Categorie archief: burgerbewegingen

dirk holemans

Met alle Chinezen… (maar waarom niet met ons?)

Eerst gepubliceerd in De Standaard van 11 juni 2016 (opiniepagina).
Overgenomen met toestemming van de auteurs Dirk Holemans en Steven Vromman.

Het is alsof niets meer werkt. Ministers morren omdat kiezers hun maatregelen niet waarderen, burgers gaan de straat op omdat ze onzeker zijn over hun toekomst. Het ongenoegen zit diep. Mensen zijn niet vergeten hoe banken gered zijn met hun belastinggeld. Is de beloning daarvoor dat hun geld op de spaarboekjes nu niets meer opbrengt? Klassieke instrumenten om vooruit te komen, zoals het sociaal overleg, haperen. Ondertussen vergeten we ons voor te bereiden op een duurzame toekomst.

Neem nu het energiebeleid. Federaal blijven we inzetten op versleten kerncentrales, waarbij we behalve de risico’s voor de bevolking jaarlijks nog 1 miljard euro winst cadeau doen aan het Franse Engie, moederbedrijf van Electrabel. Vlaanderen zal dan weer 2 miljard euro subsidies betalen aan een houtpelletproducent uit Estland om een verouderde steenkoolcentrale om te bouwen tot een biomassacentrale. Een belangrijk deel van de Turteltaks gaat naar de financiering van deze miskleun, die niet zal bijdragen aan een sociaal-ecologisch energiebeleid. Om daar iets over te lezen, moet je naar het buitenland kijken. Spanje produceert op winderige dagen meer groene stroom dan het zelf nodig heeft. Noorwegen wil zonder verpinken tegen 2025 de auto op fossiele brandstoffen bannen.

Ook ons land zit vol positieve energie, maar je moet het willen zien. Steeds meer burgers willen zelf de handen uit de mouwen steken om ons land voor te bereiden op de toekomstvaardig. Denk aan stadslandbouwprojecten, repaircafés, hernieuwbare-energiecoöperaties, weggeefpleinen, digitale uitleenplatformen.

Mindshift

Het zou evident moeten zijn dat regeringen deze burgerenergie inzetten. Toch gebeurt het niet. Het vraagt een mindshift: ministers en hun kabinetten beslissen niet langer alleen, co-creatie wordt het model. De ivoren toren vervelt tot horizontale netwerken. De tijd is gekomen om die banden tussen burger en staat te smeden.

Een unieke kans dient zich nu aan voor een essentiële infrastructuur: ons stroomnet. Het heeft er alle schijn van dat de intercommunale Eandis aandelen zal verkopen aan een Chinese investeerder (DS 2 juni). Eandis, dat zijn eigenlijk u en ik, die via onze gemeentebesturen een groot deel van ons elektriciteitsnetwerk (de distributie) in handen hebben. Deze netbeheerder, waar de regeringspartijen de lakens uitdelen, heeft extra kapitaal nodig. Een geweldige kans om de actieve burgers erbij te betrekken, zou je denken. Maar helaas.

Waarom vervangen we de Chinese investeerder niet door de gebruikers van het stroomnet, de bevolking? Bied de aandelen te koop aan aan de burgers, die zich kunnen verenigen in coöperaties. Zo garandeer je dat het algemeen belang voorgaat op dat van investeerders. In Duitsland, Denemarken en Spanje zijn steeds er steeds meer steden waar de burgers het distributienetwerk (deels) terugkopen, wat meteen een positief effect heeft op de dienstverlening en ecologische doelstellingen.

Zomaar Chinezen in plaats van de eigen bevolking mede-eigenaar maken van ons stroomnet, is om vier redenen een gemiste kans van­jewelste.

1. De transitie naar een duurzaam energiesysteem zit muurvast. Het onduidelijke groenestroombeleid heeft ongeveer iedereen kwaad gekregen. Door burgers mede-eigenaar te maken van het stroomnet, creëer je betrokkenheid en openheid. Chinezen die mee beslissen kunnen de zaak enkel bemoeilijken. Geven we zo onze autonomie niet op? Hebben we dan de ruimte om te gaan voor een smart grid dat klaar is voor 100 procent hernieuwbare energie?

