Categorie archief: alternatieven

Niet de deeleconomie, maar de commonseconomie kan de wereld redden

door Jean Lievens
P2P Foundation Belgium

Eerst verschenen op De Wereld Morgen op 29 mei 2016 (blog Jean Lievens – originele tekst)

De deeleconomie staat steeds meer in de belangstelling, maar over de commonseconomie wordt helaas veel minder gesproken. Waarschijnlijk blijft dit voor velen te abstract, maar als we het hebben over de noodzaak van een transitie naar een duurzame economie en naar een meer rechtvaardige en democratische samenleving, dan is de commonseconomie wel de hefboom.

We leven in een verandering van tijdperk, gekenmerkt door economische en financiële crisissen, sociale onrust en politieke instabiliteit. Ons sociaale-conomisch systeem functioneert niet meer en “de politiek” draagt geen oplossingen aan. Anderzijds opent de technologische vooruitgang enorme mogelijkheden om de huidige ecologische, economische en sociale problemen op te lossen, maar binnen de oude structuren en denkschema’s werkt ze de financieel-economische en sociale crisis juist in de hand.

Er is veel sociaal verzet tegen de neoliberale tegen-hervormingen van de afgelopen jaren, maar vaak blijven protestbewegingen beperkt tot “tegen iets zijn” en is er een gebrek aan coherent alternatief. Ook klassieke linkse formules schijnen niet meer te werken of worden de nek omgedraaid binnen een vijandige internationale context, wat de Grieken aan de lijve mochten ondervinden.

Wel zijn overal in de wereld mensen actief betrokken in allerhande initiatieven om te bouwen aan een betere wereld. Velen hebben zich afgekeerd van de politiek en bouwen “het nieuwe binnen het oude”. Ze zijn actief op gebied van sociale rechtvaardigheid en solidariteit (vakbonden, coöperatieven, NGO’s, fairtradeorganisaties, noord-zuidbewegingen etc.), openheid en transparantie (open source beweging, open designgemeenschappen…) en duurzaamheid (circulaire economie, microfabrieken…).

Tussen deze verschillende groepen bestaat echter weinig interactie en ook binnen deze groepen is de fragmentatie vaak groot. Maar ze dragen wel de kiemen van een nieuw systeem, waarbij “de commons” het bindmiddel kan zijn. Een van de organisaties die hierbij een verbindende en katalyserende rol kan spelen, is volgens mij Hart boven Hard, zowel in haar hoedanigheid van netwerk als van beweging.

Maar laat ik eerst even beknopt de kern van het transitiemodel uitleggen dat de P2P Foundation voorstelt. Het boek De Wereld Redden bevat heel wat ideeën, maar vaak pikken mensen alleen dat eruit wat in hun kraam past. Om te beginnen hebben we nooit beweerd dat de “deeleconomie” de wereld zal redden, zoals Rogier De Langhe schrijft in een van zijn opiniestukken in De Morgen van 17 mei (Welke deeleconomie willen we?). In ons boek hebben we het over peer-to-peer, maar maken we een onderscheid tussen peer-to-peer marktplaatsen (waar de deeleconomie zich grotendeels afspeelt) en peer-productie van commons. Ons transitieverhaal steunt vooral op de tweede pijler.

De deeleconomie (alleen) zal de wereld niet redden

De deeleconomie zoals ze zich tot nu toe heeft ontwikkeld, wordt vooral gedomineerd door commerciële platformen die vraag en aanbod van markttransacties tussen individuen (denk aan de “gig”-jobs, het “delen” van autoritten tegen betaling, het verhuren van appartementen…) regelen via algoritmes en daar flink wat geld aan verdienen. De belangrijkste voordelen van deze modellen is dat ze voor de gebruikers vaak performanter en goedkoper zijn dan de traditionele modellen en dat ze zorgen voor een beter gebruik van de bestaande infrastructuur (het “deel”aspect) waardoor ze deel uitmaken van een noodzakelijke evolutie naar een meer duurzame economie.

Maar de keerzijde is ook niet mals: ze ontwijken allerhande wetgevingen waaraan de traditionele modellen wel aan moeten beantwoorden (sociale wetgeving, voorschriften inzake veiligheid en gezondheid etc.), ze investeren zelf niet in infrastructuur en wentelen alle risico’s af op degenen die hun platform gebruiken om geld te verdienen. Zelfs degenen die voor de vrije markt zijn en pleiten voor een gelijk speelveld, kunnen toch niet anders dan vaststellen dat we hier te maken hebben met oneerlijke concurrentie. Je kan dan twee zaken doen: ofwel het speelveld gelijkschakelen door deze platformen te onderwerpen aan dezelfde regels die gelden voor andere bedrijven, ofwel de regels voor andere bedrijven ook afschaffen. Dus hier pleiten we uiteraard voor klassieke regulering.

Alternatieven op commerciële platformbedrijven

Maar er zijn andere manieren om dergelijke kapitalistische platformen van antwoord te dienen. Laten we Uber nemen als voorbeeld. Zo heeft sharing city Seoel Uber ronduit verboden. Maar tegelijk ontwikkelde de stad wel een even gebruiksvriendelijk alternatief: een mobiliteitsapp op stadsniveau waarin de klassieke taxisector werd geïntegreerd. Vakbonden kunnen Uberchauffeurs organiseren en opkomen voor hun belangen (zo heeft Seattle onlangs Uberchauffeurs syndicale rechten verleend waardoor ze expliciet erkend werden als werknemers en niet als freelancers) of zelfs helpen met het opzetten van een coöperatieve die gebruik maakt van een eigen app. Zo gaan alle verdiensten naar de chauffeurs zelf en niet naar Silicon Valley. Op dat vlak zijn de initiatieven echter enorm versnipperd, want elke entiteit gebruikt andere open source applicaties en apps. Het komt er dus op aan om al deze mini-initiatieven te coördineren en te stroomlijnen binnen één netwerk.

Maar goed, we blijven hier nog altijd op het terrein van marktactiviteiten, het kopen en verkopen van diensten om geld te verdienen. Daar is niks mis mee, mensen moeten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Maar als er wordt samengewerkt rond één platform, beheerd door de stakeholders (dus niet alleen de chauffeurs , maar bijvoorbeeld ook de klanten en de overheid), dan wordt dit gemeenschappelijk platform wel de kern van de economische activiteit waaraan de marktactiviteit is ondergeschikt.

Er zijn natuurlijk ook tal van deelinitiatieven die een maatschappelijk doel voor ogen hebben, zoals autodelen op buurtniveau (vb. Dégage in Gent), of logies delen op wereldniveau (couchsurfing). Dit is de originele deeleconomie, die nog altijd bestaat én groeit, maar inmiddels in de media werd overschaduwd door Uber en Airbnb. Deze laatste is trouwens zelf begonnen binnen de reële deeleconomie, wat nog steeds vervat zit in de naam (air staat voor air matrass: het idee was een luchtbed in de living voor toeristen, in ruil voor een kleine deelname in de kosten). Met de intrede van venture capital werd het platform geprofessionaliseerd, er kwamen diensten bij (zoals een verzekering tegen vandalisme), maar bovenal vervoegden steeds meer professionele spelers het platform om appartementen te verhuren aan toeristen. Op die manier omzeilen ze stedenbouwkundige vergunningen en de wetgeving op hotels, jagen ze tegelijk de huurprijzen voor lokale bewoners omhoog en maken bepaalde buurten onleefbaar (denk aan Barceloneta in Barcelona). Tussen haakjes, het is ook belangrijk om op te merken dat alleen mensen die iets hebben iets kunnen ‘delen’ (lees verhuren). Een huurder mag meestal niet onderverhuren, ook niet via Airbnb.

De commonseconomie

Tot daar de “deeleconomie”. Wat echter veel belangrijker is in ons transitieverhaal, is de zogenaamde commons-economie en meer bepaald de creatie van commons van open software, kennis en design. Bekende commons zijn Linux, Wikipedia en Arduino, maar er bestaan duizenden andere voorbeelden. We hebben hier te maken met een postkapitalistisch model, omdat:

Het niet gebaseerd is op arbeid/kapitaal, maar op vrijwillige bijdragen
Het geen goederen of diensten voortbrengt om te verkopen op de markt (ruilwaarde), maar rechtstreekse gebruikswaarde die vrij beschikbaar is, in overvloed aanwezig, vrijwel kosteloos, oneindig reproduceerbaar en dus niet eens “vermarkt” kan worden.
Sommigen rangschikken ook deze commons onder de ‘deeleconomie’ omdat ze vrij beschikbaar zijn (en dus vrij kunnen ‘gedeeld’ worden), maar dan gooi je Uber en Wikipedia op één hoop, wat toch problematisch is. Om verwarring te vermijden is het dus aangewezen om bij elk project de volgende vragen te stellen:
wat is de hoofddoelstelling (maatschappelijk of winstgevend)?
wordt er gemeengoed gecreëerd dat vrij beschikbaar is?

Alleen in het twee geval spreken we van een commons-economie. Is de doelstelling maatschappelijk en wordt er gewerkt via een collectief deelplatform, dan is het deelplatform zelf de commons en kan je ook dit soort van deelinitiatieven tot de commons-economie rekenen. Gaat het om pure markttransacties, dan hebben we te maken met P2P marktplaatsen die strik genomen niets met delen te maken hebben, maar door deze platformen zelf en door de media wel als dusdanig genoemd worden, dus ik veronderstel dat we ermee moeten leven.

Een productiever model…

Het gemeenschappelijk creëren van open gemeengoed van kennis, softwarecode en allerhande ontwerpen blijkt in de praktijk veel sneller, efficiënter en productiever dan de traditionele (lees kapitalistische) manier om deze zaken voort te brengen. Sinds Wikipedia zijn papieren encyclopedieën alleen nog in tweedehandszaken verkrijgbaar. Wikipedia is gratis, wordt elke dag beter en volgt de actualiteit. Een paar minuten nadat de media hebben bericht over de dood van Prince, is de popster ook dood op Wikipedia. Open software is de norm binnen de softwarewereld geworden. Nasa, BMW, het CERN, het Witte Huis… gebruiken Linux, een software die vrij beschikbaar is voor iedereen. Er bestaan een dertigtal open source-auto’s (inclusief een open source zelfrijdende auto) die stuk voor stuk milieuvriendelijke en energiezuiniger zijn dan industriële wagens, alleen komen de banken niet met geld over de brug om de productie ervan te financieren, tenzij ten minste een deel van het ontwerp beschermd wordt door patenten. Tot nu toe lijkt LocalMotors, een semi-open source wagen die in een microfabriek via 3D printing kan worden geproduceerd het enige model dat ook economisch succesvol is. Maar er zijn ook open source robotten, open source landbouwmachines, open source laboratoriumapparatuur en duizenden andere open hardwaresystemen. Daarnaast is er ook het delen van kennis allerhande, zoals open wetenschap tegenover het peperduur verkopen van academische artikels door privé-uitgeverijen.

… gedomineerd door het kapitalisme

Maar net als de deeleconomie waarvan eerder sprake, wordt ook de commonseconomie volop “gerecupereerd” door het kapitalisme, hoewel “gebruikt” me een beter woord lijkt in deze context, want er is hier toch iets anders aan de hand. We krijgen namelijk een model waarbij bedrijven die elkaar beconcurreren op de markt, wel samen bouwen aan een commons. Als toemaatje krijgen ze er de bijdragen bij van vrijwilligers die voor allerhande redenen gratis bijdragen tot het gemeengoed. Neem open software. Ongeveer 75% van de programmeurs die bijdragen tot Linux, worden betaald door grote bedrijven zoals IBM en Red Hat, die net als Google, Intel, HP, Samsung, Cisco enzovoort de Linux Foundation financieren. Waarom? Omdat het stukken goedkoper en efficiënter is Linux te helpen ontwikkelen dan eigen software te ontwikkelen. Voor hen is Linux een goedkope grondstof die ze kunnen gebruiken om andere diensten aan te bieden op de markt, meestal het maken van een gebruiksvriendelijke versie op maat van hun klanten, maar ook onderhoud, training, consultancy, enzovoort.

