Categorie archief: duurzame ontwikkeling

Met alle Chinezen… (maar waarom niet met ons?)

Eerst gepubliceerd in De Standaard van 11 juni 2016 (opiniepagina).
Overgenomen met toestemming van de auteurs Dirk Holemans en Steven Vromman.

Het is alsof niets meer werkt. Ministers morren omdat kiezers hun maatregelen niet waarderen, burgers gaan de straat op omdat ze onzeker zijn over hun toekomst. Het ongenoegen zit diep. Mensen zijn niet vergeten hoe banken gered zijn met hun belastinggeld. Is de beloning daarvoor dat hun geld op de spaarboekjes nu niets meer opbrengt? Klassieke instrumenten om vooruit te komen, zoals het sociaal overleg, haperen. Ondertussen vergeten we ons voor te bereiden op een duurzame toekomst.

Neem nu het energiebeleid. Federaal blijven we inzetten op versleten kerncentrales, waarbij we behalve de risico’s voor de bevolking jaarlijks nog 1 miljard euro winst cadeau doen aan het Franse Engie, moederbedrijf van Electrabel. Vlaanderen zal dan weer 2 miljard euro subsidies betalen aan een houtpelletproducent uit Estland om een verouderde steenkoolcentrale om te bouwen tot een biomassacentrale. Een belangrijk deel van de Turteltaks gaat naar de financiering van deze miskleun, die niet zal bijdragen aan een sociaal-ecologisch energiebeleid. Om daar iets over te lezen, moet je naar het buitenland kijken. Spanje produceert op winderige dagen meer groene stroom dan het zelf nodig heeft. Noorwegen wil zonder verpinken tegen 2025 de auto op fossiele brandstoffen bannen.

Ook ons land zit vol positieve energie, maar je moet het willen zien. Steeds meer burgers willen zelf de handen uit de mouwen steken om ons land voor te bereiden op de toekomstvaardig. Denk aan stadslandbouwprojecten, repaircafés, hernieuwbare-energiecoöperaties, weggeefpleinen, digitale uitleenplatformen.

Mindshift

Het zou evident moeten zijn dat regeringen deze burgerenergie inzetten. Toch gebeurt het niet. Het vraagt een mindshift: ministers en hun kabinetten beslissen niet langer alleen, co-creatie wordt het model. De ivoren toren vervelt tot horizontale netwerken. De tijd is gekomen om die banden tussen burger en staat te smeden.

Een unieke kans dient zich nu aan voor een essentiële infrastructuur: ons stroomnet. Het heeft er alle schijn van dat de intercommunale Eandis aandelen zal verkopen aan een Chinese investeerder (DS 2 juni). Eandis, dat zijn eigenlijk u en ik, die via onze gemeentebesturen een groot deel van ons elektriciteitsnetwerk (de distributie) in handen hebben. Deze netbeheerder, waar de regeringspartijen de lakens uitdelen, heeft extra kapitaal nodig. Een geweldige kans om de actieve burgers erbij te betrekken, zou je denken. Maar helaas.

Waarom vervangen we de Chinese investeerder niet door de gebruikers van het stroomnet, de bevolking? Bied de aandelen te koop aan aan de burgers, die zich kunnen verenigen in coöperaties. Zo garandeer je dat het algemeen belang voorgaat op dat van investeerders. In Duitsland, Denemarken en Spanje zijn steeds er steeds meer steden waar de burgers het distributienetwerk (deels) terugkopen, wat meteen een positief effect heeft op de dienstverlening en ecologische doelstellingen.

Zomaar Chinezen in plaats van de eigen bevolking mede-eigenaar maken van ons stroomnet, is om vier redenen een gemiste kans van­jewelste.

1. De transitie naar een duurzaam energiesysteem zit muurvast. Het onduidelijke groenestroombeleid heeft ongeveer iedereen kwaad gekregen. Door burgers mede-eigenaar te maken van het stroomnet, creëer je betrokkenheid en openheid. Chinezen die mee beslissen kunnen de zaak enkel bemoeilijken. Geven we zo onze autonomie niet op? Hebben we dan de ruimte om te gaan voor een smart grid dat klaar is voor 100 procent hernieuwbare energie?

2. Een deel van het ongenoegen heeft te maken met de steeds hogere energiefactuur, waarvan de distributiekosten een groot deel uitmaken. Buitenlanders investeren niet voor onze mooie ogen, ze willen rendement. Zal de stroom niet gewoon nog duurder worden?

3. Het zal nog slechter gaan met onze democratie: de intrede van een externe partner is meestal geen goede zaak voor de transparantie. Wegens commerciële belangen zal het voor de burgers moeilijker zijn inzage te krijgen in de boeken. Dat geldt trouwens in heel Europa: de Chinese partner heeft zich al ingekocht in Italiaanse en Portugese stroomnetten. Hoe zit het eigenlijk met de gewenste Vlaamse verankering van ons industrieel weefsel?

4. Het beloofde dividend aan de investeerder kunnen we veel beter gebruiken voor twee zaken: investeren in een smart grid en de burgers die mee investeren een centje laten meeverdienen. Een stuk van het geld kunnen we prima gebruiken om de omslag naar hernieuwbare energie te versnellen. En waarom bieden we burgers geen mooie kans om hun spaargeld te investeren in de toekomst van hun kinderen, terwijl het ook nog iets opbrengt? Wat willen de volkspartijen: de Chinezen rijk maken of het spaargeld van hun kiezers iets doen opbrengen?

Niet de deeleconomie, maar de commonseconomie kan de wereld redden

door Jean Lievens
P2P Foundation Belgium

Eerst verschenen op De Wereld Morgen op 29 mei 2016 (blog Jean Lievens – originele tekst)

De deeleconomie staat steeds meer in de belangstelling, maar over de commonseconomie wordt helaas veel minder gesproken. Waarschijnlijk blijft dit voor velen te abstract, maar als we het hebben over de noodzaak van een transitie naar een duurzame economie en naar een meer rechtvaardige en democratische samenleving, dan is de commonseconomie wel de hefboom.

We leven in een verandering van tijdperk, gekenmerkt door economische en financiële crisissen, sociale onrust en politieke instabiliteit. Ons sociaale-conomisch systeem functioneert niet meer en “de politiek” draagt geen oplossingen aan. Anderzijds opent de technologische vooruitgang enorme mogelijkheden om de huidige ecologische, economische en sociale problemen op te lossen, maar binnen de oude structuren en denkschema’s werkt ze de financieel-economische en sociale crisis juist in de hand.

Er is veel sociaal verzet tegen de neoliberale tegen-hervormingen van de afgelopen jaren, maar vaak blijven protestbewegingen beperkt tot “tegen iets zijn” en is er een gebrek aan coherent alternatief. Ook klassieke linkse formules schijnen niet meer te werken of worden de nek omgedraaid binnen een vijandige internationale context, wat de Grieken aan de lijve mochten ondervinden.

Wel zijn overal in de wereld mensen actief betrokken in allerhande initiatieven om te bouwen aan een betere wereld. Velen hebben zich afgekeerd van de politiek en bouwen “het nieuwe binnen het oude”. Ze zijn actief op gebied van sociale rechtvaardigheid en solidariteit (vakbonden, coöperatieven, NGO’s, fairtradeorganisaties, noord-zuidbewegingen etc.), openheid en transparantie (open source beweging, open designgemeenschappen…) en duurzaamheid (circulaire economie, microfabrieken…).

Tussen deze verschillende groepen bestaat echter weinig interactie en ook binnen deze groepen is de fragmentatie vaak groot. Maar ze dragen wel de kiemen van een nieuw systeem, waarbij “de commons” het bindmiddel kan zijn. Een van de organisaties die hierbij een verbindende en katalyserende rol kan spelen, is volgens mij Hart boven Hard, zowel in haar hoedanigheid van netwerk als van beweging.

Maar laat ik eerst even beknopt de kern van het transitiemodel uitleggen dat de P2P Foundation voorstelt. Het boek De Wereld Redden bevat heel wat ideeën, maar vaak pikken mensen alleen dat eruit wat in hun kraam past. Om te beginnen hebben we nooit beweerd dat de “deeleconomie” de wereld zal redden, zoals Rogier De Langhe schrijft in een van zijn opiniestukken in De Morgen van 17 mei (Welke deeleconomie willen we?). In ons boek hebben we het over peer-to-peer, maar maken we een onderscheid tussen peer-to-peer marktplaatsen (waar de deeleconomie zich grotendeels afspeelt) en peer-productie van commons. Ons transitieverhaal steunt vooral op de tweede pijler.

