Categorie archief: transitiepolitiek

Niet de deeleconomie, maar de commonseconomie kan de wereld redden

door Jean Lievens
P2P Foundation Belgium

Eerst verschenen op De Wereld Morgen op 29 mei 2016 (blog Jean Lievens – originele tekst)

De deeleconomie staat steeds meer in de belangstelling, maar over de commonseconomie wordt helaas veel minder gesproken. Waarschijnlijk blijft dit voor velen te abstract, maar als we het hebben over de noodzaak van een transitie naar een duurzame economie en naar een meer rechtvaardige en democratische samenleving, dan is de commonseconomie wel de hefboom.

We leven in een verandering van tijdperk, gekenmerkt door economische en financiële crisissen, sociale onrust en politieke instabiliteit. Ons sociaale-conomisch systeem functioneert niet meer en “de politiek” draagt geen oplossingen aan. Anderzijds opent de technologische vooruitgang enorme mogelijkheden om de huidige ecologische, economische en sociale problemen op te lossen, maar binnen de oude structuren en denkschema’s werkt ze de financieel-economische en sociale crisis juist in de hand.

Er is veel sociaal verzet tegen de neoliberale tegen-hervormingen van de afgelopen jaren, maar vaak blijven protestbewegingen beperkt tot “tegen iets zijn” en is er een gebrek aan coherent alternatief. Ook klassieke linkse formules schijnen niet meer te werken of worden de nek omgedraaid binnen een vijandige internationale context, wat de Grieken aan de lijve mochten ondervinden.

Wel zijn overal in de wereld mensen actief betrokken in allerhande initiatieven om te bouwen aan een betere wereld. Velen hebben zich afgekeerd van de politiek en bouwen “het nieuwe binnen het oude”. Ze zijn actief op gebied van sociale rechtvaardigheid en solidariteit (vakbonden, coöperatieven, NGO’s, fairtradeorganisaties, noord-zuidbewegingen etc.), openheid en transparantie (open source beweging, open designgemeenschappen…) en duurzaamheid (circulaire economie, microfabrieken…).

Tussen deze verschillende groepen bestaat echter weinig interactie en ook binnen deze groepen is de fragmentatie vaak groot. Maar ze dragen wel de kiemen van een nieuw systeem, waarbij “de commons” het bindmiddel kan zijn. Een van de organisaties die hierbij een verbindende en katalyserende rol kan spelen, is volgens mij Hart boven Hard, zowel in haar hoedanigheid van netwerk als van beweging.

Maar laat ik eerst even beknopt de kern van het transitiemodel uitleggen dat de P2P Foundation voorstelt. Het boek De Wereld Redden bevat heel wat ideeën, maar vaak pikken mensen alleen dat eruit wat in hun kraam past. Om te beginnen hebben we nooit beweerd dat de “deeleconomie” de wereld zal redden, zoals Rogier De Langhe schrijft in een van zijn opiniestukken in De Morgen van 17 mei (Welke deeleconomie willen we?). In ons boek hebben we het over peer-to-peer, maar maken we een onderscheid tussen peer-to-peer marktplaatsen (waar de deeleconomie zich grotendeels afspeelt) en peer-productie van commons. Ons transitieverhaal steunt vooral op de tweede pijler.

De deeleconomie (alleen) zal de wereld niet redden

De deeleconomie zoals ze zich tot nu toe heeft ontwikkeld, wordt vooral gedomineerd door commerciële platformen die vraag en aanbod van markttransacties tussen individuen (denk aan de “gig”-jobs, het “delen” van autoritten tegen betaling, het verhuren van appartementen…) regelen via algoritmes en daar flink wat geld aan verdienen. De belangrijkste voordelen van deze modellen is dat ze voor de gebruikers vaak performanter en goedkoper zijn dan de traditionele modellen en dat ze zorgen voor een beter gebruik van de bestaande infrastructuur (het “deel”aspect) waardoor ze deel uitmaken van een noodzakelijke evolutie naar een meer duurzame economie.

Maar de keerzijde is ook niet mals: ze ontwijken allerhande wetgevingen waaraan de traditionele modellen wel aan moeten beantwoorden (sociale wetgeving, voorschriften inzake veiligheid en gezondheid etc.), ze investeren zelf niet in infrastructuur en wentelen alle risico’s af op degenen die hun platform gebruiken om geld te verdienen. Zelfs degenen die voor de vrije markt zijn en pleiten voor een gelijk speelveld, kunnen toch niet anders dan vaststellen dat we hier te maken hebben met oneerlijke concurrentie. Je kan dan twee zaken doen: ofwel het speelveld gelijkschakelen door deze platformen te onderwerpen aan dezelfde regels die gelden voor andere bedrijven, ofwel de regels voor andere bedrijven ook afschaffen. Dus hier pleiten we uiteraard voor klassieke regulering.

Alternatieven op commerciële platformbedrijven

Maar er zijn andere manieren om dergelijke kapitalistische platformen van antwoord te dienen. Laten we Uber nemen als voorbeeld. Zo heeft sharing city Seoel Uber ronduit verboden. Maar tegelijk ontwikkelde de stad wel een even gebruiksvriendelijk alternatief: een mobiliteitsapp op stadsniveau waarin de klassieke taxisector werd geïntegreerd. Vakbonden kunnen Uberchauffeurs organiseren en opkomen voor hun belangen (zo heeft Seattle onlangs Uberchauffeurs syndicale rechten verleend waardoor ze expliciet erkend werden als werknemers en niet als freelancers) of zelfs helpen met het opzetten van een coöperatieve die gebruik maakt van een eigen app. Zo gaan alle verdiensten naar de chauffeurs zelf en niet naar Silicon Valley. Op dat vlak zijn de initiatieven echter enorm versnipperd, want elke entiteit gebruikt andere open source applicaties en apps. Het komt er dus op aan om al deze mini-initiatieven te coördineren en te stroomlijnen binnen één netwerk.

Maar goed, we blijven hier nog altijd op het terrein van marktactiviteiten, het kopen en verkopen van diensten om geld te verdienen. Daar is niks mis mee, mensen moeten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Maar als er wordt samengewerkt rond één platform, beheerd door de stakeholders (dus niet alleen de chauffeurs , maar bijvoorbeeld ook de klanten en de overheid), dan wordt dit gemeenschappelijk platform wel de kern van de economische activiteit waaraan de marktactiviteit is ondergeschikt.

Er zijn natuurlijk ook tal van deelinitiatieven die een maatschappelijk doel voor ogen hebben, zoals autodelen op buurtniveau (vb. Dégage in Gent), of logies delen op wereldniveau (couchsurfing). Dit is de originele deeleconomie, die nog altijd bestaat én groeit, maar inmiddels in de media werd overschaduwd door Uber en Airbnb. Deze laatste is trouwens zelf begonnen binnen de reële deeleconomie, wat nog steeds vervat zit in de naam (air staat voor air matrass: het idee was een luchtbed in de living voor toeristen, in ruil voor een kleine deelname in de kosten). Met de intrede van venture capital werd het platform geprofessionaliseerd, er kwamen diensten bij (zoals een verzekering tegen vandalisme), maar bovenal vervoegden steeds meer professionele spelers het platform om appartementen te verhuren aan toeristen. Op die manier omzeilen ze stedenbouwkundige vergunningen en de wetgeving op hotels, jagen ze tegelijk de huurprijzen voor lokale bewoners omhoog en maken bepaalde buurten onleefbaar (denk aan Barceloneta in Barcelona). Tussen haakjes, het is ook belangrijk om op te merken dat alleen mensen die iets hebben iets kunnen ‘delen’ (lees verhuren). Een huurder mag meestal niet onderverhuren, ook niet via Airbnb.

De commonseconomie

Tot daar de “deeleconomie”. Wat echter veel belangrijker is in ons transitieverhaal, is de zogenaamde commons-economie en meer bepaald de creatie van commons van open software, kennis en design. Bekende commons zijn Linux, Wikipedia en Arduino, maar er bestaan duizenden andere voorbeelden. We hebben hier te maken met een postkapitalistisch model, omdat:

Het niet gebaseerd is op arbeid/kapitaal, maar op vrijwillige bijdragen
Het geen goederen of diensten voortbrengt om te verkopen op de markt (ruilwaarde), maar rechtstreekse gebruikswaarde die vrij beschikbaar is, in overvloed aanwezig, vrijwel kosteloos, oneindig reproduceerbaar en dus niet eens “vermarkt” kan worden.
Sommigen rangschikken ook deze commons onder de ‘deeleconomie’ omdat ze vrij beschikbaar zijn (en dus vrij kunnen ‘gedeeld’ worden), maar dan gooi je Uber en Wikipedia op één hoop, wat toch problematisch is. Om verwarring te vermijden is het dus aangewezen om bij elk project de volgende vragen te stellen:
wat is de hoofddoelstelling (maatschappelijk of winstgevend)?
wordt er gemeengoed gecreëerd dat vrij beschikbaar is?

Alleen in het twee geval spreken we van een commons-economie. Is de doelstelling maatschappelijk en wordt er gewerkt via een collectief deelplatform, dan is het deelplatform zelf de commons en kan je ook dit soort van deelinitiatieven tot de commons-economie rekenen. Gaat het om pure markttransacties, dan hebben we te maken met P2P marktplaatsen die strik genomen niets met delen te maken hebben, maar door deze platformen zelf en door de media wel als dusdanig genoemd worden, dus ik veronderstel dat we ermee moeten leven.

Een productiever model…

Het gemeenschappelijk creëren van open gemeengoed van kennis, softwarecode en allerhande ontwerpen blijkt in de praktijk veel sneller, efficiënter en productiever dan de traditionele (lees kapitalistische) manier om deze zaken voort te brengen. Sinds Wikipedia zijn papieren encyclopedieën alleen nog in tweedehandszaken verkrijgbaar. Wikipedia is gratis, wordt elke dag beter en volgt de actualiteit. Een paar minuten nadat de media hebben bericht over de dood van Prince, is de popster ook dood op Wikipedia. Open software is de norm binnen de softwarewereld geworden. Nasa, BMW, het CERN, het Witte Huis… gebruiken Linux, een software die vrij beschikbaar is voor iedereen. Er bestaan een dertigtal open source-auto’s (inclusief een open source zelfrijdende auto) die stuk voor stuk milieuvriendelijke en energiezuiniger zijn dan industriële wagens, alleen komen de banken niet met geld over de brug om de productie ervan te financieren, tenzij ten minste een deel van het ontwerp beschermd wordt door patenten. Tot nu toe lijkt LocalMotors, een semi-open source wagen die in een microfabriek via 3D printing kan worden geproduceerd het enige model dat ook economisch succesvol is. Maar er zijn ook open source robotten, open source landbouwmachines, open source laboratoriumapparatuur en duizenden andere open hardwaresystemen. Daarnaast is er ook het delen van kennis allerhande, zoals open wetenschap tegenover het peperduur verkopen van academische artikels door privé-uitgeverijen.