Laten we een voorbeeld nemen uit de open hardware. Alles wat de mens maakt, moet eerst ontworpen worden. Er komen meer en meer ontwerpen tot stand door open en transparante samenwerking van bijdragers via het internet. Het internet wordt naast een goedkoop communicatie- en coördinatiemiddel dus ook meer en meer een universeel productiemiddel. Tegelijk vervaagt de grens tussen (digitaal) ontwerp en geautomatiseerde productie. Machines zijn immers gekoppeld aan computers. Voeg daaraan toe dat na de miniaturisering van de computer ook de miniaturisering van machines aan de orde van de dag is, waarbij je “meer kunt doen met minder”, en je ziet meteen het potentieel dat zich opent om ons maatschappelijk en economisch model volgens volledig andere lijnen te gaan ordenen. Maar dat kan alleen als we ons organiseren en bewust modellen ontwikkelen die dat ook in de praktijk brengen. Want tot op heden, zwaait het kapitaal nog altijd de scepter, ook in de wereld van de commons.

Je hebt immers nog altijd kapitaal nodig om iets te produceren: een fysische ruimte, grondstoffen en arbeid. Je verlaat de digitale, postkapitalistische wereld van de overvloed en betreedt in zekere zin weer de wereld van arbeid en kapitaal. Maar ook binnen dat kader heb je de keuze welk soort van organisatie je hiervoor opricht. Een coöperatieve is hier ongetwijfeld de meest geschikte bedrijfsvorm omdat haar eigendom- en beheermodel het best aansluit met de peer-to-peer waardecreatie in de commons. Omdat jonge ondernemers vaak niet vertrouwd zijn met het coöperatieve model, domineren durfkapitalisten (venture capital) die torenhoge rendementen terugeisen voor hun investering logischerwijze nog altijd de open hardwaregemeenschappen, hoewel we oog moeten hebben voor de oprukkende fablabs, hackerspaces, co-working spaces en makerspaces die vaak ondersteund door lokale overheden, scholen of universiteiten, en ook via crowdfunding.

Sociale ondernemers

Het is belangrijk hier een punt te maken over sociale ondernemers. Klassiek links haalt vaak de neus op voor ondernemers omdat ze die onterecht vereenzelvigen met “kapitalisten”. De woorden “sociaal” en “ondernemen” vinden ze een contradictio in terminis. Bovendien schieten veel politici van groene en sociaaldemocratische partijen die ondernemers omarmen (zonder evenwel een onderscheid te maken in de aard en de grootte van de bedrijven) tegelijk op de vakbonden die ze bestempelen als “conservatief”. Ze behoren historisch tot de neoliberale strekking (gelukkig op zijn retours) die de derde weg van Blair voorstaat. Maar stel je in de schoenen van een jonge ingenieur die de wereld wil verbeteren. Geloof me, ze zijn niet in de minderheid. Zo wilt 98 procent van afgestudeerde ingenieurs in Finland duurzaam ontwerpen. Alleen… als ze het geluk hebben een baan te vinden in een klassiek bedrijf, moeten ze zorgen voor ingeplante slijtage. Het alternatief is zich aansluiten bij een open hardwaregemeenschap en proberen zelf of met vrienden een bedrijfje op te starten. Als je bijdragen levert voor een open ontwerp, is er immers geen enkel reden om slijtage in te plannen. Je probeert een product zo goed mogelijk te ontwerpen.

De laatste jaren zien we meer en meer jongeren die ecologische en maatschappelijke problemen willen oplossen door zelf een bedrijf op te starten. Maar ook mensen die al jaren voor traditionele bedrijven werken, stappen voor allerhande redenen uit de ratrace en gaan zelf een sociale bedrijfsactiviteit beginnen die goed is voor de samenleving en die hun eigen leven veel meer zin geeft. Het is juist dat we hier vaak te maken hebben met een geprivilegieerde groep, maar dit fenomeen illustreert toch een uittocht uit het bestaande systeem, zowel vrijwillig als gedwongen.

Alleen… je moet natuurlijk wel geld verdienen om te overleven. Het grootste probleem vandaag is dat de commons, die een steeds grotere plaats innemen in de kapitalistische economie, nog steeds ondergeschikt zijn aan het overheersende model en alleen collectief reproduceerbaar zijn maar niet individueel. Wat bedoel ik daarmee? Als individu kan je tijdelijk gratis bijdragen tot commons (als je student bent, werkloos, of in je vrije uurtjes), maar je kan dat niet blijven doen. De commons blijven echter collectief overleven omdat er steeds nieuwe mensen bijkomen die bijdragen leveren, terwijl anderen wegvallen.

Nieuwe bedrijfsmodellen

De vraag van een miljoen is dus: hoe kunnen we bedrijfsmodellen ontwikkelen die het de commoners (bijdragers tot commons) mogelijk maakt om in hun levensonderhoud te voorzien? Gelukkig is dit geen theoretische vraag aangezien er volop aan deze modellen wordt gewerkt. Met andere woorden, er bestaan reeds ethische bedrijven die samen een commons produceren, zoals Enspiral, een jong bedrijvennetwerk dat Loomio (een samenwerkingssoftware) en Co-Budget (een app om democratische investeringsbeslissingen te nemen binnen het netwerk) heeft ontwikkeld en “Stuff that Matters” als baseline heeft. Het initiatief ontstond in Nieuw-Zeeland, maar het netwerk groei als kool en de open software Loomio is inmiddels uitgegroeid tot een zelfstandig bedrijf (een coöperatieve in eigendom en zelfbeheer van de werknemers) binnen het Enspiral netwerk, met wereldwijde vertakkingen.

Ik geef deze voorbeelden mee om ons verhaal wat concreter te maken zodat de verhaallijn duidelijker wordt. Wij denken namelijk dat er een nieuwe economie in wording is rond de commons. Deze economie wordt inderdaad gedomineerd door het kapitaal, maar veroorzaakt binnen het kapitalisme een waardecrisis: de geproduceerde gebruikswaarde groeit exponentieel, maar de gerealiseerde marktwaarde stijgt slechts lineair en wordt grotendeels “opgevangen” door het kapitaal. Maar naarmate het kapitaal investeert in peer-to-peer-netwerken en commons, versterkt ze die tegelijk en maakt aldus het potentieel alternatief sterker. Vroegere systeemovergangen vonden op dezelfde lijnen plaats: het oude systeem maakt gebruik van het nieuwe systeem om zijn bestaan te rekken, maar versterkt daardoor het nieuwe systeem tot een punt wordt bereikt waarop het nieuwe systeem kan doorbreken en dominant worden.

Vandaag wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe bedrijfsmodellen, vaak coöperatieven, die commons voortbrengen en tegelijk in het levensonderhoud voorzien van de coöperanten. Ook wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe manieren om de waardecreatie binnen de commons te registreren (open boekhouding) en die te koppelen aan vergoedingen voor de commonors indien de projecten marktwaarde realiseren. Er ontstaan ook nieuwe solidariteitsmechanismen, zoals de broodfondsen in Nederland, een sociaal zekerheidssysteem op minischaal voor “zzp-ers” (zelfstandigen zonder personeel, hier meestal freelancers genoemd). Zo zie je dat de mutualiteiten van de vroege arbeidersbeweging vandaag nog eens dunnetjes overgedaan door mensen die buiten de mazen van het sociale zekerheidssysteem vallen.

Ook de nieuwe coöperatieven die wereldwijd groeien als kool brengen de hoogdagen van de arbeidersbeweging in herinnering. Ook zij probeerden het nieuwe te bouwen binnen het oude, maar streefden vooral naar het veroveren van de politieke macht om de economie gradueel (door hervormingen) of min of meer volledig (door revolutie) via de staat over te nemen. De traditionele coöperatieven werden echter grotendeels weggeconcurreerd door multinationals die over meer kapitaal beschikten en dankzij schaalvoordelen goedkopere producten konden op de markt brengen. Coöperatieven die overleefden, konden dit alleen door zich net te gedragen als kapitalistische bedrijven waardoor ze op de duur nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren. Toch kan de historische arbeidersbeweging een grote inspiratiebron zijn voor de open source- en commonsbeweging. Alleen is haar heroïsche geschiedenis gedurende de laatste decennia (en zelfs langer) grotendeels ondergesneeuwd door bureaucratisering en incorporatie binnen de staat.

Kloof tussen precariaat en salariaat dichten, niet aanwakkeren

Dat laatste verklaart waarom veel jongeren die zich wel als een vis in het water voelen in de open source- en commonsbeweging, zich niet herkennen in de huidige arbeidersbeweging. Deze laatste is dan weer al decennia in een defensieve strijd verwikkeld voor het behoud van sociale verworvenheden en vindt moeilijk aansluiting bij jongeren die opgroeien in een tijd waarin het oude sociale contract meer en meer wordt opgeblazen voor de nieuwe generatie. Sommigen concluderen daaruit dat de klassenstrijd moet wijken voor een generatiestrijd. Niet het falend systeem is verantwoordelijk, wel de oudere generatie die de rijkdom heeft opgesoupeerd waardoor er niks meer overblijft voor de jeugd . Hoewel minder brutaal (hoewel…) lijkt dit de redenering die ook economiefilosoof Rogier De Langhe volgt in zijn recente columns. Rogier geeft toe dat er een systeemcrisis is, maar vindt dat “wij daar allemaal samen” voor verantwoordelijk zijn. Zoiets kan je natuurlijk alleen maar beweren als je de klassennatuur van onze samenleving ontkent. Maar zelfs dan is het hallucinant om het volgende te beweren: ”Zoals in 2008 bleek dat bankiers niet hadden kunnen weerstaan aan de ‘hebzucht’, zo blijkt vandaag dat ook de vakbonden te ver gingen. Ze verwierven meer rechten dan duurzaam over de generaties heen konden worden voorzien. Zelfs de banksters waagden het niet het land plat te leggen uit protest tegen het instorten van het kaartenhuisje dat ze zelf hadden gebouwd.” (De Morgen van 25 mei 2016: Waarom betogers op bankiers lijken”)

Rogier vindt de vakbonden blijkbaar nog erger dan de banksters. Hij pleit wel voor meer solidariteit, maar dan wil binnen de groep van “have nots”: “Ik droom van een herverdeling van sterk naar arm, in plaats van van niet-gesyndiceerd naar gesyndiceerd en van ongeboren naar vandaag.” Dat er in de afgelopen dertig jaar 10 procent van het BNP verschoven is van Arbeid naar Kapitaal is bijzaak, want “De bedragen waar het om gaat, zijn zo gigantisch dat een vermogensbelasting weinig verschil maakt. Zeker in een land als het onze illustreert het discours over de 1 procent vooral dat het makkelijker is de schuld bij een externe vijand te zoeken, dan bij onszelf.”