De deeleconomie (alleen) zal de wereld niet redden

De deeleconomie zoals ze zich tot nu toe heeft ontwikkeld, wordt vooral gedomineerd door commerciële platformen die vraag en aanbod van markttransacties tussen individuen (denk aan de “gig”-jobs, het “delen” van autoritten tegen betaling, het verhuren van appartementen…) regelen via algoritmes en daar flink wat geld aan verdienen. De belangrijkste voordelen van deze modellen is dat ze voor de gebruikers vaak performanter en goedkoper zijn dan de traditionele modellen en dat ze zorgen voor een beter gebruik van de bestaande infrastructuur (het “deel”aspect) waardoor ze deel uitmaken van een noodzakelijke evolutie naar een meer duurzame economie.

Maar de keerzijde is ook niet mals: ze ontwijken allerhande wetgevingen waaraan de traditionele modellen wel aan moeten beantwoorden (sociale wetgeving, voorschriften inzake veiligheid en gezondheid etc.), ze investeren zelf niet in infrastructuur en wentelen alle risico’s af op degenen die hun platform gebruiken om geld te verdienen. Zelfs degenen die voor de vrije markt zijn en pleiten voor een gelijk speelveld, kunnen toch niet anders dan vaststellen dat we hier te maken hebben met oneerlijke concurrentie. Je kan dan twee zaken doen: ofwel het speelveld gelijkschakelen door deze platformen te onderwerpen aan dezelfde regels die gelden voor andere bedrijven, ofwel de regels voor andere bedrijven ook afschaffen. Dus hier pleiten we uiteraard voor klassieke regulering.

Alternatieven op commerciële platformbedrijven

Maar er zijn andere manieren om dergelijke kapitalistische platformen van antwoord te dienen. Laten we Uber nemen als voorbeeld. Zo heeft sharing city Seoel Uber ronduit verboden. Maar tegelijk ontwikkelde de stad wel een even gebruiksvriendelijk alternatief: een mobiliteitsapp op stadsniveau waarin de klassieke taxisector werd geïntegreerd. Vakbonden kunnen Uberchauffeurs organiseren en opkomen voor hun belangen (zo heeft Seattle onlangs Uberchauffeurs syndicale rechten verleend waardoor ze expliciet erkend werden als werknemers en niet als freelancers) of zelfs helpen met het opzetten van een coöperatieve die gebruik maakt van een eigen app. Zo gaan alle verdiensten naar de chauffeurs zelf en niet naar Silicon Valley. Op dat vlak zijn de initiatieven echter enorm versnipperd, want elke entiteit gebruikt andere open source applicaties en apps. Het komt er dus op aan om al deze mini-initiatieven te coördineren en te stroomlijnen binnen één netwerk.

Maar goed, we blijven hier nog altijd op het terrein van marktactiviteiten, het kopen en verkopen van diensten om geld te verdienen. Daar is niks mis mee, mensen moeten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Maar als er wordt samengewerkt rond één platform, beheerd door de stakeholders (dus niet alleen de chauffeurs , maar bijvoorbeeld ook de klanten en de overheid), dan wordt dit gemeenschappelijk platform wel de kern van de economische activiteit waaraan de marktactiviteit is ondergeschikt.

Er zijn natuurlijk ook tal van deelinitiatieven die een maatschappelijk doel voor ogen hebben, zoals autodelen op buurtniveau (vb. Dégage in Gent), of logies delen op wereldniveau (couchsurfing). Dit is de originele deeleconomie, die nog altijd bestaat én groeit, maar inmiddels in de media werd overschaduwd door Uber en Airbnb. Deze laatste is trouwens zelf begonnen binnen de reële deeleconomie, wat nog steeds vervat zit in de naam (air staat voor air matrass: het idee was een luchtbed in de living voor toeristen, in ruil voor een kleine deelname in de kosten). Met de intrede van venture capital werd het platform geprofessionaliseerd, er kwamen diensten bij (zoals een verzekering tegen vandalisme), maar bovenal vervoegden steeds meer professionele spelers het platform om appartementen te verhuren aan toeristen. Op die manier omzeilen ze stedenbouwkundige vergunningen en de wetgeving op hotels, jagen ze tegelijk de huurprijzen voor lokale bewoners omhoog en maken bepaalde buurten onleefbaar (denk aan Barceloneta in Barcelona). Tussen haakjes, het is ook belangrijk om op te merken dat alleen mensen die iets hebben iets kunnen ‘delen’ (lees verhuren). Een huurder mag meestal niet onderverhuren, ook niet via Airbnb.

De commonseconomie

Tot daar de “deeleconomie”. Wat echter veel belangrijker is in ons transitieverhaal, is de zogenaamde commons-economie en meer bepaald de creatie van commons van open software, kennis en design. Bekende commons zijn Linux, Wikipedia en Arduino, maar er bestaan duizenden andere voorbeelden. We hebben hier te maken met een postkapitalistisch model, omdat:

Het niet gebaseerd is op arbeid/kapitaal, maar op vrijwillige bijdragen
Het geen goederen of diensten voortbrengt om te verkopen op de markt (ruilwaarde), maar rechtstreekse gebruikswaarde die vrij beschikbaar is, in overvloed aanwezig, vrijwel kosteloos, oneindig reproduceerbaar en dus niet eens “vermarkt” kan worden.
Sommigen rangschikken ook deze commons onder de ‘deeleconomie’ omdat ze vrij beschikbaar zijn (en dus vrij kunnen ‘gedeeld’ worden), maar dan gooi je Uber en Wikipedia op één hoop, wat toch problematisch is. Om verwarring te vermijden is het dus aangewezen om bij elk project de volgende vragen te stellen:
wat is de hoofddoelstelling (maatschappelijk of winstgevend)?
wordt er gemeengoed gecreëerd dat vrij beschikbaar is?

Alleen in het twee geval spreken we van een commons-economie. Is de doelstelling maatschappelijk en wordt er gewerkt via een collectief deelplatform, dan is het deelplatform zelf de commons en kan je ook dit soort van deelinitiatieven tot de commons-economie rekenen. Gaat het om pure markttransacties, dan hebben we te maken met P2P marktplaatsen die strik genomen niets met delen te maken hebben, maar door deze platformen zelf en door de media wel als dusdanig genoemd worden, dus ik veronderstel dat we ermee moeten leven.

Een productiever model…

Het gemeenschappelijk creëren van open gemeengoed van kennis, softwarecode en allerhande ontwerpen blijkt in de praktijk veel sneller, efficiënter en productiever dan de traditionele (lees kapitalistische) manier om deze zaken voort te brengen. Sinds Wikipedia zijn papieren encyclopedieën alleen nog in tweedehandszaken verkrijgbaar. Wikipedia is gratis, wordt elke dag beter en volgt de actualiteit. Een paar minuten nadat de media hebben bericht over de dood van Prince, is de popster ook dood op Wikipedia. Open software is de norm binnen de softwarewereld geworden. Nasa, BMW, het CERN, het Witte Huis… gebruiken Linux, een software die vrij beschikbaar is voor iedereen. Er bestaan een dertigtal open source-auto’s (inclusief een open source zelfrijdende auto) die stuk voor stuk milieuvriendelijke en energiezuiniger zijn dan industriële wagens, alleen komen de banken niet met geld over de brug om de productie ervan te financieren, tenzij ten minste een deel van het ontwerp beschermd wordt door patenten. Tot nu toe lijkt LocalMotors, een semi-open source wagen die in een microfabriek via 3D printing kan worden geproduceerd het enige model dat ook economisch succesvol is. Maar er zijn ook open source robotten, open source landbouwmachines, open source laboratoriumapparatuur en duizenden andere open hardwaresystemen. Daarnaast is er ook het delen van kennis allerhande, zoals open wetenschap tegenover het peperduur verkopen van academische artikels door privé-uitgeverijen.

… gedomineerd door het kapitalisme

Maar net als de deeleconomie waarvan eerder sprake, wordt ook de commonseconomie volop “gerecupereerd” door het kapitalisme, hoewel “gebruikt” me een beter woord lijkt in deze context, want er is hier toch iets anders aan de hand. We krijgen namelijk een model waarbij bedrijven die elkaar beconcurreren op de markt, wel samen bouwen aan een commons. Als toemaatje krijgen ze er de bijdragen bij van vrijwilligers die voor allerhande redenen gratis bijdragen tot het gemeengoed. Neem open software. Ongeveer 75% van de programmeurs die bijdragen tot Linux, worden betaald door grote bedrijven zoals IBM en Red Hat, die net als Google, Intel, HP, Samsung, Cisco enzovoort de Linux Foundation financieren. Waarom? Omdat het stukken goedkoper en efficiënter is Linux te helpen ontwikkelen dan eigen software te ontwikkelen. Voor hen is Linux een goedkope grondstof die ze kunnen gebruiken om andere diensten aan te bieden op de markt, meestal het maken van een gebruiksvriendelijke versie op maat van hun klanten, maar ook onderhoud, training, consultancy, enzovoort.