… gedomineerd door het kapitalisme

Maar net als de deeleconomie waarvan eerder sprake, wordt ook de commonseconomie volop “gerecupereerd” door het kapitalisme, hoewel “gebruikt” me een beter woord lijkt in deze context, want er is hier toch iets anders aan de hand. We krijgen namelijk een model waarbij bedrijven die elkaar beconcurreren op de markt, wel samen bouwen aan een commons. Als toemaatje krijgen ze er de bijdragen bij van vrijwilligers die voor allerhande redenen gratis bijdragen tot het gemeengoed. Neem open software. Ongeveer 75% van de programmeurs die bijdragen tot Linux, worden betaald door grote bedrijven zoals IBM en Red Hat, die net als Google, Intel, HP, Samsung, Cisco enzovoort de Linux Foundation financieren. Waarom? Omdat het stukken goedkoper en efficiënter is Linux te helpen ontwikkelen dan eigen software te ontwikkelen. Voor hen is Linux een goedkope grondstof die ze kunnen gebruiken om andere diensten aan te bieden op de markt, meestal het maken van een gebruiksvriendelijke versie op maat van hun klanten, maar ook onderhoud, training, consultancy, enzovoort.

Laten we een voorbeeld nemen uit de open hardware. Alles wat de mens maakt, moet eerst ontworpen worden. Er komen meer en meer ontwerpen tot stand door open en transparante samenwerking van bijdragers via het internet. Het internet wordt naast een goedkoop communicatie- en coördinatiemiddel dus ook meer en meer een universeel productiemiddel. Tegelijk vervaagt de grens tussen (digitaal) ontwerp en geautomatiseerde productie. Machines zijn immers gekoppeld aan computers. Voeg daaraan toe dat na de miniaturisering van de computer ook de miniaturisering van machines aan de orde van de dag is, waarbij je “meer kunt doen met minder”, en je ziet meteen het potentieel dat zich opent om ons maatschappelijk en economisch model volgens volledig andere lijnen te gaan ordenen. Maar dat kan alleen als we ons organiseren en bewust modellen ontwikkelen die dat ook in de praktijk brengen. Want tot op heden, zwaait het kapitaal nog altijd de scepter, ook in de wereld van de commons.

Je hebt immers nog altijd kapitaal nodig om iets te produceren: een fysische ruimte, grondstoffen en arbeid. Je verlaat de digitale, postkapitalistische wereld van de overvloed en betreedt in zekere zin weer de wereld van arbeid en kapitaal. Maar ook binnen dat kader heb je de keuze welk soort van organisatie je hiervoor opricht. Een coöperatieve is hier ongetwijfeld de meest geschikte bedrijfsvorm omdat haar eigendom- en beheermodel het best aansluit met de peer-to-peer waardecreatie in de commons. Omdat jonge ondernemers vaak niet vertrouwd zijn met het coöperatieve model, domineren durfkapitalisten (venture capital) die torenhoge rendementen terugeisen voor hun investering logischerwijze nog altijd de open hardwaregemeenschappen, hoewel we oog moeten hebben voor de oprukkende fablabs, hackerspaces, co-working spaces en makerspaces die vaak ondersteund door lokale overheden, scholen of universiteiten, en ook via crowdfunding.

Sociale ondernemers

Het is belangrijk hier een punt te maken over sociale ondernemers. Klassiek links haalt vaak de neus op voor ondernemers omdat ze die onterecht vereenzelvigen met “kapitalisten”. De woorden “sociaal” en “ondernemen” vinden ze een contradictio in terminis. Bovendien schieten veel politici van groene en sociaaldemocratische partijen die ondernemers omarmen (zonder evenwel een onderscheid te maken in de aard en de grootte van de bedrijven) tegelijk op de vakbonden die ze bestempelen als “conservatief”. Ze behoren historisch tot de neoliberale strekking (gelukkig op zijn retours) die de derde weg van Blair voorstaat. Maar stel je in de schoenen van een jonge ingenieur die de wereld wil verbeteren. Geloof me, ze zijn niet in de minderheid. Zo wilt 98 procent van afgestudeerde ingenieurs in Finland duurzaam ontwerpen. Alleen… als ze het geluk hebben een baan te vinden in een klassiek bedrijf, moeten ze zorgen voor ingeplante slijtage. Het alternatief is zich aansluiten bij een open hardwaregemeenschap en proberen zelf of met vrienden een bedrijfje op te starten. Als je bijdragen levert voor een open ontwerp, is er immers geen enkel reden om slijtage in te plannen. Je probeert een product zo goed mogelijk te ontwerpen.

De laatste jaren zien we meer en meer jongeren die ecologische en maatschappelijke problemen willen oplossen door zelf een bedrijf op te starten. Maar ook mensen die al jaren voor traditionele bedrijven werken, stappen voor allerhande redenen uit de ratrace en gaan zelf een sociale bedrijfsactiviteit beginnen die goed is voor de samenleving en die hun eigen leven veel meer zin geeft. Het is juist dat we hier vaak te maken hebben met een geprivilegieerde groep, maar dit fenomeen illustreert toch een uittocht uit het bestaande systeem, zowel vrijwillig als gedwongen.

Alleen… je moet natuurlijk wel geld verdienen om te overleven. Het grootste probleem vandaag is dat de commons, die een steeds grotere plaats innemen in de kapitalistische economie, nog steeds ondergeschikt zijn aan het overheersende model en alleen collectief reproduceerbaar zijn maar niet individueel. Wat bedoel ik daarmee? Als individu kan je tijdelijk gratis bijdragen tot commons (als je student bent, werkloos, of in je vrije uurtjes), maar je kan dat niet blijven doen. De commons blijven echter collectief overleven omdat er steeds nieuwe mensen bijkomen die bijdragen leveren, terwijl anderen wegvallen.

Nieuwe bedrijfsmodellen

De vraag van een miljoen is dus: hoe kunnen we bedrijfsmodellen ontwikkelen die het de commoners (bijdragers tot commons) mogelijk maakt om in hun levensonderhoud te voorzien? Gelukkig is dit geen theoretische vraag aangezien er volop aan deze modellen wordt gewerkt. Met andere woorden, er bestaan reeds ethische bedrijven die samen een commons produceren, zoals Enspiral, een jong bedrijvennetwerk dat Loomio (een samenwerkingssoftware) en Co-Budget (een app om democratische investeringsbeslissingen te nemen binnen het netwerk) heeft ontwikkeld en “Stuff that Matters” als baseline heeft. Het initiatief ontstond in Nieuw-Zeeland, maar het netwerk groei als kool en de open software Loomio is inmiddels uitgegroeid tot een zelfstandig bedrijf (een coöperatieve in eigendom en zelfbeheer van de werknemers) binnen het Enspiral netwerk, met wereldwijde vertakkingen.

Ik geef deze voorbeelden mee om ons verhaal wat concreter te maken zodat de verhaallijn duidelijker wordt. Wij denken namelijk dat er een nieuwe economie in wording is rond de commons. Deze economie wordt inderdaad gedomineerd door het kapitaal, maar veroorzaakt binnen het kapitalisme een waardecrisis: de geproduceerde gebruikswaarde groeit exponentieel, maar de gerealiseerde marktwaarde stijgt slechts lineair en wordt grotendeels “opgevangen” door het kapitaal. Maar naarmate het kapitaal investeert in peer-to-peer-netwerken en commons, versterkt ze die tegelijk en maakt aldus het potentieel alternatief sterker. Vroegere systeemovergangen vonden op dezelfde lijnen plaats: het oude systeem maakt gebruik van het nieuwe systeem om zijn bestaan te rekken, maar versterkt daardoor het nieuwe systeem tot een punt wordt bereikt waarop het nieuwe systeem kan doorbreken en dominant worden.

Vandaag wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe bedrijfsmodellen, vaak coöperatieven, die commons voortbrengen en tegelijk in het levensonderhoud voorzien van de coöperanten. Ook wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe manieren om de waardecreatie binnen de commons te registreren (open boekhouding) en die te koppelen aan vergoedingen voor de commonors indien de projecten marktwaarde realiseren. Er ontstaan ook nieuwe solidariteitsmechanismen, zoals de broodfondsen in Nederland, een sociaal zekerheidssysteem op minischaal voor “zzp-ers” (zelfstandigen zonder personeel, hier meestal freelancers genoemd). Zo zie je dat de mutualiteiten van de vroege arbeidersbeweging vandaag nog eens dunnetjes overgedaan door mensen die buiten de mazen van het sociale zekerheidssysteem vallen.

Ook de nieuwe coöperatieven die wereldwijd groeien als kool brengen de hoogdagen van de arbeidersbeweging in herinnering. Ook zij probeerden het nieuwe te bouwen binnen het oude, maar streefden vooral naar het veroveren van de politieke macht om de economie gradueel (door hervormingen) of min of meer volledig (door revolutie) via de staat over te nemen. De traditionele coöperatieven werden echter grotendeels weggeconcurreerd door multinationals die over meer kapitaal beschikten en dankzij schaalvoordelen goedkopere producten konden op de markt brengen. Coöperatieven die overleefden, konden dit alleen door zich net te gedragen als kapitalistische bedrijven waardoor ze op de duur nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren. Toch kan de historische arbeidersbeweging een grote inspiratiebron zijn voor de open source- en commonsbeweging. Alleen is haar heroïsche geschiedenis gedurende de laatste decennia (en zelfs langer) grotendeels ondergesneeuwd door bureaucratisering en incorporatie binnen de staat.

