-productie van commons. Ons transitieverhaal steunt vooral op de tweede pijler.

De deeleconomie (alleen) zal de wereld niet redden

De deeleconomie zoals ze zich tot nu toe heeft ontwikkeld, wordt vooral gedomineerd door commerciële platformen die vraag en aanbod van markttransacties tussen individuen (denk aan de “gig”-jobs, het “delen” van autoritten tegen betaling, het verhuren van appartementen…) regelen via algoritmes en daar flink wat geld aan verdienen. De belangrijkste voordelen van deze modellen is dat ze voor de gebruikers vaak performanter en goedkoper zijn dan de traditionele modellen en dat ze zorgen voor een beter gebruik van de bestaande infrastructuur (het “deel”aspect) waardoor ze deel uitmaken van een noodzakelijke evolutie naar een meer duurzame economie.

Maar de keerzijde is ook niet mals: ze ontwijken allerhande wetgevingen waaraan de traditionele modellen wel aan moeten beantwoorden (sociale wetgeving, voorschriften inzake veiligheid en gezondheid etc.), ze investeren zelf niet in infrastructuur en wentelen alle risico’s af op degenen die hun platform gebruiken om geld te verdienen. Zelfs degenen die voor de vrije markt zijn en pleiten voor een gelijk speelveld, kunnen toch niet anders dan vaststellen dat we hier te maken hebben met oneerlijke concurrentie. Je kan dan twee zaken doen: ofwel het speelveld gelijkschakelen door deze platformen te onderwerpen aan dezelfde regels die gelden voor andere bedrijven, ofwel de regels voor andere bedrijven ook afschaffen. Dus hier pleiten we uiteraard voor klassieke regulering.

Alternatieven op commerciële platformbedrijven

Maar er zijn andere manieren om dergelijke kapitalistische platformen van antwoord te dienen. Laten we Uber nemen als voorbeeld. Zo heeft sharing city Seoel Uber ronduit verboden. Maar tegelijk ontwikkelde de stad wel een even gebruiksvriendelijk alternatief: een mobiliteitsapp op stadsniveau waarin de klassieke taxisector werd geïntegreerd. Vakbonden kunnen Uberchauffeurs organiseren en opkomen voor hun belangen (zo heeft Seattle onlangs Uberchauffeurs syndicale rechten verleend waardoor ze expliciet erkend werden als werknemers en niet als freelancers) of zelfs helpen met het opzetten van een coöperatieve die gebruik maakt van een eigen app. Zo gaan alle verdiensten naar de chauffeurs zelf en niet naar Silicon Valley. Op dat vlak zijn de initiatieven echter enorm versnipperd, want elke entiteit gebruikt andere open source applicaties en apps. Het komt er dus op aan om al deze mini-initiatieven te coördineren en te stroomlijnen binnen één netwerk.

Maar goed, we blijven hier nog altijd op het terrein van marktactiviteiten, het kopen en verkopen van diensten om geld te verdienen. Daar is niks mis mee, mensen moeten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Maar als er wordt samengewerkt rond één platform, beheerd door de stakeholders (dus niet alleen de chauffeurs , maar bijvoorbeeld ook de klanten en de overheid), dan wordt dit gemeenschappelijk platform wel de kern van de economische activiteit waaraan de marktactiviteit is ondergeschikt.

Er zijn natuurlijk ook tal van deelinitiatieven die een maatschappelijk doel voor ogen hebben, zoals autodelen op buurtniveau (vb. Dégage in Gent), of logies delen op wereldniveau (couchsurfing). Dit is de originele deeleconomie, die nog altijd bestaat én groeit, maar inmiddels in de media werd overschaduwd door Uber en Airbnb. Deze laatste is trouwens zelf begonnen binnen de reële deeleconomie, wat nog steeds vervat zit in de naam (air staat voor air matrass: het idee was een luchtbed in de living voor toeristen, in ruil voor een kleine deelname in de kosten). Met de intrede van venture capital werd het platform geprofessionaliseerd, er kwamen diensten bij (zoals een verzekering tegen vandalisme), maar bovenal vervoegden steeds meer professionele spelers het platform om appartementen te verhuren aan toeristen. Op die manier omzeilen ze stedenbouwkundige vergunningen en de wetgeving op hotels, jagen ze tegelijk de huurprijzen voor lokale bewoners omhoog en maken bepaalde buurten onleefbaar (denk aan Barceloneta in Barcelona). Tussen haakjes, het is ook belangrijk om op te merken dat alleen mensen die iets hebben iets kunnen ‘delen’ (lees verhuren). Een huurder mag meestal niet onderverhuren, ook niet via Airbnb.

De commonseconomie

Tot daar de “deeleconomie”. Wat echter veel belangrijker is in ons transitieverhaal, is de zogenaamde commons-economie en meer bepaald de creatie van commons van open software, kennis en design. Bekende commons zijn Linux, Wikipedia en Arduino, maar er bestaan duizenden andere voorbeelden. We hebben hier te maken met een postkapitalistisch model, omdat:

Het niet gebaseerd is op arbeid/kapitaal, maar op vrijwillige bijdragen
Het geen goederen of diensten voortbrengt om te verkopen op de markt (ruilwaarde), maar rechtstreekse gebruikswaarde die vrij beschikbaar is, in overvloed aanwezig, vrijwel kosteloos, oneindig reproduceerbaar en dus niet eens “vermarkt” kan worden.
Sommigen rangschikken ook deze commons onder de ‘deeleconomie’ omdat ze vrij beschikbaar zijn (en dus vrij kunnen ‘gedeeld’ worden), maar dan gooi je Uber en Wikipedia op één hoop, wat toch problematisch is. Om verwarring te vermijden is het dus aangewezen om bij elk project de volgende vragen te stellen:
wat is de hoofddoelstelling (maatschappelijk of winstgevend)?
wordt er gemeengoed gecreëerd dat vrij beschikbaar is?

Alleen in het twee geval spreken we van een commons-economie. Is de doelstelling maatschappelijk en wordt er gewerkt via een collectief deelplatform, dan is het deelplatform zelf de commons en kan je ook dit soort van deelinitiatieven tot de commons-economie rekenen. Gaat het om pure markttransacties, dan hebben we te maken met P2P marktplaatsen die strik genomen niets met delen te maken hebben, maar door deze platformen zelf en door de media wel als dusdanig genoemd worden, dus ik veronderstel dat we ermee moeten leven.

Een productiever model…

Het gemeenschappelijk creëren van open gemeengoed van kennis, softwarecode en allerhande ontwerpen blijkt in de praktijk veel sneller, efficiënter en productiever dan de traditionele (lees kapitalistische) manier om deze zaken voort te brengen. Sinds Wikipedia zijn papieren encyclopedieën alleen nog in tweedehandszaken verkrijgbaar. Wikipedia is gratis, wordt elke dag beter en volgt de actualiteit. Een paar minuten nadat de media hebben bericht over de dood van Prince, is de popster ook dood op Wikipedia. Open software is de norm binnen de softwarewereld geworden. Nasa, BMW, het CERN, het Witte Huis… gebruiken Linux, een software die vrij beschikbaar is voor iedereen. Er bestaan een dertigtal open source-auto’s (inclusief een open source zelfrijdende auto) die stuk voor stuk milieuvriendelijke en energiezuiniger zijn dan industriële wagens, alleen komen de banken niet met geld over de brug om de productie ervan te financieren, tenzij ten minste een deel van het ontwerp beschermd wordt door patenten. Tot nu toe lijkt LocalMotors, een semi-open source wagen die in een microfabriek via 3D printing kan worden geproduceerd het enige model dat ook economisch succesvol is. Maar er zijn ook open source robotten, open source landbouwmachines, open source laboratoriumapparatuur en duizenden andere open hardwaresystemen. Daarnaast is er ook het delen van kennis allerhande, zoals open wetenschap tegenover het peperduur verkopen van academische artikels door privé-uitgeverijen.

… gedomineerd door het kapitalisme

Maar net als de deeleconomie waarvan eerder sprake, wordt ook de commonseconomie volop “gerecupereerd” door het kapitalisme, hoewel “gebruikt” me een beter woord lijkt in deze context, want er is hier toch iets anders aan de hand. We krijgen namelijk een model waarbij bedrijven die elkaar beconcurreren op de markt, wel samen bouwen aan een commons. Als toemaatje krijgen ze er de bijdragen bij van vrijwilligers die voor allerhande redenen gratis bijdragen tot het gemeengoed. Neem open software. Ongeveer 75% van de programmeurs die bijdragen tot Linux, worden betaald door grote bedrijven zoals IBM en Red Hat, die net als Google, Intel, HP, Samsung, Cisco enzovoort de Linux Foundation financieren. Waarom? Omdat het stukken goedkoper en efficiënter is Linux te helpen ontwikkelen dan eigen software te ontwikkelen. Voor hen is Linux een goedkope grondstof die ze kunnen gebruiken om andere diensten aan te bieden op de markt, meestal het maken van een gebruiksvriendelijke versie op maat van hun klanten, maar ook onderhoud, training, consultancy, enzovoort.

Laten we een voorbeeld nemen uit de open hardware. Alles wat de mens maakt, moet eerst ontworpen worden. Er komen meer en meer ontwerpen tot stand door open en transparante samenwerking van bijdragers via het internet. Het internet wordt naast een goedkoop communicatie- en coördinatiemiddel dus ook meer en meer een universeel productiemiddel. Tegelijk vervaagt de grens tussen (digitaal) ontwerp en geautomatiseerde productie. Machines zijn immers gekoppeld aan computers. Voeg daaraan toe dat na de miniaturisering van de computer ook de miniaturisering van machines aan de orde van de dag is, waarbij je “meer kunt doen met minder”, en je ziet meteen het potentieel dat zich opent om ons maatschappelijk en economisch model volgens volledig andere lijnen te gaan ordenen. Maar dat kan alleen als we ons organiseren en bewust modellen ontwikkelen die dat ook in de praktijk brengen. Want tot op heden, zwaait het kapitaal nog altijd de scepter, ook in de wereld van de commons.

Je hebt immers nog altijd kapitaal nodig om iets te produceren: een fysische ruimte, grondstoffen en arbeid. Je verlaat de digitale, postkapitalistische wereld van de overvloed en betreedt in zekere zin weer de wereld van arbeid en kapitaal. Maar ook binnen dat kader heb je de keuze welk soort van organisatie je hiervoor opricht. Een coöperatieve is hier ongetwijfeld de meest geschikte bedrijfsvorm omdat haar eigendom- en beheermodel het best aansluit met de peer-to-peer waardecreatie in de commons. Omdat jonge ondernemers vaak niet vertrouwd zijn met het coöperatieve model, domineren durfkapitalisten (venture capital) die torenhoge rendementen terugeisen voor hun investering logischerwijze nog altijd de open hardwaregemeenschappen, hoewel we oog moeten hebben voor de oprukkende fablabs, hackerspaces, co-working spaces en makerspaces die vaak ondersteund door lokale overheden, scholen of universiteiten, en ook via crowdfunding.

Sociale ondernemers

Het is belangrijk hier een punt te maken over sociale ondernemers. Klassiek links haalt vaak de neus op voor ondernemers omdat ze die onterecht vereenzelvigen met “kapitalisten”. De woorden “sociaal” en “ondernemen” vinden ze een contradictio in terminis. Bovendien schieten veel politici van groene en sociaaldemocratische partijen die ondernemers omarmen (zonder evenwel een onderscheid te maken in de aard en de grootte van de bedrijven) tegelijk op de vakbonden die ze bestempelen als “conservatief”. Ze behoren historisch tot de neoliberale strekking (gelukkig op zijn retours) die de derde weg van Blair voorstaat. Maar stel je in de schoenen van een jonge ingenieur die de wereld wil verbeteren. Geloof me, ze zijn niet in de minderheid. Zo wilt 98 procent van afgestudeerde ingenieurs in Finland duurzaam ontwerpen. Alleen… als ze het geluk hebben een baan te vinden in een klassiek bedrijf, moeten ze zorgen voor ingeplante slijtage. Het alternatief is zich aansluiten bij een open hardwaregemeenschap en proberen zelf of met vrienden een bedrijfje op te starten. Als je bijdragen levert voor een open ontwerp, is er immers geen enkel reden om slijtage in te plannen. Je probeert een product zo goed mogelijk te ontwerpen.

De laatste jaren zien we meer en meer jongeren die ecologische en maatschappelijke problemen willen oplossen door zelf een bedrijf op te starten. Maar ook mensen die al jaren voor traditionele bedrijven werken, stappen voor allerhande redenen uit de ratrace en gaan zelf een sociale bedrijfsactiviteit beginnen die goed is voor de samenleving en die hun eigen leven veel meer zin geeft. Het is juist dat we hier vaak te maken hebben met een geprivilegieerde groep, maar dit fenomeen illustreert toch een uittocht uit het bestaande systeem, zowel vrijwillig als gedwongen.

Alleen… je moet natuurlijk wel geld verdienen om te overleven. Het grootste probleem vandaag is dat de commons, die een steeds grotere plaats innemen in de kapitalistische economie, nog steeds ondergeschikt zijn aan het overheersende model en alleen collectief reproduceerbaar zijn maar niet individueel. Wat bedoel ik daarmee? Als individu kan je tijdelijk gratis bijdragen tot commons (als je student bent, werkloos, of in je vrije uurtjes), maar je kan dat niet blijven doen. De commons blijven echter collectief overleven omdat er steeds nieuwe mensen bijkomen die bijdragen leveren, terwijl anderen wegvallen.

Nieuwe bedrijfsmodellen

De vraag van een miljoen is dus: hoe kunnen we bedrijfsmodellen ontwikkelen die het de commoners (bijdragers tot commons) mogelijk maakt om in hun levensonderhoud te voorzien? Gelukkig is dit geen theoretische vraag aangezien er volop aan deze modellen wordt gewerkt. Met andere woorden, er bestaan reeds ethische bedrijven die samen een commons produceren, zoals Enspiral, een jong bedrijvennetwerk dat Loomio (een samenwerkingssoftware) en Co-Budget (een app om democratische investeringsbeslissingen te nemen binnen het netwerk) heeft ontwikkeld en “Stuff that Matters” als baseline heeft. Het initiatief ontstond in Nieuw-Zeeland, maar het netwerk groei als kool en de open software Loomio is inmiddels uitgegroeid tot een zelfstandig bedrijf (een coöperatieve in eigendom en zelfbeheer van de werknemers) binnen het Enspiral netwerk, met wereldwijde vertakkingen.