Laten we een voorbeeld nemen uit de open hardware. Alles wat de mens maakt, moet eerst ontworpen worden. Er komen meer en meer ontwerpen tot stand door open en transparante samenwerking van bijdragers via het internet. Het internet wordt naast een goedkoop communicatie- en coördinatiemiddel dus ook meer en meer een universeel productiemiddel. Tegelijk vervaagt de grens tussen (digitaal) ontwerp en geautomatiseerde productie. Machines zijn immers gekoppeld aan computers. Voeg daaraan toe dat na de miniaturisering van de computer ook de miniaturisering van machines aan de orde van de dag is, waarbij je “meer kunt doen met minder”, en je ziet meteen het potentieel dat zich opent om ons maatschappelijk en economisch model volgens volledig andere lijnen te gaan ordenen. Maar dat kan alleen als we ons organiseren en bewust modellen ontwikkelen die dat ook in de praktijk brengen. Want tot op heden, zwaait het kapitaal nog altijd de scepter, ook in de wereld van de commons.

Je hebt immers nog altijd kapitaal nodig om iets te produceren: een fysische ruimte, grondstoffen en arbeid. Je verlaat de digitale, postkapitalistische wereld van de overvloed en betreedt in zekere zin weer de wereld van arbeid en kapitaal. Maar ook binnen dat kader heb je de keuze welk soort van organisatie je hiervoor opricht. Een coöperatieve is hier ongetwijfeld de meest geschikte bedrijfsvorm omdat haar eigendom- en beheermodel het best aansluit met de peer-to-peer waardecreatie in de commons. Omdat jonge ondernemers vaak niet vertrouwd zijn met het coöperatieve model, domineren durfkapitalisten (venture capital) die torenhoge rendementen terugeisen voor hun investering logischerwijze nog altijd de open hardwaregemeenschappen, hoewel we oog moeten hebben voor de oprukkende fablabs, hackerspaces, co-working spaces en makerspaces die vaak ondersteund door lokale overheden, scholen of universiteiten, en ook via crowdfunding.

Sociale ondernemers

Het is belangrijk hier een punt te maken over sociale ondernemers. Klassiek links haalt vaak de neus op voor ondernemers omdat ze die onterecht vereenzelvigen met “kapitalisten”. De woorden “sociaal” en “ondernemen” vinden ze een contradictio in terminis. Bovendien schieten veel politici van groene en sociaaldemocratische partijen die ondernemers omarmen (zonder evenwel een onderscheid te maken in de aard en de grootte van de bedrijven) tegelijk op de vakbonden die ze bestempelen als “conservatief”. Ze behoren historisch tot de neoliberale strekking (gelukkig op zijn retours) die de derde weg van Blair voorstaat. Maar stel je in de schoenen van een jonge ingenieur die de wereld wil verbeteren. Geloof me, ze zijn niet in de minderheid. Zo wilt 98 procent van afgestudeerde ingenieurs in Finland duurzaam ontwerpen. Alleen… als ze het geluk hebben een baan te vinden in een klassiek bedrijf, moeten ze zorgen voor ingeplante slijtage. Het alternatief is zich aansluiten bij een open hardwaregemeenschap en proberen zelf of met vrienden een bedrijfje op te starten. Als je bijdragen levert voor een open ontwerp, is er immers geen enkel reden om slijtage in te plannen. Je probeert een product zo goed mogelijk te ontwerpen.

De laatste jaren zien we meer en meer jongeren die ecologische en maatschappelijke problemen willen oplossen door zelf een bedrijf op te starten. Maar ook mensen die al jaren voor traditionele bedrijven werken, stappen voor allerhande redenen uit de ratrace en gaan zelf een sociale bedrijfsactiviteit beginnen die goed is voor de samenleving en die hun eigen leven veel meer zin geeft. Het is juist dat we hier vaak te maken hebben met een geprivilegieerde groep, maar dit fenomeen illustreert toch een uittocht uit het bestaande systeem, zowel vrijwillig als gedwongen.

Alleen… je moet natuurlijk wel geld verdienen om te overleven. Het grootste probleem vandaag is dat de commons, die een steeds grotere plaats innemen in de kapitalistische economie, nog steeds ondergeschikt zijn aan het overheersende model en alleen collectief reproduceerbaar zijn maar niet individueel. Wat bedoel ik daarmee? Als individu kan je tijdelijk gratis bijdragen tot commons (als je student bent, werkloos, of in je vrije uurtjes), maar je kan dat niet blijven doen. De commons blijven echter collectief overleven omdat er steeds nieuwe mensen bijkomen die bijdragen leveren, terwijl anderen wegvallen.

Nieuwe bedrijfsmodellen

De vraag van een miljoen is dus: hoe kunnen we bedrijfsmodellen ontwikkelen die het de commoners (bijdragers tot commons) mogelijk maakt om in hun levensonderhoud te voorzien? Gelukkig is dit geen theoretische vraag aangezien er volop aan deze modellen wordt gewerkt. Met andere woorden, er bestaan reeds ethische bedrijven die samen een commons produceren, zoals Enspiral, een jong bedrijvennetwerk dat Loomio (een samenwerkingssoftware) en Co-Budget (een app om democratische investeringsbeslissingen te nemen binnen het netwerk) heeft ontwikkeld en “Stuff that Matters” als baseline heeft. Het initiatief ontstond in Nieuw-Zeeland, maar het netwerk groei als kool en de open software Loomio is inmiddels uitgegroeid tot een zelfstandig bedrijf (een coöperatieve in eigendom en zelfbeheer van de werknemers) binnen het Enspiral netwerk, met wereldwijde vertakkingen.

Ik geef deze voorbeelden mee om ons verhaal wat concreter te maken zodat de verhaallijn duidelijker wordt. Wij denken namelijk dat er een nieuwe economie in wording is rond de commons. Deze economie wordt inderdaad gedomineerd door het kapitaal, maar veroorzaakt binnen het kapitalisme een waardecrisis: de geproduceerde gebruikswaarde groeit exponentieel, maar de gerealiseerde marktwaarde stijgt slechts lineair en wordt grotendeels “opgevangen” door het kapitaal. Maar naarmate het kapitaal investeert in peer-to-peer-netwerken en commons, versterkt ze die tegelijk en maakt aldus het potentieel alternatief sterker. Vroegere systeemovergangen vonden op dezelfde lijnen plaats: het oude systeem maakt gebruik van het nieuwe systeem om zijn bestaan te rekken, maar versterkt daardoor het nieuwe systeem tot een punt wordt bereikt waarop het nieuwe systeem kan doorbreken en dominant worden.

Vandaag wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe bedrijfsmodellen, vaak coöperatieven, die commons voortbrengen en tegelijk in het levensonderhoud voorzien van de coöperanten. Ook wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe manieren om de waardecreatie binnen de commons te registreren (open boekhouding) en die te koppelen aan vergoedingen voor de commonors indien de projecten marktwaarde realiseren. Er ontstaan ook nieuwe solidariteitsmechanismen, zoals de broodfondsen in Nederland, een sociaal zekerheidssysteem op minischaal voor “zzp-ers” (zelfstandigen zonder personeel, hier meestal freelancers genoemd). Zo zie je dat de mutualiteiten van de vroege arbeidersbeweging vandaag nog eens dunnetjes overgedaan door mensen die buiten de mazen van het sociale zekerheidssysteem vallen.

Ook de nieuwe coöperatieven die wereldwijd groeien als kool brengen de hoogdagen van de arbeidersbeweging in herinnering. Ook zij probeerden het nieuwe te bouwen binnen het oude, maar streefden vooral naar het veroveren van de politieke macht om de economie gradueel (door hervormingen) of min of meer volledig (door revolutie) via de staat over te nemen. De traditionele coöperatieven werden echter grotendeels weggeconcurreerd door multinationals die over meer kapitaal beschikten en dankzij schaalvoordelen goedkopere producten konden op de markt brengen. Coöperatieven die overleefden, konden dit alleen door zich net te gedragen als kapitalistische bedrijven waardoor ze op de duur nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren. Toch kan de historische arbeidersbeweging een grote inspiratiebron zijn voor de open source- en commonsbeweging. Alleen is haar heroïsche geschiedenis gedurende de laatste decennia (en zelfs langer) grotendeels ondergesneeuwd door bureaucratisering en incorporatie binnen de staat.