Kloof tussen precariaat en salariaat dichten, niet aanwakkeren

Dat laatste verklaart waarom veel jongeren die zich wel als een vis in het water voelen in de open source- en commonsbeweging, zich niet herkennen in de huidige arbeidersbeweging. Deze laatste is dan weer al decennia in een defensieve strijd verwikkeld voor het behoud van sociale verworvenheden en vindt moeilijk aansluiting bij jongeren die opgroeien in een tijd waarin het oude sociale contract meer en meer wordt opgeblazen voor de nieuwe generatie. Sommigen concluderen daaruit dat de klassenstrijd moet wijken voor een generatiestrijd. Niet het falend systeem is verantwoordelijk, wel de oudere generatie die de rijkdom heeft opgesoupeerd waardoor er niks meer overblijft voor de jeugd . Hoewel minder brutaal (hoewel…) lijkt dit de redenering die ook economiefilosoof Rogier De Langhe volgt in zijn recente columns. Rogier geeft toe dat er een systeemcrisis is, maar vindt dat “wij daar allemaal samen” voor verantwoordelijk zijn. Zoiets kan je natuurlijk alleen maar beweren als je de klassennatuur van onze samenleving ontkent. Maar zelfs dan is het hallucinant om het volgende te beweren: ”Zoals in 2008 bleek dat bankiers niet hadden kunnen weerstaan aan de ‘hebzucht’, zo blijkt vandaag dat ook de vakbonden te ver gingen. Ze verwierven meer rechten dan duurzaam over de generaties heen konden worden voorzien. Zelfs de banksters waagden het niet het land plat te leggen uit protest tegen het instorten van het kaartenhuisje dat ze zelf hadden gebouwd.” (De Morgen van 25 mei 2016: Waarom betogers op bankiers lijken”)

Rogier vindt de vakbonden blijkbaar nog erger dan de banksters. Hij pleit wel voor meer solidariteit, maar dan wil binnen de groep van “have nots”: “Ik droom van een herverdeling van sterk naar arm, in plaats van van niet-gesyndiceerd naar gesyndiceerd en van ongeboren naar vandaag.” Dat er in de afgelopen dertig jaar 10 procent van het BNP verschoven is van Arbeid naar Kapitaal is bijzaak, want “De bedragen waar het om gaat, zijn zo gigantisch dat een vermogensbelasting weinig verschil maakt. Zeker in een land als het onze illustreert het discours over de 1 procent vooral dat het makkelijker is de schuld bij een externe vijand te zoeken, dan bij onszelf.”

Er bestaat ongetwijfeld een spanningsveld tussen de klassieke arbeidersklasse die bestaat uit (vaak oudere) werknemers die in een hiërarchisch verband voor een bedrijf werken, en de nieuwe klasse van precaire en autonome werkers die rechtstreeks voor de markt (moeten) werken. Dat kan gedwongen zijn omdat ze geen werk vinden, maar velen doen het ook vrijwillig, ook uit sociale bewogenheid. Die groep gebruikt het internet en de commons voor het opzetten van nieuwe solidariteitsmechanismen. Op dat vlak speelt Smart.be in België een voortrekkersrol. We hebben de vakbonden al vaker op de korrel genomen omdat ze deze groeiende groep precaire werkers rechts laten liggen (in Nederland is binnen het FNV al geruime tijd een fel debat aan de gang). We moeten bruggen bouwen tussen precaire en “beschermde” werknemers, niet door de rechten van de ene groep af te bouwen ten voordele van de andere, maar om samen te ijveren voor een maatschappij die eerlijkere, democratischer en meer gelijk is dan de huidige. Helaas drijft Rogier de tegenstelling tussen beide groepen op de spits en door ongenadeloos de vakbonden te viseren in hun verzet tegen de regeringsmaatregelen, staat hij objectief gezien natuurlijk 100 procent aan de kant van de regering die hij in zijn columns nooit op de korrel neemt.

De commons als nieuw bindmiddel in een positief transitieverhaal

Maar goed, terug naar mijn verhaal. Wat in het oude verhaal van de arbeidersbeweging ontbrak, was een nieuwe manier om waarde te creëren en te herverdelen, die bovendien superieur is aan het oude model. Vandaag bestaat deze nieuwe productiewijze wel. In het oude verhaal versloeg groot klein. Altijd. Vandaag kan een netwerk van veel kleintjes groot verslaan. Denk aan Linux en Wikipedia. De nieuwe platformbedrijven of “netarchische” kapitalisten (kapitalisten die heersen over het netwerk), zijn nog piepjong (Google is 20 jaar oud, Facebook 12, Uber 6) maar hebben in een mum van tijd de wereld veroverd. De vraag is hoe duurzaam die bedrijven zijn op langere termijn, gezien hun parasitair karakter en het feit dat de waarde die ze onttrekken uit menselijke samenwerking niet terugvloeit naar de mensen die deze waarde creëren.

Er bestaat volgens mij geen uniforme formule om deze bedrijven aan te pakken. Sommigen kunnen op termijn weggeconcurreerd (of weg”samengewerkt”) worden door nieuwe, coöperatieve modellen, op voorwaarde dat deze globaal opgeschaald worden (samenwerking in wereldwijde netwerken). Zowel de overheid als de traditionele organisaties van de arbeidersbeweging kunnen daarin een stimulerende rol spelen. Anderen zoals Google of Facebook worden best “openbare nutsbedrijven”, zoals destijds de spoorwegen en de elektriciteitsbedrijven. Natuurlijk zijn deze privéplatformen wereldwijd actief, maar ze zijn wel ingebed in een staat (meestal de VS) waarbinnen een politieke strijd kan gevoerd worden om ze om te turnen in door stakeholders beheerde nutsbedrijven (geen traditionele staatsbedrijven dus). Buiten de VS kunnen en worden ze via regulering meer aan banden gelegd, hoewel de resultaten nog niet spectaculair te noemen zijn (bv. Europa versus Facebook en Google).

Om te resumeren, wil ik de volgende stellingen poneren:

De commons kunnen het bindmiddel zijn van een nieuwe progressieve beweging
De drie groepen die mondiaal actief zijn in transitiebewegingen (rond ecologie, solidariteit en open source) moeten elkaar beter leren kennen en meer gaan samenwerken

Tegelijk kan geijverd worden voor een commons-transitieprogramma dat streeft naar een nieuw economisch-maatschappeijk paradigma dat steunt op drie pijlers:
Een productieve civiele maatschappij van burgers die vrijwillig bijdragen tot commons
Een ethische bedrijvencoalitie rond deze commons
Een nieuw overheidsmodel waarbij de overheid optreedt als partnerstaat die peer-productie van vrije burgers faciliteert en ondersteunt (met geld, infrastructuur, onderwijs etc.) Deze staat vervangt de welvaartsstaat niet, maar overstijgt ze. Strijden tegen de afbouw van de welvaartsstaat blijft dus 100 procent een progressieve strijd.

Daarnaast dringt zich een herlocalisering op van de productie in microfabrieken die eveneens wereldwijd genetwerkt zijn en aldus een tegengewicht kunnen bieden op transnationaal niveau tegenover de multinationals. Op die basis kunnen we de ecologische crisis bezweren (duurzame lokale energiecoöperatieven aangesloten op een smart grid, drastische vermindering van transport- en energiekosten, transparante aanvoerketens ten dienste van een circulaire economie waardoor het generatief vermogen van de planeet volledig wordt hersteld etc.)

Voor meer info:

P2P Foundation
Enspiral
Jean Lievens

De deeleconomie moet open zijn, transparant en in handen van de werkers

door Jean Lievens
P2P Foundation Belgium

Verschenen in De Morgen van 14 mei 2016

Filosoof Rogier De Langhe hield in De Morgen van 11/5/2016 een vurig pleidooi voor de deeleconomie waarin hij een antwoord ziet op de huidige golf van burn-outs, depressies, vervroegde pensioneringen en zelfmoorden (DM 11/5). “Je werkt binnen structuren die jou als doel hebben, in plaats dat jij je te pletter moet lopen voor de structuren.” O ja?

Autonomie is voor veel deelnemers in de deeleconomie inderdaad een plus. Je “kiest” zelf min of meer wanneer je wilt werken en je kunt op verschillende terreinen naar keuze actief zijn. Bovendien is er een macro-economisch argument. De staat van de planeet laat niet langer toe dat we doorgaan zoals we bezig zijn. We verbruiken momenteel anderhalve planeet per jaar en als we niet radicaal overstappen naar een nieuw economisch paradigma, lijkt het doemscenario van het einde van onze soort reëel.

Op macro-economische schaal is het mutualiseren van grondstoffen en diensten de enige manier waarop we onze planeet kunnen behoeden voor roofbouw op grondstoffen die worden opgeofferd op het altaar van de groeilogica. En dit is precies waaraan de deeleconomie kan verhelpen. Alleen werkt het nu heersende model kwetsbaarheid en groeiende ongelijkheid in de hand.

Facebook, Google, Uber, Airbnb, Mechanical Turk: het zijn voorbeelden van kapitalistische bedrijven met een nieuw verdienmodel dat waarde onttrekt uit menselijke samenwerking. Ze hebben zich in ijltempo opgewerkt tot wereldspelers met zo goed als monopolieposities. Uber vergaarde in amper zeven jaar een marktwaarde van 60 miljard dollar (53 miljard euro). De vraag is of deze prille modellen gezien hun parasitair verdienmodel ooit volwassen zullen worden. Bart Eeckhout heeft dus overschot van gelijk: “Van bescheiden alternatief voor de vrije markt, heeft de deeleconomie zich ontwikkeld tot disruptieve steunbeer van deregulering.” (DM 12/5)

Deze ‘netarchische kapitalisten’ (die heersen over het netwerk), heiligen in woorden de vrije markt, maar bezondigen zich in de feiten aan oneerlijke concurrentie. Ze investeren zelf niet in infrastructuur, maar gebruiken de bestaande. Ze werken met freelancers waardoor ze sociale regressie in de hand werken.

Wat hier voor ‘deeleconomie’ doorgaat, wordt in de VS correcter omschreven als ‘gig-economie’. Een ‘gig’ is een optreden, maar betekent hier een korte klus. In de Amerikaanse verzoeknummer-economie – die niets met delen maar alles met huren en verkopen te maken heeft – bedraagt het gemiddelde uurloon amper 2,5 dollar (2,2 euro). Die ‘deeleconomie’ mag dan misschien een remedie zijn tegen de ratrace, maar of een race to the bottom zo veel beter is, durven wij sterk te betwijfelen.

Je kunt er, kortom, niet om heen dat De Langhe de huidige ‘deeleconomie’ te rooskleurig voorstelt. Want wat is je autonomie waard als je compleet afhankelijk bent van een platform dat een steeds groter deel van je omzet afleidt naar geldschieters die zelf niet investeren in een wagenpark, hotels of een uitzendbureau? Bovendien hebben werkers in deze gig-economie niet het recht om met elkaar in contact te treden waardoor hun inkomen permanent onder druk staat. Vraag en aanbod komen niet met elkaar in contact, maar vinden elkaar via ondoorzichtige algoritmes. In tegenstelling tot wat De Langhe suggereert, zijn dergelijke platformen niet ontworpen in het belang van de aanbieders, maar in dat van de eigenaars.