Er bestaat ongetwijfeld een spanningsveld tussen de klassieke arbeidersklasse die bestaat uit (vaak oudere) werknemers die in een hiërarchisch verband voor een bedrijf werken, en de nieuwe klasse van precaire en autonome werkers die rechtstreeks voor de markt (moeten) werken. Dat kan gedwongen zijn omdat ze geen werk vinden, maar velen doen het ook vrijwillig, ook uit sociale bewogenheid. Die groep gebruikt het internet en de commons voor het opzetten van nieuwe solidariteitsmechanismen. Op dat vlak speelt Smart.be in België een voortrekkersrol. We hebben de vakbonden al vaker op de korrel genomen omdat ze deze groeiende groep precaire werkers rechts laten liggen (in Nederland is binnen het FNV al geruime tijd een fel debat aan de gang). We moeten bruggen bouwen tussen precaire en “beschermde” werknemers, niet door de rechten van de ene groep af te bouwen ten voordele van de andere, maar om samen te ijveren voor een maatschappij die eerlijkere, democratischer en meer gelijk is dan de huidige. Helaas drijft Rogier de tegenstelling tussen beide groepen op de spits en door ongenadeloos de vakbonden te viseren in hun verzet tegen de regeringsmaatregelen, staat hij objectief gezien natuurlijk 100 procent aan de kant van de regering die hij in zijn columns nooit op de korrel neemt.

De commons als nieuw bindmiddel in een positief transitieverhaal

Maar goed, terug naar mijn verhaal. Wat in het oude verhaal van de arbeidersbeweging ontbrak, was een nieuwe manier om waarde te creëren en te herverdelen, die bovendien superieur is aan het oude model. Vandaag bestaat deze nieuwe productiewijze wel. In het oude verhaal versloeg groot klein. Altijd. Vandaag kan een netwerk van veel kleintjes groot verslaan. Denk aan Linux en Wikipedia. De nieuwe platformbedrijven of “netarchische” kapitalisten (kapitalisten die heersen over het netwerk), zijn nog piepjong (Google is 20 jaar oud, Facebook 12, Uber 6) maar hebben in een mum van tijd de wereld veroverd. De vraag is hoe duurzaam die bedrijven zijn op langere termijn, gezien hun parasitair karakter en het feit dat de waarde die ze onttrekken uit menselijke samenwerking niet terugvloeit naar de mensen die deze waarde creëren.

Er bestaat volgens mij geen uniforme formule om deze bedrijven aan te pakken. Sommigen kunnen op termijn weggeconcurreerd (of weg”samengewerkt”) worden door nieuwe, coöperatieve modellen, op voorwaarde dat deze globaal opgeschaald worden (samenwerking in wereldwijde netwerken). Zowel de overheid als de traditionele organisaties van de arbeidersbeweging kunnen daarin een stimulerende rol spelen. Anderen zoals Google of Facebook worden best “openbare nutsbedrijven”, zoals destijds de spoorwegen en de elektriciteitsbedrijven. Natuurlijk zijn deze privéplatformen wereldwijd actief, maar ze zijn wel ingebed in een staat (meestal de VS) waarbinnen een politieke strijd kan gevoerd worden om ze om te turnen in door stakeholders beheerde nutsbedrijven (geen traditionele staatsbedrijven dus). Buiten de VS kunnen en worden ze via regulering meer aan banden gelegd, hoewel de resultaten nog niet spectaculair te noemen zijn (bv. Europa versus Facebook en Google).

Om te resumeren, wil ik de volgende stellingen poneren:

De commons kunnen het bindmiddel zijn van een nieuwe progressieve beweging
De drie groepen die mondiaal actief zijn in transitiebewegingen (rond ecologie, solidariteit en open source) moeten elkaar beter leren kennen en meer gaan samenwerken

Tegelijk kan geijverd worden voor een commons-transitieprogramma dat streeft naar een nieuw economisch-maatschappeijk paradigma dat steunt op drie pijlers:
Een productieve civiele maatschappij van burgers die vrijwillig bijdragen tot commons
Een ethische bedrijvencoalitie rond deze commons
Een nieuw overheidsmodel waarbij de overheid optreedt als partnerstaat die peer-productie van vrije burgers faciliteert en ondersteunt (met geld, infrastructuur, onderwijs etc.) Deze staat vervangt de welvaartsstaat niet, maar overstijgt ze. Strijden tegen de afbouw van de welvaartsstaat blijft dus 100 procent een progressieve strijd.

Daarnaast dringt zich een herlocalisering op van de productie in microfabrieken die eveneens wereldwijd genetwerkt zijn en aldus een tegengewicht kunnen bieden op transnationaal niveau tegenover de multinationals. Op die basis kunnen we de ecologische crisis bezweren (duurzame lokale energiecoöperatieven aangesloten op een smart grid, drastische vermindering van transport- en energiekosten, transparante aanvoerketens ten dienste van een circulaire economie waardoor het generatief vermogen van de planeet volledig wordt hersteld etc.)

Voor meer info:

P2P Foundation
Enspiral
Jean Lievens

Drie “governance hacks” om peer productie om te vormen tot een echt economisch en sociaal systeem

Door Michel Bauwens

Originele tekst P2P Foundation

Het kapitalisme was niet altijd een organisch en dominant systeem. Alvorens het de status verwierf van een volwaardige productiewijze, anders gesteld van een samenhangende manier om waarde te creëren en te verdelen, of van een specifieke vorm van samenleving en beschaving, diende het in te breken in het oude systeem om het naar zijn eigen beeld te kneden. In “zijn boek “De Grote Transformatie” legt Karl Polanyi uit hoe bijvoorbeeld de vroege kooplieden nog steeds afhankelijk waren van ambachtslui en gilden (het zogenaamde ‘putting-out’-systeem) en er aanvankelijk niet in slaagden om van arbeid een koopwaar te maken.

Deze situatie verschilt niet veel van het ‘proto’-productiesysteem dat vandaag in opmars is: peerproductie gericht op gemeengoed (‘commons-oriented peer production), waarbij een gemeenschap van bijdragers, al dan niet betaald, een gemeengoed of ‘commons’ (gedeelde hulpbronnen die beheerd worden door hun gebruikers) creëren in plaats van goederen (koopwaar). Hoe kan deze opkomende, postkapitalistische logica die nu al de logica van arbeid als koopwaar overstijgt, dominant worden? Hoe maken we van peerproductie een organisch systeem? Tegen deze achtergrond stellen de P2P Foundation en soortgelijke netwerken van P2P-activisten een aantal hacks voor.

De centrale kwestie is de volgende: hoe houden we de “waarde”” binnen de sfeer van de commons, zodat die kunnen groeien en zichzelf reproduceren? Of in andere woorden: hoe kunnen we op basis van onze bijdragen in ons levensonderhoud voorzien?”

De copyfair licentie

Een eerste “hack” is de copyfair licentie, een licentie die steunt op wederkerigheid. Waarom is dat nodig? Volgens de traditionele, negentiende-eeuwse definitie van communisme is de General Public Licentie technisch gezien een communistische licentie: “van ieder naargelang zijn bijdragen, voor ieder naargelang zijn noden”. Maar binnen onze huidige politieke economie leidt een dergelijke dynamiek onvermijdelijk tot de overheersing van een economie die gebaseerd is op “vrije en gedeelde hulpbronnen” door grote privéspelers en bovendien tot het gebruik van deze gedeelde hulpbronnen door organisaties die er niet toe bijdragen.

Dit “liberaal communisme” (communisme in dienst van het kapitaal en de liberale waarde van het ‘recht op delen’) is niet noodzakelijk een probleem voor niet-rivaliserende en antirivaliserende hulpbronnen zoals kennis en softwarecode, maar het kan wel problematisch zijn als we spreken over design, zaden en andere vormen van delen die verbonden zijn aan fysieke productie. Als we immers moeten investeren in gebouwen, machines, grondstoffen en salarissen, kan de private overheersing van de open economie een probleem vormen.

Bijgevolg zou een licentie die een of andere vorm van wederkerigheid vereist een aantal voordelen opleveren. De vereiste dat bedrijven die zelf niet bijdragen tot de commons een licentievergoeding zouden betalen, zou een kapitaalstroom genereren naar de sfeer van de commons, zijn gemeenschappen en “Stichtingen” (Foundations). Ten tweede -en belangrijker- zou de vereiste om wederkerigheid te definiëren opnieuw een “morele economie” creëren die positieve sociale externaliteiten zou re-integreren binnen de marktsfeer zelf.

Open coöperatieven

Onze tweede “hack” zou bovendien een dynamiek op gang brengen op het vlak van beheer en eigendom. Wij stellen voor dat commoners eigen “open coöperatieven” zouden oprichten, dus coöperatieven die niet alleen werken voor hun eigen leden, maar structureel en statutair samen commons creëren naast het voorzien van een inkomen voor de coöperatieve arbeiders. In dit model zou de coöperatieve een maatschappelijk doel hebben, niet winstgericht zijn (de winsten worden dan gebruikt om een maatschappelijk doel te realiseren), meerdere stakeholders betrekken, maar ook samen gemeengoed creëren in de vorm van zowel immateriële commons (gedeelde kennis) maar ook gedeelde materiële hulpbronnen (een voorbeeld is de woningcoöperatieve “Allianza Solidaria” in het zuiden van Quito die van zijn leden 100 uur arbeid vraagt voor de creatie van gemeenschappelijke parken).

Deze nieuwe coöperatieven zouden niet langer uitmonden in organisaties die egoïstisch handelen op de kapitaalmarkten ten behoeve van hun eigen leden, maar zouden een gemeengoed creëren dat op natuurlijke wijze tot hun normale activiteiten zou behoren. Een gelijkaardig voorstel is het eigendomsmodel gebaseerd op eerlijk delen (‘fairshares ownership), waarbij het eigendom in vier gelijke parten wordt verdeeld: een voor de stichters, een voor de investeerders, een voor de arbeiders en een voor de gebruikersgemeenschappen.

Open aanvoerketens en open boekhouding

De derde en laatste hack die we voorstellen is de oprichting van open aanvoerketens en open boekhouding. Van zodra er een “ethische ondernemerscoalitie” is opgericht rond de copyfair licentie en/of een sociaal charter met gemeenschappelijke waarden en een oriëntatie naar het gemeengoed, kan op natuurlijke wijze worden overgeschakeld van competitie naar samenwerking en het delen van informatie over productie en boekhouding doorheen het netwerk. Een voorbeeld is Enspiral, een netwerk van sociale ondernemers in Nieuw Zeeland, die binnen hun netwerk transparantie bedrijven.

Dankzij deze hack zou de wederkerige en stigmergische coördinatie van productieve activiteiten die reeds van toepassing is in de immateriële productie van kennis, code en design, ook beginnen met het op gang brengen van een dynamiek van postkapitalistische wederkerige coördinatie in de sfeer van reële fysieke productie.

Als deze drie stappen door verschillende actoren gelijktijdig worden genomen, zou peerproductie op een betekenisvolle manier evolueren naar een functionerend organisch systeem dat in staat is om zichzelf te reproduceren aangezien de bijdragers tot de commons een coöperatief levensonderhoud zouden kunnen creëren. We zouden geëvolueerd zijn van een “communisme van kapitaal” naar een “kapitaal van de commons”.

vertaling: Jean Lievens

Hybride Bankieren maakt einde aan geld als exclusief transactiemiddel

Originele tekst gepubliceerd op 15/5/2015 op duurzaam.plus.nl
door Désirée Crommelin

hybride bankieren maakt een einde aan geld als exclusief transactiemiddel, stelt Jan Jonker, hoogleraar Duurzaam Ondernemen aan de Radboud Universiteit Nijmegen. In zijn column voor duurzaamplus.nl anticipeert hij op de uitkomsten van een onderzoek naar voorwaarden en spelregels van Hybride Bankieren (HB) in de nieuwe economie. Het gaat daarbij om te innoveren naar alternatieve transactiesystemen van gelijkwaardig betalen met tijd, afval, zelfopgewekte energie en traditioneel geld. Dat regel je niet zo maar in ons bestaande sociaaleconomische klimaat. Jonker voorziet ‘schurende’ ontmoetingen met gevestigde belangen in een samenleving waar denken in geld in de haarvaten van haar economisch systeem zit en waar een instrumentarium voor alternatieve transactiesystemen nog ontbreekt.