Kloof tussen precariaat en salariaat dichten, niet aanwakkeren

Dat laatste verklaart waarom veel jongeren die zich wel als een vis in het water voelen in de open source- en commonsbeweging, zich niet herkennen in de huidige arbeidersbeweging. Deze laatste is dan weer al decennia in een defensieve strijd verwikkeld voor het behoud van sociale verworvenheden en vindt moeilijk aansluiting bij jongeren die opgroeien in een tijd waarin het oude sociale contract meer en meer wordt opgeblazen voor de nieuwe generatie. Sommigen concluderen daaruit dat de klassenstrijd moet wijken voor een generatiestrijd. Niet het falend systeem is verantwoordelijk, wel de oudere generatie die de rijkdom heeft opgesoupeerd waardoor er niks meer overblijft voor de jeugd . Hoewel minder brutaal (hoewel…) lijkt dit de redenering die ook economiefilosoof Rogier De Langhe volgt in zijn recente columns. Rogier geeft toe dat er een systeemcrisis is, maar vindt dat “wij daar allemaal samen” voor verantwoordelijk zijn. Zoiets kan je natuurlijk alleen maar beweren als je de klassennatuur van onze samenleving ontkent. Maar zelfs dan is het hallucinant om het volgende te beweren: ”Zoals in 2008 bleek dat bankiers niet hadden kunnen weerstaan aan de ‘hebzucht’, zo blijkt vandaag dat ook de vakbonden te ver gingen. Ze verwierven meer rechten dan duurzaam over de generaties heen konden worden voorzien. Zelfs de banksters waagden het niet het land plat te leggen uit protest tegen het instorten van het kaartenhuisje dat ze zelf hadden gebouwd.” (De Morgen van 25 mei 2016: Waarom betogers op bankiers lijken”)

Rogier vindt de vakbonden blijkbaar nog erger dan de banksters. Hij pleit wel voor meer solidariteit, maar dan wil binnen de groep van “have nots”: “Ik droom van een herverdeling van sterk naar arm, in plaats van van niet-gesyndiceerd naar gesyndiceerd en van ongeboren naar vandaag.” Dat er in de afgelopen dertig jaar 10 procent van het BNP verschoven is van Arbeid naar Kapitaal is bijzaak, want “De bedragen waar het om gaat, zijn zo gigantisch dat een vermogensbelasting weinig verschil maakt. Zeker in een land als het onze illustreert het discours over de 1 procent vooral dat het makkelijker is de schuld bij een externe vijand te zoeken, dan bij onszelf.”

Er bestaat ongetwijfeld een spanningsveld tussen de klassieke arbeidersklasse die bestaat uit (vaak oudere) werknemers die in een hiërarchisch verband voor een bedrijf werken, en de nieuwe klasse van precaire en autonome werkers die rechtstreeks voor de markt (moeten) werken. Dat kan gedwongen zijn omdat ze geen werk vinden, maar velen doen het ook vrijwillig, ook uit sociale bewogenheid. Die groep gebruikt het internet en de commons voor het opzetten van nieuwe solidariteitsmechanismen. Op dat vlak speelt Smart.be in België een voortrekkersrol. We hebben de vakbonden al vaker op de korrel genomen omdat ze deze groeiende groep precaire werkers rechts laten liggen (in Nederland is binnen het FNV al geruime tijd een fel debat aan de gang). We moeten bruggen bouwen tussen precaire en “beschermde” werknemers, niet door de rechten van de ene groep af te bouwen ten voordele van de andere, maar om samen te ijveren voor een maatschappij die eerlijkere, democratischer en meer gelijk is dan de huidige. Helaas drijft Rogier de tegenstelling tussen beide groepen op de spits en door ongenadeloos de vakbonden te viseren in hun verzet tegen de regeringsmaatregelen, staat hij objectief gezien natuurlijk 100 procent aan de kant van de regering die hij in zijn columns nooit op de korrel neemt.

De commons als nieuw bindmiddel in een positief transitieverhaal

Maar goed, terug naar mijn verhaal. Wat in het oude verhaal van de arbeidersbeweging ontbrak, was een nieuwe manier om waarde te creëren en te herverdelen, die bovendien superieur is aan het oude model. Vandaag bestaat deze nieuwe productiewijze wel. In het oude verhaal versloeg groot klein. Altijd. Vandaag kan een netwerk van veel kleintjes groot verslaan. Denk aan Linux en Wikipedia. De nieuwe platformbedrijven of “netarchische” kapitalisten (kapitalisten die heersen over het netwerk), zijn nog piepjong (Google is 20 jaar oud, Facebook 12, Uber 6) maar hebben in een mum van tijd de wereld veroverd. De vraag is hoe duurzaam die bedrijven zijn op langere termijn, gezien hun parasitair karakter en het feit dat de waarde die ze onttrekken uit menselijke samenwerking niet terugvloeit naar de mensen die deze waarde creëren.

Er bestaat volgens mij geen uniforme formule om deze bedrijven aan te pakken. Sommigen kunnen op termijn weggeconcurreerd (of weg”samengewerkt”) worden door nieuwe, coöperatieve modellen, op voorwaarde dat deze globaal opgeschaald worden (samenwerking in wereldwijde netwerken). Zowel de overheid als de traditionele organisaties van de arbeidersbeweging kunnen daarin een stimulerende rol spelen. Anderen zoals Google of Facebook worden best “openbare nutsbedrijven”, zoals destijds de spoorwegen en de elektriciteitsbedrijven. Natuurlijk zijn deze privéplatformen wereldwijd actief, maar ze zijn wel ingebed in een staat (meestal de VS) waarbinnen een politieke strijd kan gevoerd worden om ze om te turnen in door stakeholders beheerde nutsbedrijven (geen traditionele staatsbedrijven dus). Buiten de VS kunnen en worden ze via regulering meer aan banden gelegd, hoewel de resultaten nog niet spectaculair te noemen zijn (bv. Europa versus Facebook en Google).

Om te resumeren, wil ik de volgende stellingen poneren:

De commons kunnen het bindmiddel zijn van een nieuwe progressieve beweging
De drie groepen die mondiaal actief zijn in transitiebewegingen (rond ecologie, solidariteit en open source) moeten elkaar beter leren kennen en meer gaan samenwerken

Tegelijk kan geijverd worden voor een commons-transitieprogramma dat streeft naar een nieuw economisch-maatschappeijk paradigma dat steunt op drie pijlers:
Een productieve civiele maatschappij van burgers die vrijwillig bijdragen tot commons
Een ethische bedrijvencoalitie rond deze commons
Een nieuw overheidsmodel waarbij de overheid optreedt als partnerstaat die peer-productie van vrije burgers faciliteert en ondersteunt (met geld, infrastructuur, onderwijs etc.) Deze staat vervangt de welvaartsstaat niet, maar overstijgt ze. Strijden tegen de afbouw van de welvaartsstaat blijft dus 100 procent een progressieve strijd.

Daarnaast dringt zich een herlocalisering op van de productie in microfabrieken die eveneens wereldwijd genetwerkt zijn en aldus een tegengewicht kunnen bieden op transnationaal niveau tegenover de multinationals. Op die basis kunnen we de ecologische crisis bezweren (duurzame lokale energiecoöperatieven aangesloten op een smart grid, drastische vermindering van transport- en energiekosten, transparante aanvoerketens ten dienste van een circulaire economie waardoor het generatief vermogen van de planeet volledig wordt hersteld etc.)

Voor meer info:

P2P Foundation
Enspiral
Jean Lievens

Verander alles – De Broeikas

Oorspronkelijke tekst hier

Een project dat volop experimenteert met andere, nieuwe manieren van duurzamer leven zonder winstbejag centraal te plaatsen, dat is De Broeikas. Centraal ijkpunt is de terugkeer naar de rust, naar een vertragen, verstillen en verdiepen. De Broeikas verzet zich zo radicaal tegen de rushes van het dagelijkse leven en probeert vertrekkende vanuit kunst, cultuur en wetenschap een alternatief te bieden dat deint op het ritme van de natuur.

De stuwende geesten achter De Broeikas willen het anders doen. Omdat het kan, zowel sociaal als ecologisch. Ze verbinden en verzamelen mensen en initiatieven die geloven in een warme en begripvolle samenleving. Daar waar mogelijk, willen ze deze mensen soigneren, een forum geven en ruimte bieden. Dat alles met de bedoeling innovatieve coalities te smeden richting een vernieuwd samenleven. De Broeikas is prettig en verrijkend samenwerken, coöperatief en anders. Want waar kiemen kansen krijgen, kan synergie ontstaan en wordt innovatie mogelijk.

Het project De Broeikas is gesitueerd in de grote schuur van een oude beschermde vierkantshoeve in Neervelp, waar recent De Kaasdroger ingericht werd, een cohousingproject voor vier gezinnen. Via De Broeikas willen de bewoners hun woonproject openstellen voor andere participanten en geïnteresseerden. De Broeikas wil een labo zijn voor een andere wereld, een wereld waarin mensen gewone en gedurfde dingen uitproberen, op weg naar een andere, meer duurzame wereld. Daartoe hebben ze een coöperatie opgericht met ondertussen al 85 coöperanten.