Wat stellen wij dan voor? Om te beginnen is regulering een must zodat de concurrentie met traditionele spelers eerlijk verloopt. Ten tweede moeten de sociale statuten worden gelijkgeschakeld. De vakbonden laten hier een kans liggen omdat ze zich vrijwel uitsluitend richten op het salariaat. Gelukkig zijn er initiatieven zoals Smart die zich met groeiend succes opwerpen als belangenverdediger van freelancers. Ten derde komt het erop aan alternatieven te ontwikkelen in de vorm van platformcoöperatieven, waarbij stedencoalities technische ontwikkelingen kunnen ondersteunen. Tegenover de extractieve kapitalistische modellen wordt meer en meer geëxperimenteerd met nieuwe coöperatieve modellen die zelf platformen en apps ontwikkelen, waardoor het eigendom- en beheermodel in lijn wordt gebracht met de peer-to-peer waardecreatie.

Het ontwikkelen van een app à la Uber is minder onoverkomelijk dan kapitaal bijeenschrapen om een staalfabriek te bouwen. Union Taxi Cooperative in Denver is maar één voorbeeld van een plaatselijk alternatief voor Uber. Steden als Seoel hebben Uber verboden en zelf een even gebruiksvriendelijke app ontwikkeld. Lokale overheden kunnen dus een belangrijke rol spelen bij het ontwikkelen van nieuwe bedrijfsmodellen die voordeliger zijn voor de werknemers. Nog een voorbeeld: in New York City bestaat een coalitie van 24 coöperatieven die eigendom zijn van hoofdzakelijk vrouwelijke werkers. De leden hebben hun uurloon van 10 tot 25 dollar zien stijgen.

Het alternatief dat wij verdedigen moet open (source) zijn, transparant en in handen van de werkers. Plus: het moet gemeengoed voortbrengen – zoals het bedrijvennetwerk Enspiral, ontstaan in Nieuw-Zeeland, dat de open samenwerkingstool Loomio en de gemeenschappelijke investeringsapp CoBudget hebben ontwikkeld – draaien op een multi-stakeholderbestuur en transnationaal georganiseerd zijn. Enkel op die manier kan de deeleconomie uitgroeien tot mondiale, democratische alternatieven voor de huidige multinationals.

POC21: 100 Eco-hackers en hippy geeks pogen de wereld te redden in een kasteel net buiten Parijs. Maar is er meer aan de hand?

Overgenomen van de lezerscommunity van De Wereld Morgen, gepubliceerd op 1 september 2015

Sinds iets meer dan twee weken is een verlaten 17de eeuws kasteel in Millemont ,naast Parijs mijn woon en werk plek. Met het project Vélo M2 zijn drie Brusselse collectieven (Soft Revolution, Urban Foxes en Ciklic) geselecteerd samen met 11 andere projecten om praktische oplossingen te geven op onze klimaat problematiek in aanloop van COP21 dat in december zal plaatsnemen in Parijs. POC21 of beter gezegd: Proof Of Concept wilt in de plaats van ellelange discussies die naar niets leiden tonen dat met Open Source projecten we een hele stap vooruit kunnen zetten. Het doel is nobel, maar hoe werkt het concreet?

Elk van de twaalf projecten biedt een tastbare oplossing voor een deel van onze klimaat problematiek te geven. Zo poogt Showerloop het aantal gebruikte liters van één douche te delen door vijf dankzij een ingenieus systeem van filters. Ownfood wilt de technologie van serres versimpelen en het werk om eigen planten te kweken herleiden naar 20 minuten per dag. Faircap is dan weer een waterfilter systeem dat kan worden ge-3D-print zodat het toegankelijk is voor iedereen en gewoon op een fles kan gevijsd worden. Wij met Vélo M2 proberen een platform uit te bouwen voor modules die passen op bakfietsen: een energiemodule met trapkracht en zonnepanelen, een cinema module of een keuken dat met recup voedsel werkt zijn maar enkel van de honderden mogelijkheden. Al deze modules kunnen worden gebouwd door iedereen om het gebruik van de bakfiets te stimuleren. Wat de twaalf projecten gemeen hebben is dat ze gebaseerd zijn op het open source principe: alle plannen worden openbaar gemaakt zodat een community verder kan werken op de bestaande plannen of gewoon nieuwe dingen kan toevoegen. Alles zit in het delen van ideeën om ze beter te maken.

Dat het open source principe niet enkel in de projecten zit is te danken aan te twee organisaties dat POC21 op poten hebben gezet: OuiShare en OpenState, respectievelijk een Franse en Duitse organisatie dat op basis van creatieve common en Open Source principe organisaties, ondernemingen en mensen steunt om positieve stappen te zetten in deze complexe maatschappij. Voor POC21 hebben ze niet enkel een innovatie kamp gebouwd waar 12 projecten na 5 weken een resultaat moeten tonen naar de buitenwereld, maar een reflectie over hoe we de hele maatschappij anders kunnen structureren zodat we duurzaam zijn over de hele lijn. Het innovatiekamp zelf is bij wijze van spreken open source en is in constante verandering om zich aan te passen aan de mensen die er in wonen en werken en dat in direct verband met de waardes die ze willen naar buiten brengen. Op hun site kan je dieper ingaan op de manier van leven, maar hier zijn alvast de basis principes.

De 130 mensen dat samenleven in het innovatiekamp zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het co-living en co-working aspect. De basis accommodatie werd door de organisatoren klaar gezet, maar sindsdien is elke verbetering een collectieve beslissing. In de ochtend wordt er een check-in gehouden. Mensen mogen dan zeggen waarvoor ze hulp nodig hebben, wat hun plan is van de dag en welke problemen ze ondervonden hebben. De dagtaken worden verdeeld op vrijwillige basis. Het composteren van de droogtoilettes, de keuken, het vuilnis of de nachtwacht wordt verdeeld onder de vrijwilligers, mentors, projectleiders en organisators. Iedereen zit hier op dezelfde lijn. Rond 19u30 wordt een check-out gedaan en krijgt iedereen de kans om mensen in de kijker te zetten of uit te leggen welke verbeteringen en vorderingen er gedaan zijn aan het samen leven. Alles verloopt organisch en de kerngroep grijpt pas in als het echt nodig is. Het co-living onderdeel is even belangrijk als het co-working onderdeel. Het werd snel duidelijk dat enkel 12 projecten tonen in een expo op het einde een gemiste kans zou zijn, en het simpelweg zou passen in onze prestatie gerichte maatschappij. Een beschouwing over het totaal proces is hier noodzakelijk.

Wat POC21 het beste omvat is een broeiplaats voor creativiteit, dit is niet enkel te danken aan het feit dat er meer dan 100 mensen van over heel de wereld samenzitten in een kasteel, maar dankzij de mentordays dat worden georganiseerd. Momenten van reflectie waar de projecten en deelnemers de kans krijgen om nieuwe kaders te ontdekken via specialisten in hun vak domein. Zo kregen we bezoek van Michel Bauwens, een Belgische filosoof dat bij de meest invloedrijke denkers van het moment behoort dankzij zijn Peer To Peer Foundation. Tomas Diez is de co-founder van een van de eerste FabLabs van Europa en staat mijlenver voor op het gebruik van dergelijke instituten in de dagelijkse maatschappij. Ook was Till Wolfer aanwezig op POC21, hij is een van de designers dat de XYZ Cargo Bike en het systeem erachter ontwierp samen met N55 Collective waarop wij ons project baseren.

Al deze mensen hadden een directe invloed op ons denken en kijk op het project. Meermaals kregen we een mokerslag dankzij de mogelijkheden die ze ons gaven, en stapsgewijs leerden we een principe van Open Source kennen: het is niet erg om niet alles te weten, blijf open voor nieuwe mogelijkheden en heb geen schrik om je project te herdenken. Michel Bauwens gaf ons het Fair Chare principe en de Copy Fair License die we kunnen gebruiken om een eerlijk ecosysteem te bouwen rond ons project. Zou zouden non-profit en privé gebruikers de modules vrij kunnen gebruiken en profit organisaties in ruil voor een investering in de community eveneens werken met de modules. Till Wolfer gaf ons dan weer meer inzicht in het modulaire systeem en hoe we een basismaat konden gebruiken om het project een breder draagvlak te geven. Tomas Diez liet ons dan weer dromen over de toekomst van FabLabs waar je je eigen machines zou kunnen bouwen uit simpele materialen voor je fablab. Weer een stap verder in de goeie richting.

Na twee weken samenwonen en samenwerken vond ik het tijd om even tot bezinning te komen. Alle projecten zijn in de fase toegekomen waar ze beginnen te bouwen en er is een bekommernis dat er geen tijd meer zou zijn om de grotere thema’s en kaders te bespreken. Ik noteerde op het dorpsplein bord dat we deze zondag een filosofische sessie gingen houden met de volgende preview: “Learning to build a boat to avoid drawning is great. But we can’t do it by only giving the plans, we need to give the desire to travel by sea”. Achter deze gedachten zit de vraag hoe we het open source principe breder kunnen toepassen op de maatschappij. Want het is mooi, samenleven in een kasteel met 100 wereldverbeteraars, maar zo ontstaat er een bubbel, en onze taak is juist de bubbels te doorprikken. Tijdens het derde weekend, kwamen een tiental mensen naar de Wooden Dome en we begonnen onze gedachte te structureren. Onze redenering startte met het idee dat de expo het kanvas is voor de buitenwereld, en we moeten een verhaal hebben dat zowel de hackerspace gebruikers als onze mama’s aanspreekt. We begrijpen snel dat er geen afgebakend antwoord is, dat zou paradoxaal zijn voor het open source principe, maar we zien ook dat achter open source basis waardes zijn dat oplossingen geven voor onze huidige maatschappij. Het helpt ideeën sneller concreet maken, het geeft je een empowered gevoel als je zelf iets doet, het maakt de dingen dat je bouwt meer waardevol dan wanneer je ze koopt, het helpt je niet alleen te voelen. Dit zijn waardes waar iedereen zich in kan vinden en dat moeten we proberen te delen op de expo. Met deze bedenkingen eindigen we ons gezellig onder onsje met drie vragen die we zullen stellen aan elke kampbewoner:

Why do You Open Source (om een semantiek te bouwen rond open source)
What aspect of the Camp can we open source (om open source buiten het kader van software en hardware te brengen)

How did your most valuable conversation at POC21 start (om te begrijpen hoe ideeën vorm krijgen en mensen te helpen in hun creativiteit)

We zitten bijna halfweg en POC21 blijkt nu al een geslaagd Proof Of Concept te zijn. Laten we de komende 3 weken sleutelen aan het totaalproces om het te kunnen herhalen in tal van plekken over de hele wereld en dat deze 12 projecten niet enkel succesvol zijn, maar dat er tientallen andere projecten uit te grond worden gestamd dat dezelfde principes behouden en de samenleving weer centraal zet boven het geldgewin.

