Categorie archief: collaboratieve economie

12006159_10207424606596276_8552091078701843873_n

Niet de deeleconomie, maar de commonseconomie kan de wereld redden

door Jean Lievens
P2P Foundation Belgium

Eerst verschenen op De Wereld Morgen op 29 mei 2016 (blog Jean Lievens – originele tekst)

De deeleconomie staat steeds meer in de belangstelling, maar over de commonseconomie wordt helaas veel minder gesproken. Waarschijnlijk blijft dit voor velen te abstract, maar als we het hebben over de noodzaak van een transitie naar een duurzame economie en naar een meer rechtvaardige en democratische samenleving, dan is de commonseconomie wel de hefboom.

We leven in een verandering van tijdperk, gekenmerkt door economische en financiële crisissen, sociale onrust en politieke instabiliteit. Ons sociaale-conomisch systeem functioneert niet meer en “de politiek” draagt geen oplossingen aan. Anderzijds opent de technologische vooruitgang enorme mogelijkheden om de huidige ecologische, economische en sociale problemen op te lossen, maar binnen de oude structuren en denkschema’s werkt ze de financieel-economische en sociale crisis juist in de hand.

Er is veel sociaal verzet tegen de neoliberale tegen-hervormingen van de afgelopen jaren, maar vaak blijven protestbewegingen beperkt tot “tegen iets zijn” en is er een gebrek aan coherent alternatief. Ook klassieke linkse formules schijnen niet meer te werken of worden de nek omgedraaid binnen een vijandige internationale context, wat de Grieken aan de lijve mochten ondervinden.

Wel zijn overal in de wereld mensen actief betrokken in allerhande initiatieven om te bouwen aan een betere wereld. Velen hebben zich afgekeerd van de politiek en bouwen “het nieuwe binnen het oude”. Ze zijn actief op gebied van sociale rechtvaardigheid en solidariteit (vakbonden, coöperatieven, NGO’s, fairtradeorganisaties, noord-zuidbewegingen etc.), openheid en transparantie (open source beweging, open designgemeenschappen…) en duurzaamheid (circulaire economie, microfabrieken…).

Tussen deze verschillende groepen bestaat echter weinig interactie en ook binnen deze groepen is de fragmentatie vaak groot. Maar ze dragen wel de kiemen van een nieuw systeem, waarbij “de commons” het bindmiddel kan zijn. Een van de organisaties die hierbij een verbindende en katalyserende rol kan spelen, is volgens mij Hart boven Hard, zowel in haar hoedanigheid van netwerk als van beweging.

Maar laat ik eerst even beknopt de kern van het transitiemodel uitleggen dat de P2P Foundation voorstelt. Het boek De Wereld Redden bevat heel wat ideeën, maar vaak pikken mensen alleen dat eruit wat in hun kraam past. Om te beginnen hebben we nooit beweerd dat de “deeleconomie” de wereld zal redden, zoals Rogier De Langhe schrijft in een van zijn opiniestukken in De Morgen van 17 mei (Welke deeleconomie willen we?). In ons boek hebben we het over peer-to-peer, maar maken we een onderscheid tussen peer-to-peer marktplaatsen (waar de deeleconomie zich grotendeels afspeelt) en peer-productie van commons. Ons transitieverhaal steunt vooral op de tweede pijler.

De deeleconomie (alleen) zal de wereld niet redden

De deeleconomie zoals ze zich tot nu toe heeft ontwikkeld, wordt vooral gedomineerd door commerciële platformen die vraag en aanbod van markttransacties tussen individuen (denk aan de “gig”-jobs, het “delen” van autoritten tegen betaling, het verhuren van appartementen…) regelen via algoritmes en daar flink wat geld aan verdienen. De belangrijkste voordelen van deze modellen is dat ze voor de gebruikers vaak performanter en goedkoper zijn dan de traditionele modellen en dat ze zorgen voor een beter gebruik van de bestaande infrastructuur (het “deel”aspect) waardoor ze deel uitmaken van een noodzakelijke evolutie naar een meer duurzame economie.

Maar de keerzijde is ook niet mals: ze ontwijken allerhande wetgevingen waaraan de traditionele modellen wel aan moeten beantwoorden (sociale wetgeving, voorschriften inzake veiligheid en gezondheid etc.), ze investeren zelf niet in infrastructuur en wentelen alle risico’s af op degenen die hun platform gebruiken om geld te verdienen. Zelfs degenen die voor de vrije markt zijn en pleiten voor een gelijk speelveld, kunnen toch niet anders dan vaststellen dat we hier te maken hebben met oneerlijke concurrentie. Je kan dan twee zaken doen: ofwel het speelveld gelijkschakelen door deze platformen te onderwerpen aan dezelfde regels die gelden voor andere bedrijven, ofwel de regels voor andere bedrijven ook afschaffen. Dus hier pleiten we uiteraard voor klassieke regulering.

Alternatieven op commerciële platformbedrijven

Maar er zijn andere manieren om dergelijke kapitalistische platformen van antwoord te dienen. Laten we Uber nemen als voorbeeld. Zo heeft sharing city Seoel Uber ronduit verboden. Maar tegelijk ontwikkelde de stad wel een even gebruiksvriendelijk alternatief: een mobiliteitsapp op stadsniveau waarin de klassieke taxisector werd geïntegreerd. Vakbonden kunnen Uberchauffeurs organiseren en opkomen voor hun belangen (zo heeft Seattle onlangs Uberchauffeurs syndicale rechten verleend waardoor ze expliciet erkend werden als werknemers en niet als freelancers) of zelfs helpen met het opzetten van een coöperatieve die gebruik maakt van een eigen app. Zo gaan alle verdiensten naar de chauffeurs zelf en niet naar Silicon Valley. Op dat vlak zijn de initiatieven echter enorm versnipperd, want elke entiteit gebruikt andere open source applicaties en apps. Het komt er dus op aan om al deze mini-initiatieven te coördineren en te stroomlijnen binnen één netwerk.

Maar goed, we blijven hier nog altijd op het terrein van marktactiviteiten, het kopen en verkopen van diensten om geld te verdienen. Daar is niks mis mee, mensen moeten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Maar als er wordt samengewerkt rond één platform, beheerd door de stakeholders (dus niet alleen de chauffeurs , maar bijvoorbeeld ook de klanten en de overheid), dan wordt dit gemeenschappelijk platform wel de kern van de economische activiteit waaraan de marktactiviteit is ondergeschikt.

Er zijn natuurlijk ook tal van deelinitiatieven die een maatschappelijk doel voor ogen hebben, zoals autodelen op buurtniveau (vb. Dégage in Gent), of logies delen op wereldniveau (couchsurfing). Dit is de originele deeleconomie, die nog altijd bestaat én groeit, maar inmiddels in de media werd overschaduwd door Uber en Airbnb. Deze laatste is trouwens zelf begonnen binnen de reële deeleconomie, wat nog steeds vervat zit in de naam (air staat voor air matrass: het idee was een luchtbed in de living voor toeristen, in ruil voor een kleine deelname in de kosten). Met de intrede van venture capital werd het platform geprofessionaliseerd, er kwamen diensten bij (zoals een verzekering tegen vandalisme), maar bovenal vervoegden steeds meer professionele spelers het platform om appartementen te verhuren aan toeristen. Op die manier omzeilen ze stedenbouwkundige vergunningen en de wetgeving op hotels, jagen ze tegelijk de huurprijzen voor lokale bewoners omhoog en maken bepaalde buurten onleefbaar (denk aan Barceloneta in Barcelona). Tussen haakjes, het is ook belangrijk om op te merken dat alleen mensen die iets hebben iets kunnen ‘delen’ (lees verhuren). Een huurder mag meestal niet onderverhuren, ook niet via Airbnb.

De commonseconomie

Tot daar de “deeleconomie”. Wat echter veel belangrijker is in ons transitieverhaal, is de zogenaamde commons-economie en meer bepaald de creatie van commons van open software, kennis en design. Bekende commons zijn Linux, Wikipedia en Arduino, maar er bestaan duizenden andere voorbeelden. We hebben hier te maken met een postkapitalistisch model, omdat:

Het niet gebaseerd is op arbeid/kapitaal, maar op vrijwillige bijdragen
Het geen goederen of diensten voortbrengt om te verkopen op de markt (ruilwaarde), maar rechtstreekse gebruikswaarde die vrij beschikbaar is, in overvloed aanwezig, vrijwel kosteloos, oneindig reproduceerbaar en dus niet eens “vermarkt” kan worden.
Sommigen rangschikken ook deze commons onder de ‘deeleconomie’ omdat ze vrij beschikbaar zijn (en dus vrij kunnen ‘gedeeld’ worden), maar dan gooi je Uber en Wikipedia op één hoop, wat toch problematisch is. Om verwarring te vermijden is het dus aangewezen om bij elk project de volgende vragen te stellen:
wat is de hoofddoelstelling (maatschappelijk of winstgevend)?
wordt er gemeengoed gecreëerd dat vrij beschikbaar is?

Alleen in het twee geval spreken we van een commons-economie. Is de doelstelling maatschappelijk en wordt er gewerkt via een collectief deelplatform, dan is het deelplatform zelf de commons en kan je ook dit soort van deelinitiatieven tot de commons-economie rekenen. Gaat het om pure markttransacties, dan hebben we te maken met P2P marktplaatsen die strik genomen niets met delen te maken hebben, maar door deze platformen zelf en door de media wel als dusdanig genoemd worden, dus ik veronderstel dat we ermee moeten leven.

Een productiever model…

Het gemeenschappelijk creëren van open gemeengoed van kennis, softwarecode en allerhande ontwerpen blijkt in de praktijk veel sneller, efficiënter en productiever dan de traditionele (lees kapitalistische) manier om deze zaken voort te brengen. Sinds Wikipedia zijn papieren encyclopedieën alleen nog in tweedehandszaken verkrijgbaar. Wikipedia is gratis, wordt elke dag beter en volgt de actualiteit. Een paar minuten nadat de media hebben bericht over de dood van Prince, is de popster ook dood op Wikipedia. Open software is de norm binnen de softwarewereld geworden. Nasa, BMW, het CERN, het Witte Huis… gebruiken Linux, een software die vrij beschikbaar is voor iedereen. Er bestaan een dertigtal open source-auto’s (inclusief een open source zelfrijdende auto) die stuk voor stuk milieuvriendelijke en energiezuiniger zijn dan industriële wagens, alleen komen de banken niet met geld over de brug om de productie ervan te financieren, tenzij ten minste een deel van het ontwerp beschermd wordt door patenten. Tot nu toe lijkt LocalMotors, een semi-open source wagen die in een microfabriek via 3D printing kan worden geproduceerd het enige model dat ook economisch succesvol is. Maar er zijn ook open source robotten, open source landbouwmachines, open source laboratoriumapparatuur en duizenden andere open hardwaresystemen. Daarnaast is er ook het delen van kennis allerhande, zoals open wetenschap tegenover het peperduur verkopen van academische artikels door privé-uitgeverijen.

… gedomineerd door het kapitalisme

Maar net als de deeleconomie waarvan eerder sprake, wordt ook de commonseconomie volop “gerecupereerd” door het kapitalisme, hoewel “gebruikt” me een beter woord lijkt in deze context, want er is hier toch iets anders aan de hand. We krijgen namelijk een model waarbij bedrijven die elkaar beconcurreren op de markt, wel samen bouwen aan een commons. Als toemaatje krijgen ze er de bijdragen bij van vrijwilligers die voor allerhande redenen gratis bijdragen tot het gemeengoed. Neem open software. Ongeveer 75% van de programmeurs die bijdragen tot Linux, worden betaald door grote bedrijven zoals IBM en Red Hat, die net als Google, Intel, HP, Samsung, Cisco enzovoort de Linux Foundation financieren. Waarom? Omdat het stukken goedkoper en efficiënter is Linux te helpen ontwikkelen dan eigen software te ontwikkelen. Voor hen is Linux een goedkope grondstof die ze kunnen gebruiken om andere diensten aan te bieden op de markt, meestal het maken van een gebruiksvriendelijke versie op maat van hun klanten, maar ook onderhoud, training, consultancy, enzovoort.

Laten we een voorbeeld nemen uit de open hardware. Alles wat de mens maakt, moet eerst ontworpen worden. Er komen meer en meer ontwerpen tot stand door open en transparante samenwerking van bijdragers via het internet. Het internet wordt naast een goedkoop communicatie- en coördinatiemiddel dus ook meer en meer een universeel productiemiddel. Tegelijk vervaagt de grens tussen (digitaal) ontwerp en geautomatiseerde productie. Machines zijn immers gekoppeld aan computers. Voeg daaraan toe dat na de miniaturisering van de computer ook de miniaturisering van machines aan de orde van de dag is, waarbij je “meer kunt doen met minder”, en je ziet meteen het potentieel dat zich opent om ons maatschappelijk en economisch model volgens volledig andere lijnen te gaan ordenen. Maar dat kan alleen als we ons organiseren en bewust modellen ontwikkelen die dat ook in de praktijk brengen. Want tot op heden, zwaait het kapitaal nog altijd de scepter, ook in de wereld van de commons.

Je hebt immers nog altijd kapitaal nodig om iets te produceren: een fysische ruimte, grondstoffen en arbeid. Je verlaat de digitale, postkapitalistische wereld van de overvloed en betreedt in zekere zin weer de wereld van arbeid en kapitaal. Maar ook binnen dat kader heb je de keuze welk soort van organisatie je hiervoor opricht. Een coöperatieve is hier ongetwijfeld de meest geschikte bedrijfsvorm omdat haar eigendom- en beheermodel het best aansluit met de peer-to-peer waardecreatie in de commons. Omdat jonge ondernemers vaak niet vertrouwd zijn met het coöperatieve model, domineren durfkapitalisten (venture capital) die torenhoge rendementen terugeisen voor hun investering logischerwijze nog altijd de open hardwaregemeenschappen, hoewel we oog moeten hebben voor de oprukkende fablabs, hackerspaces, co-working spaces en makerspaces die vaak ondersteund door lokale overheden, scholen of universiteiten, en ook via crowdfunding.

Sociale ondernemers

Het is belangrijk hier een punt te maken over sociale ondernemers. Klassiek links haalt vaak de neus op voor ondernemers omdat ze die onterecht vereenzelvigen met “kapitalisten”. De woorden “sociaal” en “ondernemen” vinden ze een contradictio in terminis. Bovendien schieten veel politici van groene en sociaaldemocratische partijen die ondernemers omarmen (zonder evenwel een onderscheid te maken in de aard en de grootte van de bedrijven) tegelijk op de vakbonden die ze bestempelen als “conservatief”. Ze behoren historisch tot de neoliberale strekking (gelukkig op zijn retours) die de derde weg van Blair voorstaat. Maar stel je in de schoenen van een jonge ingenieur die de wereld wil verbeteren. Geloof me, ze zijn niet in de minderheid. Zo wilt 98 procent van afgestudeerde ingenieurs in Finland duurzaam ontwerpen. Alleen… als ze het geluk hebben een baan te vinden in een klassiek bedrijf, moeten ze zorgen voor ingeplante slijtage. Het alternatief is zich aansluiten bij een open hardwaregemeenschap en proberen zelf of met vrienden een bedrijfje op te starten. Als je bijdragen levert voor een open ontwerp, is er immers geen enkel reden om slijtage in te plannen. Je probeert een product zo goed mogelijk te ontwerpen.

De laatste jaren zien we meer en meer jongeren die ecologische en maatschappelijke problemen willen oplossen door zelf een bedrijf op te starten. Maar ook mensen die al jaren voor traditionele bedrijven werken, stappen voor allerhande redenen uit de ratrace en gaan zelf een sociale bedrijfsactiviteit beginnen die goed is voor de samenleving en die hun eigen leven veel meer zin geeft. Het is juist dat we hier vaak te maken hebben met een geprivilegieerde groep, maar dit fenomeen illustreert toch een uittocht uit het bestaande systeem, zowel vrijwillig als gedwongen.

Alleen… je moet natuurlijk wel geld verdienen om te overleven. Het grootste probleem vandaag is dat de commons, die een steeds grotere plaats innemen in de kapitalistische economie, nog steeds ondergeschikt zijn aan het overheersende model en alleen collectief reproduceerbaar zijn maar niet individueel. Wat bedoel ik daarmee? Als individu kan je tijdelijk gratis bijdragen tot commons (als je student bent, werkloos, of in je vrije uurtjes), maar je kan dat niet blijven doen. De commons blijven echter collectief overleven omdat er steeds nieuwe mensen bijkomen die bijdragen leveren, terwijl anderen wegvallen.

Nieuwe bedrijfsmodellen

De vraag van een miljoen is dus: hoe kunnen we bedrijfsmodellen ontwikkelen die het de commoners (bijdragers tot commons) mogelijk maakt om in hun levensonderhoud te voorzien? Gelukkig is dit geen theoretische vraag aangezien er volop aan deze modellen wordt gewerkt. Met andere woorden, er bestaan reeds ethische bedrijven die samen een commons produceren, zoals Enspiral, een jong bedrijvennetwerk dat Loomio (een samenwerkingssoftware) en Co-Budget (een app om democratische investeringsbeslissingen te nemen binnen het netwerk) heeft ontwikkeld en “Stuff that Matters” als baseline heeft. Het initiatief ontstond in Nieuw-Zeeland, maar het netwerk groei als kool en de open software Loomio is inmiddels uitgegroeid tot een zelfstandig bedrijf (een coöperatieve in eigendom en zelfbeheer van de werknemers) binnen het Enspiral netwerk, met wereldwijde vertakkingen.

Ik geef deze voorbeelden mee om ons verhaal wat concreter te maken zodat de verhaallijn duidelijker wordt. Wij denken namelijk dat er een nieuwe economie in wording is rond de commons. Deze economie wordt inderdaad gedomineerd door het kapitaal, maar veroorzaakt binnen het kapitalisme een waardecrisis: de geproduceerde gebruikswaarde groeit exponentieel, maar de gerealiseerde marktwaarde stijgt slechts lineair en wordt grotendeels “opgevangen” door het kapitaal. Maar naarmate het kapitaal investeert in peer-to-peer-netwerken en commons, versterkt ze die tegelijk en maakt aldus het potentieel alternatief sterker. Vroegere systeemovergangen vonden op dezelfde lijnen plaats: het oude systeem maakt gebruik van het nieuwe systeem om zijn bestaan te rekken, maar versterkt daardoor het nieuwe systeem tot een punt wordt bereikt waarop het nieuwe systeem kan doorbreken en dominant worden.

Vandaag wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe bedrijfsmodellen, vaak coöperatieven, die commons voortbrengen en tegelijk in het levensonderhoud voorzien van de coöperanten. Ook wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe manieren om de waardecreatie binnen de commons te registreren (open boekhouding) en die te koppelen aan vergoedingen voor de commonors indien de projecten marktwaarde realiseren. Er ontstaan ook nieuwe solidariteitsmechanismen, zoals de broodfondsen in Nederland, een sociaal zekerheidssysteem op minischaal voor “zzp-ers” (zelfstandigen zonder personeel, hier meestal freelancers genoemd). Zo zie je dat de mutualiteiten van de vroege arbeidersbeweging vandaag nog eens dunnetjes overgedaan door mensen die buiten de mazen van het sociale zekerheidssysteem vallen.