Ik geef deze voorbeelden mee om ons verhaal wat concreter te maken zodat de verhaallijn duidelijker wordt. Wij denken namelijk dat er een nieuwe economie in wording is rond de commons. Deze economie wordt inderdaad gedomineerd door het kapitaal, maar veroorzaakt binnen het kapitalisme een waardecrisis: de geproduceerde gebruikswaarde groeit exponentieel, maar de gerealiseerde marktwaarde stijgt slechts lineair en wordt grotendeels “opgevangen” door het kapitaal. Maar naarmate het kapitaal investeert in peer-to-peer-netwerken en commons, versterkt ze die tegelijk en maakt aldus het potentieel alternatief sterker. Vroegere systeemovergangen vonden op dezelfde lijnen plaats: het oude systeem maakt gebruik van het nieuwe systeem om zijn bestaan te rekken, maar versterkt daardoor het nieuwe systeem tot een punt wordt bereikt waarop het nieuwe systeem kan doorbreken en dominant worden.

Vandaag wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe bedrijfsmodellen, vaak coöperatieven, die commons voortbrengen en tegelijk in het levensonderhoud voorzien van de coöperanten. Ook wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe manieren om de waardecreatie binnen de commons te registreren (open boekhouding) en die te koppelen aan vergoedingen voor de commonors indien de projecten marktwaarde realiseren. Er ontstaan ook nieuwe solidariteitsmechanismen, zoals de broodfondsen in Nederland, een sociaal zekerheidssysteem op minischaal voor “zzp-ers” (zelfstandigen zonder personeel, hier meestal freelancers genoemd). Zo zie je dat de mutualiteiten van de vroege arbeidersbeweging vandaag nog eens dunnetjes overgedaan door mensen die buiten de mazen van het sociale zekerheidssysteem vallen.

Ook de nieuwe coöperatieven die wereldwijd groeien als kool brengen de hoogdagen van de arbeidersbeweging in herinnering. Ook zij probeerden het nieuwe te bouwen binnen het oude, maar streefden vooral naar het veroveren van de politieke macht om de economie gradueel (door hervormingen) of min of meer volledig (door revolutie) via de staat over te nemen. De traditionele coöperatieven werden echter grotendeels weggeconcurreerd door multinationals die over meer kapitaal beschikten en dankzij schaalvoordelen goedkopere producten konden op de markt brengen. Coöperatieven die overleefden, konden dit alleen door zich net te gedragen als kapitalistische bedrijven waardoor ze op de duur nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren. Toch kan de historische arbeidersbeweging een grote inspiratiebron zijn voor de open source- en commonsbeweging. Alleen is haar heroïsche geschiedenis gedurende de laatste decennia (en zelfs langer) grotendeels ondergesneeuwd door bureaucratisering en incorporatie binnen de staat.

Kloof tussen precariaat en salariaat dichten, niet aanwakkeren

Dat laatste verklaart waarom veel jongeren die zich wel als een vis in het water voelen in de open source- en commonsbeweging, zich niet herkennen in de huidige arbeidersbeweging. Deze laatste is dan weer al decennia in een defensieve strijd verwikkeld voor het behoud van sociale verworvenheden en vindt moeilijk aansluiting bij jongeren die opgroeien in een tijd waarin het oude sociale contract meer en meer wordt opgeblazen voor de nieuwe generatie. Sommigen concluderen daaruit dat de klassenstrijd moet wijken voor een generatiestrijd. Niet het falend systeem is verantwoordelijk, wel de oudere generatie die de rijkdom heeft opgesoupeerd waardoor er niks meer overblijft voor de jeugd . Hoewel minder brutaal (hoewel…) lijkt dit de redenering die ook economiefilosoof Rogier De Langhe volgt in zijn recente columns. Rogier geeft toe dat er een systeemcrisis is, maar vindt dat “wij daar allemaal samen” voor verantwoordelijk zijn. Zoiets kan je natuurlijk alleen maar beweren als je de klassennatuur van onze samenleving ontkent. Maar zelfs dan is het hallucinant om het volgende te beweren: ”Zoals in 2008 bleek dat bankiers niet hadden kunnen weerstaan aan de ‘hebzucht’, zo blijkt vandaag dat ook de vakbonden te ver gingen. Ze verwierven meer rechten dan duurzaam over de generaties heen konden worden voorzien. Zelfs de banksters waagden het niet het land plat te leggen uit protest tegen het instorten van het kaartenhuisje dat ze zelf hadden gebouwd.” (De Morgen van 25 mei 2016: Waarom betogers op bankiers lijken”)

Rogier vindt de vakbonden blijkbaar nog erger dan de banksters. Hij pleit wel voor meer solidariteit, maar dan wil binnen de groep van “have nots”: “Ik droom van een herverdeling van sterk naar arm, in plaats van van niet-gesyndiceerd naar gesyndiceerd en van ongeboren naar vandaag.” Dat er in de afgelopen dertig jaar 10 procent van het BNP verschoven is van Arbeid naar Kapitaal is bijzaak, want “De bedragen waar het om gaat, zijn zo gigantisch dat een vermogensbelasting weinig verschil maakt. Zeker in een land als het onze illustreert het discours over de 1 procent vooral dat het makkelijker is de schuld bij een externe vijand te zoeken, dan bij onszelf.”

Er bestaat ongetwijfeld een spanningsveld tussen de klassieke arbeidersklasse die bestaat uit (vaak oudere) werknemers die in een hiërarchisch verband voor een bedrijf werken, en de nieuwe klasse van precaire en autonome werkers die rechtstreeks voor de markt (moeten) werken. Dat kan gedwongen zijn omdat ze geen werk vinden, maar velen doen het ook vrijwillig, ook uit sociale bewogenheid. Die groep gebruikt het internet en de commons voor het opzetten van nieuwe solidariteitsmechanismen. Op dat vlak speelt Smart.be in België een voortrekkersrol. We hebben de vakbonden al vaker op de korrel genomen omdat ze deze groeiende groep precaire werkers rechts laten liggen (in Nederland is binnen het FNV al geruime tijd een fel debat aan de gang). We moeten bruggen bouwen tussen precaire en “beschermde” werknemers, niet door de rechten van de ene groep af te bouwen ten voordele van de andere, maar om samen te ijveren voor een maatschappij die eerlijkere, democratischer en meer gelijk is dan de huidige. Helaas drijft Rogier de tegenstelling tussen beide groepen op de spits en door ongenadeloos de vakbonden te viseren in hun verzet tegen de regeringsmaatregelen, staat hij objectief gezien natuurlijk 100 procent aan de kant van de regering die hij in zijn columns nooit op de korrel neemt.

De commons als nieuw bindmiddel in een positief transitieverhaal

Maar goed, terug naar mijn verhaal. Wat in het oude verhaal van de arbeidersbeweging ontbrak, was een nieuwe manier om waarde te creëren en te herverdelen, die bovendien superieur is aan het oude model. Vandaag bestaat deze nieuwe productiewijze wel. In het oude verhaal versloeg groot klein. Altijd. Vandaag kan een netwerk van veel kleintjes groot verslaan. Denk aan Linux en Wikipedia. De nieuwe platformbedrijven of “netarchische” kapitalisten (kapitalisten die heersen over het netwerk), zijn nog piepjong (Google is 20 jaar oud, Facebook 12, Uber 6) maar hebben in een mum van tijd de wereld veroverd. De vraag is hoe duurzaam die bedrijven zijn op langere termijn, gezien hun parasitair karakter en het feit dat de waarde die ze onttrekken uit menselijke samenwerking niet terugvloeit naar de mensen die deze waarde creëren.

Er bestaat volgens mij geen uniforme formule om deze bedrijven aan te pakken. Sommigen kunnen op termijn weggeconcurreerd (of weg”samengewerkt”) worden door nieuwe, coöperatieve modellen, op voorwaarde dat deze globaal opgeschaald worden (samenwerking in wereldwijde netwerken). Zowel de overheid als de traditionele organisaties van de arbeidersbeweging kunnen daarin een stimulerende rol spelen. Anderen zoals Google of Facebook worden best “openbare nutsbedrijven”, zoals destijds de spoorwegen en de elektriciteitsbedrijven. Natuurlijk zijn deze privéplatformen wereldwijd actief, maar ze zijn wel ingebed in een staat (meestal de VS) waarbinnen een politieke strijd kan gevoerd worden om ze om te turnen in door stakeholders beheerde nutsbedrijven (geen traditionele staatsbedrijven dus). Buiten de VS kunnen en worden ze via regulering meer aan banden gelegd, hoewel de resultaten nog niet spectaculair te noemen zijn (bv. Europa versus Facebook en Google).

Om te resumeren, wil ik de volgende stellingen poneren:

De commons kunnen het bindmiddel zijn van een nieuwe progressieve beweging
De drie groepen die mondiaal actief zijn in transitiebewegingen (rond ecologie, solidariteit en open source) moeten elkaar beter leren kennen en meer gaan samenwerken

Tegelijk kan geijverd worden voor een commons-transitieprogramma dat streeft naar een nieuw economisch-maatschappeijk paradigma dat steunt op drie pijlers:
Een productieve civiele maatschappij van burgers die vrijwillig bijdragen tot commons
Een ethische bedrijvencoalitie rond deze commons
Een nieuw overheidsmodel waarbij de overheid optreedt als partnerstaat die peer-productie van vrije burgers faciliteert en ondersteunt (met geld, infrastructuur, onderwijs etc.) Deze staat vervangt de welvaartsstaat niet, maar overstijgt ze. Strijden tegen de afbouw van de welvaartsstaat blijft dus 100 procent een progressieve strijd.

Daarnaast dringt zich een herlocalisering op van de productie in microfabrieken die eveneens wereldwijd genetwerkt zijn en aldus een tegengewicht kunnen bieden op transnationaal niveau tegenover de multinationals. Op die basis kunnen we de ecologische crisis bezweren (duurzame lokale energiecoöperatieven aangesloten op een smart grid, drastische vermindering van transport- en energiekosten, transparante aanvoerketens ten dienste van een circulaire economie waardoor het generatief vermogen van de planeet volledig wordt hersteld etc.)

Voor meer info:

P2P Foundation
Enspiral
Jean Lievens

[ASSEMBLY OF THE COMMONS] PETER ROSSEEL OVER DIGITALE VERANDERING

De industrialisering reduceerde de mens tot een productiefactor. De digitalisering zal volgens Peter Rosseel een menselijkere economie mogelijk maken. Hij stelt dat digitalisering niet zozeer tot economische groei leidt, maar tot menselijke groei. Zowel ons welzijn als onze welvaart zullen erop vooruitgaan. De voornaamste voorwaarde om die omwenteling te laten slagen, zijn wijzelf.

WIE? Peter Rosseel is directeur van Management Consulting and Research (MCR), een spin-off van de KU Leuven. Hij werkt rond strategie implementatie, verandermanagement en leiderschap. Hij schreef onlangs een opiniestuk over deeleconomie in De Morgen.

WAT? De Assembly of the Commons in Gent is een maandelijks event voor wie actief is in de commons/p2p/deeleconomie. In een informele setting ontvangen we een spreker, waarna ruim tijd wordt gemaakt voor dialoog en netwerking.

Oorspronkelijk bericht hier

’The Social Commons’ of ’Sociaal Gemeen Goed’

DOOR: Francine Mestrum/Attac Vlaanderen
Origineel gepubliceerd op 29 oktober 2015

(Originele bron: Attac-Vlaanderenn, foto van website filosophersforchangeosophersforchange)

Van sociale bescherming naar een sociaal gemeen Sociale bescherming staat hoog op de agenda vandaag. In 2012 keurde de Internationale Arbeidsorganisatie een aanbeveling goed over ‘sokkels’ van sociale bescherming. Men kan stellen dat dit een minimale agenda is, maar mochten alle mensen in de hele wereld deze rechten inderdaad krijgen, dan zou het een onvoorstelbare sociale vooruitgang betekenen.

De Belgische ngo’s zijn gestart met een nieuwe campagne over sociale bescherming. Het is een agenda die veel verder gaat, die sociale bescherming inderdaad als een mensenrecht ziet, ze universeel en op niet-commerciële wijze wil toepassen. Ik wil nog een stapje verder zetten en pleiten voor een ‘sociaal gemeen’, voor hier en voor het Zuiden. Waarom? Het valt op dat telkens je sociale bescherming wil bepleiten, veel jongeren meteen de andere kant op kijken.

Sociale bescherming! Iets uit de oude tijd! Dat hebben zij toch niet nodig! En het klopt dat veel jongeren niet echt behoefte hebben aan de solidariteit van de rest van de samenleving, tenzij …, ja, tenzij ze een fiets- of auto-ongeval hebben, tenzij ze plots ziek worden, tenzij ze denken aan de toekomst … Want je zal maar alles uit je eigen zak moeten betalen als je in het ziekenhuis ligt. Of je zal maar net genoeg verdienen om te kunnen leven, zonder iets te kunnen sparen voor je pensioen.

Maar het blijft een uitdaging om dit oude systeem op een aantrekkelijke manier te kunnen voorstellen aan jongeren, om uit te leggen dat dit toch precies de solidariteit is die ze doorgaans wel verdedigen. Spreken over ‘commons’ kan dan helpen, want de commons, het gemeen, daar staan de meesten wel achter. Het wijst op meer en meer gedeelde verantwoordelijkheid, het wijst op concrete solidariteit in plaats van op een abstract gegeven waarvan men de finesses niet kent.

Het zou natuurlijk niet erg fair zijn om een ‘gemeen’ te bepleiten en dat gewoon als een synoniem van de bestaande sociale bescherming te zien. De bestaande systemen zijn vijftig of honderd jaar oud en beantwoorden niet altijd even goed als toen aan wat vandaag de behoeften zijn. De maatschappij is veranderd en de samenleving is veranderd. Ook de sociale bescherming moet dus veranderen én verbeteren. Niet voor niets spreken sommigen van een ‘kathedraal’ als ze het over onze sociale zekerheid hebben, of over de ‘belangrijkste revolutie van de 20ste eeuw’. Toch moet er hier en daar wat bijgeschaafd worden, moeten de vele hindernissen om toegang te krijgen tot bepaalde rechten worden weg gewerkt, kunnen de vele bijbouwsels van de afgelopen decennia in één coherent geheel worden herverpakt.
Met een nieuwe naam – het sociaal gemeen – kan aan een nieuwe en betere inhoud worden gewerkt, om mensen méér bescherming te bieden. Tenslotte is het een feit dat de meeste mensen die sociale bescherming niet echt als van hen beschouwen. Ze zien het als iets van de overheid, van de vakbonden, van de mutualiteiten, van afwezige abstracte organisaties ergens in Brussel. Nochtans zijn wij het allemaal samen die voor onze sociale bescherming hebben betaald, met sociale bijdragen en met belastingen.

De sociale bescherming is van ons en van niemand anders, vandaar dat een benadering via het gemeen echt aangewezen is. Het zijn drie belangrijke redenen om over te stappen van ‘sociale bescherming’ naar een ‘sociaal gemeen’. Tel daarbij dat de sociale bescherming vandaag de dag hoe dan ook aan het veranderen is en bovendien wordt bedreigd. Ze is aan het veranderen door het soberheidsbeleid dat nu ook in de Westeuropese landen wordt gevoerd en rechtstreeks leidt tot afbouw van de uitkeringen en zelfs van sommige rechten. Dit zijn neoliberale hervormingen die nergens voor nodig zijn en de mensen kwetsbaar maken.
Onze sociale bescherming wordt bedreigd door de onderhandelingen die bezig zijn over internationale handelsverdragen waardoor de dienstverlening aan internationale concurrentie wordt bloot gesteld. Maar de sociale bescherming wordt ook bedreigd door de groeiende belangstelling voor het basisinkomen, een individualistische liberale oplossing die onmogelijk samen met de sociale bescherming kan bestaan en daarenboven de arbeidsmarkt en ons streven naar meer gelijkheid ernstig kan uithollen.