Drie “governance hacks” om peer productie om te vormen tot een echt economisch en sociaal systeem

Door Michel Bauwens

Originele tekst P2P Foundation

Het kapitalisme was niet altijd een organisch en dominant systeem. Alvorens het de status verwierf van een volwaardige productiewijze, anders gesteld van een samenhangende manier om waarde te creëren en te verdelen, of van een specifieke vorm van samenleving en beschaving, diende het in te breken in het oude systeem om het naar zijn eigen beeld te kneden. In “zijn boek “De Grote Transformatie” legt Karl Polanyi uit hoe bijvoorbeeld de vroege kooplieden nog steeds afhankelijk waren van ambachtslui en gilden (het zogenaamde ‘putting-out’-systeem) en er aanvankelijk niet in slaagden om van arbeid een koopwaar te maken.

Deze situatie verschilt niet veel van het ‘proto’-productiesysteem dat vandaag in opmars is: peerproductie gericht op gemeengoed (‘commons-oriented peer production), waarbij een gemeenschap van bijdragers, al dan niet betaald, een gemeengoed of ‘commons’ (gedeelde hulpbronnen die beheerd worden door hun gebruikers) creëren in plaats van goederen (koopwaar). Hoe kan deze opkomende, postkapitalistische logica die nu al de logica van arbeid als koopwaar overstijgt, dominant worden? Hoe maken we van peerproductie een organisch systeem? Tegen deze achtergrond stellen de P2P Foundation en soortgelijke netwerken van P2P-activisten een aantal hacks voor.

De centrale kwestie is de volgende: hoe houden we de “waarde”” binnen de sfeer van de commons, zodat die kunnen groeien en zichzelf reproduceren? Of in andere woorden: hoe kunnen we op basis van onze bijdragen in ons levensonderhoud voorzien?”

De copyfair licentie

Een eerste “hack” is de copyfair licentie, een licentie die steunt op wederkerigheid. Waarom is dat nodig? Volgens de traditionele, negentiende-eeuwse definitie van communisme is de General Public Licentie technisch gezien een communistische licentie: “van ieder naargelang zijn bijdragen, voor ieder naargelang zijn noden”. Maar binnen onze huidige politieke economie leidt een dergelijke dynamiek onvermijdelijk tot de overheersing van een economie die gebaseerd is op “vrije en gedeelde hulpbronnen” door grote privéspelers en bovendien tot het gebruik van deze gedeelde hulpbronnen door organisaties die er niet toe bijdragen.

Dit “liberaal communisme” (communisme in dienst van het kapitaal en de liberale waarde van het ‘recht op delen’) is niet noodzakelijk een probleem voor niet-rivaliserende en antirivaliserende hulpbronnen zoals kennis en softwarecode, maar het kan wel problematisch zijn als we spreken over design, zaden en andere vormen van delen die verbonden zijn aan fysieke productie. Als we immers moeten investeren in gebouwen, machines, grondstoffen en salarissen, kan de private overheersing van de open economie een probleem vormen.

Bijgevolg zou een licentie die een of andere vorm van wederkerigheid vereist een aantal voordelen opleveren. De vereiste dat bedrijven die zelf niet bijdragen tot de commons een licentievergoeding zouden betalen, zou een kapitaalstroom genereren naar de sfeer van de commons, zijn gemeenschappen en “Stichtingen” (Foundations). Ten tweede -en belangrijker- zou de vereiste om wederkerigheid te definiëren opnieuw een “morele economie” creëren die positieve sociale externaliteiten zou re-integreren binnen de marktsfeer zelf.

Open coöperatieven

Onze tweede “hack” zou bovendien een dynamiek op gang brengen op het vlak van beheer en eigendom. Wij stellen voor dat commoners eigen “open coöperatieven” zouden oprichten, dus coöperatieven die niet alleen werken voor hun eigen leden, maar structureel en statutair samen commons creëren naast het voorzien van een inkomen voor de coöperatieve arbeiders. In dit model zou de coöperatieve een maatschappelijk doel hebben, niet winstgericht zijn (de winsten worden dan gebruikt om een maatschappelijk doel te realiseren), meerdere stakeholders betrekken, maar ook samen gemeengoed creëren in de vorm van zowel immateriële commons (gedeelde kennis) maar ook gedeelde materiële hulpbronnen (een voorbeeld is de woningcoöperatieve “Allianza Solidaria” in het zuiden van Quito die van zijn leden 100 uur arbeid vraagt voor de creatie van gemeenschappelijke parken).

Deze nieuwe coöperatieven zouden niet langer uitmonden in organisaties die egoïstisch handelen op de kapitaalmarkten ten behoeve van hun eigen leden, maar zouden een gemeengoed creëren dat op natuurlijke wijze tot hun normale activiteiten zou behoren. Een gelijkaardig voorstel is het eigendomsmodel gebaseerd op eerlijk delen (‘fairshares ownership), waarbij het eigendom in vier gelijke parten wordt verdeeld: een voor de stichters, een voor de investeerders, een voor de arbeiders en een voor de gebruikersgemeenschappen.

Open aanvoerketens en open boekhouding

De derde en laatste hack die we voorstellen is de oprichting van open aanvoerketens en open boekhouding. Van zodra er een “ethische ondernemerscoalitie” is opgericht rond de copyfair licentie en/of een sociaal charter met gemeenschappelijke waarden en een oriëntatie naar het gemeengoed, kan op natuurlijke wijze worden overgeschakeld van competitie naar samenwerking en het delen van informatie over productie en boekhouding doorheen het netwerk. Een voorbeeld is Enspiral, een netwerk van sociale ondernemers in Nieuw Zeeland, die binnen hun netwerk transparantie bedrijven.

Dankzij deze hack zou de wederkerige en stigmergische coördinatie van productieve activiteiten die reeds van toepassing is in de immateriële productie van kennis, code en design, ook beginnen met het op gang brengen van een dynamiek van postkapitalistische wederkerige coördinatie in de sfeer van reële fysieke productie.

Als deze drie stappen door verschillende actoren gelijktijdig worden genomen, zou peerproductie op een betekenisvolle manier evolueren naar een functionerend organisch systeem dat in staat is om zichzelf te reproduceren aangezien de bijdragers tot de commons een coöperatief levensonderhoud zouden kunnen creëren. We zouden geëvolueerd zijn van een “communisme van kapitaal” naar een “kapitaal van de commons”.

vertaling: Jean Lievens

MEER MARKT BETEKENT: MEER BUREAUCRATIE

Origineel artikel door Eelke Van Ark:
gepubliceerd op “Follow the Money“, 8 juni 2015
Meer marktwerking leidt niet tot minder, maar tot meer bureaucratie, stelt David Graeber in zijn nieuwste boek Utopia of Rules. De vergelijking met de Nederlandse zorgsector dringt zich op.
De Amerikaanse antropoloog David Graeber, professor aan de London School of Economics, is zo’n schrijver die je aan het denken zet op een manier die weinigen gegeven is. Zo haalde hij met zijn fascinerende boek Debt, the first 5000 years, onze fundamentele manier van denken over geld, schuld en krediet overhoop met een uiteenzetting over hoe geld daadwerkelijk ontstond. Niet, zoals ons geleerd wordt op school, om ruilhandel makkelijker te maken – maar vanuit een complex systeem van wederzijdse gunsten en sociale transacties; ofwel krediet was de voorloper van geld. Dit jaar verscheen zijn boek Utopia of Rules: on technology, stupidity, and the secret joys of bureaucracy, dat eenzelfde poging doet om onze ideeën over bureaucratie op de proef te stellen.

Het is een essaybundel in drie delen, die met kleurrijke voorbeelden vanuit de prehistorie tot aan het verschijnen van de film The Dark Knight Rises onze wereld toont als een immer uitbreidende bureaucratie die steeds meer aspecten van ons leven omvat en onze inventiviteit en creativiteit smoort. Maar tegelijkertijd werpen deze opstellen een licht op de aantrekkelijke kanten en de functionaliteit van een onpersoonlijk regelframewerk.

De IJzeren Wet van Liberalisme
Graeber gaat in Utopia of Rules voortvarend van start door ons voor te houden hoe het discours over bureaucratie steeds meer verdween, terwijl de hoeveelheid papierwerk steeg. ‘Bureaucracy is the water in which we swim‘, stelt hij. We ademen bureaucratie, het valt ons nauwelijks meer op en daarom praten we er niet meer over. Ter illustratie bevat het boek twee grafieken. Een die het gebruik van het woord ‘bureaucratie’ met een piek vlak voor de jaren tachtig weergeeft, en een van in het algemeen aan papierwerk gerelateerde termen. Die vertoont een hockeystick-curve die blijft stijgen tot in het heden.
De grootste eye-opener van het boek volgt al vlot. Die hangt samen met de manier waarop we markt en overheid zien: als twee onafhankelijk bestaande, ja zelfs diametraal tegenovergestelde realiteiten die niets met elkaar te maken hebben. Een illusie die zijn oorsprong vindt in het liberalisme van de negentiende eeuw met zijn droom van een markt die vrijheid zou bieden en de macht van de autoritaire staat uiteindelijk zou ondermijnen. Maar, laat Graeber zien, geen enkele markt is ooit ontstaan buiten die overheid om. Integendeel: markten zijn altijd ofwel het bijproduct geweest van overheidsingrijpen, ofwel direct door overheden geschapen.

Met die droom van marktvrijheid ontstond ook de overtuiging dat de markt het fenomeen bureaucratie vanzelf zou oplossen. Een idee dat we vandaag de dag nog voor lief nemen: overheid staat gelijk aan bureaucratie, terwijl elementen van markt en marktwerking geassocieerd worden met minder regels en meer efficiency.

Niets was echter minder waar, demonstreert Graeber aan de hand van de opkomst van het Engelse liberalisme: dat leidde tot een explosie van dienaren van die bureaucratie: juristen, notarissen, inspecteurs, politie-functionarissen en meer. ‘Het onderhouden van een vrije markteconomie bleek duizendmaal meer papierwerk te vergen dan een absolute monarchie in de stijl van Lodewijk de Veertiende’.

Die groei van bureaucratie was er niet ondanks maar terwille van de vrije markt, bureaucratie diende juist voor het faciliteren van die markt. Dit zien we zo vaak terug in onze wereld dat David Graeber er een sociologische wet voor voorstelt: De IJzeren Wet van Liberalisme. Die stelt: iedere markthervorming, ieder initiatief vanuit de overheid om te dereguleren en marktelementen de ruimte te geven, zal uiteindelijk leiden tot een toename van de totale hoeveelheid papierwerk en het aantal ambtenaren dat de overheid in dienst heeft.

Oftewel: meer markt brengt altijd meer regels en meer papierwerk.

‘Deregulering’ in de zorg
Hoe dit idee ook tegen ons intuïtieve beeld van de markt als flexibele, regelarme vrijplaats indruist – Graeber maakt hier een uitstekend punt. De enige plek in het Nederlandse debat waar de afgelopen paar jaar voorzichtig het thema bureaucratie weer opduikt, is niet voor niets de vers geprivatiseerde zorgsector.