Ook de nieuwe coöperatieven die wereldwijd groeien als kool brengen de hoogdagen van de arbeidersbeweging in herinnering. Ook zij probeerden het nieuwe te bouwen binnen het oude, maar streefden vooral naar het veroveren van de politieke macht om de economie gradueel (door hervormingen) of min of meer volledig (door revolutie) via de staat over te nemen. De traditionele coöperatieven werden echter grotendeels weggeconcurreerd door multinationals die over meer kapitaal beschikten en dankzij schaalvoordelen goedkopere producten konden op de markt brengen. Coöperatieven die overleefden, konden dit alleen door zich net te gedragen als kapitalistische bedrijven waardoor ze op de duur nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren. Toch kan de historische arbeidersbeweging een grote inspiratiebron zijn voor de open source- en commonsbeweging. Alleen is haar heroïsche geschiedenis gedurende de laatste decennia (en zelfs langer) grotendeels ondergesneeuwd door bureaucratisering en incorporatie binnen de staat.

Kloof tussen precariaat en salariaat dichten, niet aanwakkeren

Dat laatste verklaart waarom veel jongeren die zich wel als een vis in het water voelen in de open source- en commonsbeweging, zich niet herkennen in de huidige arbeidersbeweging. Deze laatste is dan weer al decennia in een defensieve strijd verwikkeld voor het behoud van sociale verworvenheden en vindt moeilijk aansluiting bij jongeren die opgroeien in een tijd waarin het oude sociale contract meer en meer wordt opgeblazen voor de nieuwe generatie. Sommigen concluderen daaruit dat de klassenstrijd moet wijken voor een generatiestrijd. Niet het falend systeem is verantwoordelijk, wel de oudere generatie die de rijkdom heeft opgesoupeerd waardoor er niks meer overblijft voor de jeugd . Hoewel minder brutaal (hoewel…) lijkt dit de redenering die ook economiefilosoof Rogier De Langhe volgt in zijn recente columns. Rogier geeft toe dat er een systeemcrisis is, maar vindt dat “wij daar allemaal samen” voor verantwoordelijk zijn. Zoiets kan je natuurlijk alleen maar beweren als je de klassennatuur van onze samenleving ontkent. Maar zelfs dan is het hallucinant om het volgende te beweren: ”Zoals in 2008 bleek dat bankiers niet hadden kunnen weerstaan aan de ‘hebzucht’, zo blijkt vandaag dat ook de vakbonden te ver gingen. Ze verwierven meer rechten dan duurzaam over de generaties heen konden worden voorzien. Zelfs de banksters waagden het niet het land plat te leggen uit protest tegen het instorten van het kaartenhuisje dat ze zelf hadden gebouwd.” (De Morgen van 25 mei 2016: Waarom betogers op bankiers lijken”)

Rogier vindt de vakbonden blijkbaar nog erger dan de banksters. Hij pleit wel voor meer solidariteit, maar dan wil binnen de groep van “have nots”: “Ik droom van een herverdeling van sterk naar arm, in plaats van van niet-gesyndiceerd naar gesyndiceerd en van ongeboren naar vandaag.” Dat er in de afgelopen dertig jaar 10 procent van het BNP verschoven is van Arbeid naar Kapitaal is bijzaak, want “De bedragen waar het om gaat, zijn zo gigantisch dat een vermogensbelasting weinig verschil maakt. Zeker in een land als het onze illustreert het discours over de 1 procent vooral dat het makkelijker is de schuld bij een externe vijand te zoeken, dan bij onszelf.”

Er bestaat ongetwijfeld een spanningsveld tussen de klassieke arbeidersklasse die bestaat uit (vaak oudere) werknemers die in een hiërarchisch verband voor een bedrijf werken, en de nieuwe klasse van precaire en autonome werkers die rechtstreeks voor de markt (moeten) werken. Dat kan gedwongen zijn omdat ze geen werk vinden, maar velen doen het ook vrijwillig, ook uit sociale bewogenheid. Die groep gebruikt het internet en de commons voor het opzetten van nieuwe solidariteitsmechanismen. Op dat vlak speelt Smart.be in België een voortrekkersrol. We hebben de vakbonden al vaker op de korrel genomen omdat ze deze groeiende groep precaire werkers rechts laten liggen (in Nederland is binnen het FNV al geruime tijd een fel debat aan de gang). We moeten bruggen bouwen tussen precaire en “beschermde” werknemers, niet door de rechten van de ene groep af te bouwen ten voordele van de andere, maar om samen te ijveren voor een maatschappij die eerlijkere, democratischer en meer gelijk is dan de huidige. Helaas drijft Rogier de tegenstelling tussen beide groepen op de spits en door ongenadeloos de vakbonden te viseren in hun verzet tegen de regeringsmaatregelen, staat hij objectief gezien natuurlijk 100 procent aan de kant van de regering die hij in zijn columns nooit op de korrel neemt.

De commons als nieuw bindmiddel in een positief transitieverhaal

Maar goed, terug naar mijn verhaal. Wat in het oude verhaal van de arbeidersbeweging ontbrak, was een nieuwe manier om waarde te creëren en te herverdelen, die bovendien superieur is aan het oude model. Vandaag bestaat deze nieuwe productiewijze wel. In het oude verhaal versloeg groot klein. Altijd. Vandaag kan een netwerk van veel kleintjes groot verslaan. Denk aan Linux en Wikipedia. De nieuwe platformbedrijven of “netarchische” kapitalisten (kapitalisten die heersen over het netwerk), zijn nog piepjong (Google is 20 jaar oud, Facebook 12, Uber 6) maar hebben in een mum van tijd de wereld veroverd. De vraag is hoe duurzaam die bedrijven zijn op langere termijn, gezien hun parasitair karakter en het feit dat de waarde die ze onttrekken uit menselijke samenwerking niet terugvloeit naar de mensen die deze waarde creëren.

Er bestaat volgens mij geen uniforme formule om deze bedrijven aan te pakken. Sommigen kunnen op termijn weggeconcurreerd (of weg”samengewerkt”) worden door nieuwe, coöperatieve modellen, op voorwaarde dat deze globaal opgeschaald worden (samenwerking in wereldwijde netwerken). Zowel de overheid als de traditionele organisaties van de arbeidersbeweging kunnen daarin een stimulerende rol spelen. Anderen zoals Google of Facebook worden best “openbare nutsbedrijven”, zoals destijds de spoorwegen en de elektriciteitsbedrijven. Natuurlijk zijn deze privéplatformen wereldwijd actief, maar ze zijn wel ingebed in een staat (meestal de VS) waarbinnen een politieke strijd kan gevoerd worden om ze om te turnen in door stakeholders beheerde nutsbedrijven (geen traditionele staatsbedrijven dus). Buiten de VS kunnen en worden ze via regulering meer aan banden gelegd, hoewel de resultaten nog niet spectaculair te noemen zijn (bv. Europa versus Facebook en Google).

Om te resumeren, wil ik de volgende stellingen poneren:

De commons kunnen het bindmiddel zijn van een nieuwe progressieve beweging
De drie groepen die mondiaal actief zijn in transitiebewegingen (rond ecologie, solidariteit en open source) moeten elkaar beter leren kennen en meer gaan samenwerken

Tegelijk kan geijverd worden voor een commons-transitieprogramma dat streeft naar een nieuw economisch-maatschappeijk paradigma dat steunt op drie pijlers:
Een productieve civiele maatschappij van burgers die vrijwillig bijdragen tot commons
Een ethische bedrijvencoalitie rond deze commons
Een nieuw overheidsmodel waarbij de overheid optreedt als partnerstaat die peer-productie van vrije burgers faciliteert en ondersteunt (met geld, infrastructuur, onderwijs etc.) Deze staat vervangt de welvaartsstaat niet, maar overstijgt ze. Strijden tegen de afbouw van de welvaartsstaat blijft dus 100 procent een progressieve strijd.

Daarnaast dringt zich een herlocalisering op van de productie in microfabrieken die eveneens wereldwijd genetwerkt zijn en aldus een tegengewicht kunnen bieden op transnationaal niveau tegenover de multinationals. Op die basis kunnen we de ecologische crisis bezweren (duurzame lokale energiecoöperatieven aangesloten op een smart grid, drastische vermindering van transport- en energiekosten, transparante aanvoerketens ten dienste van een circulaire economie waardoor het generatief vermogen van de planeet volledig wordt hersteld etc.)

Voor meer info:

P2P Foundation
Enspiral
Jean Lievens

tinehens2

Het klein verzet: de wereld na het kapitalisme

door Evelien Verstraeten

Eerst verschenen in De Wereld Morgen op 20 mei 2015

Wat als we met z’n allen beslissen dat niet de economie ons bepaalt, maar dat wij de economie zijn? Vorig jaar reisde journaliste Tine Hens door Europa, op zoek naar een antwoord op die vraag. Denen, Grieken, Britten of Portugezen, allemaal vertelden ze over een alternatieve economie, een nieuwe democratie en hun ‘klein verzet’. Dat is ook meteen de titel van Hens’ nieuwe boek dat vandaag verschijnt. DeWereldMorgen.be had een gesprek met de auteur.

Tine Hens (40) is historica en werkt als freelance journaliste voor Knack Focus. We spreken af in het Openbaar Entrepot voor de Kunsten (OPEK) in Leuven, waar ze volgende week haar tweede boekvoorstelling van Het klein verzet geeft. “Spannend”, lacht ze, toch wel wat zenuwachtig.

Haar enthousiasme is groot en net daarin schuilt haar boodschap. Als tiener was ze lid van de Jeugdbond voor Natuur en Milieu, maar daar heerste moedeloosheid: “We voerden actie, maar na een tijd geloofden we niet meer dat we iets konden veranderen. Er was altijd weer een ander probleem dat om aandacht schreeuwde.”

Breken met neerslachtigheid

Hens wil breken met de neerslachtigheid in de maatschappij: “Ook vandaag worden we ontmoedigd om te dromen en te geloven dat het beter of anders kan. ‘Er is geen alternatief’, klinkt het. Ik wil mensen net het gevoel geven van: ‘We kunnen het allemaal!’ Misschien ga je het resultaat van datgene waar je mee bezig bent niet merken, maar je moet het ook niet onmiddellijk groots zien. Als je alleen naar het grote doel in de verte kijkt, dan kan je niet anders dan ontgoocheld afhaken. Iets doen is belangrijker dan niets proberen. Hoe klein die daden ook zijn. Dat is wat ik wil vertellen, dat is mijn klein verzet.”

Groeigedachte loslaten

Op je reis door Europa bezocht je burgerinitiatieven die ingaan tegen het gangbare economische denken. Geloof je echt dat klein verzet een nieuwe wereld kan openen?

“We gaan er altijd vanuit dat grote veranderingen grote daden nodig hebben. Maar als je kijkt naar revoluties en evoluties in de geschiedenis, dan zijn de details minstens even belangrijk. Klein verzet gaat over die details. Bijvoorbeeld je fiets nemen in plaats van je auto, een ladder lenen in plaats van er een te kopen of gewoon je aardappelboer leren kennen. Zulke kleine handelingen en keuzes gaan in tegen het mainstream economisch denken.”

“Als je het hedendaagse discours mag geloven, is er maar één mogelijke werkelijkheid: die waarin economische groei allesbepalend is. Toch ben ik er sterk van overtuigd dat het bevrijdend is om die groeigedachte los te laten. We moeten niet voor méér gaan, maar voor beter.”

Langs de andere kant heeft die groeigedachte ons wel heel veel welvaart opgeleverd.

“De vraag is: welke prijs hebben we daarvoor betaald? Niet alleen hier in het Westen, maar zeker in het Zuiden. Het kapitalisme heeft veel kapot gemaakt. Denk maar aan de ecologische parameters die in het rood schieten. Maar er zijn bijvoorbeeld ook nog nooit zo veel burn-outs geweest. Dat zijn elementen die erop wijzen dat het huidige systeem op zijn einde loopt. In plaats van daaraan te sleutelen is het misschien interessanter om met iets anders te beginnen.”

“Er zijn al verschillende modellen voorhanden die een alternatief bieden op het kapitalisme. Dat gaat dan over de economie van ‘het goede leven’, waarbij de focus minder ligt op het egoïsme in ieder van ons en meer op samenwerken en delen van kennis en spullen. Mensen hebben er nood aan om samen te komen. Als je die krachten als basis van de economie neemt, dan krijg je een heel werkbaar, inclusief model. Die burgereconomie groeit van onderuit en is erg laagdrempelig. Iedereen kan deelnemen op zijn manier en de centrale vraag is: ‘Wat kunnen wij allemaal?’ Soms zijn dat stomme dingen zoals een fiets herstellen, maar net dat is verrijkend. Misschien is dat naïef, dromerig of utopisch. Maar ik ben een fan van utopieën.”

Burgerbewegingen

Enkele van die utopieën heb je in Griekenland gezien. In Thessaloniki beslisten de burgers bijvoorbeeld om het heft zelf in handen te nemen.

“Dat gebeurde daar uit pure noodzaak, want de crisis hakte er zo diep in dat veel mensen uit de boot vielen. Aan het begin van de crisis had je bijvoorbeeld de aardappelbeweging. De bedoeling was dat de boeren hun producten rechtstreeks aan de consument verkochten. Ik wilde een van hun marktjes bezoeken, maar er was een wet uitgevaardigd die het pop-up idee van een boerenmarkt verbood.”

“Als antwoord, en dat is waarnaar ik op zoek ben gegaan, hebben een aantal professoren uit Thessaloniki een coöperatieve supermarkt opgericht. Daarmee geven ze de boeren een officiële plek om hun producten aan te bieden. De kracht en de vindingrijkheid van al die mensen heeft me dikwijls ontroerd.”

“Thessaloniki is een stad van beton en asfalt, je hebt er nauwelijks groen. Maar dan heb je Perka, een burgercollectief dat verlaten militaire domeinen tot groententuinen omtovert. Dat waren verharde, onbruikbare terreinen, maar toch hebben een aantal burgers doorgezet en zijn ze stenen uit de grond beginnen te halen. Nu kweken ze er hun eigen tomaten en aubergines en bewaren ze er hun eigen zaden.”

Voedsel als begin

Bij het lezen van je boek viel het me op dat alles bij voedsel begint. De moestuinen rond het oude Crystal Palace in Londen, de supermarkt in Thessaloniki. Stopt het verhaal daar of gaat het nog verder?

“Het is een domino-effect. Vaak begint het bij eten en deint het verder uit naar bijvoorbeeld een grasmachine delen. Dat kan met je buurman, maar ook via websites als peerby. Vervolgens zijn er mensen die zelf hun elektriciteitsproductie in handen nemen.”

“In Hamburg bijvoorbeeld hopen een aantal bewoners van de Altonawijk een oude bunker om te bouwen tot een energiecentrale. Daarnaast willen ze aan de andere kant van de bunker een centrum voor een nieuwe economie bouwen, met ruilinitiatieven en herstelateliers. Het project is er nog lang niet en het is ook niet zeker of het er ooit zal komen. Maar er is rond die grote, lelijke bunker een dynamiek ontstaan. Mensen komen er samen, leren elkaar kennen en wisselen nu al spullen, talenten of kennis uit.”

Zulke initiatieven ontstaan dus niet alleen in Zuid- Europa. Ik zag dat jullie in de gemeente waar je woont ook een repair café organiseren en een geefwinkel hebben geopend.

“Het zijn initiatieven van Transitie Herent, een groepje burgers dat een praktisch antwoord probeert te vinden op de klimaatopwarming en op het besef dat de overgebleven fossiele brandstoffen maar beter in de grond blijven. De nadruk ligt daarbij op kleine acties in de buurt en de lokale economie. Dankzij die acties leer je mensen op een andere manier kennen. De geefwinkel is zo’n plek van ontmoetingen van verschillende sociale lagen, die elkaar in onze samenleving niet vaak meer ontmoeten.”

Onzichtbaar maar overal aanwezig

Je schrijft dat je thuis kwam van je reis met nieuwe moed en frisse ideeën, maar dat de resultaten van de federale verkiezingen een heel ander beeld opwierpen. Zijn het dan niet slechts een paar enkelingen die alternatieve paden willen bewandelen?

“Het is soms niet zichtbaar, maar het zit overal wel een beetje. Ik zag op een bepaald moment mijn omgeving veranderen. Mensen die voordien helemaal niet met ecologie bezig waren, vonden plots dat het zo niet verder kon. Er is een veelheid aan projecten en initiatieven van mensen die het anders willen doen. Ik was verbaasd en blij verrast om dat ook in de rest van Europa te zien.”

“Er ontstaan enerzijds kleinschalige burgerinitiatieven rond voedsel en energie, maar je vindt ook mensen die een hele industrietak willen hertekenen. De Nederlandse architect Thomas Rau bijvoorbeeld zit in de reguliere economische omgeving, maar van daaruit beïnvloedt hij zijn leveranciers. Zo vraagt hij geen lampen aan Philips, maar licht. Rau huurt de lampen, maar Philips blijft verantwoordelijk voor zijn product. De producent heeft er dan ook alles bij te winnen om zijn product zo te maken dat het volledig hergebruikt kan worden. Op die manier probeert Rau de circulaire economie te versterken.”

Meer informatie over Het klein verzet en de boekvoorstellingen vindt u op de website van uitgeverij EPO.

Evelien Verstraeten

oshw-logos

Een nieuw verhaal voor links

eerst gepubliceerd in de Wereld Morgen

Links heeft een nieuw, optimistisch verhaal nodig. Het oude werkt niet meer. Welbeschouwd speelt de arbeidersbeweging al minstens drie decennia in verdediging. Met dit defensieve spel verliest ze de ene match na de andere. Als het roer niet snel wordt omgegooid, dreigt de degradatie, of erger. Een heroriëntatie naar nieuwe burgerinitiatieven en -bewegingen dringt zich op.

Het blijft nog wachten op de slaagkansen van de hervormingen in Griekenland en het effect ervan op de rest van Europa, maar tot nu toe is sociale afbraak overal de boodschap. Vaste jobs worden schaarser, studeren duurder, de ongelijkheid neemt toe, solidariteitsmechanismen gaan op de schop, de natuur gaat om zeep en het klimaat slaat op hol.

En er zijn geen sociale zekerheden meer. Leuke tijd om in op te groeien. Jongeren krijgen een negatief sociaal contract aangeboden, en velen concluderen dat de vorige generatie alles heeft opgebrast. Soylent Green, een sciencefictionfilm uit de begin jaren zeventig waarin 65-plussers tot groene koekjes worden verwerkt, komt achter het hoekje gluren.

Destructieve creatie

De creatieve destructie van Schumpeter heeft plaats geruimd voor destructieve creatie. Binnen twintig jaar zullen robots tot 50% van de huidige jobs in België hebben overgenomen. Op zich een leuk vooruitzicht, ware het niet dat alle winst naar de eigenaars van de robotten gaat. Met de automatisering kalft het salariaat zienderogen af. Het vaste arbeidscontract moet wijken voor precaire statuten van freelancers en zzp-ers (zelfstandigen zonder personeel), vandaag al goed voor een derde (tegen 2020 de helft) van de Amerikaanse werkers.

In Nederland, altijd een stapje “voorop”, is dit al een op vier. Velen vinden hun autonomie een pluspunt, maar ze hossen wel zonder sociale bescherming van de ene tijdelijke opdracht naar de andere. Permanent. Ze vallen naast het sociale vangnet van de overheid en kunnen een privéverzekering niet betalen Daarom vonden ze de broodfondsen uit, solidariteitsfondsen van ongeveer 150 man die maandelijks 25 euro in een pot leggen en bij ziekte een uitkering krijgen van 750 euro. Het is de hergeboorte van de negentiende-eeuwse mutualiteiten.