Wat bedoel ik dan met een ‘sociaal gemeen’ en wat kan het betekenen? Hoe het sociaal gemeen er in de toekomst zal uitzien, is moeilijk te zeggen, aangezien het de samenlevingen zelf zijn die er vorm moeten aan geven. Vast staat wel dat enkele algehele principes moeten gewaarborgd blijven, zoals respect voor universele mensenrechten, niet-commercialisering, horizontale solidariteit van allen met allen. Kortom, de grote principes die aan de basis liggen van onze bestaande sociale bescherming. Hoe en in welke mate we dit willen uitvoeren moet door de samenleving zelf worden bepaald. Op die manier kan men eerst en vooral de mensen weer bij de sociale vooruitgang betrekken. Ze moeten duidelijk weten dat het om hun rechten gaat en dat zij het zijn die er democratisch en participatief moeten over beslissen. Het kan niet dat het regeringen en parlementen zijn die zonder of met minimaal overleg aan de sociale rechten gaan sleutelen.

Wij zijn het die moeten beslissen over wat we willen en niet willen. Ten tweede kan door het organiseren van overleg met de mensen, de samenleving zelf worden beschermd. Het neoliberalisme staat een doorgedreven atomisering voor, en dat brengt, op termijn, de samenleving en dus ook de solidariteit in gevaar. Ten derde kan een bespreking van de sociale bescherming er toe leiden dat de rechten worden uitgebreid en versterkt. We hebben allemaal bescherming nodig, een leven lang, en een besef daarvan kan helpen om het systeem te verbreden en coherenter te maken. Het heeft immers geen zin meer om rechten toe te kennen in functie van je statuut op de arbeidsmarkt. En wordt het niet dringend noodzakelijk om ook een paar milieurechten op te nemen, zoals het recht op water?

Wanneer men daarover begint na te denken, stelt men al gauw vast dat het huidige economische systeem eveneens zal moeten veranderen om een hele samenleving te beschermen. Er is al erg veel geschreven over de nieuwe kenniseconomie die sowieso tot een andere arbeidsmarkt zal leiden. En hoe dan ook is het duidelijk dat een economie die enkel streeft naar winst, de natuur en de zorgtaken buiten beschouwing laat, geen grote toekomst kan hebben. Of met andere woorden, het is duidelijk dat een systeem van sociale bescherming alleen de economie niet kan veranderen, maar ze kan er wel sterk toe bijdragen dat er over wordt nagedacht en dat met veranderingen wordt begonnen. En dat kan dan weer tot het inzicht leiden dat de economie toch in dienst moet staan van de samenleving, dat ze goederen en diensten moet produceren waar de mensen behoefte aan hebben. Of nog, met andere woorden, dat ze moet zorgen voor de mensen. En zo is de cirkel eigenlijk rond.

De economie moet zorgen voor de mensen, zoals het milieubeleid moet zorgen voor de natuur en zoals de sociale bescherming moet zorgen voor ons allen. De zorg kan centraal komen te staan, de zorg voor het leven van mens, samenleving en natuur. Met een sociaal gemeen, zo blijkt dan, kan je zorgen voor de duurzaamheid van het leven. Hoe de sociale bescherming van de toekomst er kan uitzien, is niet te voorspellen. Het hangt af van de machtsverhoudingen in de samenleving en van het democratisch gehalte van de gesprekken. Maar het is duidelijk dat kan en moet nagedacht worden over de (on)voorwaardelijkheid van het leefloon, over de individualisering van rechten, over de arbeidsduur, over de verdeling tussen bijdragen en belastingen.
Wat ik met dit boek wil duidelijk maken is dat de sociale bescherming geenszins een instrument van het kapitalisme is, ze kan zoveel meer zijn dan een correctiemechanisme. Sociale bescherming kan net zo goed een instrument worden voor systeemverandering, maar dan in positieve zin, met aandacht voor het leven. Het sociaal gemeen is een project voor de lange termijn, maar er mee beginnen op een ogenblik dat onze verzorgingsstaten worden bedreigd, is zeker geen slechte keuze. Trouwens, voor linkse partijen is dit een gouden kans. Hoe beter dan met een belofte van méér sociale bescherming en meer participatie kan je mensen voor je project winnen?
—————-
Te bezoeken: www.socialcommons.eu
Francine Mestrum ‘The Social Commons. Rethinking Social Justice in Post-Neoliberal Societies’ werd geschreven in het Engels. Er is op de website www.socialcommons.eu ook een samenvatting in het Nederlands beschikbaar. Ze zijn beide gratis beschikbaar. Aangezien het project geen enkele subsidie ontvangt en met particuliere middelen wordt gefinancierd, is elke financiële bijdrage e

De tien geboden van peer-productie en de commons-economie

Originele tekst eerder gepubliceerd op de blog van de P2P Foundation en Wired

Voor een vrije, eerlijke en duurzame productiewijze en waardecreatie

Michel Bauwens, Berlijn, Oktober 23, 2015, voor de “Uncommons conferentie”

Zoals we elders probeerden aan te tonen, heeft het ontstaan van op commons gerichte peer-productie een nieuwe logica in het leven geroepen voor de samenwerking tussen open productieve gemeenschappen die gedeelde hulpbronnen (commons) creëren aan de hand van bijdragen, en marktgerichte entiteiten die toegevoegde waarde creëren bovenop of langs deze gedeelde commons.

Deze tekst handelt over ontluikende praktijken die een inspiratiebron kunnen zijn voor de nieuwe entiteiten van de ethische economie. De belangrijkste doelstelling is het creëren van nieuwe entiteiten die de traditionele bedrijfsvormen met hun winstmaximaliserende praktijken van waarde-extractie overstijgen. In plaats van extractieve kapitaalvormen hebben we generatieve vormen nodig die waarde co-creëren met en voor de commoners.

Voor de verklaring van de nieuwe praktijken, gebruik ik dezelfde formule als die van de Tien Geboden. Ze bestaan reeds allemaal onder verschillende gedaanten, maar moeten nog veralgemeend en geïntegreerd worden. Wat de wereld, de mensheid en alle wezens die de invloed ondergaan van onze activiteiten nodig hebben, is een productiewijze en productieverhoudingen die zowel vrij, eerlijk als duurzaam zijn.

Open en vrij

1. Gij zult open bedrijfsmodellen gebruiken die steunen op gedeelde kennis.

Gesloten bedrijfsmodellen zijn gebaseerd op artificiële schaarste. Hoewel kennis een niet- of zelfs anti-rivaliserend goed is waarvan de gebruikswaarde toeneemt naarmate het meer wordt gedeeld, en hoewel het in digitale vorm gemakkelijk kan gedeeld worden tegen zeer lage marginale kost, creëren veel extractieve bedrijven opzettelijk artificiële schaarste om rente te kunnen onttrekken aan het creëren of het gebruik van gedigitaliseerde kennis. Via legale onderdrukking of technologische sabotage worden goederen die natuurlijk kunnen worden gedeeld kunstmatig schaars gemaakt om extra winsten te genereren.

Dat is hemeltergend in een context waarin technische kennis in staat is levens te redden en de planeet te helen. Het eerste gebod is daarom het ethische gebod om te delen wat kan worden gedeeld, en om alleen marktwaarde te creëren bij hulpbronnen die schaars zijn, en toegevoegde waarde te creëren bovenop of langs deze commons. Open bedrijfsmodellen zijn marktstrategieën die gebaseerd zijn op de erkenning van natuurlijke overvloed en de weigering om een inkomen te genereren door die kunstmatig schaars te maken.

Meer informatie (in het Engels) is te vinden hier

Eerlijk

2. Gij zult werken via open coöperatieven

Er worden veel meer nieuwe ethische en generatieve entiteiten opgericht die meer in harmonie zijn met de uit bijdragen gecreëerde commons. De sleutel hierbij is om te kiezen voor postbedrijfsvormen die toelaten dat de bijdragende commoners in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

Vooral open coöperatieven komen hiervoor in aanmerking. Ze hebben de volgende kenmerken:

1. Ze zijn doelgericht en hebben een sociale doelstelling die verbonden is aan de creatie van gedeelde hulpbronnen
2. Ze worden beheerd volgens een multi-stakeholdermodel, waarbij iedereen betrokken wordt die beïnvloed wordt door de werkzaamheden of bijdragen levert tot de betrokken activiteit
3. Ze verbinden zich statutair en volgens hun eigen regels met de productieve gemeenschappen voor het co-creëren van commons.

Ik voeg daar vaak nog een vierde voorwaarde aan toe, namelijk dat ze organisatorisch een globale visie hebben ten einde een tegenmacht te kunnen creëren tegenover de extractieve multinationals.

Coöperatieven zijn maar één van de potentiële vormen die commons-vriendelijke marktentiteiten kunnen aannemen. We zien ook de opkomst van meer open entiteiten zoals neo-tribale vormen (denk aan de werkwijze van de gemeenschap rond Ouishare), of meer strak georganiseerde nieuwe modellen zoals Enspiral.org, Las Indias of de Ethos Foundation. Een nog opener vorm is het soort van netwerk waarvoor de gemeenschap rond de open wetenschappelijke hardware Sensorica heeft gekozen. Ze wil de bijdragen strakker koppelen aan de gegenereerde inkomsten door alle microtaken in het beloningssysteem toe te laten aan de hand van open value accounting of contibutory acccounting (verder meer hierover).

Gij zult hierover meer informatie (in het Engels) vinden hier

3. Gij zult gebruik maken van Open Value Accounting (“open-waarde-boekhouding”) of Contibutory Accounting (“bijdragende boekhouding”)

Peer-productie is gebaseerd op vrije, gedistribueerde taken van bijdragers die werken binnen een samenwerkingsinfrastructuur gedreven door een open gemeenschap. De traditie van een baan met vaste taakbeschrijving in ruil voor een salaris is allicht niet de meest aangewezen manier om de bijdragers tot dergelijke processen te belonen. Vandaar de geboorte van de open-waarde-boekhouding of bijdragende boekhouding, een praktijk die al bestaat bij Sensorica. Het systeem bestaat erin dat elke commoner bijdragen kan leveren, ingelogd naargelang een projectnummer, en ‘karmapunten’ krijgt na een peer-evaluatie. Als er inkomsten worden gegenereerd, dan vloeien die naargelang de gewogen bijdragen, zodat elke commoner op een eerlijke manier wordt vergoed. Bijdragende boekhouding of andere gelijkaardige oplossingen zijn belangrijk om te vermijden dat enkel een beperkt aantal bijdragers die dichter bij de markt staan zich alle waarde die door een veel grotere gemeenschap werd gecreëerd, zouden toe-eigenen. Open boekhouding verzekert een transparante (her)verdeling van de waarde voor alle deelnemers.

Gij zult meer informatie (in het Engels vinden hier

4. Gij zult een eerlijke verdeling van gemeenschappelijk gecreëerde waarde verzekeren via CopyFair Licenties

De copyleft licenties laten iedereen toe om de noodzakelijke kenniscommons te hergebruiken, op voorwaarde dat elke verandering en elke verbetering aan dezelfde commons wordt toegevoegd. Dat is een groot voordeel, maar we mogen daarbij de noodzaak tot eerlijkheid niet uit het oog verliezen. Wanneer we overgaan tot fysieke productie die middelen vergt voor gebouwen, grondstoffen en lonen, zien we dat een dergelijke licentie de onbeperkte commerciële exploitatie van de commons door extractieve modellen in de hand werkt. We moeten dus verzekeren dat het delen van kennis behouden blijft, maar wederkerigheid vragen voor de commerciële exploitatie van de commons zodat er een gelijk speelveld ontstaat voor de economisch ethische spelers die de sociale en ecologische kosten internaliseren. Dit wordt bewerkstelligd door copyfair licenties die wederkerigheid vragen in ruil voor het recht op commercialisering, met behoud van het volledig delen van de kennis.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie vinden hier

5. Gij zult solidariteit bedrijven en de levens- en werkrisico’s verminderen via commonfare-praktijken

Aangezien een van de grote gevolgen van de financiële en neoliberale globalisering de geleidelijke verzwakking van de macht van nationale staten is, bestaat er vandaag een sterke en geïntegreerde poging om de solidariteitsmechanismen, ingebed in het model van de welvaartsstaten, terug te schroeven. Zolang we de macht niet hebben om het tij te doen keren, is het noodzakelijk dat we substantiële gedistribueerde solidariteitsmechanismen heropbouwen, een praktijk die we “commonvaart” (versus welvaart) kunnen noemen. Voorbeelden als het Broodfonds (Nederland), Friendsurance (Duitsland) en de “health sharing ministries” (U.S.), of coöperatieve entiteiten zoals Coopaname in Frankrijk laten nieuwe vormen van gedistribueerde solidariteit zien die kunnen worden ontwikkeld om ons te beschermen tegen levens- en werkrisico’s

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

Duurzaam

6. Gij zult open en duurzame ontwerpen gebruiken voor een open source circulaire economie

Productieve open gemeenschappen verzekeren maximale participatie via modulariteit en granulariteit. Omdat ze opereren in een context van gedeelde en overvloedige middelen, is de praktijk van geplande slijtage -die geen fout is maar een kenmerk van winstmaximaliserende bedrijven- volledig vreemd aan hen. Ethische ondernemersentiteiten zullen daarom deze open en duurzame modellen gebruiken en duurzame goederen en diensten produceren.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

7. Gij zult verder gaan dan uitsluitend te steunen op onvolkomen prijssignalen van de markt en overgaan tot wederzijdse coördinatie van de productie via open aanvoerketens en open boekhouding.

Wat besluitvorming is voor planning en het prijsmechanisme voor de markt, is wederzijdse coördinatie voor de commons.