Een eerste vereiste om van de zorg een markt te maken was het ontwerpen van een stelsel om alle mogelijke behandelingen als uniforme producten te kunnen voorzien van een prijs. Het systeem van Diagnose- en Behandelcombinaties, kortweg ‘DBC-systeem’, werd daarvoor opgetuigd. Veertigduizend verschillende ‘zorgproducten’ werden daarin beschreven. Het systeem zorgde voor een enorme toename aan administratieve lasten, was even prijsopdrijvend als het 26 jaar eerder ook al was toen het in de Verenigde Staten werd ingevoerd en is inmiddels vervangen door een versimpelde versie getiteld ‘DBC’s op weg naar Transparantie’ – met alle menselijke en financiële inzet van dien en de bijbehorende regels en verplichtingen ten opzichte van het gebruik van het systeem.

Ziekenhuisfusies
Maar een misschien nog simpelere illustratie van Graeber’s punt is te vinden in de recente discussie in onze omgeving over ziekenhuisfusies. Dat ziekenhuizen het aantrekkelijk vinden om te fuseren zag iedereen aankomen: de stimulans daartoe is groot, doordat de instellingen een betere onderhandelingspositie willen in de verplichte onderhandelingen met de machtige zorgverzekeraars. Dat te grote ziekenhuizen onwenselijk zijn, vinden zelfs de voorstanders van het zorgstelsel, minister Edith Schippers voorop.

Er waren in principe twee opties: óf een algeheel fusieverbod – zoals dat ook al eerder van kracht was geweest, óf fusies toelaten onder voorwaarden. De eerste optie is direct overheidsingrijpen op de vrijheid van ziekenhuizen. De tweede is een vorm van meer marktvrijheid, waarbij twee toezichthouders per geval groen licht geven voor een fusie of niet. Aan de hand van een aantal protocollen en criteria uiteraard. Liberaal Schippers koos vanzelfsprekend voor de laatste optie. Met als gevolg: een flinke ureninzet van de toezichthouders om de fusievoorstellen te beoordelen, waarvan er een achteraf liet weten dat de meeste fusies tot onacceptabele prijsstijgingen zouden leiden. Geen enkele fusie werd afgewezen, wat leidde tot nieuwe commotie over de ziekenhuisfusies in de politiek en de roep om beter toezicht. Een verbod had zowel de belasting van de toezichthouders bespaard als de commotie over gevaarlijke fusies.

Winstuitkering
Tot slot laat het wetsvoorstel dat winstuitkering in de zorg mogelijk moet maken, zien hoe meer marktvrijheid meer bureaucratie veroorzaakt. Op dit moment is het nog steeds verboden voor een zorginstelling om winst uit te keren aan aandeelhouders. Bijzonder markt-onvrij, zou je kunnen zeggen. Edith Schippers wil op dit punt dan ook graag dereguleren. Winstuitkering moet mogelijk worden. Gewoon dat verbod opheffen dus?

Dat blijkt lastig: door zonder verdere voorwaarden aandeelhouderswinst mogelijk te maken, wordt het voor investeerders van twijfelachtig allooi ook makkelijk om een instelling leeg te trekken. Al zou de investeerder het in principe goed menen: onder druk van aandeelhouders winst maken geeft veel risico op beknibbelen op kwaliteit of het verhogen van prijzen, vrezen economen. Daarom zijn er allerlei extra wettelijke voorwaarden nodig om winstuitkering mogelijk te maken. Ten eerste de wet zelf, die eind 2014 werd teruggetrokken door Schippers om hem later opnieuw voor te kunnen leggen aan de Kamer. Daarin staat onder meer opgenomen aan welke voorwaarden een ziekenhuis moet voldoen om winst te mogen uitkeren en na hoeveel tijd dat mag. De wet zou een heel nieuw toetsingskader voor ziekenhuizen met zich meebrengen, om maar te zwijgen over bijkomende beleidsregels of inzet van toezichthouders en juristen als ziekenhuizen daadwerkelijk met hun aandelen de markt zouden betreden.

De IJzeren wet van Liberalisme lijkt hier kortom onverkort op te gaan: dat wordt een flinke groei in papierwerk.

Menselijkheid
Graebers boek is een aanklacht tegen het steeds verder uitbreiden van bureaucratie. Het bedrijfsleven wordt in groeiende mate beheerst door bureaucratieën, niet alleen van buitenaf maar ook van binnenuit. Grote bedrijven zijn in feite bureaucratieën op zich. Zoals de zorgverzekeraars in Nederland dat zijn, maar ook het gemiddelde telecombedrijf of de bank. Deels is dat noodgedwongen: zowel Achmea als DSW hebben zich te houden aan de verplichtingen die de overheid stelt aan zorgverzekeraars. Dat krijg je als je als commercieel bedrijf een publieke taak moet uitvoeren. Maar deels hangt dat ook samen met de grootte van het bedrijf. De grote zorgverzekeraars zijn met hun enorme klantenbestanden per definitie aangewezen op de binaire logica van de bureaucratie die alles vereenvoudigt en standaardiseert; iets anders zou het niet werkbaar zijn.

Het gevaar daarvan is volgens David Graeber de teloorgang van onze capaciteit voor innovatie en het creatief oplossen van problemen. Wetenschappers zijn meer tijd kwijt met het invullen van formulieren en het schrijven van onderzoeksaanvragen, laat hij zien, en het pitchen van een origineel idee is per definitie weinig kansrijk voor het ontvangen van financiering. Managers moeten in de bureaucratie namelijk kunnen aantonen dat ze onderzoeksgelden zinnig besteden en zijn daarom op zoek naar veilige investeringen. Een origineel idee is risicovol: niemand heeft namelijk ooit laten zien dat het werkt. Zo smoort de auditcultuur ieder creatief initiatief in de kiem.

Ook daarin dringt de vergelijking met de zorg zich op. Het controleren van kwaliteit van zorg lijkt een doel op zich te worden. Het aantal kwaliteitsindicatoren vertienvoudigde de afgelopen vijf jaar en oud-minister Hans Hoogervorst zegt in bestuursblad Lucide begin dit jaar dat het nog maar het begin is: ‘Kwaliteitsmanagement staat nog maar in de kinderschoenen’. De hoeveelheid tijd en middelen die in het controleren en administreren van al die indicatoren gaat zitten verdringt niet alleen in financieel opzicht de professional, maar ook diens vakkennis en creatieve vermogen tot probleemoplossing.

De binaire logica van de zakelijke bureaucratie, waarin alles noodzakelijkerwijs versimpeld, onpersoonlijk en inwisselbaar is, botst met de fundamentele menselijkheid die de zorg hoort te behouden.

Om daaruit te komen, is het zaak om onze systemen ondergeschikt te maken aan hun intrinsieke bedoelingen. Professionals en patiënten de ruimte te geven voor nieuwe oplossingen. Dat vergt een kritische blik op zowel de zucht naar controle en beheersing van de zorg als de notie dat marktmechanismen vanzelf alles wel op zouden lossen.

Het is tijd om in actie te komen. In een wereld waar alles om geld draait, kunnen we alleen samen het verschil maken

P2P economie – Jean Lievens over “P2P als prototype van een nieuwe productiewijze en economie

In het kader van de digitale week organiseerden stad Kortrijk en ESF project OWAES op 30/4/2015 een studienamiddag rond digitale peer-to-peer economie in The Level te Kortrijk.

In een half uurtje de geschiedenis van de menselijke ontwikkeling, de verschillende productiviteitsrevoluties en de transitie naar een nieuw economisch systeem uitleggen, bleek misschien wel wat hoog gegrepen, maar ondanks enige vermoeidheid na een drukke werkweek heb ik toch genoten van deze interessante namiddag over de nieuwe P2P – economie, en was ik vereerd er als laatste het woord te mogen voeren. Omdat ik wist dat de meeste deelnemers er al een lange dag op hadden zitten, heb ik wat grapjes ingelast, waarbij de een al wat beter lukte dan de ander… Met dank aan Geert Hofman.

Jean Lievens

Hierbij ook nog het korte debat achteraf

Labo voor een andere wereld: De Broeikas

De Broeikas wil een laboratorium zijn voor een andere wereld. Een wereld waarin het hart klopt op een duurzame manier. In the picture staan sociaal-groene experimenten. Experimenteren is zoeken, leren door vallen en opstaan. De Broeikas zal dus een ruimte zijn waar nieuwe coalities welkom zijn. Jonge kiemen, gewaagde ideeën. Projecten die niet altijd de nodige ademruimte krijgen in onze snelle samenleving. Tegenstrooms willen we dan ook varen. Om zo te komen tot vertraging, verstilling en verdieping. Essentiële stapstenen in de weg naar die andere wereld toe.

Een hele waaier aan activiteiten vonden reeds plaats onder ons dak. Concertjes, creakampjes voor kinderen omtrent grafiek en textiel, kampeerweken voor vrienden en buurtbewoners, kampvuurkringen, voetbalwedstrijden op groot scherm, rondleidingen rond ecologisch verbouwen, opendeurdagen rond samenhuizen,… En binnenkort ook thuisplatform voor het Neervelpse voedselteam dat hier in de lente van start gaat. Vanalles wat, en toch te vatten onder 1 gemeenschappelijke noemer!

Het doel is om met een ploeg van 20 mensen toe te werken naar ’t Broeiweekend. Dat is een campagneweekend dat doorgaat op zaterdag 26 september 2015 en zondag 27 september 2015. Wil je graag een bijdrage leveren dan kan dit simpelweg door een schenking te doen via het rekeningnummer van ‘De Broeikas’ BE88 7450 5594 6841, BIC-code KREDBEBB, met de vermelding ‘steun oprichting’.

Meer informatie vind je hier

Jan Rotmans 2015 in Oss

Op maandag 19 januari 2015 om 20.15 uur geeft hoogleraar transitiekunde Jan Rotmans op verzoek van de bibliotheek en gemeente Oss een lezing in theater De Lievekamp over ‘Oefenen in een andere tijd’.

Volgens Jan Rotmans leven we in een verandering van tijdperk. Een zeldzame periode waarin de samenleving en economie onomkeerbaar veranderen. Zo’n kantelperiode wordt gekenmerkt door chaos en onzekerheid. Er ontstaan spanningen en conflicten tussen degenen die mee willen veranderen en diegenen die het oude in stand willen houden. Een belangrijk kenmerk van onze tijd is dat de meeste veranderingen van onderaf komen en veel zaken weer lokaal zullen worden aangepakt.