Hybride bankieren

Hybride bankieren maakt het mogelijk op basis van verschillende soorten waarde-eenheden transacties met elkaar te doen, waarbij deze waarde-eenheden ook onderling geruild kunnen worden. In het project Hybride Bankieren (HB), opgezet vanuit de Nijmegen School of Management, proberen we uit te zoeken hoe dat zou kunnen werken. Een wetenschappelijke poging om buiten het gangbare systeem en de daarbij behorende alternatieve paden te denken. De term ‘hybride’ staat voor het vermengen van ongelijksoortige zaken. Bij Hybride Bankieren betekent dit, dat je verschillende mogelijkheden hebt om een doel – een transactie – te bereiken, waarbij je deze verschillende mogelijkheden naast elkaar laat bestaan en op elkaar afstemt.

Geld geen exclusief transactiemiddel

We leven in een tijd van een grote maatschappelijke transities ook op het gebied van bankieren. Terug naar de oude economie is geen optie. Dus moeten we op zoek gaan naar een andere, circulaire inrichting van de economie met nieuwe business modellen. Deze transitie vraagt om een kritische en fundamentele beschouwing over de rol en waarde van geld. Niet om een discussie aan te zwengelen over complementair geld, dat door private partijen wordt geschapen en naast het wettige betaalmiddel circuleert, noch over digitale munteenheden (crypto-currencies). Nee, gewoon een oplossing dichter bij huis zoeken, in de praktijk van ons eigen dagelijkse leven. Kunnen we een waardesysteem bedenken waarbinnen we tegelijkertijd en naast elkaar, kunnen betalen met tijd, afval, zelfopgewekte energie etc. en pas als het echt nodig is met traditioneel geld? Dus niet langer door eerst alles in euro’s uit te drukken (monetariseren). Die vraag proberen te beantwoorden leidt tot een zoektocht naar de voorwaarden, bouwstenen en spelregels voor een systeem Hybride Bankieren.
Verzet burger grootschalige systemen

Jan JonkerOnze huidige economie is heel kwetsbaar geworden. Maatschappelijk-organisatorische systemen die in de afgelopen eeuwen zijn ontwikkeld, lijken letterlijk niet meer van deze tijd. Steeds vaker lopen we tegen hun grenzen aan. Dat uit zich in diverse economische crises, uitsluiting van mensen en ecologische kaalslag. De onderliggende oorzaak is een te ‘enge’, te beperkte visie op groei die uitsluitend rust op financieel-economische argumenten. Een geld-gedreven economie die gebaseerd is op de illusie van greep-houden-op en de maakbaarheid ervan door managers. In werkelijkheid is van echte controle op het maatschappelijke systeem geen sprake. Kijk naar de malaise in de economie, de gezondheidszorg of het bankwezen. Net zoals een woudreus die van binnenuit aangevreten wordt door termieten opeens kan omvallen, zo lijkt hetzelfde met onze huidige systemen te gebeuren. Het is volgens mij daarom niet verwonderlijk dat er een steeds luidere roep om transitie, om verbouwing van systemen op steeds meer terreinen zoals zorg, beleid, onderwijs, bankieren, mobiliteit en energie. Grootschalige systemen, waarin de kloof tussen aanbieder en wij als patiënt, consument, leerling of student een groeiende weerstand oproept.

Wat je nu ziet is dat het ritselt in de maatschappij van nieuwe oplossingen, kansen, projecten, experimenten en alternatieve organisatie- en businessmodellen. In de rafelranden van de oude economie werken allerlei mensen hard aan het realiseren van een veerkrachtige, duurzame, inclusieve en circulaire economie – ook al weet niemand wat dat precies betekent. Die over elkaar heen buitelende opbouwende ontwikkelingen zijn op zichzelf niet voldoende om de nieuwe economie te realiseren. De kunst is om deze nieuwe mogelijkheden te vertalen in organisatie- en transactiemodellen, die recht doen aan de kansen die deze innovaties bieden. Die deze ondersteunen. Want de innovatieve ideeën die aan de keukentafel of op de zolderkamer bedacht worden, komen van mensen die vaak níet de beschikking hebben over gebouwen, machines, grond of geld. Het moet dus echt anders, maar hoe?

Betalen in tijd, afval, energie

Een fundamentele vraag die dan opdoemt, is wat waarde bij deze ontwikkelingen betekent. Welke rol speelt waarde in transacties? Onze samenleving bestaat immers uit een niet aflatende stroom van alledaagse grotere en kleinere transacties die we samen ‘economie’ noemen. Het meest gangbare middel bij transacties is het traditionele geld. Maar een blind vertrouwen in geld als enige ruilmiddel heeft de afgelopen jaren laten zien, dat dat een kwetsbaar sociaaleconomische systeem oplevert. Daarnaast sluit alleen werken met geld als transactiemiddel mensen uit van maatschappelijke deelname, domweg omdat ze geen geld hebben. Moeten we daarom niet veel fundamenteler met elkaar naar de uitwisseling van waarde kijken? Is het mogelijk afscheid te nemen van geld als exclusief transactiemiddel en unieke eenheid om ‘waarde’ uit te drukken en tóch transacties te laten plaatsvinden?

Spelregels HB

Inmiddels hebben we aan de Nijmegen School of Management nu zo’n anderhalf jaar onderzoek gedaan. Dat heeft inzicht opgeleverd in de bouwstenen van een HB-systeem. Het onderzoek concentreerde zich dit voorjaar op de spelregels en hoe deze in de praktijk ontstaan. Ze vormen een waardevolle aanzet om er verder over na te denken en te onderzoeken. Gaandeweg het onderzoeksproject werd steeds duidelijker dat succes van HB afhangt van de context. Er spelen minstens drie fundamentele kwesties een rol: de confrontatie met gevestigde belangen, het feit dat denken in geld in de haarvaten van ons economisch denken zit en het ontbreken van een instrumentarium voor alternatieve transactiesystemen. Het onderzoek laat zien wat echt anders denken over geld inhoudt. Het is pas een begin. De confrontatie met de (be)staande werkelijkheid zal nog voor ‘schurende’ ontmoetingen zorgen.

De Grote Transitie: Manifest voor een duurzame en solidaire economie

Overgenomen van “De Grote Transitie”
Bestaanszekerheid en genoeg banen door werk te verdelen. 100% duurzame energie. Schone productieprocessen die slim en zuinig omgaan met schaarse grondstoffen. Een lokale democratie waarbij mensen weer centraal staan. We hebben alles in huis om dit te verwezenlijken: de juiste kennis en technologieën, het geld, de instrumenten en de organisatiekracht. Wat houdt ons dan nog tegen?

Dat zijn vooral bestaande belangen en machten die krampachtig vasthouden aan hun positie en aan een economie gefixeerd op groei. Met zo min mogelijk regels en zoveel mogelijk winst door een zo laag mogelijke kostprijs. Sociale en ecologische kosten worden op de gemeenschap afgewenteld waardoor hele samenlevingen ontwricht raken en we een onleefbare wereld achterlaten.

Dat laten we zo niet doorgaan. We gaan de economie met mens en milieu in evenwicht brengen. De aantasting van het milieu ondergraaft de basis van het menselijk leven. Doordat de gevolgen daarvan meestal veel later voelbaar worden en dan grotendeels onomkeerbaar zijn, is de urgentie om nu maatregelen te nemen bijzonder groot.

Mens- en natuurwaarden
De visie achter De Grote Transitie gaat uit van kwaliteit en van welzijn, niet van alsmaar meer willen hebben. In deze visie staan mens- en natuurwaarden boven financiële waarden; geld is slechts een middel. Er is nu eenmaal veel meer van waarde dan we in geld kunnen uitdrukken. Daarom kiezen we voor een economie die binnen de grenzen van het milieu blijft en die niet van groei afhankelijk is. Een circulaire en regionale economie, waardoor we voor basisbehoeften als voedsel, energie en grondstoffen minder afhankelijk worden van een oncontroleerbare wereldmarkt. Een economie van eerlijk delen van kennis, werk en inkomen. Kortom, we kiezen voor een economie die in dienst staat van mensen en niet van munten.

Daarvoor zijn actieve burgers nodig die hun verantwoordelijkheid nemen. Burgers die samenwerken en in hun eigen leefomgeving, als consument, als klant van een bank en door hun levensstijl laten zien dat het anders kan. Die politici erop aanspreken om hún verantwoordelijkheid te nemen. Burgers kunnen veel in gang zetten, maar als de politiek niet meewerkt komen we niet uit de sociale en ecologische misère. We hebben politieke leiders nodig die macht op de markt terugveroveren en de invloed van (grote) bedrijven beperken. Leiders die het dogma van economische groei als doel op zich achter zich laten. Leiders die inzien hoe de ecologische crisis de bestaansgrond onder onze voeten wegslaat en die crisis bij zijn wortels durven aan te pakken.

Balans met de Aarde
De dwang om economisch alsmaar te groeien, een beperkt begrip van wat echte welvaart is; het zijn dezelfde krachten die achter de aanhoudende economische, sociale en ecologische problemen schuilgaan. Door die verwevenheid kunnen die problemen alleen in samenhang met elkaar worden aangepakt. Zo kan een ontspannen samenleving niet worden bereikt zonder herverdeling van werk en dat is alleen mogelijk als belasting verschuift: minder op arbeid, meer op vervuiling, gebruik van grondstoffen, winst en vermogen. Daardoor wordt de energietransitie vanzelf aantrekkelijker en komt ook de circulaire economie in zicht. Alleen als de economie weer in balans is met de Aarde, dienstbaar wordt aan de samenleving en de ongelijkheid afneemt, kan vertrouwen het winnen van de angst voor verandering. Platform Duurzame en Solidaire Economie laat zien welke tien veranderingen mogelijk én noodzakelijk zijn om die Grote Transitie tot stand te brengen. Als we daar allemaal aan bijdragen, dan komt die transitie er!

We zijn ons ervan bewust dat we in een geglobaliseerde wereld leven met sterke onderlinge afhankelijkheden. Die kunnen we ook vóór ons laten werken door nu met elkaar aan te pakken wat we in en vanuit Nederland en Europa kunnen doen. Zo laten we zien hoe we overal ter wereld kunnen werken aan een goed leven voor iedereen.

Het klein verzet: de wereld na het kapitalisme

door Evelien Verstraeten

Eerst verschenen in De Wereld Morgen op 20 mei 2015

Wat als we met z’n allen beslissen dat niet de economie ons bepaalt, maar dat wij de economie zijn? Vorig jaar reisde journaliste Tine Hens door Europa, op zoek naar een antwoord op die vraag. Denen, Grieken, Britten of Portugezen, allemaal vertelden ze over een alternatieve economie, een nieuwe democratie en hun ‘klein verzet’. Dat is ook meteen de titel van Hens’ nieuwe boek dat vandaag verschijnt. DeWereldMorgen.be had een gesprek met de auteur.

Tine Hens (40) is historica en werkt als freelance journaliste voor Knack Focus. We spreken af in het Openbaar Entrepot voor de Kunsten (OPEK) in Leuven, waar ze volgende week haar tweede boekvoorstelling van Het klein verzet geeft. “Spannend”, lacht ze, toch wel wat zenuwachtig.

Haar enthousiasme is groot en net daarin schuilt haar boodschap. Als tiener was ze lid van de Jeugdbond voor Natuur en Milieu, maar daar heerste moedeloosheid: “We voerden actie, maar na een tijd geloofden we niet meer dat we iets konden veranderen. Er was altijd weer een ander probleem dat om aandacht schreeuwde.”