Klusjes en bullshit jobs

Daarnaast groeit het leger dat met de eigen auto taxichauffeur speelt voor Uber, een kamer op overschot verhuurt via Airbnb of (bij)klust voor een habbekrats via Taskrabbit of Mechanical Turk. Denk niet dat het gaat om onkruid wieden of de hond uitlaten: in de VS heb je al platforms voor dokters (Health Tap) en advocaten (Upcounsel).

Voor velen bieden deze platforms nog altijd een leuke bijverdienste, maar steeds meer mensen worden ervan afhankelijk om te overleven. Oorspronkelijk hadden veel platforms een sociale doelstelling: delen tegen kostprijs of zelfs gratis. Maar ze worden zienderogen gekaapt door beleggers die alleen maar uit zijn op financieel gewin. Met hun geld breiden de platforms uit en worden ze professioneler, maar de sociale logica moet wijken voor de winstlogica.

Durfkapitalisten (ze hebben hun naam niet gestolen) hebben een flink deel van de ontluikende deeleconomie gekaapt. De term had oorspronkelijk vooral betrekking op het delen (sharing) van gemeenschappelijke dingen (auto’s, boren, tuinen..) wat zowel het milieu als het sociale weefsel ten goede komt. Gelukkig bestaan er nog altijd heel wat deelplatformen waar de nadruk blijft liggen op dat laatste.

Maar dat geldt al lang niet meer voor de Airbnb’s en Ubers van deze wereld. Airbnb investeert niet in hotels, Uber niet in taxi’s. Het zijn slechts platforms die vraag en aanbod samenbrengen, maar wel met een steeds groter stuk van de koek gaan lopen. Voor jonge mensen die af en toe hun appartement verhuren aan toeristen (en dan tijdelijk bij hun ouders of vrienden logeren), biedt Airbnb een mooi extraatje. Maar als je voor je hele inkomen afhankelijk bent van dergelijke platforms, krijg je al gauw een moderne vorm van feodalisme. “Vazaleconomie” zou misschien een beter woord zijn. Op de keper beschouwd, hebben we hier te maken met een parasitair systeem van de ergste soort.

Basisinkomen

Vandaag verdien je vooral geld met geld (rente), eigendom (aandelen en obligaties) en controle over netwerken via intellectueel eigendom en marketing. Immateriële zaken dus, waarvan de waarde eigenlijk “politiek” bepaald wordt. Volgens Roland Duchatelet is in België maar 7% van de bevolking meer betrokken bij de productie van voedsel en materiële goederen. De rest zijn diensten, vaak verpakt in wat de Amerikaanse antropoloog en anarchist David Graeber “bullshit jobs” noemt: banen waarvan de betrokkenen zelf vinden dat ze eigenlijk overbodig zijn. Winsten vallen steeds minder te rapen in de productie, die grotendeels naar het zuiden is verhuist waar arbeid in overvoed en dus goedkoop is.

Onlangs kwam Rutger Bregman daarover vertellen in Reyers Laat. De Nederlandse golden boy verdedigde er op speelse wijze een andere visie op arbeid die hij koppelde aan een onvoorwaardelijk basisinkomen. Zijn standpunt botste op ongeloof bij een oogbolrollende Liesbeth Homans die zich – mondhoeken richting studiovloer – afvroeg wie dit ging betalen. Rutger Bregman repliceerde gevat dat de minister er negentiende-eeuwse opvattingen op nahield. In onze samenleving bestaan andere herverdelingsmechanismen dan via de overheid.

Er stroomt inderdaad heel wat geld naar boven, naar mensen met “bullshitjobs” die in wezen geen bijdrage leveren tot de reële economie en zelfs welvaart vernietigen. Spreekt er eigenlijk nog iemand over de bankencrisis? Nee, natuurlijk niet. De Islam, ja. En 60-plussers die op hun gat in Benidorm profiteren. Activeren dat zootje!

Rutger Bregman noemt zich liberaal in hart en nieren. Hij gelooft in meritocratie en vindt dat mensen moeten bijdragen voor hun geld. Een basisinkomen is daar niet mee in contradictie omdat dit juist de mogelijkheid biedt om te doen wat je graag doet en waar je het best in bent. Iedereen profiteert daarbij, de maatschappij al zeker. Mensen met minder prettige en zware beroepen zouden juist meer moeten verdienen. Daar kan “de wortel en de stok” nog spelen. Allemaal interessante denkpistes waar ik het in de grond mee eens ben. Alleen hebben we een transitieprogramma nodig dat steunt op een nieuw paradigma, want binnen het oude zie ik het niet gebeuren.

Peer-productie en het gemeengoed

We moeten inderdaad anders gaan aankijken tegen arbeid, maar hoe? Welk werk bedoelen we? Spreken we over loonarbeid, of nuttige bijdragen aan gemeengoed projecten, die tot nu toe meestal onbetaald blijven? Hoe komen we tot een systeem waarin mensen meer beloond worden naar werk (en minder naar bezit), maar met sterke ingebouwde solidariteitsmechanismen die de zwakkeren de nodige bescherming bieden? We bevinden ons immers voor de volgende paradox.

Onze welvaartsstaat steunt op solidariteitsmechanismen die werden uitgevonden, uitgebouwd en uiteindelijk via de staat veralgemeend door de arbeidersbeweging (mutualiteiten, pensioenkassen, werkloosheidskassen). Overal in Europa wordt dit stelsel afgebouwd. Maar dit is maar één zijde van de medaille. De andere blijft tot nu toe onderbelicht.

In de afgelopen twintig jaar zijn we immers ook getuige van een nieuw ontluikend economisch systeem dat een andere logica volgt. Dit systeem wordt aangedreven door het internet dat horizontale communicatie en collaboratie mogelijk maakt tegen zeer lage kostprijs. Daardoor kunnen steeds meer zaken beter en goedkoper geregeld worden via samenwerkingsplatformen dan via traditionele organisaties. Burgers bouwen samen software, kennis en ontwerpen.

Met meer dan 30.000 open-hardwareprojecten, van auto’s over landbouwmachines tot robotten en satellieten zien we dat de logica van delen en produceren via het internet zich ook doorzet in het productieproces. Na de miniaturisering van de computer zijn vandaag de machines aan de beurt. Het delen en kopiëren van digitale muziek, software, film, design, kennis… op het internet vloeit over naar het delen van infrastructuur in fablabs, co-working-, hackers- en makerspaces.

Helaas bestaan er nog geen uitgewerkte studies om al die nieuwe ontwikkelingen in kaart te brengen, maar in Barcelona groeide het aantal co-workingspaces van 3 naar 50 in drie jaar tijd, in Wenen was er drie jaar geleden één hackerspace, vandaag zijn er vijftien, in de VS groeide stadslandbouw door (hoofdzakelijk) collectieve groepen met 48% in twee jaar tijd… De laatste tien jaar groeit het aantal burgerinitiatieven als kool, zoals te zien is in een recente studie van Tine de Moor. Ook de coöperatieve beweging zit in de lift: vandaag werken meer mensen voor coöperatieven dan voor multinationals.

Naar een nieuw model rond de commons

Maar de belangrijkste revolutionaire verandering is volgens mij de opkomst van digitaal gemeengoed: globale, complexe projecten rond open kennis, software en design, die voor iedereen vrij beschikbaar is. Rond dit nieuw gemeengoed groeit een nieuwe economie van freelancers en allerhande bedrijven die deze “commons” als grondstof gebruiken voor het maken van producten en diensten met toegevoegde waarde.

Het gebruik van open software door bedrijven (denk aan IBM en Linux) is vrij bekend, maar nieuw is toch de snelle opkomst van allerhande open-hardwareprojecten. Het idee is eenvoudig: alles dat gemaakt wordt, moet eerst geconcipieerd worden. In klassieke bedrijven wordt die kennis beschermd door patenten. Die zijn bedoeld om innovatie te stimuleren omdat bedrijven hun onderzoekskosten willen recupereren. Maar in de praktijk zijn ze uitgegroeid tot innovatieremmers die patenthouders zolang mogelijk monopoliewinsten bezorgen.

Niet zo bij open hardware: iedereen kan de concepten verbeteren en iedereen kan ze downloaden. Met de nodige machines, eventueel gedeeld in een fablab, kan een doe-het-zelver het product zelf maken. Soms kan je een pakket onderdelen (vaak vervaardigd met 3D-printers) kopen en ze als een meubel van Ikea zelf ineen steken, of je kan het afgewerkte product kopen bij een open hardwarebedrijf. Deze laatste wint dan wel niks op het intellectueel eigendom, aangezien het ontwerp vrij beschikbaar is, maar wordt wel vergoed voor zijn arbeid. Loon naar werk dus.

Open-hardwarebedrijven zijn vaak starters die een klassieke bedrijfsvorm aannemen en voor hun financiering een beroep doen op crowdfunding en durfkapitalisten. Maar niets belet jonge ondernemers om een coöperatieve op te richten, een bedrijfsvorm die veel beter aansluit bij de praktijk van vrije bijdragen aan een gemeengoed en de deelcultuur in de virtuele wereld.

Als die productiecoöperatieven zich dan nog eens met elkaar zouden verbinden in een wereldwijd netwerk rond het open-designgemeengoed, dan krijg je een soort van gedistribueerde multinational die in staat is het klassieke model te verslaan omdat ze efficiënter en goedkoper kan werken. Als je ten slotte ook de boekhouding en aanvoerketen van die coöperatieven open en transparant maakt en alle stakeholders betrekt, dan kom je tot een nieuw economisch model dat zowel de markt als de klassieke planeconomie in de schaduw stelt.

In dit verhaal moet de overheid het geweer van schouder veranderen en evolueren van betuttelende marktstaat naar faciliterende partnerstaat: een overheid die burgerinitiatieven mogelijk maakt en stimuleert. Ook die evolutie is bezig, zij het vooral op plaatselijk vlak. Zo heeft Bologna onlangs een “reglement voor de commons” ingevoerd, die al door 25 andere gemeenten is overgenomen (Michel Bauwens en Dirk Holemans in Knack van 22/2/2015).

Burgers doen voorstellen aan de gemeente, bijvoorbeeld om hun wijk te verfraaien. Na overleg kan de gemeente middelen vrijmaken waarmee die burgers hun plannen zelf kunnen waarmaken. Dat vergt ook een ommekeer in het politieke denken, want de meeste politici willen zich vooral profileren rond wat zij doen voor de burger.

Utopisch? Misschien. Maar op microniveau wordt er al volop geëxperimenteerd en in theorie kunnen we ons vandaag voorstellen hoe dit model op macroniveau zou kunnen werken. Daarom kan het P2P-verhaal vandaag dezelfde rol spelen als het socialistisch verhaal in de negentiende eeuw. Ook toen waren er honderden en duizenden basisinitiatieven.

De arbeiders vochten niet alleen op hun werkplaats voor betere werkomstandigheden, maar creëerden ook machtige organisaties waarmee ze hun politieke stempel drukten op de twintigste eeuw. Maar hun macht kalft af. De productie is voor een groot deel verhuisd naar ontwikkelingslanden en hier proberen bedrijven de syndicale macht verder te breken, gisteren door outsourcing, vandaag door crowdsourcing.

Nieuw links

De erosie van de macht van de arbeidersbeweging weerspiegelt zich in een crisis van de sociaaldemocratie, die probeert afstand te nemen van de syndicale achterban om te kunnen verruimen (met bijzonder weinig succes), maar ook weinig aansluiting vindt bij de nieuwe bewegingen en de vele initiatieven die opborrelen vanuit de civiele maatschappij.

De nieuwe progressieve formaties in Griekenland en Spanje knopen daar wel bij aan. Het is zeer significant dat Gianni Dragasakis, de nieuwe vicepremier van de Syriza-regering in Griekenland, in zijn parlementstoespraak expliciet verwees naar het ontwikkelen van bottom-up, op gemeengoed gebaseerde peerproductiemodellen om tegemoet te komen aan de noden van de Griekse bevolking.

Dr. Vasilis Kostakis, medewerker van de P2P Foundation en samen met Michel Bauwens auteur van het boek Network Society and Future Scenarios for a Collaborative Economy, schrijft: “Het lijkt erop dat Syriza een politiek nastreeft die in de lijn ligt van het idee van de “partnerstaat” en dat op het vlak van onderwijs, overheidsbeleid en R&D. Om er een paar te vernoemen:

– Het vrijgeven van openbare data
– Het vrijgeven van alles kennis die gefinancierd wordt met belastingsgeld
– Het creëren van een omgeving die samenwerking stimuleert tussen kleine ondernemers en coöperatieven, waarbij initiatieven die steunen op open-source-technologieën en -praktijken worden aangemoedigd
– Het ontwikkelen van bepaalde participatieve processen (en het versterken van de bestaande) om burgers te betrekken bij het beleid
– Het aannemen van open standaarden en patronen voor openbare diensten en onderwijs.

Het is bij mijn weten voor de eerste keer dat een Europese regering expliciet een politiek verdedigt die aansluit bij de nieuwe economische logica in wording. Onafhankelijk van de manier waarop in België deze nieuwe politiek gestalte zal krijgen, ben ik hoopvol dat er een progressieve meerderheid kan gevonden worden rond de kernideeën van de nieuwe p2p-logica: de creatie van een nieuwe economie van ethische bedrijven rond collectief gecreëerd gemeengoed, of in de woorden van Jeremy Rifkin, commons-based peer production. Daarbij kan elke politieke partij haar eigen klemtonen leggen: duurzaamheid, sociaal ondernemerschap, solidariteit.

Maar niet alleen de rechtse partijen, ook de vakbonden en de sociaaldemocratie zijn in mijn ogen nog te veel gericht op het verdedigen van het oude systeem dat steunt op arbeid en kapitaal. Veel verder dan een vermogenswinstbelasting komt men niet.

Ik denk echter dat de ommekeer zich niet kan realiseren via een loutere herverdeling binnen het oude systeem, als dit niet gekoppeld wordt aan een heroriëntatie naar het nieuwe systeem. Dit is nu eenmaal nodig om de traditionele links-rechtsverhouding te overstijgen en een zo groot mogelijke politieke meerderheid te verwerven om een begeleide, vreedzame transitie mogelijk te maken.

Jean Lievens

michel-bauwens-11

Michel Bauwens: ‘We hebben een digitale sociaaldemocratie nodig’

Originele link: Château d’ Ampsin – Jan de Zutter

Hij woont nog steeds in Thailand, maar dat is een kwestie van tijd. Cyberfilosoof en peer-to-peer activist Michel Bauwens keert zeker terug naar Europa. “Azië heeft een op status gebaseerde consumptiecultuur die puur het liberale model volgt. Alles is er te koop. In Zuid-Amerika gebeurt er zoveel meer. Voor elke procent groei in het bbp heb je er, in vergelijking met Azië, vier keer minder armoede. Dat heeft te maken met de herverdelingspolitiek van linkse regeringen. In Europa zit echter de sociologische basis van peer-to-peer: de kenniswerkers. De crisis is hier ook een stuk erger. Er is een overschot aan precaire jongeren met veel kennis die werken aan het gemeengoed. De vraag naar informatie over peer-to-peer is hier enorm. Daarom is een nieuwe economie mogelijk in Europa.”

Jan de Zutter

Straks geeft hij een lezing en dat zal ongeveer de zesde activiteit zijn van die dag. Michel Bauwens (1958) heeft het druk, nu hij overal ter wereld gevraagd wordt omwille van zijn visie op een nieuw economisch model dat in de steigers staat, hoewel de meeste mensen dat nog niet echt merken. Bauwens is de oprichter van de Peer-to-Peer (P2P) Foundation, een netwerk van onderzoekers en activisten die de transitie naar een open, participatieve en op ‘commons’ gebaseerde economie bestuderen én ontwikkelen. Commons zijn ‘gemeenschappelijke eigendommen’ van een gemeenschap (hierna ‘gemeengoed’) en kunnen dus niet in private handen zijn. Het kan gaan om grondgebied dat door iedereen gebruikt en bewerkt mag worden, maar het kunnen ook culturele goederen zijn zoals literatuur of informatie. “Peer-to-peer heeft altijd bestaan,” zegt Bauwens. “Het kapitalisme heeft het gemeengoed willen afbreken, waardoor we het hier bijna niet meer vinden. Nu we digitaal gemeengoed kunnen maken, verandert dat stilaan. Dankzij internet en netwerktechnologieën is het makkelijker om samen globale projecten te organiseren. Het gemeengoed komt daardoor opnieuw in de maatschappij. Het creëert een nieuwe manier van denken.”

Bauwens belandde omwille van zijn werk in de top 100 van de wereldwijde ‘(En)Rich List’, die de meest inspirerende persoonlijkheden op het gebied van duurzaamheid in kaart brengt. Hij werd onder meer door de Ecuadoraanse regering gevraagd een model te ontwikkelen dat de economie van het land volledig kan hertekenen, gebaseerd op principes van open kennis en participatie. “In een peer-to-peer economie werken mensen samen aan een gemeengoed,” zegt Bauwens, “in tegenstelling tot een kapitalistische economie waar personen met elkaar goederen of ideeën uitwisselen. In een peer-to-peer economie worden sommigen betaald voor hun werk, anderen dan weer niet. Het is geen arbeid in de klassieke zin. Als een gemeengoed digitaal is, is het per definitie niet schaars. Je kan het gratis reproduceren. Er is geen spanning tussen vraag en aanbod. Het is dus geen marktproduct, maar rond de toegevoegde waarde van dat gemeengoed – dat niet in overvloed aanwezig is – kan je wel een economie creëren: het aanleren van het gebruiken en het installeren van die toepassingen, het ontwikkelen van nieuwe software, het integreren van die systemen, de strategieën errond, enzovoort. Het gaat om een andere economische visie dan de huidige die van alles een commodity maakt. Dat is misschien allemaal wat theoretisch, dus daarom geef ik een voorbeeld. De Verenigde Staten hebben geografische informatie vrijgegeven
als gemeengoed. Doordat iedereen die kaarten kan gebruiken – met apps, geolocation en andere toepassingen – is de economie er op dat vlak een stuk democratischer geworden. Een gemeengoed kan dus ook productief zijn. In Europa schermt elke natiestaat zijn eigen geografische informatiedatabank af. De staat investeert, wil daar iets van recupereren en geeft dus aan slechts een handvol bedrijven – zoals TomTom – een licentie. Kleine economieën komen zo in handen
van een paar monopolistische bedrijven.”

De Amerikaanse econoom Jeremy Rifkin stelt dat dit soort economie binnen dertig jaar groter zal zijn dan de kapitalistische economie. Maar is ze complementair met die harde kapitalistische economie?