Geïnteresseerden kunnen intekenen op aandelen om zo het project verder te steunen en mede-eigenaar van de schuur en haar activiteiten te worden. De organisatie wordt echter niet gestuurd door winst. Wie tekent voor een aandeel, tekent niet voor een financiële maar wel voor een sociaal-groene return. Het project van De Broeikas sluit zo naadloos aan het concept van de “WEconomy”, een filosofie die vol passie gepromoot wordt door Michel Bauwens, een Vlaming die wereldwijd bekend werd door zijn gedachtegoed over de peer-to-peereconomie.

Meer weten over De Broeikas of interesse om coöperant te worden?

De tien geboden van peer-productie en de commons-economie

Originele tekst eerder gepubliceerd op de blog van de P2P Foundation en Wired

Voor een vrije, eerlijke en duurzame productiewijze en waardecreatie

Michel Bauwens, Berlijn, Oktober 23, 2015, voor de “Uncommons conferentie”

Zoals we elders probeerden aan te tonen, heeft het ontstaan van op commons gerichte peer-productie een nieuwe logica in het leven geroepen voor de samenwerking tussen open productieve gemeenschappen die gedeelde hulpbronnen (commons) creëren aan de hand van bijdragen, en marktgerichte entiteiten die toegevoegde waarde creëren bovenop of langs deze gedeelde commons.

Deze tekst handelt over ontluikende praktijken die een inspiratiebron kunnen zijn voor de nieuwe entiteiten van de ethische economie. De belangrijkste doelstelling is het creëren van nieuwe entiteiten die de traditionele bedrijfsvormen met hun winstmaximaliserende praktijken van waarde-extractie overstijgen. In plaats van extractieve kapitaalvormen hebben we generatieve vormen nodig die waarde co-creëren met en voor de commoners.

Voor de verklaring van de nieuwe praktijken, gebruik ik dezelfde formule als die van de Tien Geboden. Ze bestaan reeds allemaal onder verschillende gedaanten, maar moeten nog veralgemeend en geïntegreerd worden. Wat de wereld, de mensheid en alle wezens die de invloed ondergaan van onze activiteiten nodig hebben, is een productiewijze en productieverhoudingen die zowel vrij, eerlijk als duurzaam zijn.

Open en vrij

1. Gij zult open bedrijfsmodellen gebruiken die steunen op gedeelde kennis.

Gesloten bedrijfsmodellen zijn gebaseerd op artificiële schaarste. Hoewel kennis een niet- of zelfs anti-rivaliserend goed is waarvan de gebruikswaarde toeneemt naarmate het meer wordt gedeeld, en hoewel het in digitale vorm gemakkelijk kan gedeeld worden tegen zeer lage marginale kost, creëren veel extractieve bedrijven opzettelijk artificiële schaarste om rente te kunnen onttrekken aan het creëren of het gebruik van gedigitaliseerde kennis. Via legale onderdrukking of technologische sabotage worden goederen die natuurlijk kunnen worden gedeeld kunstmatig schaars gemaakt om extra winsten te genereren.

Dat is hemeltergend in een context waarin technische kennis in staat is levens te redden en de planeet te helen. Het eerste gebod is daarom het ethische gebod om te delen wat kan worden gedeeld, en om alleen marktwaarde te creëren bij hulpbronnen die schaars zijn, en toegevoegde waarde te creëren bovenop of langs deze commons. Open bedrijfsmodellen zijn marktstrategieën die gebaseerd zijn op de erkenning van natuurlijke overvloed en de weigering om een inkomen te genereren door die kunstmatig schaars te maken.

Meer informatie (in het Engels) is te vinden hier

Eerlijk

2. Gij zult werken via open coöperatieven

Er worden veel meer nieuwe ethische en generatieve entiteiten opgericht die meer in harmonie zijn met de uit bijdragen gecreëerde commons. De sleutel hierbij is om te kiezen voor postbedrijfsvormen die toelaten dat de bijdragende commoners in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

Vooral open coöperatieven komen hiervoor in aanmerking. Ze hebben de volgende kenmerken:

1. Ze zijn doelgericht en hebben een sociale doelstelling die verbonden is aan de creatie van gedeelde hulpbronnen
2. Ze worden beheerd volgens een multi-stakeholdermodel, waarbij iedereen betrokken wordt die beïnvloed wordt door de werkzaamheden of bijdragen levert tot de betrokken activiteit
3. Ze verbinden zich statutair en volgens hun eigen regels met de productieve gemeenschappen voor het co-creëren van commons.

Ik voeg daar vaak nog een vierde voorwaarde aan toe, namelijk dat ze organisatorisch een globale visie hebben ten einde een tegenmacht te kunnen creëren tegenover de extractieve multinationals.

Coöperatieven zijn maar één van de potentiële vormen die commons-vriendelijke marktentiteiten kunnen aannemen. We zien ook de opkomst van meer open entiteiten zoals neo-tribale vormen (denk aan de werkwijze van de gemeenschap rond Ouishare), of meer strak georganiseerde nieuwe modellen zoals Enspiral.org, Las Indias of de Ethos Foundation. Een nog opener vorm is het soort van netwerk waarvoor de gemeenschap rond de open wetenschappelijke hardware Sensorica heeft gekozen. Ze wil de bijdragen strakker koppelen aan de gegenereerde inkomsten door alle microtaken in het beloningssysteem toe te laten aan de hand van open value accounting of contibutory acccounting (verder meer hierover).

Gij zult hierover meer informatie (in het Engels) vinden hier

3. Gij zult gebruik maken van Open Value Accounting (“open-waarde-boekhouding”) of Contibutory Accounting (“bijdragende boekhouding”)

Peer-productie is gebaseerd op vrije, gedistribueerde taken van bijdragers die werken binnen een samenwerkingsinfrastructuur gedreven door een open gemeenschap. De traditie van een baan met vaste taakbeschrijving in ruil voor een salaris is allicht niet de meest aangewezen manier om de bijdragers tot dergelijke processen te belonen. Vandaar de geboorte van de open-waarde-boekhouding of bijdragende boekhouding, een praktijk die al bestaat bij Sensorica. Het systeem bestaat erin dat elke commoner bijdragen kan leveren, ingelogd naargelang een projectnummer, en ‘karmapunten’ krijgt na een peer-evaluatie. Als er inkomsten worden gegenereerd, dan vloeien die naargelang de gewogen bijdragen, zodat elke commoner op een eerlijke manier wordt vergoed. Bijdragende boekhouding of andere gelijkaardige oplossingen zijn belangrijk om te vermijden dat enkel een beperkt aantal bijdragers die dichter bij de markt staan zich alle waarde die door een veel grotere gemeenschap werd gecreëerd, zouden toe-eigenen. Open boekhouding verzekert een transparante (her)verdeling van de waarde voor alle deelnemers.

Gij zult meer informatie (in het Engels vinden hier

4. Gij zult een eerlijke verdeling van gemeenschappelijk gecreëerde waarde verzekeren via CopyFair Licenties

De copyleft licenties laten iedereen toe om de noodzakelijke kenniscommons te hergebruiken, op voorwaarde dat elke verandering en elke verbetering aan dezelfde commons wordt toegevoegd. Dat is een groot voordeel, maar we mogen daarbij de noodzaak tot eerlijkheid niet uit het oog verliezen. Wanneer we overgaan tot fysieke productie die middelen vergt voor gebouwen, grondstoffen en lonen, zien we dat een dergelijke licentie de onbeperkte commerciële exploitatie van de commons door extractieve modellen in de hand werkt. We moeten dus verzekeren dat het delen van kennis behouden blijft, maar wederkerigheid vragen voor de commerciële exploitatie van de commons zodat er een gelijk speelveld ontstaat voor de economisch ethische spelers die de sociale en ecologische kosten internaliseren. Dit wordt bewerkstelligd door copyfair licenties die wederkerigheid vragen in ruil voor het recht op commercialisering, met behoud van het volledig delen van de kennis.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie vinden hier

5. Gij zult solidariteit bedrijven en de levens- en werkrisico’s verminderen via commonfare-praktijken

Aangezien een van de grote gevolgen van de financiële en neoliberale globalisering de geleidelijke verzwakking van de macht van nationale staten is, bestaat er vandaag een sterke en geïntegreerde poging om de solidariteitsmechanismen, ingebed in het model van de welvaartsstaten, terug te schroeven. Zolang we de macht niet hebben om het tij te doen keren, is het noodzakelijk dat we substantiële gedistribueerde solidariteitsmechanismen heropbouwen, een praktijk die we “commonvaart” (versus welvaart) kunnen noemen. Voorbeelden als het Broodfonds (Nederland), Friendsurance (Duitsland) en de “health sharing ministries” (U.S.), of coöperatieve entiteiten zoals Coopaname in Frankrijk laten nieuwe vormen van gedistribueerde solidariteit zien die kunnen worden ontwikkeld om ons te beschermen tegen levens- en werkrisico’s

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

Duurzaam

6. Gij zult open en duurzame ontwerpen gebruiken voor een open source circulaire economie

Productieve open gemeenschappen verzekeren maximale participatie via modulariteit en granulariteit. Omdat ze opereren in een context van gedeelde en overvloedige middelen, is de praktijk van geplande slijtage -die geen fout is maar een kenmerk van winstmaximaliserende bedrijven- volledig vreemd aan hen. Ethische ondernemersentiteiten zullen daarom deze open en duurzame modellen gebruiken en duurzame goederen en diensten produceren.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

7. Gij zult verder gaan dan uitsluitend te steunen op onvolkomen prijssignalen van de markt en overgaan tot wederzijdse coördinatie van de productie via open aanvoerketens en open boekhouding.