Breken met neerslachtigheid

Hens wil breken met de neerslachtigheid in de maatschappij: “Ook vandaag worden we ontmoedigd om te dromen en te geloven dat het beter of anders kan. ‘Er is geen alternatief’, klinkt het. Ik wil mensen net het gevoel geven van: ‘We kunnen het allemaal!’ Misschien ga je het resultaat van datgene waar je mee bezig bent niet merken, maar je moet het ook niet onmiddellijk groots zien. Als je alleen naar het grote doel in de verte kijkt, dan kan je niet anders dan ontgoocheld afhaken. Iets doen is belangrijker dan niets proberen. Hoe klein die daden ook zijn. Dat is wat ik wil vertellen, dat is mijn klein verzet.”

Groeigedachte loslaten

Op je reis door Europa bezocht je burgerinitiatieven die ingaan tegen het gangbare economische denken. Geloof je echt dat klein verzet een nieuwe wereld kan openen?

“We gaan er altijd vanuit dat grote veranderingen grote daden nodig hebben. Maar als je kijkt naar revoluties en evoluties in de geschiedenis, dan zijn de details minstens even belangrijk. Klein verzet gaat over die details. Bijvoorbeeld je fiets nemen in plaats van je auto, een ladder lenen in plaats van er een te kopen of gewoon je aardappelboer leren kennen. Zulke kleine handelingen en keuzes gaan in tegen het mainstream economisch denken.”

“Als je het hedendaagse discours mag geloven, is er maar één mogelijke werkelijkheid: die waarin economische groei allesbepalend is. Toch ben ik er sterk van overtuigd dat het bevrijdend is om die groeigedachte los te laten. We moeten niet voor méér gaan, maar voor beter.”

Langs de andere kant heeft die groeigedachte ons wel heel veel welvaart opgeleverd.

“De vraag is: welke prijs hebben we daarvoor betaald? Niet alleen hier in het Westen, maar zeker in het Zuiden. Het kapitalisme heeft veel kapot gemaakt. Denk maar aan de ecologische parameters die in het rood schieten. Maar er zijn bijvoorbeeld ook nog nooit zo veel burn-outs geweest. Dat zijn elementen die erop wijzen dat het huidige systeem op zijn einde loopt. In plaats van daaraan te sleutelen is het misschien interessanter om met iets anders te beginnen.”

“Er zijn al verschillende modellen voorhanden die een alternatief bieden op het kapitalisme. Dat gaat dan over de economie van ‘het goede leven’, waarbij de focus minder ligt op het egoïsme in ieder van ons en meer op samenwerken en delen van kennis en spullen. Mensen hebben er nood aan om samen te komen. Als je die krachten als basis van de economie neemt, dan krijg je een heel werkbaar, inclusief model. Die burgereconomie groeit van onderuit en is erg laagdrempelig. Iedereen kan deelnemen op zijn manier en de centrale vraag is: ‘Wat kunnen wij allemaal?’ Soms zijn dat stomme dingen zoals een fiets herstellen, maar net dat is verrijkend. Misschien is dat naïef, dromerig of utopisch. Maar ik ben een fan van utopieën.”

Burgerbewegingen

Enkele van die utopieën heb je in Griekenland gezien. In Thessaloniki beslisten de burgers bijvoorbeeld om het heft zelf in handen te nemen.

“Dat gebeurde daar uit pure noodzaak, want de crisis hakte er zo diep in dat veel mensen uit de boot vielen. Aan het begin van de crisis had je bijvoorbeeld de aardappelbeweging. De bedoeling was dat de boeren hun producten rechtstreeks aan de consument verkochten. Ik wilde een van hun marktjes bezoeken, maar er was een wet uitgevaardigd die het pop-up idee van een boerenmarkt verbood.”

“Als antwoord, en dat is waarnaar ik op zoek ben gegaan, hebben een aantal professoren uit Thessaloniki een coöperatieve supermarkt opgericht. Daarmee geven ze de boeren een officiële plek om hun producten aan te bieden. De kracht en de vindingrijkheid van al die mensen heeft me dikwijls ontroerd.”

“Thessaloniki is een stad van beton en asfalt, je hebt er nauwelijks groen. Maar dan heb je Perka, een burgercollectief dat verlaten militaire domeinen tot groententuinen omtovert. Dat waren verharde, onbruikbare terreinen, maar toch hebben een aantal burgers doorgezet en zijn ze stenen uit de grond beginnen te halen. Nu kweken ze er hun eigen tomaten en aubergines en bewaren ze er hun eigen zaden.”

Voedsel als begin

Bij het lezen van je boek viel het me op dat alles bij voedsel begint. De moestuinen rond het oude Crystal Palace in Londen, de supermarkt in Thessaloniki. Stopt het verhaal daar of gaat het nog verder?

“Het is een domino-effect. Vaak begint het bij eten en deint het verder uit naar bijvoorbeeld een grasmachine delen. Dat kan met je buurman, maar ook via websites als peerby. Vervolgens zijn er mensen die zelf hun elektriciteitsproductie in handen nemen.”

“In Hamburg bijvoorbeeld hopen een aantal bewoners van de Altonawijk een oude bunker om te bouwen tot een energiecentrale. Daarnaast willen ze aan de andere kant van de bunker een centrum voor een nieuwe economie bouwen, met ruilinitiatieven en herstelateliers. Het project is er nog lang niet en het is ook niet zeker of het er ooit zal komen. Maar er is rond die grote, lelijke bunker een dynamiek ontstaan. Mensen komen er samen, leren elkaar kennen en wisselen nu al spullen, talenten of kennis uit.”

Zulke initiatieven ontstaan dus niet alleen in Zuid- Europa. Ik zag dat jullie in de gemeente waar je woont ook een repair café organiseren en een geefwinkel hebben geopend.

“Het zijn initiatieven van Transitie Herent, een groepje burgers dat een praktisch antwoord probeert te vinden op de klimaatopwarming en op het besef dat de overgebleven fossiele brandstoffen maar beter in de grond blijven. De nadruk ligt daarbij op kleine acties in de buurt en de lokale economie. Dankzij die acties leer je mensen op een andere manier kennen. De geefwinkel is zo’n plek van ontmoetingen van verschillende sociale lagen, die elkaar in onze samenleving niet vaak meer ontmoeten.”

Onzichtbaar maar overal aanwezig

Je schrijft dat je thuis kwam van je reis met nieuwe moed en frisse ideeën, maar dat de resultaten van de federale verkiezingen een heel ander beeld opwierpen. Zijn het dan niet slechts een paar enkelingen die alternatieve paden willen bewandelen?

“Het is soms niet zichtbaar, maar het zit overal wel een beetje. Ik zag op een bepaald moment mijn omgeving veranderen. Mensen die voordien helemaal niet met ecologie bezig waren, vonden plots dat het zo niet verder kon. Er is een veelheid aan projecten en initiatieven van mensen die het anders willen doen. Ik was verbaasd en blij verrast om dat ook in de rest van Europa te zien.”

“Er ontstaan enerzijds kleinschalige burgerinitiatieven rond voedsel en energie, maar je vindt ook mensen die een hele industrietak willen hertekenen. De Nederlandse architect Thomas Rau bijvoorbeeld zit in de reguliere economische omgeving, maar van daaruit beïnvloedt hij zijn leveranciers. Zo vraagt hij geen lampen aan Philips, maar licht. Rau huurt de lampen, maar Philips blijft verantwoordelijk voor zijn product. De producent heeft er dan ook alles bij te winnen om zijn product zo te maken dat het volledig hergebruikt kan worden. Op die manier probeert Rau de circulaire economie te versterken.”

Meer informatie over Het klein verzet en de boekvoorstellingen vindt u op de website van uitgeverij EPO.

Evelien Verstraeten

Spaans alternatief breekt overmacht PSOE en PP

Overgenomen uit De Wereld Morgen (gepubliceerd op 25 mei)

door Lode Van Oost

De Spanjaarden gingen op 24 mei naar de stembus in 13 van de 17 regio’s en in 8000 steden en gemeenten. De twee traditionele partijen PSOE (sociaaldemocraten) en PP (conservatieven) verliezen overal waar nieuwe progressieve lijsten hen uitdagen.

Na het onverwachte electorale succes van de amper enkele maanden eerder opgerichte partij Podemos (‘Wij kunnen’) bij de Europese verkiezingen van 28 mei 2014 (acht procent), werd nu vooral uitgekeken naar hun resultaat.

Podemos nam echter niet overal deel aan deze verkiezingen en waar de lijst wel deelnam was dat meestal in een samenwerkingsverband met andere linkse partijen en organisaties. Het ziet er naar uit dat overal waar de partij opkomt de prognoses worden bevestigd.

De partij onder leiding van charismatisch leider Pablo Iglesias heeft nog een lange weg te gaan om in het hele land voet aan de grond te krijgen. Deze regionale en gemeentelijke verkiezingen waren wel een belangrijke test voor de komende Spaanse parlementsverkiezingen. De exacte datum is nog niet vastgelegd, maar volgens de grondwet is de uiterste datum 20 december 2015. In de aanloop naar de verkiezingen werd Podemos zwaar aangevallen met een lastercampagne over vermeende corruptie, interne ruzies en ‘banden met het regime in Venezuela’.

De kieswetgeving in Spanje laat Spanjaarden, ook die met dubbele nationaliteit, toe om deel te nemen aan alle verkiezingen (mits aan een aantal registratievoorwaarden wordt voldaan). Podemos heeft in meerdere landen een campagne op touw gezet om Spanjaarden aan te zetten zich alsnog te registreren op de Spaanse ambassade van hun land, met succes. Ook in België. Podemos Bélgica organiseerde samen met Izquierda Unida (‘verenigd links’) een verkiezingsavond in het Cultureel Centrum Garcia Lorca1 in Brussel.

“Heel wat jongeren hebben besloten zich te registreren en zijn gaan stemmen op het consulaat in Brussel, vorige woensdag, donderdag en vrijdag. Maar ook heel wat oudere Spanjaarden zijn terug gaan stemmen. Het gaat vaak over mensen die vroeger nooit politiek actief waren,” aldus José Luis, 63 en Podemos-sympathisant van het eerste uur. Hij is zelfstandig ondernemer in Brussel. Ooit vluchtten zijn ouders hierheen voor de dictatuur.

De meeste aanwezigen op de verkiezingsavond drukken hun hoop ui op verandering. Vooral het systeem van de twee traditionele partijen, die sinds de afschaffing van de dictatuur in 1975 met elkaar de macht wisselen, de sociaaldemocratische PSOE en de conservatieve partij PP, krijgen zware kritiek.

“PP en PSOE staan op een paar accentverschillen voor hetzelfde anti-sociale beleid. De mensen willen de huidige regering van de PP niet, maar willen evenmin een terugkeer van de huidige oppositie van de PSOE. Die staan voor hetzelfde inleveringsbeleid ten voordele van de elite, van de banken, en voor de afbraak van de sociale welvaartsstaat.” aldus Jesus, een 43-jarige ambtenaar bij de Europese Commissie. “Ik ben contractueel, niet vast benoemd,” benadrukt hij.

“Ik wil vooral een einde aan de corruptie van het hele politieke apparaat”, zegt Imma. Zij is 62 en vervroegd met pensioen wegens een opgelopen handicap. “Ik ben al jaren Belg maar voel me nog steeds betrokken met wat in mijn vaderland gebeurt. Ik hoop echt dat er nu verandering komt.”

José Luis: “De huidige en de vorige regeringen hebben een sociaal bloedbad aangericht in Spanje. Ik dacht tot voor kort nog dat ik me nooit meer betrokken zou voelen bij wat in Spanje gebeurt. Podemos is een nieuw verschijnsel in het vastgeroeste tweepartijensysteem. Het zijn de jongeren die het verschil zullen maken. Ook ik ben nu voor het eerst gaan stemmen.”