“Je moet het zien als een omkering: binnen de huidige markteconomie ontstaan nieuwe gemeengoederen. Vandaag nog wat periferisch als een subsysteem van de kapitalistische markt, maar stilaan verdrijven ze andere markten: Wikipedia vernietigt de Encyclopedia Britannica; elk miljoen dollar in vrije software vernietigt 64 miljoen dollar in privésoftware; een bedrijf met 400 werknemers kan op termijn niet op tegen een of meerdere netwerkbedrijven van 40 mensen met toegang tot 40.000 ontwikkelaars. Rifkin heeft gelijk: je krijgt een graduele verplaatsing van bestaande economische modellen naar gemeengoedmodellen. Bedrijven verzetten zich daar natuurlijk fel tegen. Neem nu breedband. Telecombedrijven stellen dikwijls dat de netneutraliteit moet worden afgeschaft, omdat Google en Facebook er gratis gebruik van maken en er winst mee maken. Netneutraliteit garandeert nu een open toegang tot het internet, terwijl sommige providers gebruikers er differentieel voor willen laten betalen. Mensen in de vrije media zijn natuurlijk tegen het afschaffen van netneutraliteit. Maar dat is een vals debat. Want in België ligt de Fiber, de glasvezelkabel, klaar die gigantische hoeveelheden informatie kan verwerken: naast de auto- en spoorwegen, naast de ring rond Antwerpen. Kapitalisme werkt volgens een schaarste-engineeringmechanisme: bedrijven houden artificiële schaarste in stand.
Ze willen de informatiestromen op het internet ook ‘schaars’ kunnen houden. Op die manier krijg je een kapitalisme dat tegen innovatie en vooruitgang is.”

Ook patenten zijn een blok aan het been van een peer-to-peer economie. Moeten we die afschaffen?

“Ze moeten niet worden afgeschaft, maar wel drastisch teruggeschroefd naar vijf jaar in plaats van twintig jaar nu. Patenten hebben een vertragend effect op innovatie. Studies wijzen erop dat de voordelen ervan na vijf jaar verdwijnen. Daarna zit je met grote bedrijven die patenten exclusief gebruiken om innovatie van concurrenten via de rechtbank tegen te gaan. Ook het copyright moeten we terugschroeven naar 14 jaar; zoals in de jaren 1930. Waarom moet copyright 95 jaar gelden? Die auteurs zijn dan al lang dood; je kan hen toch niet meer vergoeden. Het is pure monopolisering. Het hedendaags neoliberaal kapitalisme is een rentesysteem. Het extraheert rente zonder productiviteit. Vandaag kan je weinig winst maken met productie, maar des te meer door de controle over netwerken en intellectuele eigendommen. Na de crisis van 2008 hadden we het systeem grondig moeten hervormen, zoals met de New Deal is gebeurd na de crisis van de jaren 1920. We brachten echter enkel kleine cosmetische
ingrepen aan. De basis van het systeem is nog altijd dezelfde.”

Onze industriële samenleving is opgebouwd rond grootschalige projecten, terwijl peer-to-peer eerder kleinschaligheid koestert. Kan je via peer-to-peer bijvoorbeeld een staalfabriek uit de grond stampen?

Michel Bauwens 5“Zeer zeker. Opnieuw nemen we de Verenigde Staten als voorbeeld. De staalindustrie is er niet meer zoals vroeger. Vandaag maken veel kleine bedrijven van 50 à 200 man er staal. Dat is weliswaar geen peer-to-peer model, maar wel anders dan ons model waar grote bedrijven duizenden werknemers tewerkstellen. Ook voor de autoassemblage zitten we in een transitie met twee modellen: een model waar in grote fabrieken veel arbeiders en machines een groot aantal auto’s maken die moeten worden verscheept; en een ander model waar een auto lokaal via open design wordt ontwikkeld door ambachtslui, in lokale microfabrieken wordt gemaakt met een 3D-printer. In het oude model, an economy of scale, moet je steeds meer dingen maken om de kost per eenheid naar beneden te drukken. Je hebt steeds meer energie en materiaal nodig om competitief te zijn. In het peer-to-peer model, volgens de logica van an economy of scope, doen we meer met hetzelfde. Je gebruikt kennis uit de hele wereld om lokaal iets te ontwikkelen. Studies wijzen uit dat driekwart van de kost van productie transport is. De dag dat de olie 400 dollar per vat kost, werkt dat oude model niet meer. Dan wordt de
economy of scope belangrijker dan de economy of scale.”

Vandaag kan je met competitieve kennis veel geld verdienen. Waar zit het verdienmodel in die nieuwe economie?

“Nu hebben we een sociaal onrechtvaardig systeem van the winner takes it all. De meerderheid werkt hard; slechts enkelingen gaan met 90 procent van de inkomsten lopen. In een economie met kennisgemeengoed krijg je een reputatie: hoe beter je wordt, hoe meer je zal bijdragen tot het gemeengoed, hoe hoger jouw reputatie.”

Daarmee ligt er nog geen brood op de plank.

“Jawel, want je kan dat verzilveren op de markt. Het gemeengoed werkt samen met de markt. Zo werd er door een groot IT-bedrijf dat in Duitsland wou rekruteren een ranking opgemaakt van softwareontwikkelaars die werken via GitHub, een site waar open softwareontwikkelaars hun vrije code deponeren. Men keek naar wie de beste kwaliteit leverde én het grootste netwerk kon ontwikkelen. De beste ontwikkelaars konden aan de slag bij Google. Zo wisten ze hun werk in een peer-to-peer omgeving te verzilveren. In deze procedure kwamen er geen cv’s of portfolio aan te pas. Het ging enkel over een directe analyse van de kwaliteit van hun werk in een open source gemeengoed en over de opgebouwde reputatie.”

Zijn er schattingen om de impact van de peer-to-peer economie te meten?

“Volgens het rapport ‘Fair Use in the US Economy’ uit 2010 bedraagt de hele economie rond gedeelde kennis met 17 miljoen werkers één zesde van het Amerikaanse bbp. Dat is toch al behoorlijk wat.”

Nieuwe fenomenen als Uber of Airbnb zijn uitgegroeid tot volwaardige spelers op de arbeidsmarkt. Ze zetten traditionele tewerkstelling onder druk en zorgen daarmee voor oneerlijke concurrentie en sociale dumping is de kritiek.

“Net daarom hebben we een digitale sociaaldemocratie nodig. De arbeidersbeweging van de 19de eeuw ontstond doordat van hun land verjaagde boeren zonder bezittingen in steden terechtkwamen. Gradueel bouwden die rechten op. Er ontstonden solidariteitsmechanismen, die de welvaartsstaat nadien voor iedereen veralgemeende. Vandaag worden opnieuw heel wat mensen verjaagd: uit arbeid deze keer. Denk aan freelancers. Ze verliezen hun job, maar blijven wel gemeengoed opbouwen en doorwerken, zodat ze nadien gemakkelijker terug kunnen naar de arbeidsmarkt. We kunnen niet ontkennen dat er geen probleem bestaat met het gemeengoed. Veel jonge journalisten schreven gratis op de weblog The Huffington Post om hun reputatie op te bouwen, maar bij de verkoop ervan heeft niemand daar een dollar van gezien, behalve oprichtster Arianna Huffington. Het gemeengoed wordt uitgebuit.”

Ook Facebook is zo’n parasitair systeem. Zonder haar gebruikers is het een leeg platform; toch zijn de winsten exclusief voor de club rond Mark Zuckerberg.

“Stilaan komen we in een fase dat gemeenschappen daar oplossingen voor zoeken. In mijn P2P Foundation vertaalt een groep mensen gratis artikels over gemeengoed van het Engels naar het Spaans en omgekeerd. Dat wordt genoteerd in een pro bono boekhouding. Door bij te dragen aan het gemeengoed, bouwen ze een reputatie op. Als gevolg daarvan mochten twee van hen het nieuwe boek van David Bollier, Think like a commoner, vertalen. Je ziet onmiddellijk het probleem: tien mensen dragen bij aan de waarde van het gemeengoed en slechts twee profiteren van de markt. Dit Guerilla Translation collectief, dat deel uitmaakt van ons coöperatief netwerk, bouwde daarom een solidariteitsmechanisme op via een ‘open value accounting system’: 25 procent van die marktwaarde gaat naar die pro bono boekhouding om de andere bijdragers mee te vergoeden. In de toekomst kan de overheid dus ook een gemeengoed institutionaliseren om op die manier bijdragen tot het gemeengoed te vergoeden.”

Ook inzake regulering moet de overheid zich aanpassen aan de nieuwe realiteit. Kleine hotelletjes of taxidiensten worden overladen met regulering. Daar moeten Airbnb of Uber zich niets van aantrekken.

“Ik ben fel gekant tegen reguleringen die monopolies beschermen tegen innovatie, maar wel voorstander van een regulering tegen het misbruik van monopolies. Seoul, een ‘deelstad’, heeft Uber verboden. Niet om taxi’s te beschermen, wel om de eigen deeleconomie te beschermen tegen het Amerikaans monopolie van Uber. Dat is een goede zaak. Want een Uber-chauffeur heeft geen contact met de markt. Hij staat zwak tegenover zijn moederbedrijf; in San Francisco besliste Uber plots 20 procent minder te betalen voor dezelfde ritten. Daar moeten we voor oppassen. Anderzijds is de mutualisering van transport, in termen van duurzaamheid, natuurlijk wel een goede zaak. Elke deelwagen kan 15 privéwagens vervangen.
Als we dat systematisch zouden doen, kunnen we in het Westen in tijden van ecologische en economische crisis veel van onze welvaart beschermen.”

Hoe moet de 21ste eeuwse overheid er voor u dan uitzien?

“In het oude bureaucratische model produceert de staat een publieke dienst voor de gebruiker, waar diezelfde gebruiker geen enkele participatie in heeft. De dienstverlening kan goed of slecht zijn, ze is te nemen of te laten. Het kan anders. Ik geloof erg in het concept van de partnerstaat en in de commonificatie (nvdr., het transformeren tot coöperatief gedachtegoed) van publieke diensten. Neem nu de gezondheidszorg in Quebec. Daar zijn 98 procent van de nieuwe coöperaties solidariteitscoöperaties. Ook in de Emilia Romagna, Noord-Italië, bestaat het model van de solidariteitscoöperatie. Daar voorziet de staat fondsen, maar is de publieke gezondheid zelf in handen van de overheid, dokters, patiënten en gebruikers. Iedereen blijft het recht op gezondheidszorg behouden, maar ze wordt wel gecoproduceerd. De betrokkenheid en tevredenheid gingen er sterk omhoog. Over dat soort modellen moeten we nadenken. Het is geen kwestie van een zwakke of sterke staat, wel van een meer participatieve staat die de randvoorwaarden creëert om mensen zelf dingen te laten doen.”

Zoals de Furreai Kippu, een complementair muntsysteem in Japan. Als je er jouw bejaarde buurvrouw helpt, verdien je Furreai Kippu’s die je later zelf kan gebruiken om zorg te krijgen of die je kunt gebruiken voor de zorg voor jouw ouders.

“Dat is een mooi voorbeeld van een faciliterende overheid. We kunnen niet anders dan kritisch zijn over de overheid. Die functioneert vandaag niet meer naar behoren. Toen ik vijftien jaar geleden België verliet, reden de treinen nog op tijd. Nu ik even terug ben, doet bijna geen enkele trein dat meer. Het klassieke systeem staat op instorten. De staat is voor grote delen gecapteerd door de markt. De democratie wankelt. Een recente Amerikaanse studie vergeleek het stemgedrag van de volksvertegenwoordigers met de visie van haar kiezers én van haar financiers. Met de kiezers bleek er geen enkele correlatie te bestaan; met diegenen die hun verkiezingscampagne betaalden was er zo’n 85 procent correlatie. Onze democratie is dus een simulacrum geworden. Een partnerstaat kan die verdwenen participatie en democratie nieuw leven inblazen.”

In Nederland wordt de participatiestaat een trek-uw-plan-samenleving en ook in Vlaanderen zien we het discours van een terugtrekkende staat, waarbij van de bevolking verwacht wordt dat ze het zelf oplossen. Dat is wellicht niet het participatiemodel dat u bedoelt?

“Neen. We hebben dus een sterke linkse beweging nodig. Want er bestaat wel degelijk een contradictie tussen peer-to-peer en kapitalisme. Beiden hebben andere waarden. Het kapitalisme is niet het juiste systeem om van peer-to-peer gebruik te maken. Kijk naar crowdsourcing, waarin een organisatie gebruik maakt van een groep individuen voor consultancy, innovatie, beleidsvorming of onderzoek. Het idee an sich – dat iedereen kan bijdragen – is fantastisch. De realiteit is echter dat deze platformen met elkaar in concurrentie treden. Voor een project dienen
honderden mensen een design in, maar slechts twee mensen worden gekozen. De wereld van de arbeid betaalt een hoge prijs. Zo’n contradicties worden steeds groter.”

Hoe moeten we het peer-to-peer model dan wel inbedden in het huidige systeem?

“Ik pleit voor een gelijktijdige transformatie van een productieve, civiele maatschappij die bijdraagt aan het gemeengoed, een ethische markt en een partnerstaat. De drie moeten tegelijkertijd aangepakt worden om een nieuw evenwicht te vinden. Ik wil niets afschaffen. Alleen dat ze alle drie veranderen om de bloei van peer-to-peer op een sociaal rechtvaardige manier mogelijk maken.”

Wat is in zo’n nieuw model de rol van de vakbonden?

“Het voordeel van peer-to-peer is dat mensen passioneel een gemeengoed opbouwen, daarrond een economie creëren en daar inkomsten uit halen. De volle 100 procent van die mensen zijn gemotiveerd en zorgen voor hun eigen inkomen via open coöperaties. Je bent vrij en dus productief. Volgens het vakbondsmodel zijn vier op de vijf mensen niet gelukkig in hun job en werkt men om te overleven. Zolang dat de realiteit is, is het goed dat de vakbonden er zijn om de arbeiders te verdedigen. Ook Uber-chauffeurs zouden gesyndiceerd moeten worden. Maar het gezonde peer-to-peer model werkt anders. Ik zie in de toekomst nieuwe organisatiemodellen die wellicht iets gemeen zullen hebben met de ‘gilden’ van weleer. De Freelancers Union in de Verenigde Staten is daar een goed voorbeeld van”

In het peer-to-peer model mag je dan nog wel gepassioneerd bezig zijn, mensen bouwen er geen sociale rechten op, geen pensioenrechten, enzovoort.

“Klopt, maar je moet vertrekken vanuit de realiteit. Peer-to-peer vernietigt de bestaande jobs niet; het is de markt die steeds meer mensen uit de arbeid stoot. Je kan doen alsof dat niet gebeurt en dat oude model verdedigen, maar dan ben je louter defensief en dus verkeerd bezig. Vakbonden moeten meer doen voor freelancers. Ze moeten nadenken hoe die groep mensen zich kunnen verenigen, hoe ze voor hen solidariteitsmechanismen kunnen opbouwen. In Nederland bestaat het Broodfonds, een sociaal vangnet voor en door zelfstandigen. Veel mensen in de peer-to-peer economie maken er gebruik van. Men denkt er fel na over een andere manier van solidariteit. In die discussies zijn de vakbonden nergens te bekennen. Dat is jammer. Want het grote probleem van een peer-to-peer economie is inderdaad hoe zekerheid op te bouwen. Dat functioneert vooralsnog slecht.”

Zou dat geen rol kunnen zijn voor de sociaaldemocratie?

“Zeer zeker, maar ze doet dat hoegenaamd niet. De enige Vlaamse krant die niet over mijn boek De wereld redden (Uitgeverij Houtekiet & Denktank Oikos) schreef, was De Morgen. Dat is toch niet normaal? Dat betekent dat links veel te conservatief is, te veel aan oude modellen vasthangt terwijl de wereld aan het veranderen is. Op partijpolitiek niveau idem dito. Ik krijg uitnodigingen van CD&V, van Groen, van de Piratenpartij, van het Nederlandse Groenlinks… maar uit de hoek van de sp.a hoor ik niets. Dat is een probleem. Het betekent dat de sociaaldemocratie de draai niet vindt naar de nieuwe mentaliteit, naar de nieuwe jongeren, naar de kenniswerkers van de peer-to-peer economie.”

Wat moet de sociaaldemocratie dan doen om aansluiting te vinden?

“Ze moet aansluiting vinden bij de burgerbewegingen die zich met die zaken inlaten. Er zijn in Vlaanderen honderden verenigingen bezig met het heruitvinden van de voedselketen, van de energieketen, met co-working,… De jonge kennisarbeiders zijn de nieuwe arbeidersklasse. Er is geen andere arbeidersklasse meer in het Westen; die demografie gaat gestaag achteruit. Steeds minder mensen werken in de fysieke productie. De sociaaldemocratie is de partij geworden van de
overheidsambtenaren en van de bobo’s. Kijk opnieuw naar De Morgen. Onlangs stond ik in hun Zeno katern, maar de eerste vijf pagina’s gingen over Yves Desmet die meehielp in een driesterrenrestaurant van een of andere topchef, dat niemand kan betalen. De krant schrijft dus voor een elite. De overblijvende arbeiders stemden vroeger voor het Vlaams Blok, nu voor de N-VA. De sociaaldemocratie is volledig verkeerd bezig. De jonge kenniswerkers van vandaag worden aangetrokken door Groen, door de Piratenpartijen, door partijen als het Spaanse Podemos, het Griekse Syriza en de Italiaanse Vijfsterrenbeweging.”

Kan je dan geen begrip opbrengen voor klassieke partijen die bang zijn voor de vallende dominostenen in onze welvaartsstaat: eens je er een paar wegneemt, kan de hele boel ineen stuiken?

“Het is de taak van de politiek om te kijken naar alternatieven. Welke puzzelstukken ontbreken in de bestaande ecosystemen en hoe kunnen we als staat faciliteren om daar nieuwe evenwichten te vinden? We leven vandaag in een transitieperiode met twee economische modellen: een oud model dat nog altijd functioneert en een nieuw model dat ook al functioneert. Dat politici die pluraliteit erkennen, is voor mij al voldoende. Als je niet investeert in het nieuwe model, zit je in de penarie bij een crisis want dan zit je enkel nog met dat oude, onvolledige ecosysteem dat niet meer op zijn poten staat. Dat was het geval in 2008. Op dat moment kwam Rechts met haar plannen. Naomi Klein schreef in The Shock Doctrine (2007) over de opkomst van het rampenkapitalisme. Ze beschrijft hoe het neoliberalisme in tijden van crisis er zijn hervormingsprogramma’s doorduwde terwijl de mensen niet wisten wat er gebeurde. De crisis verlamde Links. Rechts had haar materiaal in de denktanks klaarliggen. Het kapitalisme zoekt altijd naar winst. Politiek gezien hebben ze die peer-to-peer systemen en participatiemodellen gebruikt als ideologie om de welvaartsstaat af te bouwen. Dat is jammer.”

Foto: Theo Beck

Si-comparte-el-valor-antes-de-_54370845787_54026874601_600_226

“We beleven het einde van het Romeinse Rijk. Dat geeft moed”

Een uitgebreid interview met Michel Bauwens in De Morgen van 11 oktober 2014 (Zeno-bijlage)

De westerse economie gaat om zeep, maar dat is juist geweldig nieuws. Eindelijk wat anders! Welkom in de wereld van Michel Bauwens (56), een filosoof die zo radicaal outside the box denkt, dat er in de verste verte geen box meer te bekennen valt.

Misschien kent u Michel Bauwens niet – en dat is dan erg jammer. Maar die ene onbekende Belg, waarvan u de naam alweer vergeten bent, die plots opdook naast Mahatma Gandhi en Martin Luther King in die lijst van honderd meest inspirerende personen van het Post Growth Institute, herinnert u zich die nog? Dat was Michel Bauwens.