Dossier “Burgers nemen het over”

Op www.socialevraagstukken.nl publiceren en debatteren onderzoekers en deskundigen op basis van data en empirie over maatschappelijke kwesties.

De site is een initiatief van Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, de Universiteit van Tilburg (Tranzo), de Instituties van de Open Samenleving (IOS) van de Universiteit Utrecht, het Kenniscentrum Sociale Innovatie van de Hogeschool Utrecht, de Rijksuniversiteit Groningen (Sustainable Society) en MOVISIE. www.socialevraagstukken.nl werkt samen met trouw.nl waarop hier wekelijks artikelen van deze site te lezen zijn.

Op de site werd van start gegaan met ene interessant dossier onder de titel “Burgers nemen het over”. Daarom worden antwoorden geformuleerd op onder andere de volgende vragen: Wat doen mensen die op eigen houtje aan het organiseren slaan? Waaróm doen ze dat, en in welke situaties? Hoe democratisch zijn de door bewoners beheerde zwembaden en buurthuizen? Is er sprake van uitsluiting en meer ongelijkheid? Krijgen ze last of steun van de overheid?

www.socialevraagstukken.nl verkent samen met het ministerie van Binnenlandse Zaken in een een serie artikelen de mooie en donkere kanten van burgers die het heft in eigen handen nemen.

Een deel van dit dossier beslaat de felle polemiek tussen Jan Rotmans en Evelien Tonkens/Jan Willem Duyvendak. Die begon met de stelling van Rotmans dat Nederland kantelt ondanks of danzij de scepsis. Hij verwijt Tonkens en Duyvendak daarin dat ze burgerinitiatieven met dedain beschrijven en de participatiesameleving vooral bezien vanuit de overheid. De twee sociologen reageren daarop met een pleidooi voor een meer empirische kijk op burgerintiatieven en dat dan blijkt dat er geen sprake is van een beweging van onderop.

Hoogleraar transitiekunde Rotmans nodigt Tonkens en Duyvendak vervolgens uit om uit de ivoren toren te komen, en te zien dat de ‘nieuwe wereld’ geen wensdroom is maar een empirische werkelijkheid. De sociologiehoogleraren tonen zich niet onder de indruk en houden wetenschapper Rotmans voor dat hij zich niet moet wagen aan voorspellingen en bij de empirie moet blijven.

In zijn derde bijdrage aan deze polemiek stelt Rotmans dat Tonkens en Duyvendak niet begrijpen dat transitieonderzoek geen kweste is van voorspellen, maar theoretische concepten gebruikt om projecties van een toekomstige samenleving te maken.

Hier volgen links naar de verschillende artikelen van het dossier:

De echte transitie vindt plaats binnen de overheid
De auteurs aan het debat Burgers nemen het over hebben gelijk dat we vooral naar de overheid moeten kijken. Maar zij schrijven daar wel wat te lichtvaardig over, betoogt Jan Schrijver. Want de overheid is ook aan het veranderen. Dat betekent: afscheid nemen van een aantal vanzelfsprekendheden.

Empirisch onderzoek is onvoldoende om transities te begrijpen
Ook in hun tweede reactie blijken Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvendak niet te begrijpen dat transitieonderzoek geen kweste is van voorspellen, maar theoretische concepten gebruikt om projecties van een toekomstige samenleving te maken. Kijk hier voor een overzicht van deze polemiek.

Overheid moet ruimte maken voor burgerinitiatieven, ook bij zichzelf
Een gesprek over burgerinitiatieven gaat onvermijdelijk ook over de overheid. Of zij ongelijkheid tussen burgers moet accepteren of zelfs stimuleren. En hoeveel ruimte zij ondernemende ambtenaren moet bieden om samen met maatschappelijke koplopers aan de weg te timmeren.

Wetenschapper Rotmans moet zich niet wagen aan voorspellingen
Dat burgers zich massaal zelf organiseren in diverse initiatieven, is voor Jan Rotmans de voorbode van een nieuwe werkelijkheid. Volgens Jan Willem Duyvendak en Evelien Tonkens kan de wetenschap echter niet voorspellen, en moet die zich baseren op empirisch onderzoek.

Tijd voor actie! Vijf ijkpunten voor overheidsparticipatie

Imrat Verhoeven volgde de catfight tussen Jan Rotmans en Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvendak met stijgende verbazing. Een heftig debat over burgerinitiatieven en sociaal ondernemerschap. In de hitte van de strijd vergaten de opponenten de overheidsrol.

Kom uit de ivoren toren, welkom in de nieuwe wereld
Hoogleraar Transitiekunde Jan Rotmans weerspreekt de kritiek van de sociologen Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvendak: de kantelende samenleving is geen wensdroom maar een empirische werkelijkheid. Rotmans nodigt hen tot een uitstapje.

Buurtbewoners kunnen veel zelf, maar gemeenten moeten wel de voorwaarden creëren
Na de clash dit weekend tussen Tonkens-Duyvendak en Rotmans vandaag meer wetenschap over burgerinitiatieven: buurtbewoners maken zelf wel uit of zij zich organiseren om de buurttuin te onderhouden. Maar gemeenten doen er wel verstandig aan zelforganisatie te bevorderen.

Graag meer empirische en minder eufore kijk op burgerinitiatieven
Hoogleraar Transitiekunde Jan Rotmans verwijt Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvendak geen oog hebben voor de revolutionaire kanteling van de samenleving. Ze zouden zelfs dedain tonen voor de burgerinitiatieven die alom ontstaan. Een repliek.

Burgers hebben hulp nodig bij het zelf doen
Burgers moeten heel veel zelf gaan doen en velen kunnen dat ook. Toch zijn er groepen die behoefte hebben aan intelligente vormen van niet-paternalistische ondersteuning. Dat gaat niet zonder een professionele helper. Het is tijd om de methodische traditie serieus te nemen.

Do it together: de koorts van optimistische naïviteit
Het lijkt wel of er twee soorten ‘actieve burgers’ zijn. De sociaal ondernemers van Jan Rotmans die innovatief en spannend maatschappelijke veranderingen initiëren. En de rest van Nederland: de kwetsbaren die volgens Jaap Olthof lijden onder de optimistische naïviteit in het sociale domein.

Nederland kantelt ondanks of dankzij de scepsis
Burgers nemen steeds vaker zelf het heft in handen. Samen vormen ze een beweging die de samenleving ingrijpend zal veranderen. Velen lezen de tekenen des tijd niet goed en doorzien de consequenties nog niet, aldus de Rotterdamse hoogleraar Transitiekunde Jan Rotmans.

De actieve bewoner is een professional, nou en?
Bewoners die hun eigen wijk ontwikkelen, kan dat? De eerste bewoners van Buiksloterham aan de Amsterdamse IJ-oever tonen zich uiterst initiatiefrijk. Alom lof, want bottom-up is in de mode. De kritiek: het zijn eigenlijk professionals. Trekker Frank Alsema: ‘Zijn we dan geen burger en bewoner meer?’

Zelforganisatie komt van onderop en is niet af te dwingen
De laatste jaren staat de zelforganisatie van mensen hoog op de politieke agenda. In de ‘participatiesamenleving’ behoren burgers voortaan zelfredzaam te zijn en zorg te dragen voor elkaar. Dat vraagt om een omslag in denken en handelen van burgers én professionals.

Beroepskracht cruciaal in vrijwilligerszwembad
Muziekschool, sporthal, bibliotheek, zwembad – allerlei voorzieningen staan onder druk doordat gemeenten minder geld hebben. Burgers moeten het zelf doen, is de politieke boodschap. Dat blijkt mogelijk, zoals in Lichtenvoorde, waar vrijwilligers de exploitatie van het zwembad overnamen.

De Buurtboerderij als sociaal laboratorium
In discussies over burgerkracht hoor je vaak dat burgerinitiatieven moeten bijdragen aan ‘sociale samenhang’ en ‘inclusie van kwetsbare groepen’. De roerige geschiedenis van Buurtboerderij Ons Genoegen in het Amsterdamse Westerpark laat zien dat zelforganisatie doorgaans gepaard gaat met voortdurende in- en uitsluiting.

‘Veel zogenaamde zelforganisatie bestaat dankzij een dikke subsidievinger’
De Lucas Community is een van die zelforganiserende initiatieven waar momenteel zoveel aandacht voor is. Voor ‘aanjager’ Mostafa el Filali is zijn gemeenschap van ‘bewondernemers’ uniek; veel andere zogenoemde zelforganisaties bestaan toch vooral dankzij een dikke subsidievinger. ‘Het is: zoveel mogelijk zelf doen en alle spullen bij elkaar sprokkelen.’

Cruciaal: persoonlijke belangen bij het burgerinitiatief
Burgerinitiatieven proberen een antwoord te formuleren op een ervaren gebrek of ongemak. Burgers zélf zetten er gezamenlijk de schouders onder, in samenwerking met de lokale overheid. Maar op de achtergrond spelen soms persoonlijke belangen.

Een duurzame samenleving op basis van Peer2Peer: Een interview met Michel Bauwens

Origineel gepubliceerd op 22 januari 2014 door Oikos

door Romaike Middendorp

Michel Bauwens – oprichter en onderzoeker van de Peer-to-Peer (P2P) foundation – heeft het druk. In oktober en november 2014 was hij een aantal weken in zijn geboorteland België, waar hij volle zalen trok dankzij zijn visie op een nieuw economisch model dat in de steigers staat. Zo ook op 13 oktober in het Kunstcentrum STUK in Leuven. Omwille van zijn pionierswerk op dit gebied belandde hij in 2012 in de top 100 van de wereldwijde (En)Rich List samengesteld door de Post Growth Institute die jaarlijks de meest inspirerende persoonlijkheden op het gebied van duurzaamheid op een rij zet. Oikos had het geluk om hem enkele brandende vragen voor te leggen.

U bent oprichter van de P2P Foundation. Kunt u iets meer vertellen over het werk van deze stichting en P2P in het algemeen?