Ook Adrián, een 27-jarig medewerker van een ngo-netwerk in Brussel voor Centraal-Amerika, en Marta, 28, die op bezoek is uit haar stad Burgos, hopen op die verandering: “In veel gemeentes zal voor het eerst in tientallen jaren geen van beide grote partijen alleen kunnen regeren. Dat is nieuw en biedt kansen op verandering.”

De meeste toehoorders zijn realistisch over de verwachte resultaten. Araceli, een 48-jarige professor Frans in Brussel, en de 52-jarige technicus Eduardo uit Bergen, vonden het belangrijk om samen te komen om de verkiezingsresultaten op te volgen: “Wij blijven betrokken bij Spanje. Vooral in Galicia is het heel erg. De armoede is overal. Mensen verliezen daar al hun sociale rechten. De zelfmoordcijfers in Spanje zijn fenomenaal, duizenden meer dan andere jaren. Mensen stellen de aankoop van geneesmiddelen uit tot ze op de spoed belanden en het vaak te laat is.”

Zullen de leugens die de voorbije weken massaal werden verspreid geen impact hebben op de kiezers? José Luis denkt dat het twee kanten op kan: “Geïnformeerde mensen hebben de gedetailleerde weerleggingen van Podemos zelf wel gevonden op internet. Veel mensen hebben echter alleen de geruchten gehoord of gelezen en niet de rechtzetting op de achterpagina’s van de kranten. Zullen zij hun stem uitbrengen? Tot 60 procent van de kiezers gaat vaak niet stemmen. Het zijn net de armsten die zo gedesillusioneerd zijn dat ze de moeite niet doen. Ze weten vaak alleen wat de grote commerciële zenders en kranten beweren.”

Marc, 35, Fatima, 30 en Borja, 35, hopen vooral op goede resultaten in de gemeentelijke verkiezingen van de hoofdstad Madrid en in Barelona. “Daar hebben sterke alternatieve kandidaten samen met Podemos en andere linkse bewegingen stevig campagne gevoerd. Het ziet er naar uit dat de bestaande meerderheden in beide steden zullen gebroken worden.”

Rond 21 uur beginnen de eerste voorlopige resultaten binnen te sijpelen op twee grote schermen. De eerste prognoses zijn veelbelovend. De alternatieve lijsten doen het overal goed. Later op de avond worden die eerste prognoses bevestigd. De nieuwe lijst Ahora Madrid (‘Madrid nu’) onder leiding van Manuela Carmena kan samen met de PSOE een meerderheid vormen in de gemeenteraad van de hoofdstad en de PP naar de oppositie verwijzen. De PP verliest maar liefst de helft van zijn kiezers.

Adau Colau haalt met haar nieuwe lijst Barcelona En Comú (Barcelona Samen, in het Catalaans) 25 procent van de stemmen. In Valencia, de tweede grootste stad van Spanje, verliezen de conservatieven van de PP voor het eerst in 24 jaar hun meerderheid. De nieuwe lijst Compromis behaalt 9 zetels, slechts één minder dan de PP. Ook in andere grote steden, zoals Sevilla en Zaragoza, betreden nieuwe progressieve lijsten voor het eerst de gemeenteraden.

Pablo Iglesias, leider van Podemos, noemt het de slechtste uitslag van de twee traditionele partijen PSOE en PP “in hun volledige geschiedenis”. “Niets zal voortaan nog hetzelfde zijn”, meldt hij in een interview met de Latijns-Amerikaanse zender TeleSur.

Heel wat toehoorders op de verkiezingsmeeting in Brussel bekritiseren ook de Spaanse media. Die hebben de voorbije weken openlijk kant gekozen voor de twee grote partijen. Eduardo en Araceli bevestigen: “Het was een zeer negatieve moddercampagne. Datt bewijst dat er paniek heerst in de rangen van de gevestigde machten. Die willen doorgaan met het neoliberale inleveringsbeleid. Deze electorale verschuiving is een reactie op dat beleid.”

1 Federico del Sagrado Corazón de Jesús García Lorca (1898 – 1936) was een populair dichter en theaterdirecteur. In 1936 werd hij tijdens de burgeroorlog geëxecuteerd door fascistisch dictator Franco .

Alles over Nieuw links in Europa

Labo voor een andere wereld: De Broeikas

De Broeikas wil een laboratorium zijn voor een andere wereld. Een wereld waarin het hart klopt op een duurzame manier. In the picture staan sociaal-groene experimenten. Experimenteren is zoeken, leren door vallen en opstaan. De Broeikas zal dus een ruimte zijn waar nieuwe coalities welkom zijn. Jonge kiemen, gewaagde ideeën. Projecten die niet altijd de nodige ademruimte krijgen in onze snelle samenleving. Tegenstrooms willen we dan ook varen. Om zo te komen tot vertraging, verstilling en verdieping. Essentiële stapstenen in de weg naar die andere wereld toe.

Een hele waaier aan activiteiten vonden reeds plaats onder ons dak. Concertjes, creakampjes voor kinderen omtrent grafiek en textiel, kampeerweken voor vrienden en buurtbewoners, kampvuurkringen, voetbalwedstrijden op groot scherm, rondleidingen rond ecologisch verbouwen, opendeurdagen rond samenhuizen,… En binnenkort ook thuisplatform voor het Neervelpse voedselteam dat hier in de lente van start gaat. Vanalles wat, en toch te vatten onder 1 gemeenschappelijke noemer!

Het doel is om met een ploeg van 20 mensen toe te werken naar ’t Broeiweekend. Dat is een campagneweekend dat doorgaat op zaterdag 26 september 2015 en zondag 27 september 2015. Wil je graag een bijdrage leveren dan kan dit simpelweg door een schenking te doen via het rekeningnummer van ‘De Broeikas’ BE88 7450 5594 6841, BIC-code KREDBEBB, met de vermelding ‘steun oprichting’.

Meer informatie vind je hier

Een nieuw verhaal voor links

eerst gepubliceerd in de Wereld Morgen

Links heeft een nieuw, optimistisch verhaal nodig. Het oude werkt niet meer. Welbeschouwd speelt de arbeidersbeweging al minstens drie decennia in verdediging. Met dit defensieve spel verliest ze de ene match na de andere. Als het roer niet snel wordt omgegooid, dreigt de degradatie, of erger. Een heroriëntatie naar nieuwe burgerinitiatieven en -bewegingen dringt zich op.

Het blijft nog wachten op de slaagkansen van de hervormingen in Griekenland en het effect ervan op de rest van Europa, maar tot nu toe is sociale afbraak overal de boodschap. Vaste jobs worden schaarser, studeren duurder, de ongelijkheid neemt toe, solidariteitsmechanismen gaan op de schop, de natuur gaat om zeep en het klimaat slaat op hol.

En er zijn geen sociale zekerheden meer. Leuke tijd om in op te groeien. Jongeren krijgen een negatief sociaal contract aangeboden, en velen concluderen dat de vorige generatie alles heeft opgebrast. Soylent Green, een sciencefictionfilm uit de begin jaren zeventig waarin 65-plussers tot groene koekjes worden verwerkt, komt achter het hoekje gluren.

Destructieve creatie

De creatieve destructie van Schumpeter heeft plaats geruimd voor destructieve creatie. Binnen twintig jaar zullen robots tot 50% van de huidige jobs in België hebben overgenomen. Op zich een leuk vooruitzicht, ware het niet dat alle winst naar de eigenaars van de robotten gaat. Met de automatisering kalft het salariaat zienderogen af. Het vaste arbeidscontract moet wijken voor precaire statuten van freelancers en zzp-ers (zelfstandigen zonder personeel), vandaag al goed voor een derde (tegen 2020 de helft) van de Amerikaanse werkers.

In Nederland, altijd een stapje “voorop”, is dit al een op vier. Velen vinden hun autonomie een pluspunt, maar ze hossen wel zonder sociale bescherming van de ene tijdelijke opdracht naar de andere. Permanent. Ze vallen naast het sociale vangnet van de overheid en kunnen een privéverzekering niet betalen Daarom vonden ze de broodfondsen uit, solidariteitsfondsen van ongeveer 150 man die maandelijks 25 euro in een pot leggen en bij ziekte een uitkering krijgen van 750 euro. Het is de hergeboorte van de negentiende-eeuwse mutualiteiten.

Klusjes en bullshit jobs

Daarnaast groeit het leger dat met de eigen auto taxichauffeur speelt voor Uber, een kamer op overschot verhuurt via Airbnb of (bij)klust voor een habbekrats via Taskrabbit of Mechanical Turk. Denk niet dat het gaat om onkruid wieden of de hond uitlaten: in de VS heb je al platforms voor dokters (Health Tap) en advocaten (Upcounsel).

Voor velen bieden deze platforms nog altijd een leuke bijverdienste, maar steeds meer mensen worden ervan afhankelijk om te overleven. Oorspronkelijk hadden veel platforms een sociale doelstelling: delen tegen kostprijs of zelfs gratis. Maar ze worden zienderogen gekaapt door beleggers die alleen maar uit zijn op financieel gewin. Met hun geld breiden de platforms uit en worden ze professioneler, maar de sociale logica moet wijken voor de winstlogica.

Durfkapitalisten (ze hebben hun naam niet gestolen) hebben een flink deel van de ontluikende deeleconomie gekaapt. De term had oorspronkelijk vooral betrekking op het delen (sharing) van gemeenschappelijke dingen (auto’s, boren, tuinen..) wat zowel het milieu als het sociale weefsel ten goede komt. Gelukkig bestaan er nog altijd heel wat deelplatformen waar de nadruk blijft liggen op dat laatste.

Maar dat geldt al lang niet meer voor de Airbnb’s en Ubers van deze wereld. Airbnb investeert niet in hotels, Uber niet in taxi’s. Het zijn slechts platforms die vraag en aanbod samenbrengen, maar wel met een steeds groter stuk van de koek gaan lopen. Voor jonge mensen die af en toe hun appartement verhuren aan toeristen (en dan tijdelijk bij hun ouders of vrienden logeren), biedt Airbnb een mooi extraatje. Maar als je voor je hele inkomen afhankelijk bent van dergelijke platforms, krijg je al gauw een moderne vorm van feodalisme. “Vazaleconomie” zou misschien een beter woord zijn. Op de keper beschouwd, hebben we hier te maken met een parasitair systeem van de ergste soort.

Basisinkomen

Vandaag verdien je vooral geld met geld (rente), eigendom (aandelen en obligaties) en controle over netwerken via intellectueel eigendom en marketing. Immateriële zaken dus, waarvan de waarde eigenlijk “politiek” bepaald wordt. Volgens Roland Duchatelet is in België maar 7% van de bevolking meer betrokken bij de productie van voedsel en materiële goederen. De rest zijn diensten, vaak verpakt in wat de Amerikaanse antropoloog en anarchist David Graeber “bullshit jobs” noemt: banen waarvan de betrokkenen zelf vinden dat ze eigenlijk overbodig zijn. Winsten vallen steeds minder te rapen in de productie, die grotendeels naar het zuiden is verhuist waar arbeid in overvoed en dus goedkoop is.

Onlangs kwam Rutger Bregman daarover vertellen in Reyers Laat. De Nederlandse golden boy verdedigde er op speelse wijze een andere visie op arbeid die hij koppelde aan een onvoorwaardelijk basisinkomen. Zijn standpunt botste op ongeloof bij een oogbolrollende Liesbeth Homans die zich – mondhoeken richting studiovloer – afvroeg wie dit ging betalen. Rutger Bregman repliceerde gevat dat de minister er negentiende-eeuwse opvattingen op nahield. In onze samenleving bestaan andere herverdelingsmechanismen dan via de overheid.

Er stroomt inderdaad heel wat geld naar boven, naar mensen met “bullshitjobs” die in wezen geen bijdrage leveren tot de reële economie en zelfs welvaart vernietigen. Spreekt er eigenlijk nog iemand over de bankencrisis? Nee, natuurlijk niet. De Islam, ja. En 60-plussers die op hun gat in Benidorm profiteren. Activeren dat zootje!