De rest van het interview hier

IMG_1153

Met peer-to-peer naar een post-kapitalistisch systeem

Originele content
Ook gepubliceerd op De Wereld Morgen

Het inzetten van netwerktechnologie heeft alsmaar ingrijpendere gevolgen op de manier waarop onze economie, sociaal leven en organisaties functioneren. Het leger auteurs die het transformatieve karakter ervan belichten, groeit met de dag. Vandaag zijn het niet langer marxistische denkers zoals Immanuel Wallerstein die praten over het einde van het kapitalisme, maar ook mainstream auteurs zoals Jeremy Rifkin, raadgever van ondermeer de EU en de Duitse bonskanselier.

In zijn laatste boek “The Zero Marginal Cost Society” legt Rifkin uit hoe het kapitalisme slachtoffer wordt van zijn eigen succes door de marginale kost van producten tot bijna nul te herleiden. In de digitale wereld hebben we het punt van overvloed al bereikt. Alles wat digitaal is, kan immers zonder kwaliteitsverlies en zo goed als gratis tot in het oneindige gekopieerd worden, en natuurlijk is geen enkel bedrijf opgewassen tegen gratis. Je moet alleen over een computer en een internetverbinding beschikken. De digitale revolutie eist dan ook zijn eerste slachtoffers in de wereld van de muziek, media en uitgevers. Maar met nieuwe machines zoals 3D-printers en het hergebruik van materialen is ook materiële productie tegen bijna zero marginale kost al mogelijk.

Denk niet dat deze machines zich beperken tot het maken van plastieken poppetjes of aangepaste hoorapparaten. Vandaag kunnen we auto’s, drones, laptops, telefoons en andere gesofisticeerde producten printen, of althans de onderdelen ervan, om die daarna als een lego in elkaar te zetten. De 3D-printer van RepRap kan zelfs zichzelf printen, dus niemand weet hoeveel ervan in omloop zijn! Deze technologieën zijn natuurlijk nog niet wijd verspreid, maar fablabs en makerspaces schieten wel als paddenstoelen uit de grond.

Peer-to-peer in een kapitalistische context

Deze ontwikkelingen zijn niet alleen bedreigend voor ondernemingen en organisaties, maar natuurlijk ook voor de mensen die er hun brood verdienen, denk maar aan taxichauffeurs die vrezen voor broodroof door Uber. Wat te doen? Als we platforms als Uber en Airbnb verbieden dreigen we het innovatieve kind met het badwater weg te gooien. Als we niets doen geven we vrijgeleide voor sociale afbraak en deregulering. Reglementering is dus aangewezen, niet ter bescherming van gevestigde belangen maar om een level playing field te creëren, monopolievorming tegen te gaan en gebruikers (zowel aan vraag- als aanbodzijde) te beschermen.

Uber en Airbnb zijn echter maar twee voorbeelden van snel groeiende bedrijven die zoveel mogelijk munt proberen te slaan uit peer-to-peer (P2P) netwerken die consumenten en producenten met elkaar verbinden. Maar er is een groot verschil tussen op P2P gebaseerde marktplaatsen en P2P als relationele dynamiek binnen een gemeenschap die commons produceert. In het eerste geval wordt iedereen een zelfstandige zonder sociale rechten maar afhankelijk van een platform dat systematisch zijn monopoliepositie versterkt. Zo verhoogde Uber, thans 18 miljard dollar waard (+400% in één jaar), onlangs haar aandeel in de inkomsten per rit in San Francisco van 20% naar 25%. Zo stroomt steeds meer geld naar boven, naar de aandeelhouders, terwijl de chauffeurs verarmen.

De digitale munt Bitcoin is een ander voorbeeld van gedistribueerd kapitalisme. Het mooie aan Bitcoin is dat het de eerste wereldmunt is die gecreëerd werd buiten overheden en banken om en dat iedereen die over een PC beschikt Bitcoins kan ontginnen. Maar de schaduwzijde is het deflatoir concept: van Bitcoin komen maximaal 21 miljoen munten in omloop, dus hoe hoger de vraag naar de digitale munt, hoe hoger de koers. Bovendien kan iemand die over een groot computerpark beschikt veel meer Bitcoins produceren dan de enkeling. De Gini-coëfficiënt (die de ongelijkheid uitdrukt) van Bitcoin is vandaag al hoger dan die van traditionele munten. De manier waarop we internettechnologie ontwerpen en gebruiken, is dus bepalend voor het resultaat.

Vanuit het standpunt van waardecreatie en –toe-eigening wordt het verhaal nog dramatischer als we platformen als Facebook of Google in beschouwing nemen. In een kapitalistisch bedrijf vloeit ten minste nog een deel van de waarde in de vorm van lonen terug naar degenen die de waarde creëren, maar in het geval van Facebook en Google wordt 100% van de waarde verzilverd door de aandeelhouders. Hoe duurzaam kan een dergelijk economisch model zijn?

Het postkapitalistisch potentieel van peer-to-peer

Het zou echter een grote vergissing zijn om ons blind te staren op de destabiliserende en zelfs destructieve gevolgen van netwerktechnologie binnen ons huidig economisch model. Even belangrijk zijn de emancipatorische en positieve krachten die ervan kunnen uitgaan. Het meest revolutionaire aspect van het internet schuilt namelijk in zijn superieure productievermogen. Vandaag kunnen mensen immers wereldwijd samen , zonder toestemming te vragen, hoogst complexe projecten ondernemen zoals de bouw van Wikipedia (open kennis), Linux (open source software) of Wikispeed (open design). Dat introduceert democratie in de productie en herintroduceert het middeleeuwse begrip “meent” of “gemeengoed” (commons) in de economische vergelijking die tot nu toe vrijwel uitsluitend uit de dichotomie overheid/privésector bestond. De civiele maatschappij is hyperproductief (en dus vaak performanter dan bedrijven en overheidsorganisaties) geworden, want produceren voor de commons is passionele productie die globaal kan worden gecoördineerd.

De voorbode van die nieuwe productiewijze is de manier waarop steeds meer software wordt gecreëerd, met Linux als paradepaardje. Bovendien vindt de mutualisering van kennis ook steeds vaker haar spiegelbeeld in de reële economie. Vooral jongeren houden zich bezig met gedistribueerde productie in fablabs, makerspaces, doe-het-zelf biolabo’s en coöperatieven als de natuurlijke partners van de commons. Deze ontwikkeling bevindt zich vandaag in embryonale vorm en het peer-to-peer model blijft afhankelijk van de markt. Het kan zichzelf dus (nog) niet reproduceren. Peer-producenten verdienen immers doorgaans geen cent aan hun bijdragen tot de commons en zijn gedwongen om voor een bedrijf of als freelancers te werken.

De emancipatorische en bevrijdende kracht die uitgaat van het peer-to-peer model zal er dan ook niet vanzelf komen. Tijdens de overgang van het feodalisme naar het kapitalisme verloren boeren en ambachtslui de controle over hun bestaansmiddelen. Ze werden gedwongen te werken in fabrieken in loonverband, maar organiseerden solidariteit via de oprichting van allerlei organisaties zoals mutualiteiten, coöperatieven, en pensioenkassen, evenals vakbonden en politieke partijen om hun belangen te verdedigen. De solidariteitsmechanismen werden na de Tweede wereldoorlog in een sociaal contract gegoten en veralgemeend via de welvaartsstaat. Maar door de systematische afbrokkeling van de macht van de traditionele arbeidersbeweging komt deze welvaartsstaat steeds zwaarder onder druk te staan.

Naar nieuwe solidariteitsmechanismen en -organisaties

In tegenstelling tot haar historische voorgangers, beschikken de kenniswerkers van vandaag terug over hun bestaansmiddelen in de vorm van een pc en een internetverbinding, maar ze worden niet meer gesocialiseerd op de werkvloer. Dat neemt niet weg dat ook zij nieuwe organisaties en structuren in het leven roepen: verenigingen zonder winstoogmerk om de infrastructuur van de commons te onderhouden en peerproductie mogelijk te maken (Wikimedia Foundation,Lionux Foundation, Gnome Foundation etc.), evenals speciale licenties om hun commons te beschermen tegen privatisering.

Maar er is meer. Net als de arbeiders in de negentiende eeuw, zoeken ook kenniswerkers naar oplossingen en alternatieven om hun welvaart en autonomie te verhogen. Zo organiseert de Freelancers Union in New York al bijna 300.000 freelancers. Een opvallend kenmerk van deze beweging is dat ze niet alleen waakt over de belangen van haar leden, maar zich ook engageert in het creëren van een alternatieve economie. Er is ook een revival van innovatieve coöperatieven zoals de Cooperativa Integral Catalana, een open coöperatief consortium in volle ontwikkeling die structureel verbonden is met het coproduceren van commons.

De P2P Foundation, een wereldwijde gemeenschap van onderzoekers en activisten die peer-to-peer bestuderen en promoten, treedt sinds kort ook op als participant en katalysator in de transitie naar een P2P-samenleving. Zo nodigde de Ecuadoriaanse overheid onze landgenoot Michel Bauwens, de oprichter van de P2P Foundation, begin dit jaar uit om het FLOK Society project te leiden (FLOK staat voor Free Libre Open Knowledge), terwijl de P2P Foundation onlangs een samenwerkingsakkoord afsloot met de Cooperativa Integral Catalana. De P2P Foundation stelt ook een innovatieve licentie voor, de peer production licence, die wederkerigheid wil introduceren in de markt.

Volgens Jeremy Rifkin zullen de collaboratieve commons binnen ongeveer dertig jaar de economie domineren, met de kapitalistische markt als tweede viool. Ook Wallerstein geeft het huidige economische systeem nog hooguit veertig jaar, maar stelt terecht dat de toekomstige samenleving niet noodzakelijk beter zal zijn dan de huidige. Of we zoveel tijd hebben voor de omschakeling naar wereldwijde open en vrije samenwerking rond de commons, en een herlokalisering van de materiële productie in microfabrieken, is nog maar de vraag. Het IPCC-rapport over de klimaatcrisis stemt niet bepaald tot vrolijkheid. De positieve kant is dat tijdens kantelmomenten de wet van de grote getallen speelt en dat tijdens het transitieproces de houding en bijdrage van elkeen bepalend kan zijn voor de uitkomst. Want, en dat zegt Wallerstein ook, deze uitkomst kan ook een beter systeem zijn. En dat is precies wat p2p de mensheid potentieel te bieden heeft.

Jean Lievens
Kernlid P2P Foundation
Coauteur met Michel Bauwens van ‘De Wereld Redden, met P2P naar een postkapitalistische samenleving ‘(Houtekiet, 2013)

Centrum voor co-creatie

Wallfish: Centrum voor Co-Creatie

Wallfish is een – zeer lange termijn – project met als doel een nieuw “samenlevingsmodel” op te bouwen. Hierbij ligt de focus op het ontwikkelingsproces van steeds duurzamere technologieën, onder ‘duurzamer’ verstaan we ‘meer functie met minder impact’.

Technologieën zijn de door de mens uitgevonden “verlengstukken” om bepaalde doelen te bereiken. We kunnen technologieën ontwikkelen zodat iedereen – vanuit eigen interesse, kennis, vaardigheden en creativiteit – zinvol werk kan verrichten voor zichzelf én de maatschappij.

Deze visie wordt ook verder uitgediept in het wikibrein en laat zich ook vertalen in een manifest.

Hoe we dat proberen bereiken?

Op dit moment uiten deze doelstelling zich als een onderzoeks en ontwikkelingscentrum voor co-creatie. We willen te weten komen hoe mensen beter kunnen samenwerken. We hebben een uitgebreide project-gebasseerde aanpak die gaat van het geven van cursussen ontwerpend onderzoek – over het ontwikkelen van complementaire munten – tot het ontwikkelen van open-source producten. Alles in het teken van “beter co-creëren”.

Als je interesse hebt om binnen dit centrum activiteiten te ontplooien, dan nodigen we je graag uit op vrijdag 29 augustus om 16u (Gent) voor een eerste centrum-bijenkomst. Wat mag je verwachten: je krijgt kort een voorstelling van de laatste vorderingen, een overzicht van wat er gepland staat dit najaar en natuurlijk kennismaking met de andere geïnteresseerden. Als je zou komen, laat dan iets weten en dan sturen we je verdere details.

Scriptie - de kenniswerker de baas

Deeleconomie, grootkapitaal en de nieuwe sociale klasse

Oorspronkelijk gepubliceerd in MO (originele tekst) op 4 juli 2014

Het internet transformeert zichzelf van communicatieplatform tot productieplatform. Dat wijzigt de sociale verhoudingen fundamenteel. Een op vier werknemers is nu al freelance en tegen 2020 zou dat een op drie zijn. Kenniswerkers verdienen vaak erg weinig, terwijl ze toch hun eigen productiemiddelen bezitten. Creëert deze nieuwe sociale klasse ook een nieuw politiek speelveld?

Volgens de onlangs overleden Jean-Luc Dehaene zijn de klassieke politieke partijen, maar ook vakbonden en werkgeversorganisaties producten van een verleden tijd. Vandaag is het niet langer de politiek, maar technologie de drijfveer van verandering. In De Standaard van 19 april verwees hij in dat verband expliciet naar gedelocaliseerde peer-to-peer-initiatieven. Zijn er parallellen met het ontstaan van vakbonden en coöperaties tijdens het begin van de industriële samenleving?

In de negentiende eeuw ontstond een nieuwe klasse van proletarische arbeiders die waren weggejaagd uit hun land en ambacht, en zonder enige zekerheid en solidariteit afhankelijk waren van het kapitaal.

Om hun levensvoorwaarden te verbeteren, richtten zij solidariteitsmechanismen op, en allerlei sociale en politieke bewegingen die hun sociale eisen konden bijstaan. Die eisen en verlangens werden in belangrijke mate gerealiseerd toen de welvaartstaat die voorstellen ernstig nam en begon te realiseren.

Vandaag vindt een deproletarisering plaats. Een op vier werknemers is nu al freelance en tegen 2020 zou dat een op drie zijn, en in de VS zelfs een op twee. De nieuwe sociale klasse, de precaire kenniswerkers, bezitten hun eigen productie-middelen, zoals de computer, de netwerken, en in toenemende mate de nieuwe gedistribueerde productie-middelen zoals 3D printers. Toch is die nieuwe klasse vandaag ook erg onzeker in de context van de afbraak van de solidariteitsmechanismen van de welvaartstaat.

Breuk tussen kapitalisme en ondernemerschap

De nieuwe structurele realiteit van de kenniswerkers kwam zeer duidelijk tot uiting na de internet crisis van 2001. Ondanks de enorme kapitaalvlucht uit het internet, vond een enorme heropleving van de innovatie plaats en werd het participatieve Web 2.0 geboren, aanvankelijk zonder echte medewerking of financiering van het kapitaal.

De conclusie was duidelijk: het is vandaag mogelijk om heel complexe technologische projecten te creëren op basis van vrijwillige samenwerking, die bovendien minder dan ooit beperkt wordt door nationale of andere grenzen. Geld en kapitaal zijn nu minder nodig in de beginfase, eerder wanneer het project succesvol is en een economie begint te creëren. Er is dus een historische breuk onstaan tussen het kapitalisme en het ondernemerschap.
Het internet is inderdaad niet louter een communicatie-medium, het blijkt vooral een productie-medium te zijn. Overal ter wereld ontstaan er vrije software gemeenschappen, open hardware gemeenschappen, en vele andere projecten die gebaseerd zijn op gedeelde kennis. Volgens het Amerkaanse Fair Use Economy Report zou die economie in de VS nu al zorgen voor 17 miljoen arbeidsplaatsen en een zesde van het bruto nationaal product, geen peulschil dus.

Die mutualisering van de kennis gaat gepaard met een mutualisering van de fysieke economie. Meer en meer jongeren richten co-working ruimten in, en organiseren hackerspaces, makerspaces, diy biolabs en dies meer. En de zogenaamde deeleconomie laat de mutualisering toe van veel tot nu toe overtollige en ongebruikte goederen.

Het kapitalsme recupereert de vernieuwing

Maar het kapitalisme zou het kapitalisme niet zijn, als het daar geen winstmogelijkheden in zag. De nieuwe peer to peer economie is dus inderdaad al ingekapseld in het dominante system. Grote multinationals maken gebruik van vrije software, zoals IBM dat doet met Linux. Op die manier kan de multinational gebruik maken van het werk van honderdduizenden arbeiders, waarvan minstens een kwart gratis voor Linux werken.

Bedrijven zoals Facebook and Google, produceren geen goederen of diensten meer, zij zijn als platform een doorgeefluik voor de waarde die we als gebruikers zelf creëren door onze uitwisseling via sociale media. Wie de waarde creëert, krijgt geen inkomen, de volle honderd procent gaat naar de eigenaars van het platform.

De deeleconomie en de gedistribueerde netwerken voor klussen etc .. (crowdsourcing) zijn zo opgevat dat ze de belangen van de vraagzijde (consumptie) bevoordelen, en de belangen van het aanbod (de arbeid), benadelen. Volgens Trebor Scholz, in een nog ongepubliceerde studie, zou het gemiddelde loon van dit soort werk soms amper twee dollar per uur zijn, veel lager dan het legale minimumloon in de VS.

Er is dus schijnbaar een grote contradictie tussen het passionele engagement van de nieuwe laag kennisarbeiders voor het creëren van een gemeengoed dat voor allen beschikbaar is, en de economische realiteit in het kapitalisme, die voor hen meestal neerkomt op een structurele precariteit.

Marktwaarde en samenwerking

Er is echter hoop. Hoewel de peer to peer economie functioneert binnen het kader van de huidige politieke economie, beschikt ze ook over een aanzienlijke post-kapitalistische potentialiteit.

De post-kapitalische logica van peer productie hangt nauw samen met het creëren van wat Jeremy Rifkin de ‘collaboratieve commons’ noemt: het gemeengoed dat door samenwerking gecreëerd wordt. De logica is er niet een van arbeid en kapitaal maar van bijdragen tot een open gemeengoed. Kenniswerkers, betaald of niet, dragen met hun kennis, code of design bij aan een gemeengoed dat beheerd wordt door een nieuwsoortig sociaal contract: iedereen kan gebruikmaken van en bijdragen aan het gemeengoed, op voorwaarde dat het beschikbaar blijft voor iedereen.

De peer to peer dynamiek creëert dus een commons, een overvloedige, kopieerbare commons die op zichzelf geen marktwaarde heeft omdat zij door haar overvloed geen spanning kan creëren tussen vraag en aanbod, en dus geen prijs. Het werk zelf, dat gebeurt door de vrije bijdrage van tijd, kennis en energie, gebeurt via gemeenschappelijke coördinatie, dus niet via een hiërarchisch bevel. Het is dus geen prijsmechanisme (markt) of bevel (hiërarchie), maar een nieuw toewijzingsmechanisme gebaseerd op sociale coördinatie.

Binnen de huidige kapitalistische maatschappij kan men echter niet in zijn levensonderhoud voorzien zonder de creatie van marktwaarde, maar die gebeurt dus in de periferie van de commons, door rond en op basis van het gemeengoed diensten en producten te leveren die wel schaars zijn en dus marktwaarde creëren. De twee logica’s moeten dus samenwerken, de commons heeft de markt nodig om te overleven, maar de markt heeft de commons nodig om te innoveren en waarde te creeren.