2. Een deel van het ongenoegen heeft te maken met de steeds hogere energiefactuur, waarvan de distributiekosten een groot deel uitmaken. Buitenlanders investeren niet voor onze mooie ogen, ze willen rendement. Zal de stroom niet gewoon nog duurder worden?

3. Het zal nog slechter gaan met onze democratie: de intrede van een externe partner is meestal geen goede zaak voor de transparantie. Wegens commerciële belangen zal het voor de burgers moeilijker zijn inzage te krijgen in de boeken. Dat geldt trouwens in heel Europa: de Chinese partner heeft zich al ingekocht in Italiaanse en Portugese stroomnetten. Hoe zit het eigenlijk met de gewenste Vlaamse verankering van ons industrieel weefsel?

4. Het beloofde dividend aan de investeerder kunnen we veel beter gebruiken voor twee zaken: investeren in een smart grid en de burgers die mee investeren een centje laten meeverdienen. Een stuk van het geld kunnen we prima gebruiken om de omslag naar hernieuwbare energie te versnellen. En waarom bieden we burgers geen mooie kans om hun spaargeld te investeren in de toekomst van hun kinderen, terwijl het ook nog iets opbrengt? Wat willen de volkspartijen: de Chinezen rijk maken of het spaargeld van hun kiezers iets doen opbrengen?

schermafbeelding-2015-11-23-om-14.20.09

Kiezen om te delen: sociale deelinitiatieven zijn een maatschappelijke keuze

door Herman Peeters
Origineel op De Wereld Morgen, maandag 23 november 2015

Delen is meer aanwezig dan we vermoeden, en het belang ervan lijkt alleen maar toe te nemen. Iedereen maakt bewust of onbewust gebruik van open source software op zijn computer. Via Facebook delen we informatie met vrienden, of gewoon met iedereen. Wie een kamer vrij heeft kan die via Airbnb verhuren. Dichtbij maken deelinitiatieven opgang zoals autodelen, het delen van gebruiksvoorwerpen, het delen en gezamenlijk beheren van publieke ruimten, met complementaire munten enzovoort. Nieuwe internettoepassingen maken delen gemakkelijker dan ooit.
De recente opgang van het delen opent perspectieven op sociaal, ecologisch en economisch vlak. Maar het stelt ons ook voor vragen. Wie er zich op toelegt kan door te delen een stuiver uitsparen of bijverdienen. Dit lijkt handig voor wie het niet breed heeft, maar tegelijk blijken ook de marktspelers het delen ontdekt te hebben om nieuwe markten aan te boren, kosten te drukken of de bestaande regels te omzeilen. Deze ontwikkeling nodigt ons dan ook uit tot een reflectie over de plaats die we het delen en het beheer van gemeengoed in onze samenleving toekennen.

Eén naam, veel gezichten

Deeleconomie is een fenomeen met veel gezichten. Wanneer we spreken over deeleconomie veronderstellen we meteen de creatie van meerwaarde via het delen. Deze meerwaarde kan economisch, ecologisch of sociaal zijn, naargelang het karakter of de typologie van het deelinitiatief. Het kan commercieel of niet-commercieel van aard zijn, centraal of decentraal beheerd worden en op een lokale of globale schaal opereren. Wie iemand een lift aanbiedt via Uber deelt op een commerciële, centraal gestuurde globale wijze. Wie daarentegen zijn auto inzet bij het Gentse autodeelinitiatief Dégage participeert aan een niet-commercieel, lokaal en decentraal beheerd initiatief.