Wat besluitvorming is voor planning en het prijsmechanisme voor de markt, is wederzijdse coördinatie voor de commons.

We zullen nooit komen tot een duurzame ‘circulaire economie’ waarbij de output van het ene productieproces gebruikt wordt als de input voor een ander, als we gesloten aanvoerketens gebruiken en als elke samenwerking onderworpen is aan pijnlijke onderhandelingen in een weinig transparante omgeving. Maar ondernemingscoalities die reeds onderling afhankelijk zijn door hun bijdragen aan collaboratieve commons kunnen ecosystemen van samenwerking creëren aan de hand van open aanvoerketens waarin de productieprocessen transparant worden en waarbij elke participant zijn gedrag kan aanpassen gebaseerd op de beschikbare kennis binnen het netwerk. Overproductie doet zich niet voor wanneer de werkelijke productie van het netwerk algemene kennis wordt.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

8. Gij zult cosmo-lokalisering bedrijven

Als het licht is, is het globaal, als het zwaar is, is het lokaal: dit is het nieuwe principe van commons gebaseerde peer-productie, waarbij kennis wereldwijd wordt gedeeld maar de productie kan plaatsvinden op basis van de vraag en gebaseerd op werkelijke noden via een netwerk van gedistribueerde co-working ateliers en microfabrieken. Sommige studies hebben aangetoond dat tot tweederden van de grondstoffen en energie niet naar de productie gaan, maar naar transport. Dit is duidelijk onhoudbaar. Een terugkeer naar plaatselijke productie via herlocalisering is een voorwaarde sine qua non voor de overgang naar duurzame productie.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier
http://p2pfoundation.net/Category:Sustainable_Manufacturing

9. Gij zult fysieke infrastructuur wederzijds delen

Platformcoöperatieven, datacoöperatieven en fairshare-vormen van gedistribueerde eigendom kunnen worden aangewend om samen de productie-infrastructuur te bezitten.

De zogenaamde deeleconomie van Airbnb en Uber is verkeerd genoemd, maar toont niettemin het potentieel aan van middelen die anders niet zouden worden gebruikt. Co-working, skill-sharing, ride-sharing zijn voorbeelden van de vele manieren waarop we middelen kunnen delen en hergebruiken om de thermodynamische efficiëntie van onze consumptie dramatisch te verhogen.

In de juiste context van co-eigendom en co-governance, kan een echte deeleconomie gigantische voordelen opleveren op het vlak van een verminderd gebruik van hulpbronnen. Onze productiemiddelen, inclusief machines, kunnen wederzijds gedeeld worden, in eigen eigendom, door al degenen die de waarde creëren.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

10. Gij zult generatief kapitaal mutualiseren

Generatieve kapitaalvormen kunnen niet steunen op een extractief geldaanbod dat gebaseerd is op samengestelde interest verschuldigd aan extractieve banken. We moeten af van de 38% rente die in alle goederen en diensten vervat is en ons geldsysteem veranderen, en het gebruik van wederzijdse kredietsystemen substantieel verhogen.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

Vertaling Jean Lievens

Alles suggesties voor verbeteringen aan de vertaling welkom op [email protected]

Internationale coalitie roept op tot sterk Europees pakket voor de circulaire economie

Overgenomen van de website van Plan C, gepubliceerd op 25 mei 2015

Vandaag riep een internationale coalitie van organisaties, waaronder Plan C, met een manifest op tot een versterkt pakket voor de circulaire economie.

Het manifest dient als input vanuit een zakelijk perspectief op het vernieuwde pakket voor de circulaire economie. De tekst is gebaseerd op de obstakels die bedrijven tegenkomen bij circulair ondernemen. De circulaire economie biedt op Europees niveau perspectief op 2 miljoen nieuwe banen, een netto besparing voor bedrijven tot 600 miljard euro, en honderden miljoenen tonnen vermeden afval.

Leiderschap

Sterk overheidsbeleid is cruciaal voor het plukken van de vruchten van een circulaire economie. Dit vergt leiderschap en investeringen in circulaire innovatie. Het manifest roept de EU en de lidstaten op om op te treden als launching customer door duurzaam in te kopen. Ook pleit de coalitie voor doelstellingen voor onderhoud, reparatie, hergebruik, renovatie en cascadering naast de bestaande doelen voor afvalstorting en recycling.

Tot slot pleit het manifest voor de start van een circulair koploperprogramma en een flexibel mededingingsbeleid.

Economische prikkels

Om de doelstellingen te bereiken, vraagt het manifest om met economische prikkels de juiste randvoorwaarden te scheppen voor circulaire businessmodellen. Fiscale prikkels zijn hiervoor belangrijk. Dit kan onder andere bereikt worden door aanpassing van de Europese btw-regels om differentiatie op basis van circulariteit mogelijk te maken. Dit is belangrijk om de consument te stimuleren circulaire producten en diensten te kopen. In aanvulling daarop kan een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid producenten van circulaire producten voordelen bieden, terwijl tegelijkertijd aanzienlijk geïnvesteerd kan worden in een beter beheer van afval.

Breid bestaande maatregelen uit

De coalitie is voorstander van uitbreiding van de Ecodesign-richtlijn naar een richtlijn voor Circular Design. Bovendien vraagt het manifest om de voorzetting van onderzoeksprojecten rond circulaire economie.

Brede steun

Het manifest van De Groene Zaak, MVO Nederland en Circle Economy is ondertekend door Entreprendre Vert, Ecopreneur, Green Alliance, GreenBudgetEurope, INDR, l’Institut de l’Economie Circulaire, Plan C en UnternehmensGrün, die samen duizenden koplopende bedrijven in heel Europa vertegenwoordigen. Het bevat ook ondersteunende verklaringen van het European Environmental Bureau (EEB), ACR+ en Natuur & Milieu.

De Grote Transitie: Manifest voor een duurzame en solidaire economie

Overgenomen van “De Grote Transitie”
Bestaanszekerheid en genoeg banen door werk te verdelen. 100% duurzame energie. Schone productieprocessen die slim en zuinig omgaan met schaarse grondstoffen. Een lokale democratie waarbij mensen weer centraal staan. We hebben alles in huis om dit te verwezenlijken: de juiste kennis en technologieën, het geld, de instrumenten en de organisatiekracht. Wat houdt ons dan nog tegen?

Dat zijn vooral bestaande belangen en machten die krampachtig vasthouden aan hun positie en aan een economie gefixeerd op groei. Met zo min mogelijk regels en zoveel mogelijk winst door een zo laag mogelijke kostprijs. Sociale en ecologische kosten worden op de gemeenschap afgewenteld waardoor hele samenlevingen ontwricht raken en we een onleefbare wereld achterlaten.

Dat laten we zo niet doorgaan. We gaan de economie met mens en milieu in evenwicht brengen. De aantasting van het milieu ondergraaft de basis van het menselijk leven. Doordat de gevolgen daarvan meestal veel later voelbaar worden en dan grotendeels onomkeerbaar zijn, is de urgentie om nu maatregelen te nemen bijzonder groot.

Mens- en natuurwaarden
De visie achter De Grote Transitie gaat uit van kwaliteit en van welzijn, niet van alsmaar meer willen hebben. In deze visie staan mens- en natuurwaarden boven financiële waarden; geld is slechts een middel. Er is nu eenmaal veel meer van waarde dan we in geld kunnen uitdrukken. Daarom kiezen we voor een economie die binnen de grenzen van het milieu blijft en die niet van groei afhankelijk is. Een circulaire en regionale economie, waardoor we voor basisbehoeften als voedsel, energie en grondstoffen minder afhankelijk worden van een oncontroleerbare wereldmarkt. Een economie van eerlijk delen van kennis, werk en inkomen. Kortom, we kiezen voor een economie die in dienst staat van mensen en niet van munten.