Het probleem, bekeken vanuit het standpunt van de kenniswerkers, is dat de kapitalische markt nog steeds dominant is. Winstgerichte bedrijven gaan dus een aantal van die peerproducenten betaald werk bezorgen, maar zorgen er ook voor dat de meerwaarde gereasliseerd wordt via de bedrijven. De commons is dus niet autonoom.

Een Internationale van wederkerigheid?

Vandaag zien we hoe kennisarbeiders, diegenen die samen de commons creëren, net zoals de arbeiders van de 19de eeuw, naar oplossingen zoeken om hun welvaart en autonomie te versterken. Een van die projecten is de Freelancers Union in New York, die al bijna driehonderdduizend freelance kenniswerkers organiseert. Kenmerkend is dat die beweging niet louter een klassieke vakbond is, maar zelf ook geëngageerd is in het creëren van een alternatieve economie. Ze doen dat in een project dat ze de Quiet Revolution noemen.

Een andere reactie is het creëren van een coöperatieve economie rond de commons. Zo kent Argentinië bijvoorbeeld al een paar dozijn software coöperaties die uitsluitend, en tegen betaling, vrije software produceren voor het bedrijfsleven. De Cooperativa Integral Catalana is een voorbeeld van een snelgroeiend en open coöperatief consortium dat structureel verbonden is met het co-produceren van gemeengoed. In Baskenland is het zeer originele lasindias.net actief.

De P2P Foundation zelf speelt hierin een rol door het debat te lanceren rond een nieuw type licentie, gebaseerd op wederkerigheid. Het idee is dat een bepaald gemeengoed open en vrij gebruikt kan worden voor niet-commerciële doeleinden, door zowel niet-commerciële als commerciële actoren die het gemeenschappelijk welzijn nastreven. De licentie zou zelfs gelden voor op winst gerichte bedrijven op voorwaarde dat zij op hun beurt onbetaald bijdragen. Wie enkel gebruikt maar niet bijdraagt, moet dus betalen voor het gebruik van die licentie.

Wat belangrijk is, is echter niet die geldstroom, maar het principe dat de markt gericht moet zijn op wederkerigheid. De bedoeling van de nieuwe licentie is dus het creëren van een ethische marktcoalitie die mee het gemeengoed produceert, en om traditionele bedrijven te helpen in hun transformatie tot medewerkers aan de commons.

We moeten van de huidige, uitsluitend extractieve vormen van eigendom evolueren naar generatieve vormen van eigendom. Binnen die nieuwe sfeer ontstaan ook de debatten over en de experimenten voor nieuwe vormen van ‘genetwerkte’ solidariteit. Uitgangspunt is dat de welvaartstaat wellicht gedoemd is om te verzwakken in de huidige conjunctuur, en dat nieuwe vormen van solidariteit door de basis zelf moeten uitgewerkt worden. Dit soort ontwikkelingen worden nauwgezet opgevolgd in een speciale sectie van de p2pfoundation.net wiki.

Nieuwe politiek

Langzamerhand krijgt de nieuwe cultuur van de commons-producerende kennisarbeiders ook een politieke expressie.

Het eerste voorbeeld hiervan waren de Piraat Partijen die rechtsreeks voortkwamen uit de filesharing gemeenschappen in Zweden. In Spanje werd een Partido X gecreëerd, die een platform-partij wil zijn en gebruik wil maken van de directe democratie die via internettechnieken mogelijk wordt. Zij werd in electorale resultaten echter overvleugeld door het succes van Podemos, een partij die rechtstreeks voortkomt uit de 15M beweging, de sociale beweging van de precaire Spaanse jongeren. En in Griekenland haalde Syriza een elektorale overwinning. De partij komt voort uit de andersglobaliseringsbeweging enonderhoudt nauwe banden met zowat drieduizend door p2p waarden geinspireerde solidariteits initiatieven zoals social clinics, social farmacies…

Er beweegt dus iets: de nieuwe digitale cultuurexpressies van de jonge kenniswerkers krijgen stilaan politieke vorm. Net zoals dat gebeurde met de industrie-arbeiders in de 19de eeuw. Dehaene had dat goed gezien.

1509048_10151923136816951_1479216751_n

Boekbespreking “De Wereld redden – met peer-to-peer naar een post-kapitalistische samenleving”

Herpublicatie boekbespreking (geschreven door Jeroen Watté), gepubliceerd op 15 april 2014 op de website BewustVerbruiken

OPINIE * Een boek met zo’n ambitieuze titel kan pretentieus overkomen. Toch prijkt Michel Bauwens niet zomaar als enige Belg tussen onder anderen Gandhi en de Dalaï Lama op de (En)Rich List. Deze parodie op de Forbes Rich List van het Post Growth Institute wil de verrijkende mensen vieren die gezamenlijk het pad effenen naar duurzaamheid.

Ongeveer tien jaar geleden zei de Belg Michel Bauwens zijn leven als internetpionier voor het overheids- en bedrijfsleven vaarwel en probeerde hij grip te krijgen op het fenomeen peer-to-peer(p2p)-productie. Dat is geen fruitteelt, maar Engels voor de capaciteit van mensen om als gelijken samen waarde te creëren zonder daarvoor toestemming te moeten vragen. Het boek, dat gebaseerd is op gesprekken met studiegenoot Jean Lievens, behandelt uitvoerig de economie en de politiek van p2p, en staat kort stil bij de filosofie en spiritualiteit ervan. Tot slot geeft Bauwens uitleg bij de door hem opgerichte P2P Foundation.

DE P2P ECONOMIE: DELEN IS HET NIEUWE HEBBEN

Elk individu draagt op vrijwillige basis bij aan een project dat hij/zij wil ondersteunen. De motivatie is dus niet extrinsiek (bijvoorbeeld: om geld te verdienen), maar intrinsiek (bijvoorbeeld: omdat een probleem op te lossen). Dat maakt van p2p volgens Bauwens een hyperproductief systeem. Bijvoorbeeld het opensource-besturingssysteem Linux (lees waarom je met een switch van Microsoft naar Linux agro-ecologie vooruithelpt) dat het dominante model is geworden voor de ontwikkeling van software, of de Wikipedia-encyclopedie die de Brittanica heeft verdrongen. Bauwens stelt vast dat p2p zich ontwikkelt als niet-hiërarchische postkapitalistische productiemethode. P2p realiseert nieuwe commons; zeg maar: vormen van gemeenschappelijk bezit. Niemand bezit Linux. Iedereen mag het gebruiken, iedereen kan het beter maken. Dit gemeenschappelijke model laat toe intensiever samen te werken.

HISTORISCHE BREUKLIJN

Bauwens ontwaart een gigantisch potentieel tot ‘stigmergische’ samenwerking, een coördinatiemechanisme vergelijkbaar met hoe sociale insecten functioneren. Hij ziet een historische breuklijn, waarin gedistribueerde netwerken op basis van gemeenschappelijk aandeelhouderschap de macht breken van klassieke institutenen hiërarchieën: Linux vs. Microsoft. Hij maakt een belangrijk onderscheid tussen p2p met winstoogmerk (Facebook, Bitcoin, Airbnb) en p2p met sociaal doel. Die laatste genieten zijn voorkeur: autodelen, samenhuizen, couchsurfing, complementaire munten, repair cafés, stadslandbouw… Kortom: delen is het nieuwe hebben.

DE POLITIEK VAN P2P: STAAT – PRIVÉ-COMMONS

P2p toont aan dat het maatschappelijk middenveld productief is geworden. Bauwens maakt komaf met het oude denkpatroon, namelijk dat waarde alleen wordt gecreëerd door privé-spelers die hun eigenbelang nastreven en gebruik maken van hun eigen kapitaal. Hoe hardnekkig dat patroon is, toont zich in de taal. Nonprofit geeft aan dat profit de norm is, hetzelfde met niet-gouvernementeel. Bauwens ziet de rol van de staat dan ook verschuiven van welvaartstaat naar partnerstaat die optimale voorwaarden creëert voor het vormen en bevorderen van commons, een staat die zelfproductie stimuleert… Samen met vele middenveldorganisaties stelt hij vast dat onze hele wetgeving erop gericht is om industriële monopolies te beschermen en samenwerking te bemoeilijken. De dualiteit staat-privé is passé, we moeten naar een nieuwe triarchie staat-privé-commons.

P2P FOUNDATION: HEFBOOM VOOR SOCIALE, ECONOMISCHE EN POLITIEKE VERANDERING

De Foundation wil de betere productiemethode die p2p is, promoten als hefboom voor sociale, economische en politieke verandering. Het is een observatorium van open, participatieve en op de commons gerichte praktijken die overal opduiken in de samenleving. Tijdens de boekvoorstelling vorig jaar in het Brusselse Kaaitheater, vertelde Bauwens dat de regering van Ecuador hem als onderzoeksdirecteur inschakelde voor de realisatie van het programma Buen Vivir (‘goed leven’). Daarmee wil Ecuador de transitie realiseren van een olie-afhankelijke economie gericht op grondstoffenwinning naar een vrije en open kennismaatschappij.

GEEN APARTE EILANDJES

Dat geeft aan hoeveel er met p2p op het spel staat. Bauwens zelf zei eind vorig jaar in Humo: “Een buitenstaander zal eilandjes zien en denken dat ieder voor zich bezig is. Maar er blijkt eenzelfde schema te zijn, waar mensen onbewust naartoe werken; een onderliggende structuur die niet toevallig is en die de logica bevat van dat nieuwe productiesysteem. En dat is nu mijn taak, ik wil al die losse draadjes verbinden via de P2P Foundation.”

Het boek, maar vooral de p2p revolutie is een aanrader.

Noot Jean Lievens:
Het boek is voorlopig niet langer verkrijgbaar bij Houtekiet wegens uitverkocht. Je kan het nog bij mij bestellen door te reageren op dit artikel.

wikis5680929877_ea019698a6_o_0

Een blauwdruk voor de P2P-samenleving: de partnerstaat en de ethische economie

vertaling door Jean Lievens van het artikel van Michel Bauwens: “Blueprint for P2P Society: The Partner State & Ethical Economy”, gepubliceerd op 07/04/2012 op de website van Shareable

Zie ook Nederlandstalige sectie P2P Foundation

“Er is zich een nieuwe productiewijze aan het ontwikkelen. Daarmee bedoelen wij een nieuwe manier om werkelijk eender wat te produceren, van software over voedsel tot zelfs steden! Vroeger kon dit niet zonder starre organisaties in een maatschappij waarin hiërarchische modellen de mentaliteit overheersen. Vandaag ontdekken we -en in veel gevallen herontdekken we- hoe we veel zaken kunnen aanpakken door middel van vrije verenigingen van gelijken (‘peers’).

Michel Bauwens

We beginnen ook steeds meer in te zien dat het aanbreken van een nieuw tijdperk dat gekenmerkt wordt door een ethiek van vrije verenigingen en horizontale structuren niet betekent dat de instellingen zelf zullen verdwijnen, maar wel dat ze zeer diepgaande veranderingen zullen ondergaan.

In het nieuwe institutionele model van peer-productie, dat vooral zichtbaar is in de software-industrie, stellen we de volgende wisselwerking vast tussen drie partners:

1. een gemeenschap van medewerkers die een commons van kennis, software of design creëert;
2. een bedrijfscoalitie die marktwaarde creëert bovenop die commons; en
3. een aantal op voordelen gerichte verenigingen die de “samenwerkingsinfrastructuur” beheren.

Tussen die drie spelers bestaat er een duidelijke institutionele arbeidsverdeling.

De medewerkers scheppen de gebruikswaarde die gedeponeerd wordt in een gezamenlijke ‘innovatiecommons’ van kennis, code en design.
De op voordelen gerichte vereniging beheert en verdedigt de algemene samenwerkingsinfrastructuur, die op haar beurt zorgt voor de “collectieve” duurzaamheid van het project. De Wikimedia Foundation bijvoorbeeld verzamelt financiële middelen om de servers te betalen zonder dewelke toegang tot Wikipedia onmogelijk zou zijn.

De bedrijfscoalitie zorgt voor de “duurzaamheid” van de individuele medewerkers door hen een inkomen te verschaffen. Heel vaak ondersteunen ze ook de op voordelen gerichte instellingen financieel zodat die kan blijven voortbestaan.
Kunnen we ook iets leren over de politiek van deze nieuwe manier van waardeschepping, iets dat niet alleen nuttig kan zijn voor de betrokken gemeenschappen, maar voor de hele samenleving? Geven die nieuwe sociale praktijken ook aanleiding tot een nieuwe machtsvorm en een democratisch model die een mogelijk antwoord kunnen bieden op de hedendaagse crisis van de democratie? Wij antwoorden daarop met een empathisch ‘ja’. Meer nog, we beweren dat we getuige zijn van een nieuw staatsmodel, een P2P-staat als je wil.
Laten we even kijken naar de machtsmechanismen en de politiek van op de commons gerichte peer-productie door de drie spelers die betrokken zijn in deze nieuwe institutionele opstelling nader te onderzoeken.

1. De postdemocratische logica van gemeenschappen

Verrassend genoeg moeten we beginnen met de vaststelling dat die gemeenschappen niet democratisch zijn. Waarom? Heel eenvoudig: omdat democratie, de markt en hiërarchie mechanismen zijn voor de toewijzing van schaarse middelen.

In een hiërarchie beslissen onze oversten; in de markt beslist de prijs; in een democratie beslissen “wij”. Maar als de middelen onbeperkt zijn, wat het geval is met immateriële kennis, code en design, is dat niet nodig omdat die gemakkelijk en tegen marginale kostprijs kopieerbaar zijn.
Dergelijke gemeenschappen zijn echte “polyarchieën”. Het soort macht dat er heerst is meritocratisch, gedistribueerd en ad hoc. Iedereen kan bijdragen zonder toestemming te vragen, maar dit gebrek aan toestemming vooraf wordt gecompenseerd door gemeenschappelijke waarderingsmechanismen achteraf (a posteriori), waarbij degenen met een erkende expertise die aanvaard worden door de gemeenschap –de zogenaamde “beheerders” en “redacteurs”- beslissen welke deeltjes van de software of het ontwerp aanvaardbaar zijn. Die beslissingen vergen expertise, geen gemeenschappelijke consensus.
De spanning tussen inclusiviteit van deelname en selectiviteit voor uitmuntendheid bestaat in elk sociaal systeem. Peer-productie heeft die spanning echter op een vrij elegante manier opgelost. Het geniale is niet dat er geen conflicten zouden optreden, wel dat ‘onnodige’ conflicten geen kans krijgen omdat het doel van de samenwerking compatibel is met maximale menselijke vrijheid. Peer-productie is immers altijd “doelgedreven” samenwerking en het betrokken doel is bepalend voor de keuze van de mechanismen voor “Peer Governance”.

Het belangrijkste toewijzingsmechanisme in een project dat de markt, de hiërarchie en de democratie vervangt, berust op een taakverdeling. In tegenstelling tot het industrieel model is hier niet langer sprake van een arbeidsverdeling in aparte jobs, terwijl de wederzijdse coördinatie verloopt via zogenaamde ‘stigmergische’ signalen.

Aangezien de werkomgeving volledig open en transparant ontworpen is (we noemen dit holoptisme) kan elke deelnemer zien wat er nodig is en op die basis beslissen om al dan niet een bepaalde bijdrage te leveren.
Wat dit nieuwe model zo bijzonder maakt, is dat het globale coördinatie kan combineren met kleine groepsdynamiek die kenmerkend is voor primitieve stammen en dit kan verwezenlijken zonder een bevel- en controlestructuur! Peer-productie maakt bijgevolg het mondiaal schalen van kleine groepsdynamica mogelijk.

Uiteraard kunnen er tijdens de samenwerking conflicten optreden tussen de deelnemers en dat gebeurt ook vaak, alleen worden die niet op autoritaire wijze beslecht maar via een “onderhandelde coördinatie”. Geschillen worden uit de weg geruimd in de fora, mailinglijsten en chatsessies die deze gemeenschappen gebruiken om hun werk te coördineren.
De resterende hiërarchische beslissing om een bijdrage aan een programma al dan niet te accepteren -wat nodig is om de kwaliteit en uitmuntendheid van de productie te verzekeren- wordt in evenwicht gehouden door de vrijheid om “te vertakken”. Dat betekent dat deelnemers die het niet eens zijn met de eindbeslissing altijd de basiscode kunnen gebruiken om een andere versie te maken waarbij hun keuzes overwegen. Die beslissing word niet lichtzinnig genomen, maar de mogelijkheid tot vertakking vormt wel een tegenmacht. Beheerders weten dat onrechtvaardige en unilaterale beslissingen kunnen leiden tot een tanend lidmaatschap en/of tot vertakkingen.

2. De relatie tussen de gemeenschap en de bedrijfscoalitie

Wat is de relatie tussen de bedrijfscoalitie en de commons die de basis vormt van hun waardeschepping? De coalitie steunt de individuele ‘commoners’ in hun levensonderhoud en kunnen ook bijdragen tot de op voordelen gerichte vereniging. Een voorbeeld is IBM die de salarissen betaalt van softwareontwikkelaars/commoners die bijdragen tot de Linux-poel, en ook de non-profitorganisatie (de Linux Foundation) financiert. Op die manier dragen ze bij tot de commons waaraan ze hun succes ontlenen.

Maar dat betekent ook dat ze Linux veranderd hebben in een gedeeltelijke ‘bedrijfscommons’. Doc Searls , hoofdredacteur van de Linux Journal, legt het als volgt uit: “Linux is een economische joint venture geworden van een aantal bedrijven, net zoals Visa een economische joint venture is van een aantal financiële instellingen. Uit het verslag van de Linux Foundation blijkt duidelijk dat bedrijven er voor allerhande commerciële redenen aan deelnemen.”

Volgende passage over het werk aan de Linux-kernel maakt dit duidelijk: “Meer dan 70% van de kernontwikkeling wordt aantoonbaar verricht door ontwikkelaars die betaald worden voor hun werk. Meer dan 14% komt van ontwikkelaars van wie geweten is dat ze onbetaald en onafhankelijk zijn en 13% door mensen die al dan niet betaald worden (onbekend). Met andere woorden, de hoeveelheid werk die gepresteerd wordt door betaalde werknemers kan oplopen tot 85%. De Linux-kernel is dus in hoofdzaak het product van professionelen, niet van vrijwilligers.”

Alleen is dit niet het volledige verhaal. Timothy Lee legt uit dat de verzelfstandiging van Linux het onderliggend organisatorisch model niet veranderd heeft:
“Waar het om gaat, is de manier waarop open-sourceprojecten intern georganiseerd zijn. Bij een traditioneel softwareproject beslist een projectmanager over de kenmerken die het product moet hebben en geeft werknemers de opdracht om te werken aan de verschillende functies. Maar er is niemand die de algemene ontwikkeling van de Linux-kernel aanstuurt. Ja, Linus Torvalds en zijn luitenants beslissen welke onderdelen het uiteindelijk tot in de kernel schoppen, maar de werknemers van Red Hat, IBM en Novell die werken aan de Linux-kernel krijgen van hen geen orders. Ze werken aan om het even wat zij (of hun respectievelijke cliënten) belangrijk vinden. Torvalds kan alleen beslissen of de deeltjes software die ze hebben bijgedragen goed genoeg zijn om in de kernel op te nemen.”