Uit economisch oogpunt zijn beide systemen effectief. Het bestaande potentieel van de wagen wordt optimaal benut. Op ecologisch vlak is de winst bij beiden eveneens duidelijk: minder auto’s op de weg betekent een lagere belasting van het milieu. Op sociaal vlak is het bepalen van de meerwaarde heel wat onduidelijker. Op microniveau lijken in beide systemen zowel de gebruiker als de aanbieder te winnen. De gebruiker hoeft zich geen wagen aan te schaffen, wat een grote kostenbesparing betekent, terwijl de aanbieder een deel van zijn investeringskost terugverdient.

Op macroniveau doen zich effecten voor die minder onder controle zijn. De zwaarder gereguleerde taxidiensten ondervinden een concurrentienadeel van Uber en dreigen uit de markt geprijsd te worden. Voor economisten is dit echter geen zwaar probleem. De chauffeur die hierdoor zijn job verliest heeft weldegelijk pech, maar is onderweg naar een productievere job. Een ander probleem dat opduikt is dat Uber mensen weghoudt van het publieke openbaar vervoer, zodat dit duurder wordt voor de gemeenschap.

Sociaal potentieel

Anderzijds zijn er uit sociaal oogpunt overwegingen te maken die voor lokale, decentraal georganiseerde non-profit initiatieven pleiten. Praktijken op lokaal vlak kunnen een grote betrokkenheid van de deelnemers organiseren. Ze zijn niet alleen vitaal, maar stimuleren tegelijk het vrijwilligerswerk en versterken het sociaal kapitaal in de buurt. De complementaire munt Toreke in het Gentse Rabot is een goed voorbeeld. Of wie bijvoorbeeld lid wordt van Dégage krijgt elk jaar een uitnodiging voor een barbecue waar de werking wordt besproken en men onderlinge vertrouwensbanden smeedt.

Uit het voorgaande besluiten om volledig in te zetten op non-profit-deelinitiatieven is nog iets te voorbarig. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat vooral de hoger opgeleide middenklasse aan deelinitiatieven participeert. Mensen met een lagere scholing bedienen zich er minder vlot van. Dit is ook de ervaring van een aantal LETS-groepen die gepoogd hebben om kwetsbare gezinnen te betrekken. Ook moet opgemerkt worden dat de deeleconomie de bestaande sociaal-economische orde eerder bevestigt dan verstoort. Wie niet bezit ziet zijn bijdrage aan het gemeengoed niet rechtstreeks omgezet in een groter vermogen. Dit komt omdat herverdeling niet wezenlijk het DNA uitmaakt van de deeleconomie. Dit in tegenstelling tot de sociale zekerheid en ons belastingsysteem. Dit geeft meteen de plaats aan die we deeleconomie moeten toekennen ten aanzien van de publieke sociale bescherming. Deeleconomie kan hier alleen aanvullend en nooit vervangend ingezet worden.

Naar een herverdeeleconomie

Deeleconomie kan gemakkelijk een horizontale solidariteit tot stand brengen. Verticale solidariteit is minder evident. Voor dit laatste zijn systemen nodig waarbij sterkeren meer bijdragen en zwakkeren meer gebruiken. De digitale omgeving waarin de deeleconomie zich vandaag veelal ontwikkelt is een doorkruisende factor. Het is niet vanzelfsprekend om in een internetomgeving waar ogenschijnlijk iedereen gelijk is en de ongelimiteerde vrijheid van ondernemen en consumeren ons toelacht, sociale correcties in te bouwen. Een digitaal platform dat dit zou doen dreigt al gauw een leeg platform te worden. Bovendien versterken digitale en sociale uitsluiting elkaar wederzijds.

Het is bijgevolg meer voor de hand liggend om zich uit sociaal oogpunt toe te leggen op lokale gedeelde systemen van ‘onderlinge hulp’ die een grote participatie van zwakkeren nastreven of op systemen die collectief bezit voorop stellen zoals we die in historische commons terugvinden. Van dit laatste is de Community Land Trust een goed voorbeeld. Een sociaal georiënteerde deeleconomie streeft naar een grotere autonomie van de deelnemer t.a.v. de factoren die zijn bestaan determineren.