Daarvoor zijn actieve burgers nodig die hun verantwoordelijkheid nemen. Burgers die samenwerken en in hun eigen leefomgeving, als consument, als klant van een bank en door hun levensstijl laten zien dat het anders kan. Die politici erop aanspreken om hún verantwoordelijkheid te nemen. Burgers kunnen veel in gang zetten, maar als de politiek niet meewerkt komen we niet uit de sociale en ecologische misère. We hebben politieke leiders nodig die macht op de markt terugveroveren en de invloed van (grote) bedrijven beperken. Leiders die het dogma van economische groei als doel op zich achter zich laten. Leiders die inzien hoe de ecologische crisis de bestaansgrond onder onze voeten wegslaat en die crisis bij zijn wortels durven aan te pakken.

Balans met de Aarde
De dwang om economisch alsmaar te groeien, een beperkt begrip van wat echte welvaart is; het zijn dezelfde krachten die achter de aanhoudende economische, sociale en ecologische problemen schuilgaan. Door die verwevenheid kunnen die problemen alleen in samenhang met elkaar worden aangepakt. Zo kan een ontspannen samenleving niet worden bereikt zonder herverdeling van werk en dat is alleen mogelijk als belasting verschuift: minder op arbeid, meer op vervuiling, gebruik van grondstoffen, winst en vermogen. Daardoor wordt de energietransitie vanzelf aantrekkelijker en komt ook de circulaire economie in zicht. Alleen als de economie weer in balans is met de Aarde, dienstbaar wordt aan de samenleving en de ongelijkheid afneemt, kan vertrouwen het winnen van de angst voor verandering. Platform Duurzame en Solidaire Economie laat zien welke tien veranderingen mogelijk én noodzakelijk zijn om die Grote Transitie tot stand te brengen. Als we daar allemaal aan bijdragen, dan komt die transitie er!

We zijn ons ervan bewust dat we in een geglobaliseerde wereld leven met sterke onderlinge afhankelijkheden. Die kunnen we ook vóór ons laten werken door nu met elkaar aan te pakken wat we in en vanuit Nederland en Europa kunnen doen. Zo laten we zien hoe we overal ter wereld kunnen werken aan een goed leven voor iedereen.

De terugkeer van de vooruitgang (en de waanzin van de groei)

Eerst verschenen in De Wereld Morgen op 18 mei 2015
door Lieven De Cauter

Open brief aan NV-A voorzitter Bart De Wever, Minister-president Geert Bourgeois, VLD partijvoorzitter Gwendolyne Rutten, rector Rik Torfs en alle andere vooruitgangsoptimisten: vooruitgang door groei is op dit moment in de geschiedenis pure, pure waanzin. De terugkeer van de vooruitgang als ideologisch kernwoord is totaal onverantwoord.

Het vooruitgangsgeloof, dat ontstond in de Verlichting en in 19de eeuw een soort basis werd voor het optimisme van de burgerij en via wereldtentoonstellingen tot en met expo ‘58 met veel poeha werd uitgedragen, had in de jaren tachtig van de vorige eeuw afgedaan. De Franse filosoof Lyotard bond de kat de bel aan en stelde vast dat de ‘grote verhalen over emancipatie en vooruitgang’ hun geloofwaardigheid hadden verloren. Er was nog wel groei en ontwikkeling, maar, zei hij, gezien alle catastrofale neveneffecten (van de Holocaust tot de atoombom, van het kolonialisme tot de opwarming van de aarde) durven we het geen vooruitgang meer noemen.

Verhofstadt & Slangen die een neus hadden voor tijdsgeest, vonden het aangewezen om de PVV, de ‘Partij voor Vrijheid en Vooruitgang’ van zijn oubollige naam te ontdoen en een facelift te geven: de ‘Vlaamse Liberale Democraten’ waren geboren.

Bruntland probeerde de kool en de geit te sparen door het magische, maar niets zeggende concept van duurzame ontwikkeling in de plaats te stellen van de kapitalistische vooruitgangsidee. Maar duurzame ontwikkeling is een holle frase gebleken en daarbovenop nog eens een contradictie in de termen: groei en duurzaamheid zijn onverzoenbaar gebleken.

Lees er alle statistieken over CO2-uitstoot maar op na. Maar je kan ook gewoon rondkijken: als alles en iedereen, zowel producten als mensen steeds meer de wereld rondvliegen, kan dat alleen maar leiden tot meer uitstoot. Richard Branson, die zwoer dat hij de wereld van de klimaatcatastrofe zou redden, heeft zijn Virgin-vloot en dus zijn uitstoot intussen vermenigvuldigd. De luchtvaartindustrie moet groeien, zoals de auto-industrie, de olie-industrie en de verpakkingsindustrie. En natuurlijk de wapenindustrie en beveiligingsindustrie (die doet gouden zaken: het ‘catastrofe-kapitalisme’ is in opmars). Kortom: vooruitgang door groei is onhoudbaar gebleken en duurzame ontwikkeling letterlijk een maat voor niets.

Nu, juist nu, is plots, out of the blue, de vooruitgangidee als politiek buzzword weer helemaal terug van weggeweest. Het werd het kernwoord van de N-VA campagnes: ‘Verandering voor vooruitgang’. En ook Gwendolyn Rutten laat zich, zoals bekend (en zoals onlangs nog in De Standaard [8 mei]), niet onbetuigd in haar enthousiaste geloofsbelijdenis aan de vooruitgang. En de vrijheid natuurlijk, ‘zolang die de vrijheid van anderen niet schaadt’. Laat me niet lachen, Gwendolyn. Het is om bij te wenen: laat uw liberale mantra eens los op Monsanto of de bootvluchtelingen en je zal zien hoe hol hij klinkt.

Al dat hernieuwde vooruitgangsgeloof is naïef, en dat is een understatement. We stevenen met quasi-wetenschappelijke zekerheid af op een catastrofale opwarming van de aarde: tot 6 graden Celsius meer tegen 2100 als de CO2 uitstoot onverminderd blijft groeien. Bij 6 graden opwarming is volgens wetenschappers niets meer zeker, niet eens het overleven van de menselijke soort.

Nu, net op dit moment in de geschiedenis, juist doordat die geschiedenis wordt opgevat als vooruitgang en dus groei, zijn we zeer risicovolle diepzee-olievoorraden, erg vervuilende tar sands aan het ontginnen en schaliegas aan het aanboren. Fracking is een ramp op zich. De Duitse Energiewende wordt een maat voor niets wegens het sterk gestegen gebruik van het bruinkool voor elektriciteitsproductie. En in China rijzen de steenkoolcentrales als paddenstoelen uit de grond. Net nu we al decennia weten dat het misgaat, begint het ‘tijdperk van de extreme energie’ (in de treffende termen van Naomi Klein).

De klimaatcatastrofe is begonnen. Maar onze politici blijven de wonderen van de groei en de vooruitgang bezingen. Ze zwaaien graag met statistieken maar blijven alle klimaatrapporten onverstoord naast zich neerleggen. Net zoals de journalisten van de economiebladzijden maar blijven schrijven alsof ze op letterlijk op een andere planeet leven. Die ‘lobotomie’ in de berichtgeving zou moeten worden aangepakt.

Zelfs de groenen blijven, in hun zoektocht naar het midden, zedig zwijgen. ‘Je moet de mensen een positief verhaal brengen’, weet je wel. Na 200 jaar optimisme misschien toch eens het geweer van schouder veranderen, nee? Ook onze goede rector Torfs heeft het nog altijd niet begrepen (DS 18 mei); hij gelooft ook nog altijd dat groei fantastisch is en herverdeling een miskleun. Hij gelooft zelfs dat nulgroei en herverdeling rampzalig zouden zijn. In zijn optimisme heeft hij duidelijk de natuur, die hij bezingt in zijn stuk, vergeten. Hooggeachte Heer Rector, Beste Rik, lees toch maar eens de rapporten van het IPCC (Of, als je durft: Naomi Klein’s This changes everything zal u uit uw slaap houden. Wedden?).

De hele politieke klasse en ook veruit de meeste academici (om van de captains of industry nog maar te zwijgen) zijn bezig aan een schandalig klimaat-negationisme, ja een schuldig verzuim van wereldhistorische proporties. Alle middelen zijn goed om hen op andere gedachten te brengen, de ‘klimaatzaak’ is er een van. Ik herhaal: alle middelen.