We zullen nooit komen tot een duurzame ‘circulaire economie’ waarbij de output van het ene productieproces gebruikt wordt als de input voor een ander, als we gesloten aanvoerketens gebruiken en als elke samenwerking onderworpen is aan pijnlijke onderhandelingen in een weinig transparante omgeving. Maar ondernemingscoalities die reeds onderling afhankelijk zijn door hun bijdragen aan collaboratieve commons kunnen ecosystemen van samenwerking creëren aan de hand van open aanvoerketens waarin de productieprocessen transparant worden en waarbij elke participant zijn gedrag kan aanpassen gebaseerd op de beschikbare kennis binnen het netwerk. Overproductie doet zich niet voor wanneer de werkelijke productie van het netwerk algemene kennis wordt.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

8. Gij zult cosmo-lokalisering bedrijven

Als het licht is, is het globaal, als het zwaar is, is het lokaal: dit is het nieuwe principe van commons gebaseerde peer-productie, waarbij kennis wereldwijd wordt gedeeld maar de productie kan plaatsvinden op basis van de vraag en gebaseerd op werkelijke noden via een netwerk van gedistribueerde co-working ateliers en microfabrieken. Sommige studies hebben aangetoond dat tot tweederden van de grondstoffen en energie niet naar de productie gaan, maar naar transport. Dit is duidelijk onhoudbaar. Een terugkeer naar plaatselijke productie via herlocalisering is een voorwaarde sine qua non voor de overgang naar duurzame productie.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier
http://p2pfoundation.net/Category:Sustainable_Manufacturing

9. Gij zult fysieke infrastructuur wederzijds delen

Platformcoöperatieven, datacoöperatieven en fairshare-vormen van gedistribueerde eigendom kunnen worden aangewend om samen de productie-infrastructuur te bezitten.

De zogenaamde deeleconomie van Airbnb en Uber is verkeerd genoemd, maar toont niettemin het potentieel aan van middelen die anders niet zouden worden gebruikt. Co-working, skill-sharing, ride-sharing zijn voorbeelden van de vele manieren waarop we middelen kunnen delen en hergebruiken om de thermodynamische efficiëntie van onze consumptie dramatisch te verhogen.

In de juiste context van co-eigendom en co-governance, kan een echte deeleconomie gigantische voordelen opleveren op het vlak van een verminderd gebruik van hulpbronnen. Onze productiemiddelen, inclusief machines, kunnen wederzijds gedeeld worden, in eigen eigendom, door al degenen die de waarde creëren.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

10. Gij zult generatief kapitaal mutualiseren

Generatieve kapitaalvormen kunnen niet steunen op een extractief geldaanbod dat gebaseerd is op samengestelde interest verschuldigd aan extractieve banken. We moeten af van de 38% rente die in alle goederen en diensten vervat is en ons geldsysteem veranderen, en het gebruik van wederzijdse kredietsystemen substantieel verhogen.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

Vertaling Jean Lievens

Alles suggesties voor verbeteringen aan de vertaling welkom op [email protected]

Over (Un)usual Business

(Un)usual Business is een enthousiaste groep commoners, opgericht door Casco – Office for Art, Design and Theory in samenwerking met Kritische Studenten Utrecht.

Wij zijn georganiseerd als een collectief. Dat betekent dat we functioneren zonder hiërarchie en beslissingen nemen op basis van consensus. We doen onderzoek naar de commons, in nauwe samenwerking met mensen die onze waarden delen en groepen die deze in de praktijk brengen. Door ook zelf als een commons te functioneren, met kennis als ons hulpmiddel, is onze praktijk tegelijk een vorm van zelf-educatie.

Een belangrijk onderdeel van onze activiteiten is een visueel experiment, in de vorm van een website, om bestaande praktijken van commoning in kaart te brengen. Daarnaast organiseren we evenementen en publiceren we ons collectieve onderzoek zowel online als op papier, om onze gemeenschap te versterken en dialoog aan te moedigen.

Visie

We streven ernaar om democratische controle te nemen over de gemeenschappelijke middelen om ons in onze dagelijkse behoeftes te voorzien en te veranderen hoe we ons tot elkaar verhouden. We zetten ons in voor een wereld waarin economische en sociale relaties zijn gebaseerd op zelforganisatie, zorgzaamheid, solidariteit en duurzaamheid.

Missie

We werken vanuit de overtuiging dat lokale, alternatieve economische praktijken mogelijkheden bieden om sociale verandering teweeg te brengen. Door fysieke en virtuele ontmoetings-ruimtes te faciliteren, hopen wij te leren van onze mede-commoners. Zo produceren, verzamelen en delen we kennis kennis over hoe we elkaar kunnen ondersteunen en gemeenschappen kunnen opbouwen gebaseerd op de commons.

URL: http://www.unusualbusiness.nl

e-mail: [email protected]

‘Josaphat mag niet aan de privé verpatst worden’

Fragment artikel ut Brussel Nieuws 16/09/2015
Anno 2015 wil de Brusselse regering een nieuwe stadswijk op de oude spoorsite van Josaphat. Het kocht die tien jaar geleden van de Belgische spoorwegen, met de bedoeling om er een nieuwe (Europese) wijk uit de grond te stampen.

Jospahat Commons wil mee in de cockpit zitten. Ze zet hiervoor het ‘commons’ -idee in. Daarbij staat de gemeenschap voorop.

De Josaphat-site is van iedereen, dus moet de gemeenschap ook betrokken worden bij de woningproductie. “Het is een andere manier van governance. We stellen voor dat de Maatschappij voor Vastgoedverwerving (het vehikel van de Brusselse regering dat nu eigenaar is, SVG), de gronden overdraagt aan een stichting waarin de overheid, de gebruikers en de gemeenschap gelijk in participeren. We willen geen tegenvoorstel formuleren, maar het terrein is publiek goed en mag niet zomaar, via een verkaveling, in handen van de privé terechtkomen,” zegt An Descheemaeker van Josaphat Commons.

Van de website:
“Commons Josaphat is een autonoom platform zonder politieke banden. Het verenigt bewoners, militanten en verenigingen. Wat ons bindt is het idee dat onze stad bestuurd kan worden als een commons, een gemeengoed. Binnen onze groep vermeiden we zo veel mogelijk hiërarchische verhoudingen. Iedereen draagt bij wat hij of zij kan, vanuit haar eigen kennis, bekwaamheid en goesting.

De acties en projecten worden gedragen door werkgroepen en door een algemene vergadering waar alle vorderingen worden samen gelegd en waar de strategische beslissingen worden genomen. De acties kunnen alle kanten uit: het tijdelijk gebruik van de site, een ideeënoproep, een maquette, allerlei ateliers. Commons Josaphat heeft ook deelgenomen aan de projectoproep “Duurzame wijken” van Leefmilieu Brussel.

We willen samen, voor juni 2014, een alternatief lastenboek voor de ontwikkeling van deze buurt uitwerken, en zelf al een eerste ontwerp voorstellen, een ontwerp dat toont hoe wij ons de buurt verbeelden, door de commons her uit te vinden.

HET JOSAPHAT TERREIN

Een terrein in Schaarbeek, Josaphat genaamd, ligt vandaag volledig braak. Deze vastgoedreserve, 32 voetbalvelden groot, is eigendom van het Brussels Gewest, dat er een groot stadproject op wil realiseren. Zo’n buurt, in zo’n context, dan ligt speculatie op de loer. De groep Commons Josaphat wil een project uitdenken voor dit terrein dat geïnspireerd is door het idee van de Commons.

En dat wil zeggen ? Een paar politici en een handvol experts, hoe deskundig ze ook mogen zijn, kunnen nooit voldoende inzicht hebben om alleen te beslissen over de toekomst van 24 ha.

We wensen dat alle burgers die iets met het terrein te maken hebben mee kunnen beslissen: zij die in de buurt wonen, zij die er later zullen wonen, zij die er hun hond zullen uitlaten, zij die er zullen werken of er op uitkijken vanop het balkon.

We willen aan de overheid een voorstel doen voor de weg naar een invulling van het terrein. Daarvoor willen we beslissingsmacht geven aan een assemblee waarin iedereen die belang heeft bij de toekomst van Josaphat vertegenwoordigd is. Zo willen we het recht op de stad opeisen en bijdragen aan de cultuur van de commons in Brussel.

Om dat te bereiken hebben wij beslist dat we samen zullen nadenken over een stad waar alles wordt beheerd als een gemeenschappelijk goed: de aarde, het water, de biodiversiteit, de economie, de openbare ruimte, het sociale, de mobiliteit, de woningen, de opvoeding, de cultuur, en zo voort. Voor de verkiezingen zullen we hier geen akkoord over bekomen. Maar we kunnen er wel voor zorgen dat er, in de pre-electorale periode, over gedebatteerd wordt, en dat is al niet niets.

Vervoeg Commons Josaphat om na te denken, te dromen, te debatteren, te bezetten, om actief ons recht op de stad uit te oefenen, ons recht om te denken, om de wereld her uit te vinden!

Zodat morgen iedereen er toegang toe heeft!”

No such thing as Big Society: De meent, het gemene en communalisme

(foto: Elinor Ostrom)

Door en met dank aan Aetzel Griffioen (originele tekst)

De afgelopen jaren is er razend veel geschreven over en geëxperimenteerd met de concepten the commons en the common. Sinds de publicatie van het boek Empire van Michael Hardt en Antonio Negri in 2000 hebben beide concepten sterk aan populariteit gewonnen. Het concept commons – meent in het Nederlands – biedt mogelijkheden om voorbij de klassieke tweedeling publiek-privaat te denken en te handelen. Het geeft tevens aanleiding om nieuwe sociale, ecologische, financiële en politieke samenwerkingsvormen te beginnen.

De termen the common en commons – respectievelijk het gemene en de meent – beschrijven een nieuwe productiewijze van zowel goederen als financiële winst. De begrippen lijken ook in Nederland goed toepasbaar, ook al worden ze vooralsnog vooral gebruikt in een academische en Engelstalige context. Om het internationale politieke discours rondom de commons ook voor burgers en beleidsmakers relevant en inzetbaar te maken, moeten we het vertalen naar termen die beter passen in de Nederlandstalige context. De meent herinnert ons immers nog slechts aan straten, parken of publieke voorzieningen met die naam.

In dit artikel wil ik de begrippen commons en the common nader verklaren en naar mogelijkheden voor een Nederlandstalige context zoeken. Ik ga daarom eerst in op de oorsprong van de commons en het internationale discours eromheen. Daarna besteed ik aandacht aan het Engelse bezuinigingsprogramma Big Society. Dit geeft een conservatieve en marktgerichte invulling van het begrip gemeenschappelijkheid en wordt in Nederland met fascinatie gevolgd door bestuurders als ministers Donner en Spies. Daarom gebruik ik de Big Society als contrast voor een radicaal linkse beweging rondom de nieuwe meentes en het gemene. Ten slotte zal ik een aanzet geven tot een beschrijving van wat nieuwe meentes zouden kunnen zijn en hoe deze zouden kunnen functioneren.

De commons voorheen

Wat is het gemene precies? Een antwoord op die vraag begint bij de geschiedenis van de zogenaamde Britse commons. Commons waren geografisch en sociaal streng gedefinieerde stukken grond die door boerengemeenschappen gezamelijk gebruikt werden (1). Naast privaat en publiek bezit vormden ze een derde soort eigendom, gebaseerd op het gezamelijk beheer en onderhoud door de gemeenschap. Die kon er vee laten grazen en gewassen op telen die niet buiten de eigen grenzen verhandeld mochten worden. Deze non-commerciële gebieden dienden ter ondersteuning van de meentenaren en waren van belang voor het zelfonderhoud van hun gemeenschap.

In Het Kapitaal beschrijft Karl Marx hoe deze gebieden vanaf de vijftiende eeuw werden ingesloten (enclosed) en ingelijfd door private of publieke grondgebieden. Deze enclosures moesten te vuur en te zwaard worden veroverd, want de boeren gingen niet zonder slag of stoot akkoord met deze gedwongen herverdeling. De boeren werden aldus van hun land verdreven en moesten het daarna gaan pachten. Omdat velen dat niet konden betalen, moesten zij in loondienst gaan werken bij andere boeren of in fabrieken. Op deze manier waren de enclosures een belangrijke voorwaarde voor het vrijkomen van arbeidskracht én de noodzaak geld te verdienen. Marx duidt de enclosures daarom aan als één van de begindaden van het kapitalisme:

‘De roof van kerkgoederen, de frauduleuze verkoop van staatsdomeinen, de diefstal van de gemeenschappelijke gronden, de wederrechtelijke en met een genadeloos terrorisme voltrokken verandering van feodaal eigendom en clanbezittingen in modern privé-eigendom – dit waren evenzoveel idyllische methoden van de oorspronkelijke accumulatie.’ (2)

Marx noemt de methoden cynisch ‘idyllisch’, omdat de algemeen heersende opvatting was – en misschien nog steeds is – dat de rijken rijk zijn geworden door vanaf het begin der dagen zuinig te leven, te sparen en te investeren. Maar, zoals duidelijk moge zijn: ‘in feite zijn de methoden van de oorspronkelijke accumulatie allesbehalve idyllisch.’ (3)

Hoewel de Engelse commons ruw beëindigd werden, was het leven vóór de enclosures ook geen makkie. De groeiende belangstelling voor wat de meent en het gemene heden ten dage zouden kunnen betekenen, vat ik dan ook niet op als een uitnodiging om terug te vallen op droombeelden van een heerlijk verleden. Het gaat erom dat de commons en de meentes een derde vorm van eigendom waren die hoegenaamd niet meer bestaat.

In Nederland en Vlaanderen bestonden er vele soorten commons: meentes, markes en brinken. Deze zijn echter niet gewapenderhand herverdeeld. Hun opheffing heeft wel te maken met het versnellen van de accumulatie van kapitaal, zoals bij de Engelse commons ook het geval was. De historica Tine de Moor stelt dan ook: ‘Dat instituties zoals markegenootschappen vandaag de dag zo goed als geheel uit het Nederlandse landschap en het collectieve geheugen verdwenen zijn, is een gevolg van de liberaliseringsgolf’ die is begonnen in de achttiende eeuw.4 Nu die liberalisering aan het begin van de eenentwintigste eeuw opnieuw inzet is geworden van politieke en sociale strijd, kunnen we deze collectieve manieren van handelen en denken met nieuwe ogen bekijken.

Hoe verhoudt de meent zich tot publiek en privaat bezit? Publiek bezit is het bezit van de staat die zich ontfermt over het algemeen belang. Maar omdat niet alle inwoners ook ambtenaren zijn, besteden burgers feitelijk via de staat een deel van de zorg voor het publieke eigendom uit in plaats van dat ze er zelf voor zorgen. Privaat bezit is datgene waaruit individuen en rechtspersonen voor zichzelf zoveel mogelijk voordeel mogen putten, meestal door het aan te wenden voor economische productie of voor de noodzaken en geneugten van het huishouden. Gemeenschappelijk bezit houdt op verschillende schalen het algemeen belang in de gaten – zoals dat van een buurt, een gemeenschap of de gehele mensheid – terwijl het toch wordt aangewend voor productie. Deze productie geschiedt echter zonder winstoogmerk en wordt door alle leden van een meent gezamenlijk ondernomen. Het beheer, de vruchten en de lasten ervan vloeien terug in de meent.

De commons vandaag

Het discursieve veld van de commons is breed. Niet alleen Marx heeft erover geschreven. Er zijn grof gezegd vier stromingen die zich bezighouden met commons. De eerste stroming draait rond het idee van de meent als tragedie, zoals verwoord in Garret Hardins beroemde tekst A tragedy of the commons uit 1968. De bioloog Hardin gaat ervan uit dat meentes nooit lang kunnen bestaan. De individuen die de meentes bestieren zijn namelijk egoïstisch en dus zullen zij de grondstoffen altijd overvragen. Hardins tekst heeft het heersende geloof in privaat eigendom als hoeksteen van de economie dan ook versterkt.