De Peer2Peer – ofwel ‘gelijke-tot-gelijke’ (oftwel: P2P) – Foundation is formeel gezien een stichting die gesitueerd is in Amsterdam en fungeert als een ontmoetingsplek voor diegenen die bijdragen aan een open, participatieve en een op commens gebaseerde samenleving. Commens zijn gemeenschappelijke eigendommen van de samenleving (ofwel: ‘gemeengoed’) en zijn dus niet in private handen. We monitoren, observeren en beschrijven initiatieven in de echte wereld en proberen deze samen te brengen onder een groep coherente concepten en beginselen. Als netwerk doen we een aantal dingen, zoals: het samenbrengen van mensen, het distribueren van kennis door middel van een blog, het organiseren van bijeenkomsten, het opbouwen van een theorie omtrent sociale verandering, enzovoort. Daarnaast proberen we P2P ook te promoten. Dit alles gebeurt in verschillende talen.
P2P processen brengen gebruikswaarde voort dankzij een vrije samenwerking en toegang tot gedistribueerd kapitaal. P2P-productie onderscheidt zich van de huidige winstgerichte productie door private bedrijven als ook van productie door staatsbedrijven. P2P is niet gericht op het voortbrengen van ruilwaarde voor de markt, maar enkel van gebruikswaarde voor de gemeenschap. Het gaat hier om bijvoorbeeld vrije software bewerking, open design, vrije kennis, enzovoort.
P2P samenwerking heeft eigenlijk altijd al bestaan. Maar met het ontstaan van het kapitalisme, is het gemeengoed langzaam afgebroken. Door het ontstaan van het digitaal gemeengoed, verandert dit stilaan. Dankzij internet en netwerktechnologie wordt het gemakkelijker om samen globale projecten te organiseren. Dit brengt de commens terug in de maatschappij en creëert een nieuwe manier van denken.
P2P is een manier van waarde-productie, van gemeenschappelijk design gebaseerd op het uitwisselen van informatie. De mogelijkheid om te delen leidt tot een reductie van de marginale kosten. Een bekend voorbeeld hiervan is het project van Wikispeeds. In slechts drie maanden heeft een team van internationale ingenieurs een auto ontwikkeld die vijfmaal efficiënter is dan elke andere auto en daarnaast heel intelligent is ontworpen. De auto heeft een participatief ontwerp en kan geprint worden in gedistribueerde micro-fabrieken met behulp van een 3D printer. Doordat dit op aanvraag kan gebeuren, voorkomt het overproductie. Daarnaast verandert het de manier waarop waarde gecreëerd wordt volledig. Wikispeeds heeft aangetoond dat het mogelijk is het productieproces van goederen – niet enkel van auto’s – te revolutioneren: namelijk door middel van een gedistribueerde productie die verloopt in lokale microfabrieken.

Uw these is dus dat het nieuwe systeem op basis van P2P het oude systeem kan vervangen?

Ja, dat klopt. Er zijn een aantal belangrijke verschillen tussen P2P en zowel de kapitalistische als bijvoorbeeld de gift economie. Kapitalisme combineert pseudo-overvloed in de materiële wereld met artificiële schaarste in de immateriële wereld. We extraheren grondstoffen alsof de natuur oneindig is met als gevolg tal van milieuproblemen, waaronder biodiversiteitsverlies en klimaatverandering. De marktstaat is de externe regulator en private arbeid genereert waarde die gevangen wordt door private coöperaties. De civiele maatschappij staat hier buiten. Daarnaast bestaan er copyrights en patenten die voorkomen dat mensen informatie en kennis delen. Dit is een probleem.
Een belangrijk verschil met de oude productiewijze is dat in P2P de traditionele arbeidsverdeling plaats moet maken voor een taakverdeling. In P2P productie kiest iedereen zelf taken. Deelnemers aan een project kunnen de taken bekijken die al gedaan zijn en die nog moeten gebeuren. Zo is Wikipedia bijvoorbeeld een stigmergisch systeem: het is een transparant systeem dat functioneert aan de hand van het uitzenden van signalen. P2P is dus geen marktmechanisme en ook geen staatsmechanisme.
Momenteel bevinden we ons in een overgang naar een post-kapitalistische samenleving. In plaats van commodities in het kapitalistisch model, dragen mensen bij aan commens met een directe gebruikswaarde in het P2P systeem. Kapitalisme maakt producten met als doel ruilwaarde te creëren en daarmee winst en eventueel een nuttig product te maken. Indien het product niet nuttig is, dan wordt de burger wijsgemaakt dat het een nuttig product is door middel van marketing. Dit is in tegenstelling tot P2P waarbij direct waarde wordt gecreëerd, met vervolgens daaromheen de markt. Het is wel mogelijk om winst maken, bijvoorbeeld door het gebruiken en het installeren van die toepassingen, het ontwikkelen van nieuwe software, het integreren van die systemen, de strategieën, maar winst is niet het doel. Deze manier van produceren brengt het gemeengoed terug in de vergelijking. De grote zwakte van het kapitalisme is dat het de externe kosten afwentelt op de samenleving. P2P daarentegen gaat uit van ‘object-oriented sociality’ – de logica van het doel bepaalt de sociale logica.
Een voorbeeld waarin kapitalistische productie niet direct gericht is op de gebruikswaarde van het product zijn mobiele telefoons. Grote elektronica bedrijven, zoals Apple, ontwikkelen telefoons met telkens een nieuwe plug en bouwen daarnaast opzettelijk slijtage in, waardoor telefoons na een bepaalde gebruiksduur stuk gaan. Op deze manier verzekeren grote bedrijven zich ervan dat ze zich staande kunnen houden in een verdienmaatschappij. Wanneer een product vanuit de P2P gedachte – dus vanuit de gemeenschap – gemaakt zou worden, zou dit nooit het geval zijn. Niemand in de community heeft namelijk baat bij een telefoon of auto die na 15 of 20 jaar stuk gaat, aangezien de leden zelf van deze goederen gebruik maken.

In het eerste semester van 2014 werd Michel Bauwens gevraagd door de regering van Ecuador om een model te ontwikkelen dat de economie van het land volledig kan hertekenen. De FLOK Society onderzoeksgroep hebben het eerste geïntegreerde Commons Transitions Plan ontwikkeld, dat gebaseerd is op principes van open kennis en participatie. Hij vertelde ons meer over hoe een P2P samenleving er in de praktijk uit zou kunnen zien en wat daar de voorwaarden voor kunnen zijn.

Hoe is het FLOK Society project in het leven geroepen?

Het FLOK Society project is in het leven geroepen door drie overheidsinstituten uit Ecuador: het Ministerio Coordinador de Conocimiento y Talento Humano (het ‘Coördinerende Ministerie voor Kennis en Menselijk Talent’), het SENESCYT (Secretaría Nacional de Educación Superior, Ciencia, Technología e Innovación) en het IAEN (Instituto de Altos Estudios del Estado). De basis voor dit project komt vanuit het Nationaal Plan van Ecuador, gecentreerd rondom het concept Buen Vivir (letterlijk: ‘het goede leven’). Geïnspireerd door de traditionele waarden van de inheemse bevolking van Ecuador, waarin er op een minder materialistische manier aangekeken wordt tegen de economie en het sociale leven. Het is onmogelijk voor een land zoals Ecuador, wat nog volgens neokoloniale afhankelijkheden functioneert, om over te stappen op een eerlijkere samenleving zonder kennis toegankelijk te maken voor de bevolking. Zonder de benodigde materiële en immateriële condities, kan deze kennis – in de vorm van onderwijs, wetenschap, agricultuur, industrie – niet gedijen.
Het doel van de progressieve regering van Rafael Correa was om het land minder afhankelijk te maken van de door het westen gedomineerde globale economie. Momenteel exporteert Ecuador ruwe materialen tegen weinig toegevoegde waarde en importeert consumptiegoederen tegen een hoge toegevoegde waarde. Ons onderzoeksteam heeft een half jaar gewerkt aan een tal van wetsvoorstellen en proefprojecten. Het Commons Transition Plan dat wij op hebben gesteld bevat een framewerk voor de overgang naar een samenleving gebaseerd op P2P. Het is een participatief proces geweest, waarbij zowel lokale als buitenlandse input is geweest. Tijdens een Summit in mei 2014 zijn deze voorstellen voorgedragen aan de overheid, sociale bewegingen en specialisten. Het was op zichzelf een succes dat ook zo ervaren werd door de aanwezigen. Momenteel worden deze voorstellen behandeld en overwogen door de regering. Wel zijn er een aantal proefprojecten al gestart en wordt er nog steeds gelobbyd voor de implementatie.
Een aantal aspecten zijn erg opmerkelijk aan dit project. Allereerst, is dit de eerste keer dat er een plan is opgesteld rondom een nationale transitie met de commens als kern voor waarde creatie en distributie. Een belangrijk principe dat aan bod komt in het transitieplan is de noodzaak van een gezamenlijke hervorming van zowel de civiele maatschappij, de markt en de rol van de staat. Er is een klassieke conflict tussen markt en staat. Door het ontstaan van digitaal gemeengoed, is het nu ook de civiele maatschappij die actief bijdraagt aan het produceren van gemeengoed.
De bevolking van Ecuador bestaat voor een groot deel uit inheemse gemeenschappen. Een angst die veel van deze gemeenschappen hebben is dat de traditionele kennis die zij hebben opgebouwd wordt overgenomen door de private sfeer als deze kennis wordt gedeeld. Een oplossing die wij daarvoor aandragen is het opstellen van een ‘wederkerige, op commens-gebaseerde licentie’. Deze licentie laat niet-commercieel delen toe aan NGO’s en aan iedereen die bijdraagt aan deze commens, maar vraagt een bijdrage aan private actoren.

Wat zijn de genomen stappen in de tussentijd en hoe waarschijnlijk acht u het dat Ecuador deze transitie doorzet?

Ecuador is een neokoloniaal land en staat onder grote druk van de globale markt. Sinds het opstellen van het Nationaal Plan in 2010 is de regering langzaam weggeschoven van de originele en radicale ideeën. Maar het blijft opmerkelijk dat deze regering zoveel tijd en energie heeft gestoken in het project. Als er slechts een kleine verandering plaatsvindt in de wetten en de samenleving, dan mogen we heel blij zijn met het succes. Politieke verandering heeft een sociale en politieke basis nodig en dat kost tijd. Daarom ben ik er van overtuigd dat toekomstige projecten zich moeten richten op lagere niveaus van politieke organisatie, zoals steden en regio’s.

Wat nu? Wat komt er na het FLOK ervaring in Ecuador?

Dankzij een publiek forum dat open is voor wereldwijde commoners wordt er verder gewerkt aan beleid dat gedreven wordt en gericht is op gemeengoed. Het doel is om workshops en ontmoetingen te organiseren waar steden, gemeenschappen en groepen bij elkaar kunnen komen om ervaringen uit te wisselen en deze te vertalen in beleidsvoorstellen. Het Commons Transition Plan opgesteld voor Ecuador, heeft een grote waarde voorbij de lokale schaal. Of Ecuador nou wel of niet de voorstellen accepteert, de beweging gaat door. Het plan vormt een belangrijke input voor andere coalities op verschillende schalen – lokaal, regionaal, en zelfs globaal.
Michel Bauwens

Michel Bauwens bracht in 2013 het boek ‘De Wereld Redden’ uit in samenwerking met Oikos.
Zaterdag 31 januari 2015 zal hij aanwezig zijn tijdens het Feestcongress van Oikos.
Foto bron: Wikipedia