Burgerinitiatieven op een sociale leest geschoeid

Kan de deeleconomie dan zo georganiseerd worden dat zij een hefboom wordt voor opwaartse sociale mobiliteit voor zwakke groepen? Zeker. Men dient hierbij als initiatiefnemer een aantal specifieke principes voorop te stellen:

Op de eerste plaats dienen initiatieven die sociale stijging als uitgangspunt nemen, een ander waardenkader te hanteren en solidariteit en sociale inclusie boven winst te stellen.
Tussen de deelnemers moeten duidelijke afspraken gemaakt worden om een vermarkting van het gemeengoed tegen te gaan en overconsumptie te vermijden.
Om zwakkere groepen te bereiken dient er ingezet te worden op specifieke werkvormen. Zo is het niet onlogisch om initiatieven op te zetten die enkel voor zwakke groepen toegankelijk zijn teneinde de bindende kracht van de lotsverbondenheid te laten werken. Deze initiatieven dient kunnen best geënt worden op bestaande netwerken waar relatief veel laaggeschoolden aan participeren, zoals volkstuinen, voetbalclubs, carnavalverenigingen… Sociaal-economisch zwakkeren hanteren immers vaak informele vormen van onderlinge hulp.
Ook dient men domeinen te selecteren die een grote betrokkenheid van de doelgroep garanderen. Door bijvoorbeeld in te zetten op een initiatief voor het delen en beheren van ruimte in een kansarme wijk, verkrijgt men het effect dat de doelgroep zelf de vruchten van het initiatief zal plukken.
Men kan zich laten inspireren door historische modellen van delen, de zogenaamde commons, die het zwakkere deel van de bevolking bevoordeelden. Deze initiatieven hadden tot doel om iedereen in zijn bestaan te laten voorzien.
Tenslotte dient de overheid in dit soort innovatieve praktijken te investeren. Zij vergen immers een specifieke aanpak en begeleiding. Er moet meer geïnvesteerd worden in mensen die met minder kansen aan de start komen.

De overheid als partner

Bij de ontwikkeling van een sociale deeleconomie is er voor de overheid een belangrijke rol weggelegd. Ze kan tal van taken op zich nemen die de creatie van maatschappelijke meerwaarde aanmoedigen. Ze kan grids voorzien voor startende initiatieven. Dit kan de vorm aannemen van administratieve advisering. Ze kan een wettelijk kader uitbouwen voor gemeenschappelijk bezit en gebruik. Ze kan ook bijkomende regelgeving creëren voor bescherming en verzekering van vrijwilligerswerk of het fiscaal vrijstellen van kleine opbrengsten uit gemeengoed.

Ze kan fysieke ruimte vrijmaken voor de ontwikkeling van sociale burgerinitiatieven zoals het voorzien in ontmoetingsruimtes, terreinen voor coöperatieve windmolens, en dergelijke. Ze kan regels wegnemen of versoepelen die de ontwikkeling van gezamenlijke initiatieven hinderen. Denken we bijvoorbeeld aan de mogelijkheden die geloofsgemeenschappen zouden hebben mochten zij zonnepanelen op gebedshuizen kunnen plaatsen en aan leden en omwonenden een dividend uit kunnen keren. En ze kan drempels tot participatie verlagen. Zo zouden OCMW’s voorafbetalingen kunnen doen voor de aankoop van een aandeel van een coöperatieve nutsvoorziening dat naderhand in schijven kan terugbetaald worden.

Via een gericht stimulerend optreden van de overheid kunnen sociaal innovatieve praktijken in de deeleconomie een opstap bieden naar een sterkere maatschappelijke positie van zwakkere groepen. Toch is hier een belangrijke randbemerking bij te formuleren. Onderzoeken hebben aangetoond dat sociaal innovatieve praktijken beter renderen tegen de achtergrond van een herverdelende staat die er voor zorgt dat onderaan de samenleving de mazen van het net goed gesloten zijn.