Als reactie hierop onderzoekt een tweede stroming van zogenaamde neohardianen sinds de jaren tachtig onder welke voorwaarden meentes wél duurzaam beheerd kunnen worden. De neohardinianen zien de problemen rondom meentes en de globale commons voornamelijk als een zaak van het juiste management. Deze blik komt voort uit Hardins theoretisch raamwerk dat vooral draait om schaarste. De neohardinianen zijn het niet met Hardin eens dat meentes een onverstandige vorm van beheer zijn. Voor hen is het juist de vraag onder welke voorwaarden bossen, visgronden, graaslanden en bijvoorbeeld schone lucht wel als een commons beheerd kunnen worden. Uitgaande van het werk van Elinor Ostrom, in 2009 de gedeelde winnaar van de Nobelprijs voor Economie, werken zij met een set endogene variabelen die moeten uitwijzen of een commons in zijn voortbestaan bedreigd wordt of niet.

Deze stroming heeft veel aanhangers bij grote instituten als de Wereldbank en de Verenigde Naties die aan de aanpak van de neohardianen weer een andere draai geven. George Caffentzis ziet daarin een gevaar:

‘Toen midden jaren negentig de NAFTA en WTO akkoorden in werking traden, met hun neoliberale vooroordelen ten gunste van vervreemdbaar privé-eigendom van land, was de “There is no alternative”-Wereldbank voorzichtig bezig met een “Plan B”; met een politiek om op terug te vallen wanneer de spanningen ten gevolge van de privatisering van grond te machtig en gevaarlijk zouden worden. Hoofdbestanddeel van dit alternatief is het accepteren van land- of bos-commons als tussenoplossing.’ (5)

Het idee van de meent als een beleidsmiddel om de uitwerking van neoliberale politiek te verzachten is tevens onderdeel van het Britse Big Society project. Dit is de derde stroming waarin commons een belangrijke rol spelen.

De meeste neohardinianen zijn tegen het neoliberale marktdenken. Maar doordat zij meentes vooral van binnenuit bekijken, hebben ze maar weinig aandacht voor de ideologie van de vrije markt die meentes liever zou vervangen voor privé-eigendom. Ze beoordelen op puur pragmatische gronden hoe een grondstof het beste beheerd kan worden en laten economische en politieke vergezichten grotendeels over aan anderen. Deze bijziende blik leidt er uiteindelijk toe dat het beleid dat onder hun auspiciën wordt geschreven ten gunste van de commons óók gezien kan worden als een manier om een bevolking richting neoliberaal kapitalisme te dwingen. Een veel zachtaardiger manier, in vergelijking met de Structural Adjustment Programs van het Internationaal Monetair Fonds, maar in wezen niet veel anders.

Voor de neohardianen zijn gemene gronden ruimtelijk en juridisch bepaalde ruimtes waarin gejaagd, gevist en grondstoffen gewonnen kunnen worden.6 Zij benadrukken het reguleren van de exploitatie vanuit de vooronderstelling dat de te beheren grondstoffen schaars zijn. De betekenis van het woord commons is echter langzaamaan verschoven. Naast territoriaal bepaalde commons zijn global commons zoals lucht, water en biodiversiteit een belangrijke rol gaan spelen. Veel onderzoek richt zich juist op dat laatste. In tegenstelling tot bij een meent kan de toegang tot globale commons niet zomaar beperkt worden. De keerzijde daarvan is dat iedereen er last van zal hebben wanneer het slecht gaat met global commons.

Het gemene

Sinds 2000 hebben ook Italiaanse autonome marxisten zich in de discussie gemengd. Anders dan de neohardianen gaan de autonome marxisten niet uit van schaarste, maar van overvloed. De schaarste waarop economische wetmatigheden zijn gebaseerd, is volgens hen een constructie die wordt gebruikt om delen van het gemene af te sluiten voor delen van het publiek. Volgens het autonome gedachtengoed is het gemene niet principieel schaars, maar het kan wel schaars worden gemaakt. Grondoppervlaktes zijn misschien wel schaars, maar dat geldt niet voor schone lucht, voor taal, muziek, ideeën en sociale innovatie. (7) Dat zijn namelijk allemaal zaken die voor iedereen toegankelijk kunnen zijn – en dat is de andere betekenis van gemeen.

Die toegankelijkheid kan echter teniet gedaan worden door de toe-eigening van dit soort commons door individuen of rechtspersonen die als doel hebben de toegang ertoe te kapitaliseren. Het gemene is dus een sociaal fenomeen, dat zo sterk is als de maatschappelijke verbanden zijn waarbinnen het ontstaat. (8) Hardt en Negri zeggen daarom dat economische productiviteit in feite sociale productie is die vervolgens geprivatiseerd is. Er is een muurtje omheen gezet (hij wordt ingekapseld of ‘enclosed’) en wie er toegang tot wil, moet betalen.

Onze rechtssystemen en economische structuren zijn opgericht met het idee dat individuen beter omgaan met schaarste dan collectieven; ze geven dus elk individu zoveel mogelijk kansen om de schaarse grondstoffen voor zichzelf te gebruiken. Volgens vrije markt-ideologen garandeert dit een optimale uitkomst voor iedereen, maar in feite bevorderen ze monopolisering in plaats van delen.

Financiële overvloed wordt belangrijker geacht dan een toename van sociale, mentale en fysieke gezondheid van het individu of de omgeving. In dit verband zie ik de opmerking van de geschiedkundige Tine de Moor dat wij het grotendeels verleerd zijn om collectief te handelen. (9) Niet alleen gaan er stemmen op om CAO’s uit te kleden en de waterschappen te ontmantelen, maar ook wordt onze vrije tijd ingekaderd, gemeten en ingeschat om direct productief gemaakt te worden en ons te bewegen tot bepaalde manieren van leven. De ervaringseconomie richt zich op de productie van subjectiviteit zelf – wanneer we met elkaar praten, discussieren, denken, internet gebruiken – en onttrekt daar waarde uit. Juist dat wat we gemeen hebben, wordt ingekapseld of productief gemaakt met het doel om winst te maken.

Het is belangrijk te beseffen dat vanwege deze ingebakken neiging naar privaat kapitaal het gemene constant bedreigd wordt. Dit beschouwen als puur een organisatiekwestie, iets dat opgelost kan worden door beter management, is niet realistisch. De verschuiving van het private naar het publieke is een zich zelf versterkende neiging. Telkens namelijk wanneer een stuk van het gemene wordt afgesloten voor een deel van het publiek, komt dat ten nadele van de veerkracht van de gemeenschap. Opties om eraan bij te dragen worden weggenomen en het schaarstemodel herstelt zichzelf als de norm.

De autonome marxisten tonen overtuigend aan dat het overgrote deel aan economische waardeproductie niet langer plaatsvindt in de fabriek of het laboratorium, maar in de hoofden van consumenten. De nadruk is verschoven van industriële productie naar dienstverlening en de zogenaamde ervaringseconomie. Bij het ontwikkelen van een product bepaalt een firma eerst wat de klanten willen, pas daarna pas begint het ontwerp- en productieproces. Hierdoor vindt de productie voor een steeds groter deel plaats in de leefwereld van mensen in plaats van in de fabriek. Taal en beeldtaal, zelfs onze manier van leven of lifestyle zijn bepalend geworden voor de productie. De Italiaanse filosoof Paolo Virno zegt daarover:

‘Wanneer de productiemiddelen niet te reduceren zijn tot machines, maar veeleer bestaan uit linguïstiek-cognitieve vaardigheden die onlosmakelijk verbonden zijn met levende arbeid, is het gerechtvaardigd om aan te nemen dat een belangrijk deel van de zogenaamde “productiemiddelen” bestaan uit antropotechnieken en communicatieve methoden’ (10).

En als productie consumptie-gestuurd is, dan werken we zelfs wanneer we iets liken. In een vraaggestuurde economie nemen eerst het aangeven van de vraag door de consument, dan het signaleren van de vraag door aggregatiemechanismen als de spaarkaarten van supermarkten en tankstations en vervolgens het afstemmen van alle verschillende partijen die ervoor nodig zijn om een product just-in-time aan te leveren een belangrijke plaats in het productieproces in. Deze drie stadia zijn alle communicatief van aard. Daarom zegt Virno dat de communicatieve eigenschappen van de menselijke soort zelf productiemiddelen zijn geworden.

Maar, zo zeggen de autonome marxisten, voordat taal, kennis, en grondstoffen kunnen worden verkocht, zijn het primair zaken die alle mensen samen delen. Het gemene gaat vooraf aan economische productie en dat is des te meer zo in onze tijd. Ze gaan in die stelling verder dan klassieke filosofen als Rousseau en Proudhon. Zij stellen namelijk dat het gemene – zowel de biologische, geologische, ecologische als communicatieve constantes van het leven op aarde – nooit helemaal op kan raken.

Communalisme

Deze schets van de condition posthumaine is niet zo koud als op het eerste gezicht lijkt. Het gemene – anders dan meentes – kan namelijk niet opraken of vernietigd worden zonder dat een economie of een ecosysteem daaraan ten onder gaat. Het staat immers aan de basis ervan. Daarom kan het ook leidend zijn voor een politieke oriëntatie die voorbij wil aan de tegenstellingen tussen overheid en individu of staat en markt. Het is een mogelijk uitgangspunt voor politiek dat, anders dat het nivelleren van de verschillen zodat elk individu zijn geluk kan zoeken op de markt, uitgaat van het feit dat zowel de hoogtepunten als de dieptepunten van onze samenleving door ons allen en samen tot stand zijn gebracht. Niet alleen de winst, maar ook de milieuvervuiling en de armoede – dat is de gemene zaak. Ertoe besluiten om die aan te pakken, dat is de stap van ontologie naar politiek. Het gemene is dat wat we al delen en wat we nog kunnen gaan delen als we het reeds gedeelde als uitgangspunt nemen voor ons handelen. En als het gemene onze politieke blik moet leiden, zullen we moeten leren hoe we lokale meentes op kunnen richten die de toenemende neiging tot privatisering en tot de financialisering van het leven het hoofd kunnen bieden. Er moeten manieren gevonden worden die de economische waardecreatie op zijn kop zetten. In plaats van dat gedeelde sociale relaties worden omheind en in een markt worden omgezet, moeten markten in meentes veranderd worden en moeten die meentes vervolgens ingezet worden om nieuwe meentes te beginnen. (11)

De Vlaamse socioloog Rudi Laermans noemt deze herwaardering in een parafrasering van Hardt en Negri communalisme. (12) Gezien de privatiseringen van de afgelopen decennia ziet hij in deze nieuwe oriëntatie ook een nieuwe rol voor de overheid. Volgens hem moeten burgers en vooraanstaande intellectuelen zich een communalistische aanmeten. Zij moeten aangeven dat zij verwachten van de overheid dat die zich meer voor de gemeenschappelijke zaak zal inzetten. In het huidige klimaat ligt het inrichten van meentes immers verder weg dan meer privatisering, zoals we ook in de volgende sectie zullen zien. Collectieve belangen moeten een derde plaats toebedeeld gaan krijgen naast publieke en private. Voor Laermans gaat het dus om een omslag in het huidige politieke discours ten gunste van collectieven. Daarbij wijst hij niet alleen op de positieve kanten van het communalisme, maar ook op mogelijke gevaren voor de verspreiding ervan. Eén mogelijk gevaar ligt in de aantrekkingskracht van de retoriek van gemeenschappelijkheid voor projecten die in feite gemeenschappen niet versterken.

Zo kijken onze eigen politici al een jaar of twee naar de denktank ResPublica die onder de Engelse premier David Cameron het programma Big Society opnieuw op de kaart heeft gezet onder de noemer communitarisme. Big Society deelt veel van het jargon van het autonome denken over de commons. Maar wat ResPublica onder gemeenschap verstaat, is niet hetzelfde als voor de autonomen. Gemeenschapszin kan op zo’n manier ingezet worden dat de gemeenschap er bar weinig aan overhoudt. Preciezer gezegd: met een appèl aan de gemeenschapszin proberen overheden momenteel hun publieke taken uit te besteden aan hun burgers. Om dat te illustreren een excurs naar het Derdewegdenken uit het Verenigd Koninkrijk en naar Rio de Janeiro.

De overheid als outsourcer

Met Big Society probeert de Britse overheid de kosten van het onderhoud van zichzelf en de publieke ruimte over te dragen op de eigen gemeenschappen én daaraan te verdienen. Het is een soort outsourcing, waarbij ditmaal niet het bedrijfsleven de kosten van milieuschade en sociale ongelijkheid externaliseert, maar de overheid dat doet.13 De meent is een cruciaal begrip in het framen van deze externalisering. Samen met Phillip Blond van de ResPublica denktank heeft de Britse premier Cameron sinds enkele jaren de mond vol van de commons. Dat mag geen verassing heten. De commons is een concept dat de Engelsen immers vertrouwd is. Om die reden introduceert ResPublica hun ideeën ‘ter kapitalisering van de armen’ als volgt:

‘Een asset is … een potentiele bron van toekomstig inkomen. … Alle gemeenschappen bezitten een serie assets, waaronder de tijd, kennis en het toekomstige potentieel van degenen die erin leven. Echter, volgens deze definitie is het enige daadwerkelijke asset dat de groeiende klasse van uitkeringstrekkers in Groot Brittanië bezit, de zekerheid van een uitkering. … [Deze] belofte is een asset zonder enige langetermijnvoordelen in de zin van rijkdom, empowerment, psychologisch welbevinden, het optimisme of de sociale status die allemaal voortkomen uit daadwerkelijk bezit. … De overheid … moet een manier vinden om gemeenschappen opnieuw onafhankelijkheid en zelfvoorzienendheid te verlenen.’ (14)

Werklozen worden hier neergezet als de ‘steuntrekkende klasse’ die passief het geld van de overheid opzuigt. Onder Cameron zal dat allemaal veranderen, want ‘mensen, ook met lage inkomens, moeten in staat worden om een direct financieel belang te verwerven in de lokale assets in hun gemeenschap.’15 Dit is de ronkende basis van het nieuwe Britse elan – de keiharde ontkenning van de gemene productiviteit, zogenaamd ten gunste van de gemeenschap. Het klinkt fantastisch, maar het is Margaret Thatcher in het kwadraat. Cameron heeft geleerd van dertig jaar linkse kritiek. Het ‘Community Right to Buy’ pareert namelijk het antwoord van de prominente marxist David Harvey op de econoom Hernando de Soto, die in de voetsporen van Hardin beweert dat de beste oplossing voor de armoede in de sloppenwijken van Rio de Janeiro is om de landrechten op individuele basis aan de armen te geven.