Vooruitgang kan vandaag de dag alleen transitie heten. Die overgang zal een radicale omslag moeten zijn om het allerergste te voorkomen. We hebben volgens wetenschappers nog een kleine tien jaar om onze CO2-uitstoot drastisch in te perken zodat we onder twee graden opwarming blijven, op zich al veel teveel.

Onderzoek aan Stanford heeft uitgewezen dat we perfect op zero CO2 kunnen overschakelen – we moeten alleen willen. We kunnen zonder kapitalisme – zal lastig zijn, want de belangen gigantisch – maar we kunnen niet zonder de biosfeer. Politici die vooruitgang door groei blijven bepleiten zijn wetenschappelijk en ethisch onverantwoord bezig. Ze hebben hun mond vol over onze kinderen en kleinkinderen (met name Minister-president Bourgeois), maar zijn minstens passief medeplichtig aan het vergiftigen van de biosfeer op massale schaal. De plotse terugkeer van de vooruitgang als politiek kernwoord is op dit moment in de geschiedenis totaal van de pot gerukt.

Aan allen: ‘Open uw ogen voordat de waanzin van de groei die van uw kleinkinderen sluit!’.

Rol van de overheid: samenwerken voor een innovatief materialenbeleid

GASTBLOG door Ann Crabbé en Inge Vermeesch – Steunpunt Duurzaam Materialenbeheer (SuMMa)
Verschenen op 10 december 2014 op Plan C

De overheid zet de laatste jaren vaker in op ‘transitiegovernance’: via samenwerking met tal van actoren innovatief beleid ontwikkelen. Dat vergt een andere rol van de overheid: we hebben meer nodig dan een klassieke sturende en controlerende overheid. Het Steunpunt Duurzaam Materialenbeheer (SuMMa) onderzoekt de rol van het beleid en doet aanbevelingen.

Sinds de eeuwwisseling zet de overheid vaker in op ‘transitiegovernance’. Deze aanpak is onder meer gericht op netwerken, uitwisselen van informatie en samenwerken met andere actoren zoals individuele burgers, commerciële bedrijven, sectororganisaties en kennisinstellingen, alsook informele groepen en non-profit organisaties.

Om op een collaboratieve manier beleid te ontwikkelen, is het belangrijk dat de diverse actoren samenwerken in gemengde netwerken. Het belangrijkste principe daarbij is dat zij – via een intensieve interactie, onderhandelingen, conflictbeheersing en reflectief leren – voortbouwen op nieuwe inzichten: over individuele en gedeelde doelen, over verschillende en gelijke perspectieven, en over gedeelde en conflicterende waarden.

Moeilijk te combineren logica’s

Uit ons onderzoek in het steunpunt SuMMa blijkt dat de transitiegovernance een aantal moeilijk te ontwijken valkuilen kent. Karakteristieken van transitiegovernance, die niet gemakkelijk te combineren zijn met de logica van zakelijk bestuur, zijn bijvoorbeeld: maatwerk vertrekkend vanuit bottom-up initiatieven, begeleiden in plaats van controleren, en wicked problems transversaal – over de grenzen van beleidsdomeinen heen – aanpakken.

In het kader van ‘accountability’ is de behoefte groot om resultaten te monitoren. Daardoor lijkt het belangrijker om de transitie top-down te kunnen sturen dan om ‘op maat’ in te spelen op de noden van de acties en de actoren.

In duurzaam materialenbeheer is de uitdaging om – naast duurzamer afvalmanagement – zowel veranderingen te realiseren in duurzame productie als duurzame consumptie. Toch zien we een overheid die vooral het regime wil veranderen en dus op de productiekant focust. Daardoor kan deze transitie moeilijk groeien vanuit niches en bottom-up initiatieven.

Daarnaast merken we dat de overheid toch vooral een hiërarchisch sturende rol opneemt, terwijl in transitiegovernance veeleer een hands-off aanpak wordt geadviseerd. Ondanks het dominante transitiegovernance discours blijft het in de praktijk moeilijk voor een overheid om los te laten. Daardoor dreigt ‘governance’ een modern synoniem voor ‘stakeholdermanagement’ te worden.

Tenslotte valt ons op dat transversaal werken zeker de doelstelling is van de overheid: zij heeft duidelijk de intentie om de verkokering tussen beleidsdomeinen actief te doorbreken via een proces van zoeken en aftasten, en door het actief opzoeken van de samenwerking. Maar ondanks deze inspanningen blijft het silodenken binnen de verschillende beleidsdomeinen groot.

Meerdere rollen opnemen en rollen meer delen

We zien de overheid twijfelen over de vraag of transitiegovernance de juiste, effectieve benadering is om de transitie naar een duurzaam materialenbeheer te realiseren, wat ertoe leidt dat ze soms teruggrijpt naar de voor haar klassieke rol van een sturende, hiërarchische overheid.

De suggestie die wij de overheid daarom meegeven, is om haar inspanningen om actoren bijeen te brengen rond de complexe problematiek van duurzaam materialenbeheer vol te houden. Daarin wordt ze idealiter politiek en maatschappelijk ondersteund. Het is belangrijk dat politici de administraties de ruimte geven om, desnoods legislatuuroverschrijdend, te experimenteren en te leren in de transitie naar duurzaam materialenbeheer.

De andere aanbeveling luidt om ‘contextgevoelig’ te werken via het besef dat er, naast de rol van netwerkregisseur, nog andere mogelijke rollen zijn voor een overheid (initiator, facilitator, catalysator, enabler…). Welke rol geschikt is, ligt niet vooraf vast, maar is afhankelijk van de situatie, de rollen die opgenomen worden door anderen, de fase van het project enz. De overheid neemt idealiter meerdere rollen op en wisselt deze naargelang de omstandigheden. Daarbij moet zij niet te terughoudend zijn om ook andere actoren de taak van facilitator, catalysator… te gunnen of toe te wijzen.

GoodPlanet Belgium: Leren duurzaam leven

GoodPlanet Belgium leert sinds 1997 jongeren en volwassenen duurzaam leven. 50 medewerkers en tientallen vrijwilligers uit alle hoeken van het land zetten hiervoor dagelijks hun knowhow en passie op het vlak van duurzame ontwikkeling in.

Sinds 1997 leert GoodPlanet Belgium, voorheen GREEN vzw, jongeren en volwassenen duurzaam leven. 50 medewerkers en tientallen vrijwilligers uit alle hoeken van het land zetten hiervoor dagelijks hun knowhow en passie op het vlak van duurzame ontwikkeling in.

GoodPlanet Belgium ontwikkelt en begeleidt projecten, vormingen en lespakketten rond alle duurzaamheidsthema’s (water, energie, mobiliteit, consumptie, natuur, groene jobs, …). Zo wil deze vzw zoveel mogelijk mensen hun weg naar duurzaamheid laten vinden in onze complexe maatschappij en hen helpen om bewuste keuzes te maken.

De organisatie richt zich daarbij in de eerste plaats naar kinderen en jongeren. Jaarlijks worden 8.000 scholen bereikt en sensibiliseren de educatief medewerkers meer dan 200.000 kinderen en jongeren. GoodPlanet Belgium profileert zich voortaan ook als partner voor ondernemingen die stappen willen zetten in de richting van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Ook andere doelgroepen, zoals verenigingen of openbare besturen, kunnen bij GoodPlanet Belgium terecht. Zo worden jaarlijks ook ruim 20.000 volwassenen bereikt.

In 2013 werd de naam GREEN vzw ingeruild voor GoodPlanet Belgium. Daarmee wordt deze organisatie de Belgische partner in het internationale netwerk GoodPlanet, opgericht door de bekende Franse cineast en fotograaf Yann Arthus-Bertrand. Deze samenwerking leidt tot een nieuwe synergie: een sterke boodschap om steeds meer mensen duurzaam te leren leven, geïllustreerd door indrukwekkend beeld- en filmmateriaal van Yann Arthus-Bertrand.

“We beleven het einde van het Romeinse Rijk. Dat geeft moed”

Een uitgebreid interview met Michel Bauwens in De Morgen van 11 oktober 2014 (Zeno-bijlage)

De westerse economie gaat om zeep, maar dat is juist geweldig nieuws. Eindelijk wat anders! Welkom in de wereld van Michel Bauwens (56), een filosoof die zo radicaal outside the box denkt, dat er in de verste verte geen box meer te bekennen valt.

Misschien kent u Michel Bauwens niet – en dat is dan erg jammer. Maar die ene onbekende Belg, waarvan u de naam alweer vergeten bent, die plots opdook naast Mahatma Gandhi en Martin Luther King in die lijst van honderd meest inspirerende personen van het Post Growth Institute, herinnert u zich die nog? Dat was Michel Bauwens.

De rest van het interview hier