Clay Shirky, de auteur van “Here Comes Everybody: The Power of Organizing Without Organisations” benadrukt dat bedrijven zoals IBM die met Linux werken “afstand hebben gedaan van hun recht om de projecten waarvoor ze betalen te leiden; bovendien hebben hun concurrenten directe toegang tot alles wat ze doen. Het is geen IBM-product.” Dat is het punt dat we willen benadrukken: zelfs wanneer beursgenoteerde ondernemingen betrokken zijn in peer-productie, speelt de waardeschepping van de gemeenschap nog altijd een centrale rol in het proces. De bedrijfscoalitie volgt nu al in belangrijke mate deze nieuwe logica die de gemeenschap op de eerste plaats zet en de onderneming pas op de tweede. In dit model moet het bedrijfsmodel de sociale logica volgen. Anders gesteld: het is al een “ethische economie”.

3. De democratische logica van de op voordelen gerichte verenigingen

Peer-productie rust soms op een dure samenwerkingsinfrastructuur. Wikipedia kan niet bestaan zonder de financiering van zijn servers en zonder gelijkaardige ondersteunende mechanismen zijn ook vrije software of open hardware niet mogelijk. Dat is de reden waarom open-sourcegemeenschappen een nieuwe sociale instelling in het leven hebben geroepen: de op voordelen gerichte vereniging.

Ook hier hebben we te maken met een belangrijke sociale innovatie, want in tegenstelling tot klassieke non-profits of niet-gouvernementele organisaties opereren ze niet vanuit een standpunt van schaarste. Klassieke NGO’s functioneren grotendeels op dezelfde manier als industriële instellingen zoals bedrijven en de marktgerichte staat. Ze gaan er immers van uit dat middelen moeten ingezameld en beheerd worden.
De nieuwe op voordelen gerichte verenigingen daarentegen spelen enkel een actieve rol bij het in staat stellen en stimuleren van de gemeenschap om samen te werken door een infrastructuur ter beschikking te stellen. Ze spelen geen enkele rol bij het beheer van het productieproces. Die verenigingen hebben als enige doel de gemeenschap waarvan zij de uitdrukking zijn te doen floreren. Doorgaans worden ze democratisch bestuurd, en dat is ook nodig aangezien een ondemocratische instelling participanten zou ontmoedigen om bij te dragen.

Welnu, hier komt de kat op de koord: hoe zou je een instelling noemen die verantwoordelijk is voor het welzijn van alle deelnemers – in dit geval niet de inwoners van een bepaald gebied, maar van mensen die betrokken zijn in eenzelfde project? Wij beweren dat een dergelijke instelling een rol vervult die zeer gelijkaardig is als degene die we normaal toeschrijven aan de staat. Terwijl de staat ook altijd een op klassen gebaseerde instelling is die een bepaalde regeling inzake sociale privileges verdedigt, kan een op voordelen gerichte vereniging zich nooit beperken tot een instrument voor de heerschappij van een elite, maar dient ze ook de commons te beheren. In de mate dat ze die rol vervult, zullen de meeste mensen dit beschouwen als een aanvaardbare of zelfs goede staatsvorm. Maar naarmate ze daarin faalt, verliest ze legitimiteit en wordt ze in toenemende mate gezien als een bron van onderdrukking door een minderheid.

Algemeen gesproken, weerspiegelt een staat de krachtsverhoudingen in een bepaalde samenleving. De welvaartsstaat was een aanvaardbare staatsvorm omdat ze gebaseerd was op een sociaal compromis en op een sterke arbeidersbeweging, terwijl de geprivilegieerde lagen van de bevolking geconfronteerd werden met het schrikbeeld van een alternatieve staatsvorm die de trouw van hun burgers potentieel kon wegkapen.
Dit alternatief stortte in 1989 ineen met de sociale bewegingen in Oost-Europa. Het werd verder uitgehold door de sociale, politieke en economische keuze om vanaf de jaren 80 het Noorden te desindustrialiseren.
Geleidelijk aan moest de sociale welvaartsstaat plaatsruimen voor de hedendaagse verzorgingsstaat voor bedrijven (ook wel eens de marktstaat genoemd), die enkel de bevoorrechte klasse helpt, sociale solidariteitsmechanismen vernietigt, de meerderheid van de bevolking armer maakt en de middenklasse fataal verzwakt. Helaas kan een dergelijk systeem zijn legitimiteit op langere termijn niet behouden omdat het elk sociaal contract verbreekt dat sociale vrede kan waarborgen. Het is moeilijk om loyaliteit te bouwen door de belofte van steeds meer pijn!

Dat betekent dat we niet alleen getuige zijn van de dood van de sociale welvaartsstaat, maar ook van de dood en de logische onmogelijkheid van de neoliberale verzorgingsstaat voor bedrijven. We moeten daaraan toevoegen dat zelfs de welvaartsstaat problematisch is geworden. De belangrijkste reden is dat haar sociale basis, de westerse industriële arbeidersklasse en haar sociale bewegingen, in het Westen een demografische minderheid is geworden. Haar mechanismen -zelfs als ze werkten- kunnen niet veel meer doen om de huidige sociale meerderheid –vaak freelancende en sociaal kwetsbare kenniswerkers en bedienden- te helpen.

Bovendien verdragen de nieuwe klasse kenniswerkers die streven naar persoonlijke en sociale zelfstandigheid de paternalistische en bureaucratische werking van veel instellingen van de welvaartstaat niet langer. Veel andere positieve kenmerken van de welvaartsstaat werden ondermijnd door de neoliberale hervormingen van de “derde weg” die tot doel hadden de logica van de private sector te introduceren in de overheidssector.

4. Naar een partnerstaat

Kunnen we ons dan een nieuwe staatsvorm voorstellen? Graag introduceren we hierbij het concept van de partnerstaat. De partnerstaat, waarvan het theoretisch concept voor het eerst werd uitgewerkt door de Italiaanse politicologe Cosma Orsi, is een staatsvorm die de sociale waardecreatie door haar burgers mogelijk maakt en ondersteunt. Ze beschermt de samenwerkingsinfrastructuur voor de hele samenleving.

De partnerstaat kan op elk territoriaal niveau bestaan als een verzameling instellingen die het gemeenschappelijk welzijn beschermt en de burgers in staat stelt om waarde te creëren. Ze doet op territoriale schaal wat de op voordelen gerichte vereniging doet op projectmatige schaal. Terwijl de op voordelen gerichte verenigingen werken voor de commoners als medewerkers en participanten van welbepaalde projecten, werkt de partnerstaat voor de burgers. Dit is nodig want net zoals de Onzichtbare Hand die de markt regeert een mythe is, bestaat er ook geen onzichtbare hand voor de commons. Commoners hebben de neiging om zorg te dragen voor hun commons, niet voor de maatschappij in haar geheel. Die specifieke zorg voor het geheel vergt eigen specifieke instellingen!

Het goede nieuws is dat een dergelijke partnerstaat al bestaat. We hebben ze al in actie gezien, zij het op embryonale schaal. Enkele jaren geleden bezocht ik de stad Brest in het Franse Bretagne. Brest is niet echt een mooie stad, hoewel ze omringd is door prachtig natuurgebied. De stad werd platgebombardeerd in WOII en op het puin verrezen onaantrekkelijke sociale woningen die een broeihaard zijn voor heel wat sociale problemen. Michel Briand, gemeenteraadslid in Brest en verantwoordelijk voor internet en multimedia, en zijn team gemeenteambtenaren hadden een briljant idee: waarom geen beroep doen op de virtuele wereld om het echte sociale leven in de stad te verbeteren?

Het team creëerde een plaatselijke versie van Facebook, YouTube en Flickr, hielp plaatselijke verenigingen om online aanwezig te zijn, investeerde zwaar in opleidingen en stelde zelfs een bibliotheek ter beschikking waar burgers productiemateriaal konden lenen. Een van hun projecten bestond erin oude ‘smokkelroutes’ nieuw leven in te blazen om wandelaars aan te trekken. Ze beslisten dus om de paden “virtueel te verrijken”.
Het is op dat punt dat sociale innovatie de kop opsteekt: het gemeentebestuur stelde zich niet in de plaats van de burgers (door middel van overheidsvoorzieningen) en vroeg evenmin aan de privésector om zich over die taak te ontfermen (via privatisering of een privaatpublieke samenwerking) . In plaats daarvan gaven ze burgerteams de middelen om zelf waarde te creëren.
Dit gebeurde aan de hand van verschillende initiatieven, zoals het maken van een fotogalerie van opmerkelijke monumenten, mondelinge historische verhalen, enz. Zelfs het opnemen van vogelgeluiden stond op het menu! Dit is een goed voorbeeld van de partnerstaat: publieke autoriteiten die de juiste omgeving en ondersteunende infrastructuur creëren om de burgers in staat te stellen om via peer-productie waarde te creëren die de hele maatschappij ten goede komt.

Dergelijke initiatieven stimuleren de lokale economie en geven plaatselijke ondernemers de kans om bovenop die commons marktwaarde te creëren en nog meer toeristen aan te trekken. Michel Briand en zijn team werkten onvermoeibaar “voor het welzijn van de burgers”, door hun vermogen tot het scheppen van burgerlijke waarde te verbeteren. De kennis en cultuur dat op die manier werden gecreëerd, leidden tot een bruisende commons.
Indien we dit voorbeeld zouden verheffen tot een nationaal en zelfs supranationaal niveau, dan komen we tot een staatsvorm die zorgt voor ‘common-vaart’, met andere woorden, een staat die de commons en waardecreërende commoners bevordert.

Natuurlijk zijn er nog andere voorbeelden. De Oostenrijkse regio Linz heeft zichzelf uitgeroepen tot een ‘Commons Regio’; de stad Napels heeft een nieuwe post in het leven geroepen, een “assistent voor de burgemeester van de commons’, en San Francisco heeft een werkgroep opgericht om de samenwerkingseconomie (of sharing economie) te bevorderen.
Aan dit alles is echter ook een groot gevaar verbonden dat we kunnen illustreren aan de hand van het ‘Big Society’-programma in het Verenigd Koninkrijk, waar de autoriteiten dezelfde taal over burgerlijke autonomie en actie hanteren, waar achter echter een volledig andere praktijk schuilgaat. Hun politiek is erop gericht de welvaartstaat en haar sociale voorzieningen verder te ondermijnen. Een partnerstaat kan zich niet baseren op de vernietiging van de openbare samenwerkingsinfrastructuur.

Misschien was dat niet de oorspronkelijke bedoeling van Philipp Blond en zijn “Red Tories” die zich richten op het sociaal middenveld, maar het is wel wat de regering van David Cameron met zijn “Big Society” in de praktijk brengt. De peer-productie van gemeenschappelijke waarde heeft civiele rijkdom en sterke burgerlijke instellingen nodig! Met andere woorden, het concept van de partnerstaat overstijgt en omvat al het beste van de welvaartstaat, namelijk sociale solidariteitsmechanismen, een hoog opleidingsniveau en een bruisend cultureel leven, ondersteund door de gemeenschap.
De Britse Tories gebruikten de retoriek van de ‘Big Society’ in een poging om de overblijfselen van sociale solidariteit verder uit te hollen en mensen weer aan hun eigen lot over te laten zonder de minste overheidssteun. Dit heeft niets te maken met mensen te machtigen en te ondersteunen; het is precies het omgekeerde.

Terwijl peer-productie ongetwijfeld ook zal toenemen als toevlucht om zich weerbaarder te op te stellen in slechte tijden, heeft een bloeiende op de commons gebaseerde maatschappij nood aan een partnerstaat, met andere woorden een netwerk van op voordelen gerichte instellingen die democratisch worden bestuurd en het gemeenschappelijke welzijn op territoriale schaal beschermen.

5. Een waardecrisis van de kapitalistische economie.

Peer-productie is verbonden met een bedrijfscoalitie die marktwaarde creëert bovenop de commons. Maar de exponentiële toename van waardeschepping door een creatieve gemeenschap van ‘prosumenten” (“produsers”) zoals Axel Bruns ze noemt, schept problemen en contradicties voor de huidige politieke economie.

Peer-productie schept niet alleen een groot probleem voor het kapitalistisch systeem, maar ook voor de arbeiders in de traditionele zin, aangezien de markt gedefinieerd wordt als een mechanisme voor het toewijzen van schaarse middelen. Bovendien is het kapitalisme niet alleen een systeem om schaarse middelen te verdelen, maar ook een systeem dat schaarste creëert. Het kan alleen kapitaal accumuleren door voortdurend de omstandigheden voor schaarste te reproduceren en uit te breiden. Als er geen spanning is tussen vraag en aanbod, kan er geen markt noch kapitaalaccumulatie bestaan.
Wat peer-producenten doen –momenteel voornamelijk op het vlak van immateriële productie van kennis, software en design- is het scheppen van een overvloed aan gemakkelijk te reproduceren informatie en bruikbare kennis die niet direct omzetbaar zijn in marktwaarde. Ze zijn immers helemaal niet schaars, maar in tegendeel overvloedig. En de kenniswerkers die deze activiteit verrichten, worden vandaag ook op massale schaal ‘geproduceerd’ waardoor ook zij worden herleid tot kwetsbare arbeiders.

Het resultaat is een exodus van productieve capaciteit in de vorm van productie van directe gebruikswaarde, die plaatsvindt buiten het bestaande systeem van monetisering, en enkel aan de rand opereert. Telkens er in het verleden een soortgelijke exodus plaatsvond, van slaven tijdens het verval van het Romeinse Rijk of van lijfeigenen tijdens de vervalperiode in de middeleeuwen, was dat altijd op het moment dat de voorwaarden klaar waren voor belangrijke en fundamentele maatschappelijke en economische faseovergangen.

We kunnen ons namelijk moeilijk voorstellen dat het kapitalisme kan voortbestaan als het niet langer in hoofdzaak afhankelijk is van kapitaal, grondstoffen en arbeid.
Het probleem van het scheppen van gebruikswaarde, mogelijk gemaakt door samen te werken via het internet, is dat dit de normale gang van zaken volledig omzeilt. Voor de normale werking van ons economisch systeem is het nodig dat productiviteitsstijgingen op een of andere manier worden beloond en dat die beloningen consumenten in staat stellen om een inkomen te verwerven waarmee ze producten kunnen kopen.
Maar dat gebeurt niet langer. Gebruikers van Facebook en Google creëren commerciële waarde voor hun platformen, maar slechts zeer onrechtstreeks. Bovendien worden ze totaal niet beloond voor hun waardeschepping. Aangezien datgene dat ze creëren niet wordt omgezet in verhandelbare, schaarse goederen op de markt, ontstaat er geen omgekeerde inkomensstroom in de richting van de makers. Dat betekent dat de platformen van sociale media een belangrijke breuklijn in ons systeem blootleggen.

De huidige zogenaamde kenniseconomie is daarom een schijnvertoning en een utopie omdat goederen in overvloed slecht gedijen in een markteconomie. Maar is er een uitweg uit deze impasse, gezien de toenemende onzekerheid waarmee werknemers wereldwijd geconfronteerd worden? Kunnen we de gebroken feedbacklus herstellen?

6. De prefiguratie van een nieuw sociaal model

Vreemd genoeg zouden we het antwoord op die vraag wel eens kunnen vinden in de recente politieke Occupy beweging, omdat de occupiers naast de peer-productie van hun “politieke commons” ook nieuwe praktijken ontwikkelden op het vlak van ondernemen en waardecreatie. Hun praktijken waren zelfs opmerkelijk vergelijkbaar met de institutionele ecologie die reeds van toepassing is in de productiegemeenschappen van vrije software en open hardware. En dat is geen toeval.
Blikken we even terug naar de werking van Occupy Wall Street (OWS) aan Zuccotti Park in de herfst van vorig jaar toen de occupiers nog altijd actief waren. Centraal bevond zich een productieve gemeenschap die via de Algemene Vergadering consensus bereikte en allerhande sjablonen aanbood (Mic check, protestcamping, werkgroepen, etc.), die in ware open-sourcestijl konden worden gekopieerd en overgenomen door gelijkaardige groepen wereldwijd, maar ook konden worden aangepast aan de plaatselijke behoeften (in het jargon van open source “forking” of “vertakking” genoemd). Indien je niet bijdroeg, had je ook geen inspraak, dus engagement was en is noodzakelijk. Die gemeenschap had nood aan allerlei zaken zoals voedsel, onderdak, maar ook gezondheidszorg. Deden ze hiervoor een beroep op de markteconomie? Nee, maar ook ja, zij het op een kwalitatieve manier. Laten we dit even uitleggen.

OWS riep allerhande werkgroepen in het leven om oplossingen te vinden voor hun fysieke noden. Met andere woorden: de occupiers beschouwden de economie als een voorzieningssysteem, zoals uitgelegd in het uitstekende boek van Marvin Brown, “Civilizing the Economy”. Het waren burgers, georganiseerd in werkgroepen, die beslisten welke voorzieningssystemen geschikt waren en in overeenstemming met hun ethische waarden.
Organische landbouwers uit Vermont leverden bijvoorbeeld gratis voedsel aan de kampeerders; vrijwillige koks bereidden de maaltijden. Maar deze praktijk had een negatief neveneffect. De plaatselijke straatventers, meestal arme immigranten, verging het minder goed. Aangezien iedereen gratis voedsel kreeg, konden zij hun waren nog moeilijk kwijt. Het antwoord op dit drama kwam van de bezetters die zich het lot van de straatventers aantrokken. Daarom zetten ze het “OWS Street Vendor Project” op touw om fondsen in te zamelen waarmee ze voedsel konden kopen van de straatverkopers.
En met succes: in één klap creëerde OWS een goedfunctionerende ethische economie waarin ook een marktdynamiek aanwezig was, die echter in harmonie was met het waardesysteem van de bezetters. De doorslaggevende factor was dat burgers beslisten over het meest aangewezen bevoorradingssysteem en niet rijke eigenaars in een economie die geen ethische waarden kent.
Wat kunnen we leren van het prille Occupy-model als we het zouden veralgemenen tot het niveau van de hele samenleving?

Vandaag gaan we ervan uit dat waarde gecreëerd wordt in de private sector door winstgedreven ondernemingen, en beschouwen we het maatschappelijke middenveld eigenlijk als een restcategorie. Het is wat we doen als we thuiskomen, uitgeput na een dag hard werken voor een loon. We herkennen dit fenomeen ook aan ons taalgebruik: organisaties van het maatschappelijk middenveld noemen we non-profit en niet-gouvernementeel.
Het systeem in zijn totaliteit wordt beheerd door een staat, maar de sociaaldemocratische welvaartsstaat heeft steeds meer plaats moeten ruimen voor een neoliberale verzorgingsstaat voor bedrijven, waarbij de winsten worden geprivatiseerd en de verliezen gesocialiseerd. Anders gesteld: de staat is zelf een verlengstuk geworden van de onderneming en staat steeds minder ten dienste van de burger. We kunnen de voortgang van dit model zien aan de hand van de meedogenloze bezuinigingspolitiek die de trojka oplegt in het hart van Europa –Griekenland. Draconische bezuinigingen zijn dus niet langer beperkt tot zwakkere ontwikkelingslanden.

De modellen van Occupy en open source
De modellen van Occupy en open source tonen ons de mogelijkheid van een nieuwe realiteit, een model waarbij het maatschappelijk middenveld, de productieve commons en een bruisende markt samen kunnen bestaan ten voordelen van iedereen:
1. Centraal in de waardeschepping staan verschillende commons, waar innovaties ter beschikking staan aan iedereen om te delen en om aan verder te bouwen.
2. Die commons worden mogelijk gemaakt en beschermd door burgerlijke instellingen zonder winstoogmerk, die als nationaal equivalent de partnerstaat hebben, die sociale productie stimuleert maakt en ondersteunt.
3. Rond de commons ontstaat een bruisende op de commons georiënteerde economie, aangedreven door allerlei ethische ondernemingen met wettelijke structuren die hen binden aan de waarden en doelstellingen van de gemeenschappen rond de commons, en niet van afwezige private aandeelhouders met als enig doel het maximaliseren van de winst ten koste van alles.