Harvey heeft laten zien dat De Soto hiermee Thatchers agenda theoretisch inkadert. Onder haar regime werd in de jaren tachtig het ‘Right to Buy’ ingevoerd, waardoor ook armere bewoners hun huurwoningen konden kopen. Het resultaat daarvan is echter niet geweest dat veel meer mensen dan voorheen goedkoop een huis kunnen krijgen, maar juist dat ‘mensen met lage inkomens of zelfs uit de middenklassen’ helemaal geen toegang meer hebben tot ‘woningen die enigszins in de buurt liggen van het centrum [van Londen].16 Het kooprecht van huurwoningen hield namelijk niet op bij de huurders zelf. Als zij eenmaal hun woning hadden gekocht, stonden zij die op hun beurt vaak weer af aan de bank of aan commerciële investeerders. Doordat de oud-huurders hun woningen doorverkochten, gingen uiteindelijk betaalbare woningen voor de gemeenschap verloren.

En wat in Londen gebeurde na Tatcher, gebeurde evengoed in de sloppenwijken van Rio na de implementatie van De Soto’s voorstel: ‘de armen, geplaagd door inkomensonzekerheid en financiële problemen, [konden] makkelijk overgehaald worden om hun [nieuw verworven] assets te verhandelen voor een relatief laag geldbedrag’, waarna de ontwikkelaars er met de prijs vandoor gingen. (17)
Tegenstanders van Big Society kunnen deze kritiek echter niet langer zomaar gebruiken. Immers, het kooprecht onder Thatcher was voor individuele gezinnen. Nu is het een kooprecht van de gemeenschap.

Wat heeft Big Society nu echt te maken met de commons? De auteurs van het bovengeciteerde stuk van ResPublica willen hun lezers laten geloven dat Big Society linea recta afstamt van een lange traditie gericht is op ‘bezit van assets door arme gemeenschappen.’ Big Society staat volgens hen in de nobele lijn van de ‘revoltes tegen enclosures vanaf de vijftiende eeuw; de experimenten van de Levellers en de Diggers in de zeventiende eeuw, het radicalisme van eind achtiende eeuw; de eerste coöperaties van de negentiende eeuw; … [en de] experimenten met gemeenschapsbedrijven in Zuid Wales en elders tijdens de depressie van de jaren dertig.’18 Het is, met andere woorden, een programma dat links zou moeten omarmen.

En gezien de enorme bezuinigingen en de vele ontslagrondes die de Britse publieke sector de afgelopen twee jaar heeft gekend, is het waar dat het oprichten van een Community Trust onder het ‘Community Right to Buy’ in een wijk tot een grotere mate van bescherming tegen de vrije markt zou kunnen leiden. Voorzieningen voor voedselproductie, onderwijs en ziekenzorg, in het bezit van de gemeenschap – het is allemaal mogelijk. Sterker nog, in Groot-Brittannië gebeurt het al meer dan 25 jaar.

Maar er is één Big Difference. Geen van de aangehaalde voorbeelden heeft ooit zijn eigendom voor een fractie onder de marktprijs moeten kopen van de overheid; de eerder genoemde gemeenschappen hadden hun commons zelf gebouwd of toegeëigend. De angel van dit nieuwe Thatcherisme van Cameron zit hem in het feit dat gemeenschappelijk beheer ook mogelijk zou zijn zónder de ‘assets’ aan te kopen. Eigendom is namelijk niet langer een voorwaarde voor het creëren van sociale productie.

De Nieuwe Gemeenschappen waarvan het programma rept, kunnen een hogere mate van zelfvoorziening genereren, maar dat kan alleen als de schuldenval of debt push down – de angstvallig vermeden premisse van Big Society – aan de kaak gesteld wordt. Deze debt push down houdt in dat een lopend tekort van de overheid via de gemeenschappelijke aankoop van bijvoorbeeld een huizenblok wordt overgeheveld naar van de leden van de gemeenschap. De gemeenschap koopt het blok aan en gaat daartoe een hypotheek aan die wordt verdeeld onder de leden. De overheid heeft haar eigen tekort zo naar beneden geduwd.

Het Big Society programma is precies waar Caffentzis voor waarschuwt: een soort commons die geen soelaas biedt, maar juist neoliberaal, marktgericht beleid via de achterdeur binnenlaat. De corporatieve democratie verandert onder dit soort programma’s in een corporate democratie waar burgers (nooit de inwoners of zelfs maar de werkhebbenden) samen met marktpartijen mogen stemmen.

Zo is Big Society ook een volgende stap in de evolutie van wat Michel Foucault gouvernementaliteit noemt: de kunde van de staat om de verlangens van de bevolking zo te beïnvloeden dat haar productiviteit vergroot wordt. (19) En doordat de overheid haar assets vaak afstaat ten gunste van private ontwikkelingen, lijkt het er inmiddels op dat de markt de belangrijkste aanwender van deze biomacht is geworden. Zo wordt het gemeenschappelijke belang niet langer door de staat gewaarborgd. Het een zaak van particulier initiatief geworden, hoewel het minstens zo belangrijk is als het publieke en private belang. Precies daarom moet het door de overheid behartigd gaan worden – wat sneller zal gaan als burgers daarom vragen. In de woorden van Laermans: tegen de bestuurslogica die voornamelijk denkt in allianties met de private sector moet een countergouvernementaliteit ontworpen worden met een communalistische agenda.

BewonersBedrijven

Als tactische optie voor buurtinitiatieven is het oprichten van een community trust geen slecht idee, mits er een oplossing gevonden kan worden voor de bovengenoemde schuldenval. Als een project op de lange termijn realiseerbaar lijkt, is er geen reden om een gemeenschappelijk aangekocht en onderhouden project niet door te laten gaan. Maar als initiatief van de Britse overheid dient het duidelijk om de staatsschuld te lenigen, publieke uitgaven te verminderen en onmiddellijke solvabiliteit te creëren door schulden van de staat naar gemeenschappen over te hevelen. Dit is geen programma dat de armen zal helpen, maar een bezuinigingsprogramma dat geadverteerd wordt met een stevige dosis gemeenschapszin. Zo is dit appèl aan het gemeenschappelijke werkelijk gemeen. Immers, niet alleen de staatsschuld, maar ook overtrokken hypotheken dragen bij aan een instabiele economie.

Reden genoeg dus om aan de bel te trekken. Nederlandse politici en beleidsmakers in de nationale overheid, adviesorganen en in de directies van de grotere woningbouwcorporaties willen ons eigen sociale huurstelsel afschaffen met een ‘Right to Buy’ programma dat regelrecht uit Groot- Brittannië lijkt te komen, maar dan met een vertraging van dertig jaar. Om economisch gezond te blijven, berekende een voormalig hoofd van een grote corporatie een jaar geleden, moet minstens de helft van alle corporatiewoningen verkocht worden. Ministers Donner en Spies staan niet alleen.

Vooralsnog zal het met zo’n programma niet zo’n vaart lopen in Nederland. Nederland heeft in vergelijking nog altijd een zeer goed functionerend sociaal huurstelsel, de regelgeving is sterk ontwikkeld en de drang van de lokale overheden om regie te blijven voeren is groot. Lopende projecten zoals de BewonersBedrijven van het Landelijk Steunpunt Aandachtswijken (LSA) zijn dan ook niet zozeer geïnspireerd op wat ResPublica schrijft over ‘capitalizing the poor’, maar meer op de al 25 jaar oude praktijk van de Community Trusts in Groot-Brittannië. Deze BewonersBedrijven die ‘tot doel [hebben] hun buurt economisch, fysiek en sociaal te helpen ontwikkelen’ zodat bewoners zich er zelf in herkennen, krijgen een aantal principes mee die burgerparticipatie naar een nieuw niveau zullen tillen. Bewonersbedrijven worden begonnen, bezeten en geleid door bewoners; laten inkomen terugvloeien in de wijk zonder dat private personen daar financieel voordeel van hebben; en zoeken de samenwerking met, maar niet de regie door, de overheid en andere partijen. Deze principes geven dus de nodige vrijheid ten opzichte van de (lokale) overheid. Hierdoor kan de kritische, arbeideristische invalshoek waaronder de begrippen meent en het gemene zijn ontwikkeld veel opleveren voor de verdere ontwikkeling van deze trusts in de polder.

Nieuwe meentes als revolving fund

Zo op het eerste gezicht staan het neohardiniaanse begrip van de commons en de autonoom marxistische opvatting van het gemene op gespannen voet. Schaarse grondstoffen die binnen een commons goed beheerd moeten worden staan tegenover sociale verbanden in overvloed waartoe de toegang juist moet worden vergroot. Waar de commons door Ostrom en andere neohardinianen voornamelijk zijn behandeld vanuit het oogpunt van management, kijken de autonome marxisten er op een andere manier naar: op het abstracte niveau van de productie is er volgens hen al sprake van verregaande gemeenschappelijkheid. Juist op dit vlak is er sprake van complementariteit: de neohardinianen weten hoe meentes georganiseerd moeten worden en zouden die kennis ook politiek in moeten zetten tegen het economisch en sociaal beleid dat is gericht op privatisering. Voor autonomen kan vervolgens die gemeenschappelijkheid aan de basis staan voor nieuwe vormen van collectieve organisatie.

Nu het kapitalisme overschaduwd wordt door ecologische problemen, wordt duidelijk dat de ontregelende effecten van de economische productie op de ecologische cycli niet langer buiten die economische productie gehouden kunnen worden. Daarom moeten we naar een economie van cyclische productieprocessen toe waarin externalisering (van bijvoorbeeld ecologische schade) niet langer mogelijk is. Dat houdt ten eerste alleen in dat we een cyclisch begrip van productie moeten ontwikkelen, dat bovendien integraal is en ook rekening houdt met mogelijke ontregelende effecten op persoonlijk en sociaal vlak. Deze cyclische economie moet gedragen worden door de principes van sociale rechtvaardigheid en economische democratie. Dat betekent niet ‘one dollar one vote’, maar kunnen stemmen over het aanwenden van de staatskas.

De meent en het gemene zijn concepten waaraan een economie van cyclische, want ecologische productie een organisatiemodel kan ontlenen. Anders dan bij winstmakende bedrijven – die lineair produceren omdat de winst die zij maken niet terugvloeit in het productieproces maar moet worden geherinvesteerd in de kapitaalaccumulatie –, zou een meent productie kunnen opvatten als een revolving fund.

Normaal richt een overheid een revolving fund in zonder dat burgers daar veel over te zeggen hebben. Zo’n fonds wordt meestal aangewend om investeringen te doen in bouwprojecten voor bijvoorbeeld stedelijke vernieuwing – of minder mooi: voor gedwongen gentrificatie. Het wordt aangevuld door de gebruikers van reeds gerealiseerde projecten te laten betalen voor hun gebruik. Als het eenmaal is ingesteld, houdt het pas op wanneer de overheid dat wil. Burgers zijn hun geld dus kwijt als ze het niet eens zijn met de reden waarvoor het revolving fund werd opgezet.

In een meent speelt dit probleem niet. Daar hebben alle deelnemers invloed op de activiteiten die erin ondernomen worden. De constructie van een meent als revolving fund draait de logica van een bedrijf om: in plaats van de productie van winst, wordt kapitaal de grondstof waarmee de meent andere zaken produceert.

Nieuwe meentes als revolving funds creëren de mogelijkheid om oude ideeën van eigendom en beheer op te rakelen en te vernieuwen. Die ideeën liggen diep in ons collectieve geheugen begraven omdat ze zijn verdrongen door de marktgeoriënteerde handelswijze die de globe heeft veroverd. Ze zijn echter niet helemaal verdwenen, omdat de liberale praktijk is ontstaan uit deze sterke collectiviteiten. Affectieve, informationele en zelfs goederengerichte productie vinden plaats vanuit ‘het gemene’. En de dragende kracht daarachter is de ‘multitude’. (20)

Dit laatste begrip is internationaal een wijdverbreid begrip geworden dat de collectiviteit die sowieso in alle productie aanwezig is, aangrijpt als politieke beweegreden voor de erkenning van die collectiviteit. Onder de vlag van de multitude zijn niet alleen ideeën als basisloon en de collectivisering van arbeid tot leven gekomen, maar ook die van een verbod op het patenteren van biologische informatie en van de copyfight: het open delen van informatie en kennis.

In Nederland is het gebruik van de multitude als politiek begrip nog niet goed van de grond gekomen. Het kan echter worden vertaalt als ‘menigte’, wat zijn etymologische wortels deelt met de ‘meent’.21 Dit biedt aanknopingspunten om instituten voor collectieve actie, zoals Tine de Moor nieuwe meentes noemt, op te vatten als praktijken waarin niet alleen endogene, maar ook exogene krachten een rol in spelen. Anders gezegd: meentes zijn niet alleen een kwestie van intern management, maar hebben ook een politieke oriëntatie.

In het huidige tijdsgewricht wordt collectiviteit gewantrouwd – groepen worden afgeschilderd als een massa of een meute – terwijl zelfs ons taalgebruik er ten diepste van is doordrenkt. Het gemene, zoals Sjoerd van Tuinen en ikzelf het begrip the common van Hardt en Negri hebben vertaald aan de hand van een kleine etymologie van de gemeenschappelijkheid, (22) duidt in laatste instantie op de praktijk van het delen als zodanig. (23) Want een nieuw begrip van de meent betekent vooral dat eigendom in collectieve praktijken ondergeschikt zal worden aan creatie, beheer en onderhoud van die praktijken.

Dit hoeft niet meer grondgebonden te zijn, al is meent, ‘the commons’, als historisch fenomeen dat natuurlijk wel. Het verband met de multitude of menigte maakt het nu echter mogelijk om nieuwe meentes in te richten als politiek project die niet per se grondgebonden zijn, maar handelen rondom verschillende vormen van ‘het gemene’.

De meent hoeft niet langer louter als een achterhaalde historische praktijk opgevat te worden, maar biedt via het gemene als een mogelijke manier van omgaan met elkaar, met ecologische cycli, met informatie en met cultuur die altijd doorgegeven moet worden. Want het gemene kan weliswaar niet opraken, het kan wel verdrongen worden. En als dat gebeurt, kan noch publiek noch privaat bezit het herstellen. Het gemene en nieuwe meentes zijn vooral een kwestie van werk en arbeid. Als we het over de meent hebben, moet dat niet langer slechts gaan over de oude, vergeten betekenis van systemen van schaarste in zelfbeheer, maar ook over de eigen creatie en het zelfbeheer van intellectuele, affectieve en sociale domeinen.

Conclusie

De meent is nog een vrij onbekend begrip. Door het op dit moment opnieuw naar boven te halen en te verbinden aan de internationale academische arbeid die er inmiddels over is verricht, wordt duidelijk dat de meent in direct verband staat met het Spinozistische begrip ‘menigte’ of ‘multitude’, zoals Hardt en Negri het gebruiken.