Herman Peeters

Deze bijdrage verscheen in kortere vorm in Frank, het tijdschrift van Samenlevingsopbouw-Gent.

Bronnen:

http://platformsocialbusiness.nl/definities-van-de-deeleconomie/
https://about.ing.be/Over-ING/Press-room/Press-article/Deeleconomie-kent-groot-groeipotentieel-in-Belgie-2.htm
http://www.oikos.be/english/item/709-schor-over-de-deeleconomie
Bauwens, M., De wereld redden, Antwerpen, 2013
De Moor, T., Homo Coöperans, Utrecht, 2013
Van Bouchaute, B., Depraetere, A. Oosterlynck, S., Schuermans, N.: Solidariteit in diversiteit, in: Over gevestigden en buitenstaanders, Leuven, 2014
Mariën, I. en Van Audenhove, L., Digitale inclusie: het middenveld als structurele partners. In: Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting 2012, Oases, p. 320.

Schermafbeelding 2015-06-03 om 22.48.33

Een park in je straat?

Een straat gedurende een paar maanden doorknippen en de ruimte teruggeven aan de bewoners. Een verre droom? In Gent experimeteren ze er al enkele jaren mee en tal van andere plaatsen volgen nu hun voorbeeld. De drijvende kracht achter het project is VZW het Lab van Troje. Drie jaar geleden begonnen ze met twee centrumstraten. Dit jaar worden maar liefst 25 straten, verspreid over 16 plaatsen in Gent van 1 mei tot 13 juli heringericht.

Ze worden “Leefstraten” genoemd. De projecten worden getrokken en gedragen door de buurtbewoners. Zij stellen voor welke stukken onderbroken worden, hoe ze ingericht worden, welke activiteiten er ingericht worden,… Het Lab van Troje regelt contacten met de verschillende stadsadministratie en overheidsdiensten (brandweer, afvalophaling, openbaar vervoer,…). De resultaten zijn verbluffend. Bewoners en bestuur bekijken mobiliteit en openbare ruimte ineens door een andere bril.

sp.a Stad Brussel nodigt Dries Gysels van het Lab van Troje voor een woordje uitleg. Hoe krijg je zo’n dynamiek op gang in de stad? Wie zijn de drijvende krachten achter deze Leefstraten? hoe loopt zo’n traject? Wat is de rol van de Stad (bestuur en administratie) hierin? Hoe selecteer je potentiële leefstraten,… Een inspirerende avond!

Meer info: www.leefstraat.be

Praktisch:

Dinsdag 16 juni 2015 om 20u in Schrödinger’s Cat (Lakensestraat 104 – 1000 Brussel – metro Rogier).

Facebook

rogier-de-langhe-foto-ugent

Vangnetten en springplanken

Er is wat deining ontstaan omtrent een vrije tribune in De Morgen door Rogier De Langhe en Michel Bauwens.

In de Wereld Morgen verscheen een bits antwoord van Christopher Callewaert en Thomas Decreus die de auteurs beschuldigden van het basisinkomen te willen gebruiken als breekijzer tegen de vakbonden.

We publiceren hier het artikel, zoals gelezen en goedgekeurd door Michel, die bezorgd was door de volgende passage “Traditionele mastodonten zoals vakbonden en mutualiteiten strijken substantiele vergoedingen voor hun rol als middenveld terwijl het nieuwe middenveld dat ontstaat rond thema’s als duurzaamheid en gezonde levensstijl veelal is aangewezen op karige cultuursubsidies”, en er een paragraaf aan had toegevoegd betreffende de banken, die echter niet werd weerhouden in het uiteindelijk gepubliceerde artikel.

Op het einde publiceren we tevens Michels rechtzetting gericht aan De Morgen

In de weekendkrant stak CD&V-voorzitter Wouter Beke de hand uit naar de deeleconomie.

De peer-to-peer theorie van Michel Bauwens strookt volgens hem met de christendemocratische gedachte. Het verwante idee van het basisinkomen lag moeilijker.