Rutger Bregman noemt zich liberaal in hart en nieren. Hij gelooft in meritocratie en vindt dat mensen moeten bijdragen voor hun geld. Een basisinkomen is daar niet mee in contradictie omdat dit juist de mogelijkheid biedt om te doen wat je graag doet en waar je het best in bent. Iedereen profiteert daarbij, de maatschappij al zeker. Mensen met minder prettige en zware beroepen zouden juist meer moeten verdienen. Daar kan “de wortel en de stok” nog spelen. Allemaal interessante denkpistes waar ik het in de grond mee eens ben. Alleen hebben we een transitieprogramma nodig dat steunt op een nieuw paradigma, want binnen het oude zie ik het niet gebeuren.

Peer-productie en het gemeengoed

We moeten inderdaad anders gaan aankijken tegen arbeid, maar hoe? Welk werk bedoelen we? Spreken we over loonarbeid, of nuttige bijdragen aan gemeengoed projecten, die tot nu toe meestal onbetaald blijven? Hoe komen we tot een systeem waarin mensen meer beloond worden naar werk (en minder naar bezit), maar met sterke ingebouwde solidariteitsmechanismen die de zwakkeren de nodige bescherming bieden? We bevinden ons immers voor de volgende paradox.

Onze welvaartsstaat steunt op solidariteitsmechanismen die werden uitgevonden, uitgebouwd en uiteindelijk via de staat veralgemeend door de arbeidersbeweging (mutualiteiten, pensioenkassen, werkloosheidskassen). Overal in Europa wordt dit stelsel afgebouwd. Maar dit is maar één zijde van de medaille. De andere blijft tot nu toe onderbelicht.

In de afgelopen twintig jaar zijn we immers ook getuige van een nieuw ontluikend economisch systeem dat een andere logica volgt. Dit systeem wordt aangedreven door het internet dat horizontale communicatie en collaboratie mogelijk maakt tegen zeer lage kostprijs. Daardoor kunnen steeds meer zaken beter en goedkoper geregeld worden via samenwerkingsplatformen dan via traditionele organisaties. Burgers bouwen samen software, kennis en ontwerpen.

Met meer dan 30.000 open-hardwareprojecten, van auto’s over landbouwmachines tot robotten en satellieten zien we dat de logica van delen en produceren via het internet zich ook doorzet in het productieproces. Na de miniaturisering van de computer zijn vandaag de machines aan de beurt. Het delen en kopiëren van digitale muziek, software, film, design, kennis… op het internet vloeit over naar het delen van infrastructuur in fablabs, co-working-, hackers- en makerspaces.

Helaas bestaan er nog geen uitgewerkte studies om al die nieuwe ontwikkelingen in kaart te brengen, maar in Barcelona groeide het aantal co-workingspaces van 3 naar 50 in drie jaar tijd, in Wenen was er drie jaar geleden één hackerspace, vandaag zijn er vijftien, in de VS groeide stadslandbouw door (hoofdzakelijk) collectieve groepen met 48% in twee jaar tijd… De laatste tien jaar groeit het aantal burgerinitiatieven als kool, zoals te zien is in een recente studie van Tine de Moor. Ook de coöperatieve beweging zit in de lift: vandaag werken meer mensen voor coöperatieven dan voor multinationals.

Naar een nieuw model rond de commons

Maar de belangrijkste revolutionaire verandering is volgens mij de opkomst van digitaal gemeengoed: globale, complexe projecten rond open kennis, software en design, die voor iedereen vrij beschikbaar is. Rond dit nieuw gemeengoed groeit een nieuwe economie van freelancers en allerhande bedrijven die deze “commons” als grondstof gebruiken voor het maken van producten en diensten met toegevoegde waarde.

Het gebruik van open software door bedrijven (denk aan IBM en Linux) is vrij bekend, maar nieuw is toch de snelle opkomst van allerhande open-hardwareprojecten. Het idee is eenvoudig: alles dat gemaakt wordt, moet eerst geconcipieerd worden. In klassieke bedrijven wordt die kennis beschermd door patenten. Die zijn bedoeld om innovatie te stimuleren omdat bedrijven hun onderzoekskosten willen recupereren. Maar in de praktijk zijn ze uitgegroeid tot innovatieremmers die patenthouders zolang mogelijk monopoliewinsten bezorgen.

Niet zo bij open hardware: iedereen kan de concepten verbeteren en iedereen kan ze downloaden. Met de nodige machines, eventueel gedeeld in een fablab, kan een doe-het-zelver het product zelf maken. Soms kan je een pakket onderdelen (vaak vervaardigd met 3D-printers) kopen en ze als een meubel van Ikea zelf ineen steken, of je kan het afgewerkte product kopen bij een open hardwarebedrijf. Deze laatste wint dan wel niks op het intellectueel eigendom, aangezien het ontwerp vrij beschikbaar is, maar wordt wel vergoed voor zijn arbeid. Loon naar werk dus.

Open-hardwarebedrijven zijn vaak starters die een klassieke bedrijfsvorm aannemen en voor hun financiering een beroep doen op crowdfunding en durfkapitalisten. Maar niets belet jonge ondernemers om een coöperatieve op te richten, een bedrijfsvorm die veel beter aansluit bij de praktijk van vrije bijdragen aan een gemeengoed en de deelcultuur in de virtuele wereld.

Als die productiecoöperatieven zich dan nog eens met elkaar zouden verbinden in een wereldwijd netwerk rond het open-designgemeengoed, dan krijg je een soort van gedistribueerde multinational die in staat is het klassieke model te verslaan omdat ze efficiënter en goedkoper kan werken. Als je ten slotte ook de boekhouding en aanvoerketen van die coöperatieven open en transparant maakt en alle stakeholders betrekt, dan kom je tot een nieuw economisch model dat zowel de markt als de klassieke planeconomie in de schaduw stelt.

In dit verhaal moet de overheid het geweer van schouder veranderen en evolueren van betuttelende marktstaat naar faciliterende partnerstaat: een overheid die burgerinitiatieven mogelijk maakt en stimuleert. Ook die evolutie is bezig, zij het vooral op plaatselijk vlak. Zo heeft Bologna onlangs een “reglement voor de commons” ingevoerd, die al door 25 andere gemeenten is overgenomen (Michel Bauwens en Dirk Holemans in Knack van 22/2/2015).

Burgers doen voorstellen aan de gemeente, bijvoorbeeld om hun wijk te verfraaien. Na overleg kan de gemeente middelen vrijmaken waarmee die burgers hun plannen zelf kunnen waarmaken. Dat vergt ook een ommekeer in het politieke denken, want de meeste politici willen zich vooral profileren rond wat zij doen voor de burger.

Utopisch? Misschien. Maar op microniveau wordt er al volop geëxperimenteerd en in theorie kunnen we ons vandaag voorstellen hoe dit model op macroniveau zou kunnen werken. Daarom kan het P2P-verhaal vandaag dezelfde rol spelen als het socialistisch verhaal in de negentiende eeuw. Ook toen waren er honderden en duizenden basisinitiatieven.

De arbeiders vochten niet alleen op hun werkplaats voor betere werkomstandigheden, maar creëerden ook machtige organisaties waarmee ze hun politieke stempel drukten op de twintigste eeuw. Maar hun macht kalft af. De productie is voor een groot deel verhuisd naar ontwikkelingslanden en hier proberen bedrijven de syndicale macht verder te breken, gisteren door outsourcing, vandaag door crowdsourcing.

Nieuw links

De erosie van de macht van de arbeidersbeweging weerspiegelt zich in een crisis van de sociaaldemocratie, die probeert afstand te nemen van de syndicale achterban om te kunnen verruimen (met bijzonder weinig succes), maar ook weinig aansluiting vindt bij de nieuwe bewegingen en de vele initiatieven die opborrelen vanuit de civiele maatschappij.

De nieuwe progressieve formaties in Griekenland en Spanje knopen daar wel bij aan. Het is zeer significant dat Gianni Dragasakis, de nieuwe vicepremier van de Syriza-regering in Griekenland, in zijn parlementstoespraak expliciet verwees naar het ontwikkelen van bottom-up, op gemeengoed gebaseerde peerproductiemodellen om tegemoet te komen aan de noden van de Griekse bevolking.

Dr. Vasilis Kostakis, medewerker van de P2P Foundation en samen met Michel Bauwens auteur van het boek Network Society and Future Scenarios for a Collaborative Economy, schrijft: “Het lijkt erop dat Syriza een politiek nastreeft die in de lijn ligt van het idee van de “partnerstaat” en dat op het vlak van onderwijs, overheidsbeleid en R&D. Om er een paar te vernoemen:

– Het vrijgeven van openbare data
– Het vrijgeven van alles kennis die gefinancierd wordt met belastingsgeld
– Het creëren van een omgeving die samenwerking stimuleert tussen kleine ondernemers en coöperatieven, waarbij initiatieven die steunen op open-source-technologieën en -praktijken worden aangemoedigd
– Het ontwikkelen van bepaalde participatieve processen (en het versterken van de bestaande) om burgers te betrekken bij het beleid
– Het aannemen van open standaarden en patronen voor openbare diensten en onderwijs.

Het is bij mijn weten voor de eerste keer dat een Europese regering expliciet een politiek verdedigt die aansluit bij de nieuwe economische logica in wording. Onafhankelijk van de manier waarop in België deze nieuwe politiek gestalte zal krijgen, ben ik hoopvol dat er een progressieve meerderheid kan gevonden worden rond de kernideeën van de nieuwe p2p-logica: de creatie van een nieuwe economie van ethische bedrijven rond collectief gecreëerd gemeengoed, of in de woorden van Jeremy Rifkin, commons-based peer production. Daarbij kan elke politieke partij haar eigen klemtonen leggen: duurzaamheid, sociaal ondernemerschap, solidariteit.

Maar niet alleen de rechtse partijen, ook de vakbonden en de sociaaldemocratie zijn in mijn ogen nog te veel gericht op het verdedigen van het oude systeem dat steunt op arbeid en kapitaal. Veel verder dan een vermogenswinstbelasting komt men niet.

Ik denk echter dat de ommekeer zich niet kan realiseren via een loutere herverdeling binnen het oude systeem, als dit niet gekoppeld wordt aan een heroriëntatie naar het nieuwe systeem. Dit is nu eenmaal nodig om de traditionele links-rechtsverhouding te overstijgen en een zo groot mogelijke politieke meerderheid te verwerven om een begeleide, vreedzame transitie mogelijk te maken.

Jean Lievens

Er is meer dan één alternatief

Overgenomen van De Wereld Morgen
door Dominique Willaert, gepubliceerd op dinsdag 23 december 2014

Rik Pinxten met ‘Schoon Protest’ en Jan Blommaert en Karim Zahidi met ‘De paradox van Hayek’ leveren in deze donkere dagen boeiend en hoopvol leesvoer af. Beide boeken zijn gelardeerd met analyses en denk- en doesporen die zowel het sociaal verzet tegen het neoliberale beleid in dit land en Europa kritisch belichten als een aanzet geven tot de prefiguratie van de samenleving van morgen.

In zijn nieuwe boek ‘Schoon Protest’ waarschuwt Rik Pinxten voor een vreemd virus dat zich vliegensvlug in onze maatschappij verspreidt en de hele westerse cultuur aantast. Dit virus produceert goud voor een heel kleine minderheid en miserie voor een overdonderende meerderheid. Het virus draagt de naam neoliberalisme. Opmerkelijk is hoe Rik Pinxten het neoliberalisme duidt als een ideologie die een premoderne opvatting over mens en maatschappij verdedigt. Het neoliberalisme vertrekt vanuit een elitedenken: niet iedereen heeft dezelfde rechten en de staat (overheid) waakt niet langer over de optimalisering van de universele rechten van alle burger. Meer nog, een steeds groter deel van de overheid wordt ingezet om de 99% te controleren en te disciplineren. De superrijken (de 1%) ontsnappen aan elke controle of broodnodige herverdeling.