Deze menigte is een ontologisch concept waarmee zij het probleem van het toe-eigenen van de vruchten van de arbeid door overheid en private partijen aankaarten. Bij de productie van een goed, een idee of een dienst zijn altijd meer mensen en actoren betrokken dan diegenen die ervoor betaald krijgen – en helemaal meer dan diegenen die er uiteindelijk de winst van opstrijken. Als het de menigte is die produceert en de communicatieve eigenschappen van de mensheid een belangrijke factor zijn geworden in het economische proces, is het vreemd om als samenleving financiële winst tot hoogste goed te verklaren. Immers, winst komt niet de gemeenschappen, maar het individu ten goede. Als tegenmaatregel is een logica van bestuur, onderhoud en beheer nodig die deze gemeenschappelijkheid voorop stelt.

Communalisme is echter geen nieuwe verwoording van de hemel op aarde. De meent kan gemeen zijn. Als concept heeft de meent een ontologisch en een politiek element. Dat houdt in dat meentes niet zomaar ontstaan, maar dat zij keuzes vereisen, evenals ondersteuning. Dit is waar de neohardinianen tot nu toe tekort hebben geschoten. Zolang dat niet gebeurt, kan de ontologische verdeeldheid tegen zichzelf worden ingezet, vooral in tijden waarin de staat zich erbij neer lijkt te leggen dat haar taak vooral het bedrijfsmatige management van het publieke belang is en bedrijven en multinationals het alleenrecht hebben geclaimd om het private belang te behartigen.

De politieke claim van het gemene, zoals die door de autonome marxisten is geformuleerd, draait om de zoektocht naar mogelijkheden om kapitaalstromen in te kapselen en ze om te zetten in sociale productie: nieuwe meentes als revolving funds, of – met Dyer-Whiteford – als meentes die kapitaal gebruiken om nieuwe meentes in te richten. Dat zou een omkering zijn van de manier waarop kapitaal normaal vergroot wordt. Kapitaal eigent zich namelijk het gebruik van de gemene productie van de menigte toe, sluit er een deel van af, en heft er vervolgens tol of huur over. Dit veranderen betekent proberen te verhinderen private winst uit gemeenschappelijk werk geëxtraheerd wordt. Het is een ‘immaterial civil war’ die wordt genoodzaakt door de ‘dark side of the multitude’. (24)

Uitkijken naar het gemene is je wapenen tegen economische en sociale deprivatie. De oproep om een communalistische bestuurslogica te ontwerpen is er een tegen Big Government die met Thatcher eerst besloot dat ‘there is no such thing as society, only individual men and women and their families’ om nu aan de Big Society te vragen zijn immense schulden te lenigen. Dat moet niet gebeuren. Neoliberale bestuursstructuren moeten teruggenomen worden en worden omgezet in zelfbeheerstructuren. Want ‘wij zijn geen waren in de handen van bankiers en politici.’

(1) K. Marx, Het kapitaal. Kritiek van de politieke economie (Amsterdam 2010), 683.

(2) Ibid., 688.

(3) Ibid., 672.

(4) T. De Moor, Inspiratie uit ons institutionele geheugen. Instituties voor collectieve actie als structurele oplossingen voor sociale dilemma’s uit het verleden (Paper uitgedeeld tijdens minicongres Gemeengoed van De Helling op 27 april 2012 in De Nieuwe Jutter te Utrecht).

(5) G. Caffentzis, ‘A Tale of Two Conferences. Globalization, the Crisis of Neoliberalism and Questions of the Commons’
(2004). Te vinden op: http://www.commoner.org.uk/?p=96.

(6) J.W. van der Schans, Governance of marine resources. Conceptual Clarifications and Two Case Studies (Delft 2001), 393.

(7) P. Virno, A Grammar of the Multitude. For an Analysis of Contemporary Forms of Life (New York 2004), 35-37.

(8) M. Hardt en A. Negri, Empire (Cambridge 2000), 28.

(9) A. Griffioen en E. Meijers, ‘Ruimte aan collectiviteit. Interview met Tine de Moor’ in De Helling. kwartaalblad voor linkse politiek no. 1 (Lente 2012), 6-9. 1

(10) Virno, A Grammar of the Multitude, 61.

(11) N. Dyer-Whiteford, ‘The Circulation of the Common’. Paper gepresenteerd tijdens “Immaterial Labour, Multitudes and New Social Subjects: Class Composition in Cognitive Capitalism” 29 en 30 april 2006, King’s College, University of Cambridge, 4.

(12) R. Laermans, ‘The Promises of Commonalism’ in L. de Cauter et al (red.), Art and Activism in the Age of Globalization

(13) (Rotterdam 2011), 240-249.
Hardt en Negri, Empire, 302.

(14) S. Wyler en P. Blond, ‘To Buy, To Bid, To Build: Community Rights for an Asset Owning Democracy’, 3. Zie: http://www.respublica.org.uk/item/To-Buy-To-Bid-To-Build-Community-Rights-for-an-Asset-Owning-Democracy- cefm-cxvy-rark.

(15) Ibid., 9.

(16) D. Harvey, ‘The Right to the City’ in New Left Review no. 53 (2008), 36. Zie: http://newleftreview.org/II/53/david-harvey- the-right-to-the-city.

(17) Ibid.

(18) Wyler en Blond, ‘To Buy, To Bid, To Build’, 8.

(19) M. Foucault, Security, Territory, Population. Lectures At The College De France 1977–1978 (New York 2007), 42, 68-9.

(20) M. Hardt en T. Negri, Multitude: War and Democracy in the Age of Empire (Cambridge 2004).

(21) M. Philippa et al, Etymologisch woordenboek van het Nederlands. A – E. (Amsterdam 2005), 179-181; Ibid, Etymologisch woordenboek van het Nederlands. Ke-R. (Amsterdam 2007), 323-324.

(22) A. Griffioen en S. van Tuinen, ‘Biomacht en biopolitiek: de inbedding van Foucault in het autonoom marxisme’ in Krisis. Tijdschrift voor empirische filosofie jr. 29 (2009) no. 3, 68-85.

(23) ‘Meent’ en ‘menigte’ delen het Middelnederlandse bijwoord ‘maneg’, wat ‘veel’ betekent. Het Middelnederlandse ‘meente’ komt zelf van het bijwoord ‘gemeen’ en betekent hetzelfde als het Engelse ‘mean’: gedeeld, gemeenschappelijk, publiek, algemeen, universeel, van lage kwaliteit, inferieur, arm. Het voorvoegsel ‘ge-’ komt van ‘samen’ en ‘hetzelfde’. Het achtervoegsel ‘-te’ in zowel ‘meent’ als het enige nog veelgebruikte woord ‘gemeente’ heeft als functie om zelfstandige naamwoorden van bijwoorden te maken. In de vroege Nederlanden werd de gemeente niet gezien als een bestuurlijk orgaan van de overheid, maar als een gemeenschap met een bepaald territorium. Bezit kwam in twee vormen: privaat en gemeenschappelijk. Publiek eigendom was niet aan de orde, omdat er geen overheid was. Zie M. Philippa et al, Etymologisch woordenbook, Ke-R, 334; Ibid., Etymologisch woordenboek van het Nederlands. S-Z (Amsterdam 2009), 353.

(24) M. Pasquinelli, Animal Spirits: A Bestiary of the Commons (Rotterdam 2008), 30-32.

Drie “governance hacks” om peer productie om te vormen tot een echt economisch en sociaal systeem

Door Michel Bauwens

Originele tekst P2P Foundation

Het kapitalisme was niet altijd een organisch en dominant systeem. Alvorens het de status verwierf van een volwaardige productiewijze, anders gesteld van een samenhangende manier om waarde te creëren en te verdelen, of van een specifieke vorm van samenleving en beschaving, diende het in te breken in het oude systeem om het naar zijn eigen beeld te kneden. In “zijn boek “De Grote Transformatie” legt Karl Polanyi uit hoe bijvoorbeeld de vroege kooplieden nog steeds afhankelijk waren van ambachtslui en gilden (het zogenaamde ‘putting-out’-systeem) en er aanvankelijk niet in slaagden om van arbeid een koopwaar te maken.

Deze situatie verschilt niet veel van het ‘proto’-productiesysteem dat vandaag in opmars is: peerproductie gericht op gemeengoed (‘commons-oriented peer production), waarbij een gemeenschap van bijdragers, al dan niet betaald, een gemeengoed of ‘commons’ (gedeelde hulpbronnen die beheerd worden door hun gebruikers) creëren in plaats van goederen (koopwaar). Hoe kan deze opkomende, postkapitalistische logica die nu al de logica van arbeid als koopwaar overstijgt, dominant worden? Hoe maken we van peerproductie een organisch systeem? Tegen deze achtergrond stellen de P2P Foundation en soortgelijke netwerken van P2P-activisten een aantal hacks voor.

De centrale kwestie is de volgende: hoe houden we de “waarde”” binnen de sfeer van de commons, zodat die kunnen groeien en zichzelf reproduceren? Of in andere woorden: hoe kunnen we op basis van onze bijdragen in ons levensonderhoud voorzien?”

De copyfair licentie

Een eerste “hack” is de copyfair licentie, een licentie die steunt op wederkerigheid. Waarom is dat nodig? Volgens de traditionele, negentiende-eeuwse definitie van communisme is de General Public Licentie technisch gezien een communistische licentie: “van ieder naargelang zijn bijdragen, voor ieder naargelang zijn noden”. Maar binnen onze huidige politieke economie leidt een dergelijke dynamiek onvermijdelijk tot de overheersing van een economie die gebaseerd is op “vrije en gedeelde hulpbronnen” door grote privéspelers en bovendien tot het gebruik van deze gedeelde hulpbronnen door organisaties die er niet toe bijdragen.

Dit “liberaal communisme” (communisme in dienst van het kapitaal en de liberale waarde van het ‘recht op delen’) is niet noodzakelijk een probleem voor niet-rivaliserende en antirivaliserende hulpbronnen zoals kennis en softwarecode, maar het kan wel problematisch zijn als we spreken over design, zaden en andere vormen van delen die verbonden zijn aan fysieke productie. Als we immers moeten investeren in gebouwen, machines, grondstoffen en salarissen, kan de private overheersing van de open economie een probleem vormen.

Bijgevolg zou een licentie die een of andere vorm van wederkerigheid vereist een aantal voordelen opleveren. De vereiste dat bedrijven die zelf niet bijdragen tot de commons een licentievergoeding zouden betalen, zou een kapitaalstroom genereren naar de sfeer van de commons, zijn gemeenschappen en “Stichtingen” (Foundations). Ten tweede -en belangrijker- zou de vereiste om wederkerigheid te definiëren opnieuw een “morele economie” creëren die positieve sociale externaliteiten zou re-integreren binnen de marktsfeer zelf.

Open coöperatieven

Onze tweede “hack” zou bovendien een dynamiek op gang brengen op het vlak van beheer en eigendom. Wij stellen voor dat commoners eigen “open coöperatieven” zouden oprichten, dus coöperatieven die niet alleen werken voor hun eigen leden, maar structureel en statutair samen commons creëren naast het voorzien van een inkomen voor de coöperatieve arbeiders. In dit model zou de coöperatieve een maatschappelijk doel hebben, niet winstgericht zijn (de winsten worden dan gebruikt om een maatschappelijk doel te realiseren), meerdere stakeholders betrekken, maar ook samen gemeengoed creëren in de vorm van zowel immateriële commons (gedeelde kennis) maar ook gedeelde materiële hulpbronnen (een voorbeeld is de woningcoöperatieve “Allianza Solidaria” in het zuiden van Quito die van zijn leden 100 uur arbeid vraagt voor de creatie van gemeenschappelijke parken).

Deze nieuwe coöperatieven zouden niet langer uitmonden in organisaties die egoïstisch handelen op de kapitaalmarkten ten behoeve van hun eigen leden, maar zouden een gemeengoed creëren dat op natuurlijke wijze tot hun normale activiteiten zou behoren. Een gelijkaardig voorstel is het eigendomsmodel gebaseerd op eerlijk delen (‘fairshares ownership), waarbij het eigendom in vier gelijke parten wordt verdeeld: een voor de stichters, een voor de investeerders, een voor de arbeiders en een voor de gebruikersgemeenschappen.

Open aanvoerketens en open boekhouding

De derde en laatste hack die we voorstellen is de oprichting van open aanvoerketens en open boekhouding. Van zodra er een “ethische ondernemerscoalitie” is opgericht rond de copyfair licentie en/of een sociaal charter met gemeenschappelijke waarden en een oriëntatie naar het gemeengoed, kan op natuurlijke wijze worden overgeschakeld van competitie naar samenwerking en het delen van informatie over productie en boekhouding doorheen het netwerk. Een voorbeeld is Enspiral, een netwerk van sociale ondernemers in Nieuw Zeeland, die binnen hun netwerk transparantie bedrijven.

Dankzij deze hack zou de wederkerige en stigmergische coördinatie van productieve activiteiten die reeds van toepassing is in de immateriële productie van kennis, code en design, ook beginnen met het op gang brengen van een dynamiek van postkapitalistische wederkerige coördinatie in de sfeer van reële fysieke productie.

Als deze drie stappen door verschillende actoren gelijktijdig worden genomen, zou peerproductie op een betekenisvolle manier evolueren naar een functionerend organisch systeem dat in staat is om zichzelf te reproduceren aangezien de bijdragers tot de commons een coöperatief levensonderhoud zouden kunnen creëren. We zouden geëvolueerd zijn van een “communisme van kapitaal” naar een “kapitaal van de commons”.

vertaling: Jean Lievens

Een nieuw verhaal voor links

eerst gepubliceerd in de Wereld Morgen

Links heeft een nieuw, optimistisch verhaal nodig. Het oude werkt niet meer. Welbeschouwd speelt de arbeidersbeweging al minstens drie decennia in verdediging. Met dit defensieve spel verliest ze de ene match na de andere. Als het roer niet snel wordt omgegooid, dreigt de degradatie, of erger. Een heroriëntatie naar nieuwe burgerinitiatieven en -bewegingen dringt zich op.

Het blijft nog wachten op de slaagkansen van de hervormingen in Griekenland en het effect ervan op de rest van Europa, maar tot nu toe is sociale afbraak overal de boodschap. Vaste jobs worden schaarser, studeren duurder, de ongelijkheid neemt toe, solidariteitsmechanismen gaan op de schop, de natuur gaat om zeep en het klimaat slaat op hol.

En er zijn geen sociale zekerheden meer. Leuke tijd om in op te groeien. Jongeren krijgen een negatief sociaal contract aangeboden, en velen concluderen dat de vorige generatie alles heeft opgebrast. Soylent Green, een sciencefictionfilm uit de begin jaren zeventig waarin 65-plussers tot groene koekjes worden verwerkt, komt achter het hoekje gluren.

Destructieve creatie

De creatieve destructie van Schumpeter heeft plaats geruimd voor destructieve creatie. Binnen twintig jaar zullen robots tot 50% van de huidige jobs in België hebben overgenomen. Op zich een leuk vooruitzicht, ware het niet dat alle winst naar de eigenaars van de robotten gaat. Met de automatisering kalft het salariaat zienderogen af. Het vaste arbeidscontract moet wijken voor precaire statuten van freelancers en zzp-ers (zelfstandigen zonder personeel), vandaag al goed voor een derde (tegen 2020 de helft) van de Amerikaanse werkers.