Waarom zouden we ons fijnmazige opvangnet vervangen door veel bottere vorm van herverdeling, vraagt Beke zich af. Een antwoord is dat voor een denker als Michel Bauwens het basisinkomen helemaal niet dient voor herverdeling. Het basisinkomen is een hefboom voor zelfrealisatie en past zo alsnog in de christendemocratische gedachten. Niet als vangnet maar als springplank.

De roep om het basisinkomen is dan geen roep om nieuwe vangnetten maar om nieuwe springplanken. De oude springplanken zijn te vinden in het traditionele middenveld, die lang geleden ook ooit begonnen als bottom-up initiatieven die mensen de middelen gaven om zichzelf te organiseren. Dat middenveld verandert vandaag razendsnel. De digitale revolutie geeft mensen ongeziene mogelijkheden om zichzelf te organiseren. Om de vloeibaarheid en diversiteit van dat nieuwe middenveld te respecteren zou ook de traditionele institutionele omkadering ervan moeten worden herzien, zodat de mensen van vandaag opnieuw de mogelijkheid krijgen om zichzelf te organiseren zoals ze dat vandaag zouden willen.

Traditionele mastodonten zoals vakbonden en mutualiteiten strijken substantiele vergoedingen voor hun rol als middenveld terwijl het nieuwe middenveld dat ontstaat rond thema’s als duurzaamheid en gezonde levensstijl veelal is aangewezen op karige cultuursubsidies. Ondertussen worden nog veel meer miljarden euro’s (in de V.S. 13 triljoen dollar in 2008) naar de banken doorgesluisd, om hun speculatieve rol in de economie te ondersteunen. Het pleidooi voor het positieve basisinkomen is geen pleidooi voor een alternatieve sociale zekerheid, maar een pleidooi voor een alternatieve financiering van het middenveld. Geld voor niets, het blijft een vreemd idee Rechtzetting Michel Bauwens

Geachte,

Ik zou graag het volgende rechtzetten. In de gezamenlijke tekst die ik had goedgekeurd met Rogier de Langhe had ik de volgende paragraaf goedgekeurd:

Hier is dus geen sprake van een onverdedigbaarheid van de steun aan vakbonden en mutualiteiten. Het argument is dat het nieuwe middenveld ook zo’n steun verdient. En het argument is verder gericht als een kritiek tegen de veel grotere steun aan de speculatieve bankwereld.

Ter verduidelijking dus: ik ben voor steun aan vakbonden en mutualiteiten, en niet tegen de sociale zekerheid; maar laat aan specialisten over welke juist de optimale relatie moet zijn tussen beide.

Er is blijkbaar een miscommunicatie geweest met Rogier hierover.

Michel

tinehens2

Het klein verzet: de wereld na het kapitalisme

door Evelien Verstraeten

Eerst verschenen in De Wereld Morgen op 20 mei 2015

Wat als we met z’n allen beslissen dat niet de economie ons bepaalt, maar dat wij de economie zijn? Vorig jaar reisde journaliste Tine Hens door Europa, op zoek naar een antwoord op die vraag. Denen, Grieken, Britten of Portugezen, allemaal vertelden ze over een alternatieve economie, een nieuwe democratie en hun ‘klein verzet’. Dat is ook meteen de titel van Hens’ nieuwe boek dat vandaag verschijnt. DeWereldMorgen.be had een gesprek met de auteur.

Tine Hens (40) is historica en werkt als freelance journaliste voor Knack Focus. We spreken af in het Openbaar Entrepot voor de Kunsten (OPEK) in Leuven, waar ze volgende week haar tweede boekvoorstelling van Het klein verzet geeft. “Spannend”, lacht ze, toch wel wat zenuwachtig.

Haar enthousiasme is groot en net daarin schuilt haar boodschap. Als tiener was ze lid van de Jeugdbond voor Natuur en Milieu, maar daar heerste moedeloosheid: “We voerden actie, maar na een tijd geloofden we niet meer dat we iets konden veranderen. Er was altijd weer een ander probleem dat om aandacht schreeuwde.”