Daar waar de drie sectoren elkaar overlappen, bevinden zich de burgers die beslissen over de optimale vorm van hun bevoorradingssystemen. Dit model kan bestaan als submodel binnen het kapitalisme, wat vandaag reeds gedeeltelijk het geval is zoals de bedrijfsecologie rond open software aantoont. Maar het kan ook, mits enkele noodzakelijke ingrepen, de hoofdlogica worden van een nieuwe samenleving. De Occupy-beweging heeft ons niet alleen prefiguratieve politieke praktijken laten zien, maar in feite ook een prefiguratieve economie. Een afzonderlijke vraag is natuurlijk hoe we tot een dergelijke samenleving kunnen komen. Een gedeeltelijk antwoord is dat daar niet alleen krachtige sociale bewegingen voor nodig zijn die ijveren voor sociale hervorming en omvorming, maar ook een verdere transformatie en ontwikkeling van het peer-productiemodel zelf.
Vandaag is het een proto-productiewijze die volledig verweven is met het kapitalistisch systeem. De betrokken kenniswerkers zouden zich sociaal niet kunnen reproduceren zonder een algemene openbare infrastructuur die verschaft wordt door de overheid en meer specifiek zonder een inkomen uit de arbeid die ze verrichten voor een kapitalistische onderneming (of de overheid). Is het mogelijk om een echt autonoom model van peer-productie te maken dat zijn eigen reproductiecyclus kan creëren? Hiervoor stellen we twee ingrepen voor.

Ten eerste willen we een andere soort licentie gebruiken, namelijk de peer-productielicentie zoals voorgesteld door Dmytri Kleiner. Die “sharing licentie” houdt in dat iedereen die bijdraagt tot de commons ook gebruik kan maken van de commons. Ten tweede stellen we de oprichting voor van onafhankelijke ondernemingsvormen die niet gericht zijn op winst, maar ethische bedrijven waarvan de leden commoners zijn en die als taak hebben de commons en hun medewerkers te ondersteunen.
Geïnspireerd door het fictieverhaal van Neal Stephenson, “The Diamond Age,” en de baanbrekende praktijken van het samenwerkingsnetwerk Las Indias, stellen we voor deze ondernemingen “phyles” te noemen. Phyles zijn doelgerichte entiteiten die de gemeenschap ondersteunen en die op een mondiale schaal opereren binnen de markt, maar werken voor de commons.
Op die manier zou de sociale reproductie van de commoners niet langer afhankelijk zijn van de accumulatiecyclus van het kapitaal, maar van haar eigen cyclus van waardecreatie en -realisatie. Samen met sociale bewegingen en politieke vertegenwoordiging geloven we dat deze drie componenten de basis zouden kunnen vormen van een nieuwe sociale en politieke heerschappij, die de fundamentele stuwende sociale kracht zou zijn voor maatschappelijke verandering in de zin van een verdieping en verbreding van peer-productiemodellen, van de micro-economie tot de macro-economie.

7. Naar een beschaving die steunt op ‘bereikvoordelen’ en niet op ‘schaalvoordelen’

In navolging van de internationale arbeidsverdeling opgelegd door de globalisering, proberen bedrijven meer stuks te produceren om de prijs per eenheid te drukken en zo hun concurrenten de loef af te steken.
Multinationals en wereldmerken beschikken vandaag over zeer complexe waardeketens, waarbij de verschillende componenten van een product op massale schaal worden vervaardigd in verschillende plaatsen van de wereld.
Niettemin vertoont het systeem duidelijke zwakheden. Een zwakte is dat het monoculturen in de hand werkt, zowel in de landbouw als in de industrie. Een voorbeeld zijn de bedrijven in de kuststreek van China die zeer afhankelijkheid zijn van de export. Dit voorbeeld legt trouwens een tweede probleem bloot dat daaraan verbonden is.

Competitie drijft prijzen ongenadig naar beneden, waardoor in de jaren 80 de dominante Westerse spelers van strategie veranderden. Ze keerden de dure Westerse arbeiders de rug toe, duwden ze in bestaansonzekerheid en brachten de weinig winstgevende industriële productie over naar lagelonenlanden. Daarnaast kwam de nadruk meer en meer te liggen op IP-stelsels (intellectuele rechten) waarbij ze hun rendement en superwinsten haalden uit patenten, copyrights en handelsmerken. Thijs Markus schrijft in de blog ‘Rick Falkvinge’ het volgende over Nike: “Als je schoenen ter waarde van 5 $ tegen 150 $ wilt verkopen in het Westen, kan je beter steunen op een vreselijk repressief IP-regime. Vandaar de nood voor SOPA, PIPA, ACTA en andere pogingen om sharing te criminaliseren.

Maar er is natuurlijk een fundamenteler probleem: het hele systeem van globalisering en schaalvoordelen rust op goedkoop internationaal transport en bijgevolg op de voortdurende beschikbaarheid van overvloedige fossiele brandstoffen. Na piekolie en het einde van goedkope olieproducten, gekoppeld aan de nog altijd exploderende vraag van de BRIC-landen, is het meer dan waarschijnlijk dat dit hele systeem zal ineenstorten. Uiteraard zal dit niet in één klap gebeuren, maar geleidelijk aan, ook al mogen we ons ook verwachten aan niet-lineaire sprongen.

Een onderbroken evenwicht is inderdaad niet alleen een kenmerk van biologische systemen, maar ook van sociale stelsels. Dat betekent dat uiteindelijk ook het competitiespel op basis van schaal aan betekenis zal verliezen, ook al is het vandaag nog steeds efficiënt. Alleen degenen die totaal onverschillig zijn voor de vernietiging van onze planeet zullen dat spel nog spelen. Maar welk spel kunnen de anderen spelen? Als de prijzen van fossiele brandstoffen voortdurend stijgen, zullen innovatie en competitie een andere uitweg moeten vinden. Maar eigenlijk zullen we een volledig nieuw spel moeten bedenken. Laten we echter eerst even stilstaan bij een kort historisch intermezzo, aangezien dit overgangsdrama zich al eerder heeft afgespeeld in de geschiedenis.

Terwijl de Romeinen van de late vijfde eeuw nog altijd aan het vechten waren voor de kroon van Caesar Augustus, stonden de Germaanse “barbaren” al aan de poort. De Christelijke gemeenschappen weerspiegelden reeds de waarden van een komend tijdperk van herlokalisering dat niet langer gebaseerd was op schaalvoordelen, maar op bereikvoordelen. Wat zijn bereikvoordelen? Als voorproefje geven met de volgende korte definitie: “We spreken van bereikvoordelen als we twee goederen die een gemeenschappelijk kost delen samen produceren zodat de gemeenschappelijke kost verlaagt.” Anders gezegd: iets dat de gemeenschappelijke kost van een productiefactor doet dalen, niet door meer eenheden van een bepaald goed te produceren, maar door de kosten van een gemeenschappelijke infrastructuur te delen.

Maar laten we eerst terugkeren naar onze korte historische uitstap.
Aangezien het Romeinse Rijk niet langer de kosten kon dragen van zijn eigen uitgestrektheid en complexiteit, en de aanvoer van goud en slaven alsmaar problematischer werd, begonnen slimmere landeigenaars hun slaven te bevrijden. Maar ze verbonden hen wel contractueel aan de grond, waardoor ‘coloni’ (lijfeigenen) werden. Anderzijds zochten de steeds zwaarder belaste en bankroete eigenerfden bescherming bij diezelfde domeinhouders.
Enerzijds hadden we dus een pure en eenvoudige lokalisering aangezien het systeem de grootte van het Rijk niet langer in stand kon houden. Maar het nieuwe post-Romeinse stelsel vond ook een nieuw innovatiesysteem uit dat gebaseerd was op bereikvoordelen en niet langer op schaalvoordelen. Terwijl de steden leegliepen –en samen daarmee het kennissysteem van de stedelijke bibliotheken- vonden de Christenen kloosters uit, de nieuwe agrarische kenniscentra.

Het is echter belangrijk dat terwijl het fysieke systeem zich lokaal terugplooide, de Christelijke Kerk eigenlijk functioneerde als een globale ‘open-designgemeenschap’. Monniken en manuscripten reisden rond waardoor de vele uitvindingen van de (werkende) kloosterlingen zich konden verspreiden. Terwijl Europa aanvankelijk in verval geraakte en de restanten van het Romeinse Rijk ineenstortten na de eerste Europese sociale omwenteling van 975, legde dit nieuwe systeem de zaden voor de eerste middeleeuwse industriële revolutie.

Dankzij een verenigde kenniscultuur brak in Europa tussen de 10de en 13de eeuw een nieuwe bloeiperiode aan. Europa voerde opnieuw geld in tegen een negatieve interest, waardoor accumulatie door elites onder controle werd gehouden. De bevolking verdubbelde, haar prachtige steden werden heropgebouwd en vele kregen een democratisch bestuur van gilderaden. Bovendien werden in de elfde eeuw ‘peer-to-peer’-universiteiten uitgevonden in Bologna. De eerste Europese renaissance was volledig gebaseerd op bereikvoordelen, de verenigde kennis waarop Europese intellectuelen en ambachtslui konden verder bouwen. De gilden hadden wel hun geheimen, maar namen die overal mee waar kathedralen werden gebouwd.

Meer recent zagen we in 1989 een soortgelijk experiment op nationale schaal en onder zeer moeilijke omstandigheden in het geïsoleerde Cuba, toen het land niet langer kon rekenen op de schaalvoordelen van het Sovjetsysteem. De Cubaanse crisis van 1989 was een voorafbeelding van de huidige wereldsituatie aangezien de Cubanen hun eigen moment van piekolie kenden toen de Sovjet-Unie abrupt stopte met het leveren van olie onder de wereldmarktprijs. Terwijl de Cubanen aanvankelijk opnieuw ezels gebruikten en het lichaamsgewicht van de bevolking naar beneden dook, namen de leiders een aantal interessante initiatieven.
Ten eerste gaven ze ruimte aan het plaatselijk ondernemerschap door meer autonomie te verlenen aan de landbouwcoöperaties. Ten tweede verzamelden ze basiskennis bij de bevolking, ook in de steden. Maar ten derde, wat misschien het belangrijkste was, richtten ze een aantal landbouwinstellingen op met als belangrijkste doelstelling het nabootsen en verspreiden van lokale innovaties. Wat ook de mankementen van het totalitaire systeem in Cuba zijn, dit open-designexperiment overtrof alle verwachtingen.

Zoals Bill McKibben heeft aangetoond, produceert Cuba vandaag gezond organisch voedsel in overvloed met maar een fractie van de fossiele brandstoffen die gebruikt worden in de industriële landbouw. En ze doen het op dezelfde manier als de Christelijke Kerk in het middeleeuwse Europa: door het delen van kennis en het creëren van bereikvoordelen. Landbouwinnovaties verspreidden zich snel overal ten lande en werden door iedereen overgenomen.
Grootschalige economieën werken goed in periodes waarin energie steeds overvloediger aanwezig is, maar zijn minder efficiënt in periodes waarin de energievoorraden slinken. Dan zijn bereikvoordelen nodig, waarbij je kunt “opschalen vanaf één”, zoals vandaag het geval is met de opkomende infrastructuur voor “productie op aanvraag” (on demand).
Peer-productie (in haar verschillende gedaantes van open kennis, vrije cultuur, vrije sofware, open en gedeelde ontwerpen, open hardware en gedistribueerde productie) draait precies rond deze bereikvoordelen. Laten we even herhalen wat verkeerd is aan het huidige wereldsysteem dat volledig steunt op economische schaalvoordelen en in veel gevallen bereikvoordelen zelfs illegaal maakt.
1.Ons huidige systeem steunt op de overtuiging dat groei oneindig is en grondstoffen eindeloos beschikbaar, ook al leven we op een eindige planeet; we noemen dit kenmerk uit de hand gelopen “pseudo-overvloed”
2.Het hedendaagse systeem steunt op de mening dat innovaties moeten worden geprivatiseerd en enkel mogen beschikbaar zijn tegen een fikse prijs (het IP-stelsel). Het beschouwt het delen van kennis en cultuur een misdaad; dit kenmerk noemen we opgedrongen “artificiële schaarste”.

De methodologie van peer-productie steunt op precies het tegenovergestelde economische en sociale DNA. Peer-productiegemeenschappen geloven dat kennis een commons is die iedereen mag delen, en dat bijgevolg geen enkele innovatie verborgen mag blijven voor de hele mensheid.

Meer nog, we beschouwen het verberg van een uitvinding die de wereld kan redden onethisch. Dit komt neer op een heuse omkering van waarden. Peer-productie is gericht op distributie en inclusie, op kleinschalige en zelfs persoonlijke productie. Geplande slijtage, een kenmerk dat eigen is aan ons systeem en geen toevallige fout, staat haaks op de logica van peer-productie. Anders gesteld: duurzaamheid is een inherent kenmerk van open-designgemeenschappen, geen toevallig bijverschijnsel.

Ook voor dergelijke waarde-inversies bestaan er historische precenten. De Christelijke gemeenschappen in het Romeinse Rijk concurreerden niet met het Imperium, maar bouwden hun eigen instellingen die gebaseerd waren op een andere en ongebruikelijke logica. Daar waar de Romeinse elite een hekel had aan werken (dat was weggelegd voor de lagere slaven), prezen Christelijke monniken arbeid en probeerden ze een voorafspiegeling te bouwen van het Aardse Paradijs in de wereldlijke Steden van God.

Op dezelfde manier streden de Franse sansculotten van 1789 niet voor feodale privileges, maar schaften die allemaal op één dag af. Daarom zou het verkeerd zijn om peer-productie alleen maar te zien als een stel concurrerende technieken. In werkelijkheid vinden die evoluties plaats op een volledig ander terrein. Ze leven en co-existeren in dezelfde wereld, maar behoren niet echt tot dezelfde wereldlogica.

Wat zijn dan de bereikvoordelen van het nieuwe P2P-tijdperk? Ze komen in twee smaken:
1. het onderling delen van kennis en immateriële middelen
2. het onderling delen van materiële productiemiddelen

Het eerste principe is eenvoudig te begrijpen. Als we als individu iets niet weten (niemand kan alles weten), is de kans groot dat we het als lokale of virtuele gemeenschap wel weten omdat er in die ruimere groep wel iemand zal zijn die het weet. Vandaar dat het onderling delen van kennis en door de menigte (crowd) aangedreven innovatie een vertrouwd kenmerk is van de samenwerkingseconomie. Maar het voordeel van bereik wordt gecreëerd wanneer die kennis gedeeld word, en bijgevolg door anderen kan worden gebruikt. Laten we het voorbeeld nemen van het Nutrient Dense Project.
Deze globale gemeenschap van landbouwers en burgerwetenschappers experimenteert met gezondere voedingsstoffen om betere gewassen te telen. Op die manier kunnen ze samen onderzoek verrichten en verschillende nutriënten uitproberen in verschillende bodems en klimaatzones. Niet alleen de hele werkgemeenschap haalt onmiddellijk voordeel uit de resultaten, maar potentieel de hele mensheid. Strategieën die gebaseerd zijn op het privatiseren van intellectueel eigendom kunnen dergelijke bereikvoordelen niet halen, of toch niet in die mate.

Of neem de stadsboerderij van de familie Dervaes in Los Angeles die jaarlijks 6.000 pond voedsel kan produceren op een klein lapje stadsgrond. Omdat ze hun productiviteitsinnovatie delen, hebben honderdduizenden landbouwers geleerd om hun eigen teelt te verbeteren. Maar stel je de snelheid van innovatie voor indien ze de steun zouden krijgen van overheidsinstellingen die dergelijke sociale innovaties nog verder zouden verspreiden!
Het tweede principe -het onderling delen van fysieke productiemiddelen- kunnen we illustreren aan de hand van samenwerkingsconsumptie. Het algemene idee blijft hetzelfde. Als ik alleen ben, kan ik een bepaald werktuig, vaardigheid of dienst ontberen, maar in een gemeenschap is de kans groot dat iemand anders het wel heeft, en dat die andere persoon het zou kunnen delen, verhuren of ruilen. Het is niet nodig dat iedereen hetzelfde toestel in huis heeft zolang het maar beschikbaar is wanneer we het nodig hebben. Vandaar dat we overal marktplaatsen zien opduiken.
Laten we dit illustreren met een bekend voorbeeld: carsharing. Carsharing kan gebeuren via de tussenkomst van een privébedrijf die de auto’s bezit (vlootdelen zoals Zipcar of Cambio), via P2P-marktplaatsen die autogebruikers met elkaar in verbinding stellen (RelayRides en Getaround), of via non-profits of overheidsinitiatieven (Autolib in Parijs). Maar ze hebben allemaal bereikvoordelen. Volgens een onderzoek dat Zipcar aanhaalt, zijn er voor elke huurwagen 15 keer minder persoonlijke auto’s op de baan. En mensen die zijn overgeschakeld op carsharing gebruiken 31% minder de wagen. Dus in 2009 alleen al verminderde carsharing de wereldwijde kooldioxide-uitstoot met bijna een half miljoen ton.

Stel je voor dat elke productiesector gelijkaardige resultaten behaalt.
Hoe zal het nieuwe systeem er dan uitzien als bereikvoordelen de norm worden en schaalvoordelen vervangen als belangrijkste motor van het economisch en sociaal systeem? We hebben al gesproken over globale open-designgemeenschappen en zijn van mening dat die zullen gepaard gaan met een wereldwijd netwerk van microfabrieken die plaatselijk zullen produceren, zoals nu al voorgesteld door open-sourcebedrijven als Local Motors en Wikispeed en die al praktische vorm krijgen door netwerken van hackerspaces, Fab Labs en werkplaatsen voor “co-working”.

Dat betekent dat we ook globale materiële organisaties nodig hebben, niet om op wereldschaal te produceren, maar om onze materiële activiteiten te organiseren ten einde de ‘gemeenschappelijke kosten” van de verschillende netwerken te minimaliseren, en dat niet alleen in termen van het delen van kennis. Met andere woorden: wie zal de rol vervullen die de Christelijke Kerk met haar rondtrekkende monniken speelde tijdens de middeleeuwen? Vergeet niet dat het niet alleen een open-designgemeenschap was, maar ook een effectieve materiële organisatie die leiding gaf aan een heel continentaal cultuurgebied. Beschikken wij over een equivalente potentiële P2P-versie die wereldwijd kan opereren?

Het antwoord luidt natuurlijk: de veralgemening van de “phyles” die we eerder aan u voorstelden.
Rest ons alleen nog te antwoorden op de cruciale vraag: hoe ziet een wereldbestuur (Global Governance) eruit in een P2P-beschaving? Hoe kunnen we het globale materiële Imperium die momenteel het wereldgebeuren overheerst in het voordeel van een kleine minderheid veranderen en hoe kunnen we de ondoeltreffende wereldinstellingen vervangen die vandaag niet meer in staat zijn om de globale uitdagingen van vandaag aan te gaan?”