In Nederland, altijd een stapje “voorop”, is dit al een op vier. Velen vinden hun autonomie een pluspunt, maar ze hossen wel zonder sociale bescherming van de ene tijdelijke opdracht naar de andere. Permanent. Ze vallen naast het sociale vangnet van de overheid en kunnen een privéverzekering niet betalen Daarom vonden ze de broodfondsen uit, solidariteitsfondsen van ongeveer 150 man die maandelijks 25 euro in een pot leggen en bij ziekte een uitkering krijgen van 750 euro. Het is de hergeboorte van de negentiende-eeuwse mutualiteiten.

Klusjes en bullshit jobs

Daarnaast groeit het leger dat met de eigen auto taxichauffeur speelt voor Uber, een kamer op overschot verhuurt via Airbnb of (bij)klust voor een habbekrats via Taskrabbit of Mechanical Turk. Denk niet dat het gaat om onkruid wieden of de hond uitlaten: in de VS heb je al platforms voor dokters (Health Tap) en advocaten (Upcounsel).

Voor velen bieden deze platforms nog altijd een leuke bijverdienste, maar steeds meer mensen worden ervan afhankelijk om te overleven. Oorspronkelijk hadden veel platforms een sociale doelstelling: delen tegen kostprijs of zelfs gratis. Maar ze worden zienderogen gekaapt door beleggers die alleen maar uit zijn op financieel gewin. Met hun geld breiden de platforms uit en worden ze professioneler, maar de sociale logica moet wijken voor de winstlogica.

Durfkapitalisten (ze hebben hun naam niet gestolen) hebben een flink deel van de ontluikende deeleconomie gekaapt. De term had oorspronkelijk vooral betrekking op het delen (sharing) van gemeenschappelijke dingen (auto’s, boren, tuinen..) wat zowel het milieu als het sociale weefsel ten goede komt. Gelukkig bestaan er nog altijd heel wat deelplatformen waar de nadruk blijft liggen op dat laatste.

Maar dat geldt al lang niet meer voor de Airbnb’s en Ubers van deze wereld. Airbnb investeert niet in hotels, Uber niet in taxi’s. Het zijn slechts platforms die vraag en aanbod samenbrengen, maar wel met een steeds groter stuk van de koek gaan lopen. Voor jonge mensen die af en toe hun appartement verhuren aan toeristen (en dan tijdelijk bij hun ouders of vrienden logeren), biedt Airbnb een mooi extraatje. Maar als je voor je hele inkomen afhankelijk bent van dergelijke platforms, krijg je al gauw een moderne vorm van feodalisme. “Vazaleconomie” zou misschien een beter woord zijn. Op de keper beschouwd, hebben we hier te maken met een parasitair systeem van de ergste soort.

Basisinkomen

Vandaag verdien je vooral geld met geld (rente), eigendom (aandelen en obligaties) en controle over netwerken via intellectueel eigendom en marketing. Immateriële zaken dus, waarvan de waarde eigenlijk “politiek” bepaald wordt. Volgens Roland Duchatelet is in België maar 7% van de bevolking meer betrokken bij de productie van voedsel en materiële goederen. De rest zijn diensten, vaak verpakt in wat de Amerikaanse antropoloog en anarchist David Graeber “bullshit jobs” noemt: banen waarvan de betrokkenen zelf vinden dat ze eigenlijk overbodig zijn. Winsten vallen steeds minder te rapen in de productie, die grotendeels naar het zuiden is verhuist waar arbeid in overvoed en dus goedkoop is.

Onlangs kwam Rutger Bregman daarover vertellen in Reyers Laat. De Nederlandse golden boy verdedigde er op speelse wijze een andere visie op arbeid die hij koppelde aan een onvoorwaardelijk basisinkomen. Zijn standpunt botste op ongeloof bij een oogbolrollende Liesbeth Homans die zich – mondhoeken richting studiovloer – afvroeg wie dit ging betalen. Rutger Bregman repliceerde gevat dat de minister er negentiende-eeuwse opvattingen op nahield. In onze samenleving bestaan andere herverdelingsmechanismen dan via de overheid.

Er stroomt inderdaad heel wat geld naar boven, naar mensen met “bullshitjobs” die in wezen geen bijdrage leveren tot de reële economie en zelfs welvaart vernietigen. Spreekt er eigenlijk nog iemand over de bankencrisis? Nee, natuurlijk niet. De Islam, ja. En 60-plussers die op hun gat in Benidorm profiteren. Activeren dat zootje!

Rutger Bregman noemt zich liberaal in hart en nieren. Hij gelooft in meritocratie en vindt dat mensen moeten bijdragen voor hun geld. Een basisinkomen is daar niet mee in contradictie omdat dit juist de mogelijkheid biedt om te doen wat je graag doet en waar je het best in bent. Iedereen profiteert daarbij, de maatschappij al zeker. Mensen met minder prettige en zware beroepen zouden juist meer moeten verdienen. Daar kan “de wortel en de stok” nog spelen. Allemaal interessante denkpistes waar ik het in de grond mee eens ben. Alleen hebben we een transitieprogramma nodig dat steunt op een nieuw paradigma, want binnen het oude zie ik het niet gebeuren.

Peer-productie en het gemeengoed

We moeten inderdaad anders gaan aankijken tegen arbeid, maar hoe? Welk werk bedoelen we? Spreken we over loonarbeid, of nuttige bijdragen aan gemeengoed projecten, die tot nu toe meestal onbetaald blijven? Hoe komen we tot een systeem waarin mensen meer beloond worden naar werk (en minder naar bezit), maar met sterke ingebouwde solidariteitsmechanismen die de zwakkeren de nodige bescherming bieden? We bevinden ons immers voor de volgende paradox.

Onze welvaartsstaat steunt op solidariteitsmechanismen die werden uitgevonden, uitgebouwd en uiteindelijk via de staat veralgemeend door de arbeidersbeweging (mutualiteiten, pensioenkassen, werkloosheidskassen). Overal in Europa wordt dit stelsel afgebouwd. Maar dit is maar één zijde van de medaille. De andere blijft tot nu toe onderbelicht.

In de afgelopen twintig jaar zijn we immers ook getuige van een nieuw ontluikend economisch systeem dat een andere logica volgt. Dit systeem wordt aangedreven door het internet dat horizontale communicatie en collaboratie mogelijk maakt tegen zeer lage kostprijs. Daardoor kunnen steeds meer zaken beter en goedkoper geregeld worden via samenwerkingsplatformen dan via traditionele organisaties. Burgers bouwen samen software, kennis en ontwerpen.

Met meer dan 30.000 open-hardwareprojecten, van auto’s over landbouwmachines tot robotten en satellieten zien we dat de logica van delen en produceren via het internet zich ook doorzet in het productieproces. Na de miniaturisering van de computer zijn vandaag de machines aan de beurt. Het delen en kopiëren van digitale muziek, software, film, design, kennis… op het internet vloeit over naar het delen van infrastructuur in fablabs, co-working-, hackers- en makerspaces.

Helaas bestaan er nog geen uitgewerkte studies om al die nieuwe ontwikkelingen in kaart te brengen, maar in Barcelona groeide het aantal co-workingspaces van 3 naar 50 in drie jaar tijd, in Wenen was er drie jaar geleden één hackerspace, vandaag zijn er vijftien, in de VS groeide stadslandbouw door (hoofdzakelijk) collectieve groepen met 48% in twee jaar tijd… De laatste tien jaar groeit het aantal burgerinitiatieven als kool, zoals te zien is in een recente studie van Tine de Moor. Ook de coöperatieve beweging zit in de lift: vandaag werken meer mensen voor coöperatieven dan voor multinationals.

Naar een nieuw model rond de commons

Maar de belangrijkste revolutionaire verandering is volgens mij de opkomst van digitaal gemeengoed: globale, complexe projecten rond open kennis, software en design, die voor iedereen vrij beschikbaar is. Rond dit nieuw gemeengoed groeit een nieuwe economie van freelancers en allerhande bedrijven die deze “commons” als grondstof gebruiken voor het maken van producten en diensten met toegevoegde waarde.

Het gebruik van open software door bedrijven (denk aan IBM en Linux) is vrij bekend, maar nieuw is toch de snelle opkomst van allerhande open-hardwareprojecten. Het idee is eenvoudig: alles dat gemaakt wordt, moet eerst geconcipieerd worden. In klassieke bedrijven wordt die kennis beschermd door patenten. Die zijn bedoeld om innovatie te stimuleren omdat bedrijven hun onderzoekskosten willen recupereren. Maar in de praktijk zijn ze uitgegroeid tot innovatieremmers die patenthouders zolang mogelijk monopoliewinsten bezorgen.

Niet zo bij open hardware: iedereen kan de concepten verbeteren en iedereen kan ze downloaden. Met de nodige machines, eventueel gedeeld in een fablab, kan een doe-het-zelver het product zelf maken. Soms kan je een pakket onderdelen (vaak vervaardigd met 3D-printers) kopen en ze als een meubel van Ikea zelf ineen steken, of je kan het afgewerkte product kopen bij een open hardwarebedrijf. Deze laatste wint dan wel niks op het intellectueel eigendom, aangezien het ontwerp vrij beschikbaar is, maar wordt wel vergoed voor zijn arbeid. Loon naar werk dus.

Open-hardwarebedrijven zijn vaak starters die een klassieke bedrijfsvorm aannemen en voor hun financiering een beroep doen op crowdfunding en durfkapitalisten. Maar niets belet jonge ondernemers om een coöperatieve op te richten, een bedrijfsvorm die veel beter aansluit bij de praktijk van vrije bijdragen aan een gemeengoed en de deelcultuur in de virtuele wereld.

Als die productiecoöperatieven zich dan nog eens met elkaar zouden verbinden in een wereldwijd netwerk rond het open-designgemeengoed, dan krijg je een soort van gedistribueerde multinational die in staat is het klassieke model te verslaan omdat ze efficiënter en goedkoper kan werken. Als je ten slotte ook de boekhouding en aanvoerketen van die coöperatieven open en transparant maakt en alle stakeholders betrekt, dan kom je tot een nieuw economisch model dat zowel de markt als de klassieke planeconomie in de schaduw stelt.

In dit verhaal moet de overheid het geweer van schouder veranderen en evolueren van betuttelende marktstaat naar faciliterende partnerstaat: een overheid die burgerinitiatieven mogelijk maakt en stimuleert. Ook die evolutie is bezig, zij het vooral op plaatselijk vlak. Zo heeft Bologna onlangs een “reglement voor de commons” ingevoerd, die al door 25 andere gemeenten is overgenomen (Michel Bauwens en Dirk Holemans in Knack van 22/2/2015).

Burgers doen voorstellen aan de gemeente, bijvoorbeeld om hun wijk te verfraaien. Na overleg kan de gemeente middelen vrijmaken waarmee die burgers hun plannen zelf kunnen waarmaken. Dat vergt ook een ommekeer in het politieke denken, want de meeste politici willen zich vooral profileren rond wat zij doen voor de burger.

Utopisch? Misschien. Maar op microniveau wordt er al volop geëxperimenteerd en in theorie kunnen we ons vandaag voorstellen hoe dit model op macroniveau zou kunnen werken. Daarom kan het P2P-verhaal vandaag dezelfde rol spelen als het socialistisch verhaal in de negentiende eeuw. Ook toen waren er honderden en duizenden basisinitiatieven.

De arbeiders vochten niet alleen op hun werkplaats voor betere werkomstandigheden, maar creëerden ook machtige organisaties waarmee ze hun politieke stempel drukten op de twintigste eeuw. Maar hun macht kalft af. De productie is voor een groot deel verhuisd naar ontwikkelingslanden en hier proberen bedrijven de syndicale macht verder te breken, gisteren door outsourcing, vandaag door crowdsourcing.

Nieuw links

De erosie van de macht van de arbeidersbeweging weerspiegelt zich in een crisis van de sociaaldemocratie, die probeert afstand te nemen van de syndicale achterban om te kunnen verruimen (met bijzonder weinig succes), maar ook weinig aansluiting vindt bij de nieuwe bewegingen en de vele initiatieven die opborrelen vanuit de civiele maatschappij.

De nieuwe progressieve formaties in Griekenland en Spanje knopen daar wel bij aan. Het is zeer significant dat Gianni Dragasakis, de nieuwe vicepremier van de Syriza-regering in Griekenland, in zijn parlementstoespraak expliciet verwees naar het ontwikkelen van bottom-up, op gemeengoed gebaseerde peerproductiemodellen om tegemoet te komen aan de noden van de Griekse bevolking.

Dr. Vasilis Kostakis, medewerker van de P2P Foundation en samen met Michel Bauwens auteur van het boek Network Society and Future Scenarios for a Collaborative Economy, schrijft: “Het lijkt erop dat Syriza een politiek nastreeft die in de lijn ligt van het idee van de “partnerstaat” en dat op het vlak van onderwijs, overheidsbeleid en R&D. Om er een paar te vernoemen:

– Het vrijgeven van openbare data
– Het vrijgeven van alles kennis die gefinancierd wordt met belastingsgeld
– Het creëren van een omgeving die samenwerking stimuleert tussen kleine ondernemers en coöperatieven, waarbij initiatieven die steunen op open-source-technologieën en -praktijken worden aangemoedigd
– Het ontwikkelen van bepaalde participatieve processen (en het versterken van de bestaande) om burgers te betrekken bij het beleid
– Het aannemen van open standaarden en patronen voor openbare diensten en onderwijs.

Het is bij mijn weten voor de eerste keer dat een Europese regering expliciet een politiek verdedigt die aansluit bij de nieuwe economische logica in wording. Onafhankelijk van de manier waarop in België deze nieuwe politiek gestalte zal krijgen, ben ik hoopvol dat er een progressieve meerderheid kan gevonden worden rond de kernideeën van de nieuwe p2p-logica: de creatie van een nieuwe economie van ethische bedrijven rond collectief gecreëerd gemeengoed, of in de woorden van Jeremy Rifkin, commons-based peer production. Daarbij kan elke politieke partij haar eigen klemtonen leggen: duurzaamheid, sociaal ondernemerschap, solidariteit.

Maar niet alleen de rechtse partijen, ook de vakbonden en de sociaaldemocratie zijn in mijn ogen nog te veel gericht op het verdedigen van het oude systeem dat steunt op arbeid en kapitaal. Veel verder dan een vermogenswinstbelasting komt men niet.

Ik denk echter dat de ommekeer zich niet kan realiseren via een loutere herverdeling binnen het oude systeem, als dit niet gekoppeld wordt aan een heroriëntatie naar het nieuwe systeem. Dit is nu eenmaal nodig om de traditionele links-rechtsverhouding te overstijgen en een zo groot mogelijke politieke meerderheid te verwerven om een begeleide, vreedzame transitie mogelijk te maken.

Jean Lievens