Breken met neerslachtigheid

Hens wil breken met de neerslachtigheid in de maatschappij: “Ook vandaag worden we ontmoedigd om te dromen en te geloven dat het beter of anders kan. ‘Er is geen alternatief’, klinkt het. Ik wil mensen net het gevoel geven van: ‘We kunnen het allemaal!’ Misschien ga je het resultaat van datgene waar je mee bezig bent niet merken, maar je moet het ook niet onmiddellijk groots zien. Als je alleen naar het grote doel in de verte kijkt, dan kan je niet anders dan ontgoocheld afhaken. Iets doen is belangrijker dan niets proberen. Hoe klein die daden ook zijn. Dat is wat ik wil vertellen, dat is mijn klein verzet.”

Groeigedachte loslaten

Op je reis door Europa bezocht je burgerinitiatieven die ingaan tegen het gangbare economische denken. Geloof je echt dat klein verzet een nieuwe wereld kan openen?

“We gaan er altijd vanuit dat grote veranderingen grote daden nodig hebben. Maar als je kijkt naar revoluties en evoluties in de geschiedenis, dan zijn de details minstens even belangrijk. Klein verzet gaat over die details. Bijvoorbeeld je fiets nemen in plaats van je auto, een ladder lenen in plaats van er een te kopen of gewoon je aardappelboer leren kennen. Zulke kleine handelingen en keuzes gaan in tegen het mainstream economisch denken.”

“Als je het hedendaagse discours mag geloven, is er maar één mogelijke werkelijkheid: die waarin economische groei allesbepalend is. Toch ben ik er sterk van overtuigd dat het bevrijdend is om die groeigedachte los te laten. We moeten niet voor méér gaan, maar voor beter.”

Langs de andere kant heeft die groeigedachte ons wel heel veel welvaart opgeleverd.

“De vraag is: welke prijs hebben we daarvoor betaald? Niet alleen hier in het Westen, maar zeker in het Zuiden. Het kapitalisme heeft veel kapot gemaakt. Denk maar aan de ecologische parameters die in het rood schieten. Maar er zijn bijvoorbeeld ook nog nooit zo veel burn-outs geweest. Dat zijn elementen die erop wijzen dat het huidige systeem op zijn einde loopt. In plaats van daaraan te sleutelen is het misschien interessanter om met iets anders te beginnen.”

“Er zijn al verschillende modellen voorhanden die een alternatief bieden op het kapitalisme. Dat gaat dan over de economie van ‘het goede leven’, waarbij de focus minder ligt op het egoïsme in ieder van ons en meer op samenwerken en delen van kennis en spullen. Mensen hebben er nood aan om samen te komen. Als je die krachten als basis van de economie neemt, dan krijg je een heel werkbaar, inclusief model. Die burgereconomie groeit van onderuit en is erg laagdrempelig. Iedereen kan deelnemen op zijn manier en de centrale vraag is: ‘Wat kunnen wij allemaal?’ Soms zijn dat stomme dingen zoals een fiets herstellen, maar net dat is verrijkend. Misschien is dat naïef, dromerig of utopisch. Maar ik ben een fan van utopieën.”

Burgerbewegingen

Enkele van die utopieën heb je in Griekenland gezien. In Thessaloniki beslisten de burgers bijvoorbeeld om het heft zelf in handen te nemen.

“Dat gebeurde daar uit pure noodzaak, want de crisis hakte er zo diep in dat veel mensen uit de boot vielen. Aan het begin van de crisis had je bijvoorbeeld de aardappelbeweging. De bedoeling was dat de boeren hun producten rechtstreeks aan de consument verkochten. Ik wilde een van hun marktjes bezoeken, maar er was een wet uitgevaardigd die het pop-up idee van een boerenmarkt verbood.”