De auteur schaart zich hiermee achter de analyses die ook Stiglitz en Piketty worden gemaakt. Interessant is de manier waarop Rik Pinxten het in zijn boek heeft over de mentaliteitsvormende invloed en waardenfocus van de boekgodsdiensten. De auteur formuleert de hypothese dat de mentale houding die via deze godsdiensten wordt aangeleerd heel sterk terug te vinden is in de neoliberale mentaliteitsstructuur. Het is een basishouding die wordt gekenmerkt door exclusief denken, missionering, in het aanvaardbaar voorstellen van liberalisme en nationalisme en in de aanname van TINA (There Is No Alternative). Het terugplooien op zichzelf en het vergroten van interne en externe ongelijkheid als nieuwe norm leidt tot zo’n enorme verschraling van ons mensbeeld dat de auteur de term neobarbarisme introduceert. ‘Tijd om ook duidelijkheid in de taal te scheppen’ beargumenteert de auteur de keuze voor deze term.

Het nieuwe humanisme

De schaal die Rik Pinxten in het formuleren van stellingen, argumenten en vragen hanteert is die van het individu en de kleine groep. Hij motiveert die keuze omdat de leerprocessen waarover de auteur het heeft zich op die schaal situeert en deze schaal te weinig aan bod komt in politieke discussies. Ook de andere niveaus (regio, natiestaat, EU) zijn belangrijk maar verandering gebeurt volgens de auteur bijna telkens van beneden naar boven, dus van het individu of de kleine groep naar het nationale en hogere niveau. Stap voor stap gidst de auteur ons door de ontwikkeling van onze beschaving en de onafgebroken pogingen in Europa om monoculturele privileges te verdedigen. De westerse waardetraditie was een tijd lang heel krachtig, maar deze tijdelijke kracht garandeert geen hoog ethisch niveau. De auteur haalt met verve het vooroordeel onderuit dat andere culturen primitief zijn en de afspraak met de vooruitgang hebben gemist.

‘Samenleven in een sterk verstedelijkte wereld, in termen van welzijn en duurzaamheid, begint bij een gedeeld algemeen belang’ pleit de auteur. ‘We moeten een stapje terugzetten en nadenken in termen van medemenselijkheid, duurzaamheid en vrede.’ Als mensheid hebben we nood aan globale afspraken die we moeten leren respecteren om als mensheid te overleven. Rik Pinxten verwijst net zoals Jan Blommaert en Karim Zahidi naar het nieuwe humanisme van Amatya Sen (en Martha Nussbaum) die pleiten voor het erkennen van gelijke rechten voor alle mensen. Pinxten verwijst naar de ‘capabilty approach’ die in tegenstelling tot de marxistische traditie niet uitgaat van het concept ‘klasse’ maar zich centreert rond de optimale ontplooiing van elk individu. De auteur roept in het verlengde van dit nieuwe humanisme terecht op om te stoppen met aan economie de status van natuurwetenschap toe te kennen maar om veel bescheidener het over ‘politieke economie’ te hebben.

Pinxten stelt voor om het uniforme denken, het oude bipolaire denken in te ruilen voor het zoeken naar een platform waarin we op basis van dialoog tot afspraken kunnen komen, maar met de mogelijkheid tot herinterpretatie en het heronderhandelen. De auteur onderzoekt hoe we een dialogische persoonlijkheid kunnen ontwikkelen en dus het consistentieprincipe (het eigen grote gelijk) durft laten varen. Hij verdedigt het idee dat we het domein van medemenselijkheid moeten claimen als centrale basiswaarde. Gedaan dus met het reductionisme dat de mens wil herleiden tot een ‘homo economicus’. Empatisch en solidair samenleven moeten opnieuw de basiswaarden worden.

In het boek introduceert de auteur tal van metaforen, stellingen en argumenten rond domeinen die impact hebben op elk van ons. Hij biedt dit aan vanuit het geloof in de mens als lerend, onderzoekend en twijfelend wezen. De auteur roept de lezer op om verzet aan te tekenen en vooral in te zetten op initiatieven en kleine revoluties van onder uit. ‘De grote revoluties zijn tot nu toe altijd ontspoord en hebben steeds geleid tot de reductie van meningen en smaken in functie van een uniek hoger doel’ sommeert de auteur.

Met ‘Schoon Protest’ levert Rik Pinxten een toekomstgericht en hoopvol boek af. Het daagt uit om strijd te leveren tegen de ontmenselijking die we meemaken en om te durven geloven in alternatieven van onderuit voor de mensonterende graaicultuur die het neobarbarisme ons opdringt. Het boek daagt ons uit om de macht terug te nemen door belangrijke sectoren als opvoeding, cultuur, onderwijs aan de markt te onttrekken. ‘Als we gedecentraliseerd en coöperatief de markt terugdringen, wordt gedeeld welzijn en geluk mogelijk voor meer mensen’ besluit de auteur.

Welke vrijheid?

In ‘De pardox van Hayek’ dat wellicht parallel met ‘Schoon Protest’ werd geschreven formuleren Jan Blommaert en Karim Zahidi een genadeloze kritiek op de vrijheidsclaim waar de verdedigers van de vrije markt telkens mee uitpakken. Het neoliberalisme dat zich presenteert als een filosofie van de vrijheid geeft in de praktijk aanleiding tot een schrikbarende toename van de reële onvrijheid van de meerderheid van de mensen. Dit fenomeen vloeit rechtstreeks voort uit de ééndimensionale visie op vrijheid die Hayek en andere neoliberalen huldigen. Interessant is de manier waarop de beide auteurs een verband ontwikkelen tussen de neoliberale vrijheidsgedachte en de ecologische degradatie. De toenemende ongelijkheid als gevolg van de deregulering en de afkeer om tot collectieve planning te komen, brengt ons ecosysteem zo ernstig in gevaar dat het ons ‘het failliet van de neoliberale vrijheidsgedachte’ zou moeten doen inzien. Dit is de inzet van het boek ‘De paradox van Hayek’.

Beide auteurs benadrukken de sterk toegenomen onvrijheid voor heel wat burgers. Ze verwijzen onder meer naar hedendaagse vormen van slavernij op de arbeidsmarkt en hoe de westerse ‘liberale’ wereld de tweede positie inneemt op vlak van het winst maken door middel van dwangarbeid. De neerwaartse druk op de lonen en het proces waarin steeds meer arbeid moet verricht worden door steeds minder mensen zet een frontale aanval in op onze sociale zekerheid en de welvaartsstaat.

De auteurs wijzen er fijntjes op hoe de vrije samenleving waar de Oostenrijkse econoom Friedrich Hayek (1899-1922) voor pleitte niet noodzakelijk democratisch hoefde te zijn. Want voor Hayek is de individuele vrijheid het idee dat een individu vrij is als hij of zij enkel aan een minimale dwang wordt onderworpen. De overheid mag aan het individu zo weinig mogelijk zaken opleggen of ontzeggen. Deze individuele vrijheid veronderstelt geen gelijkheid onder mensen. Sterker nog: Hayeks voornaamste preoccupatie draaide rond vrijheid in het economische veld, rond vrijheid van private eigendom. Voor Hayek en ook Milton Friedman vormt de economische vrijheid de basis voor alle andere vrijheden.

Na de deconstructie van de negatieve vrijheid die door de aanhangers van het neoliberalisme wordt verdedigd, kantelt het boek en werken de auteurs op de these dat elke menselijke handeling in wezen als een sociale handeling kan worden beschouwd. Naast het eigenbelang is er ook sprake van sociale belangen die al dan niet de vorm van wetten of morele codes aannemen. Positieve vrijheid komt tot stand door niet enkel individuele belangen na te streven, maar ook door belangen die gedeeld worden binnen een gemeenschap: gelijkheid, rechtvaardigheid of billijkheid bijvoorbeeld.

Opmerkelijk is hoe ook hier de beide auteurs verwijzen naar de ‘capabilty approach’ van de econoom Amartya Sen die in zijn concept van vrijheid volkomen het immateriële karakter ervan definieert, als een vorm van menselijke autonomie die sociaal is ingebed, identiteitskeuzes inhoudt en geluk kan genereren. De verschuiving die door de introductie van het denken van Sen ontstaat, is die van bezit en consumptie in de richting van zelfontplooiing en de mogelijkheid tot opwaartse sociale mobiliteit. Het is duidelijk dat dit denken een democratische, rechtvaardige en herverdelende overheid veronderstelt.

‘Mensen kunnen pas vrij zijn wanneer zij een accuraat beeld kunnen vormen van hun leefwereld en van alles wat daarin relevant is voor hun eigen leven en wanneer zij dat beeld van een juist moreel en politiek oordeel kunnen voorzien’ stellen beide auteurs. Ze verwijzen expliciet naar een visie op bevrijding die ze verbinden met denkers als Jürgen Habermas, Paulo Freire en John Dewey. Inspraak kan slechts reëel zijn wanneer elke burger over dezelfde hoeveelheid (en kwaliteit van) kennis en informatie beschikken. Het belang van kennis en inspraak worden tot twee noodzakelijke ingrediënten van positieve vrijheid uitgeroepen.

Het gelaagde vrijheidsconcept dat Blommaert en Zahidi uitwerken overstijgt het abstracte individuele vrijheidsidee van Hayek en zijn volgelingen. De overheid of staat kan zelfs als een krachtige bondgenoot binnen het concept van positieve vrijheid opereren. Ze illustreren dit door het belang van de Grondwet en het naleven van deze Grondwet door de parlementsleden te benadrukken. De eed die parlementsleden in dit land moeten afleggen luidt: ‘Ik zweer de Grondwet na te leven’. Wanneer de auteurs Artikel 23 uit de Belgische Grondwet citeren, wordt pijnlijk duidelijk hoe onze parlementaire democratie er onvoldoende in slaagt om de grondrechten van burgers te realiseren of te verdedigen.

Druk

Misschien ongewild illustreren de auteurs zowel de morele als grondwettelijke malaise binnen onze parlementaire democratie. Beide boeken kunnen als belangrijke inspiratiebronnen voor de recent opgezette burgerweging ‘Hart boven Hard’ fungeren. Na het initiële enthousiasme en actiebereidheid van heel wat burgers en organisaties komt het momentum om de beweging te verdiepen en een langetermijnstrategie te ontwikkelen.

Beide boeken maken meer dan duidelijk dat er meer dan één alternatief is. Maar even duidelijk is dat de alternatieven niet zullen komen van onze verkozenen. Het zullen initiatieven zijn die bottom up worden ontwikkeld – door kleine en grotere collectieven van burgers – die als een voorafschaduwing van de samenleving van morgen zullen fungeren. Overheden en staten zullen niet zo maar verdwijnen, maar zullen onder druk gezet moeten worden door kleine en grote collectieve van burgers zodat deze niet langer de belangen van de 1%, maar de belangen van de 99% zullen verdedigen en dienen. Een cruciale vergissing is om te denken dat het enkel de huidige Vlaamse en Federale Regeringen en dus de centrumrechtse politieke partijen zijn die we in vraag moeten stellen.

Beide boeken maken heel erg duidelijk dat ook de Europese en Vlaamse sociaaldemocratie een gebrek aan verbeeldingskracht en debat- en dialoogcultuur vertoont om als alternatief te kunnen doorgaan. Er ligt bijzonder veel werk op de plank. Niet alleen voor de diverse burgerbewegingen maar ook voor de linkse oppositiepartijen.