“Als antwoord, en dat is waarnaar ik op zoek ben gegaan, hebben een aantal professoren uit Thessaloniki een coöperatieve supermarkt opgericht. Daarmee geven ze de boeren een officiële plek om hun producten aan te bieden. De kracht en de vindingrijkheid van al die mensen heeft me dikwijls ontroerd.”

“Thessaloniki is een stad van beton en asfalt, je hebt er nauwelijks groen. Maar dan heb je Perka, een burgercollectief dat verlaten militaire domeinen tot groententuinen omtovert. Dat waren verharde, onbruikbare terreinen, maar toch hebben een aantal burgers doorgezet en zijn ze stenen uit de grond beginnen te halen. Nu kweken ze er hun eigen tomaten en aubergines en bewaren ze er hun eigen zaden.”

Voedsel als begin

Bij het lezen van je boek viel het me op dat alles bij voedsel begint. De moestuinen rond het oude Crystal Palace in Londen, de supermarkt in Thessaloniki. Stopt het verhaal daar of gaat het nog verder?

“Het is een domino-effect. Vaak begint het bij eten en deint het verder uit naar bijvoorbeeld een grasmachine delen. Dat kan met je buurman, maar ook via websites als peerby. Vervolgens zijn er mensen die zelf hun elektriciteitsproductie in handen nemen.”

“In Hamburg bijvoorbeeld hopen een aantal bewoners van de Altonawijk een oude bunker om te bouwen tot een energiecentrale. Daarnaast willen ze aan de andere kant van de bunker een centrum voor een nieuwe economie bouwen, met ruilinitiatieven en herstelateliers. Het project is er nog lang niet en het is ook niet zeker of het er ooit zal komen. Maar er is rond die grote, lelijke bunker een dynamiek ontstaan. Mensen komen er samen, leren elkaar kennen en wisselen nu al spullen, talenten of kennis uit.”

Zulke initiatieven ontstaan dus niet alleen in Zuid- Europa. Ik zag dat jullie in de gemeente waar je woont ook een repair café organiseren en een geefwinkel hebben geopend.

“Het zijn initiatieven van Transitie Herent, een groepje burgers dat een praktisch antwoord probeert te vinden op de klimaatopwarming en op het besef dat de overgebleven fossiele brandstoffen maar beter in de grond blijven. De nadruk ligt daarbij op kleine acties in de buurt en de lokale economie. Dankzij die acties leer je mensen op een andere manier kennen. De geefwinkel is zo’n plek van ontmoetingen van verschillende sociale lagen, die elkaar in onze samenleving niet vaak meer ontmoeten.”

Onzichtbaar maar overal aanwezig

Je schrijft dat je thuis kwam van je reis met nieuwe moed en frisse ideeën, maar dat de resultaten van de federale verkiezingen een heel ander beeld opwierpen. Zijn het dan niet slechts een paar enkelingen die alternatieve paden willen bewandelen?

“Het is soms niet zichtbaar, maar het zit overal wel een beetje. Ik zag op een bepaald moment mijn omgeving veranderen. Mensen die voordien helemaal niet met ecologie bezig waren, vonden plots dat het zo niet verder kon. Er is een veelheid aan projecten en initiatieven van mensen die het anders willen doen. Ik was verbaasd en blij verrast om dat ook in de rest van Europa te zien.”

“Er ontstaan enerzijds kleinschalige burgerinitiatieven rond voedsel en energie, maar je vindt ook mensen die een hele industrietak willen hertekenen. De Nederlandse architect Thomas Rau bijvoorbeeld zit in de reguliere economische omgeving, maar van daaruit beïnvloedt hij zijn leveranciers. Zo vraagt hij geen lampen aan Philips, maar licht. Rau huurt de lampen, maar Philips blijft verantwoordelijk voor zijn product. De producent heeft er dan ook alles bij te winnen om zijn product zo te maken dat het volledig hergebruikt kan worden. Op die manier probeert Rau de circulaire economie te versterken.”

Meer informatie over Het klein verzet en de boekvoorstellingen vindt u op de website van uitgeverij EPO.

Evelien Verstraeten