Categorie archief: open hardware & design

Niet de deeleconomie, maar de commonseconomie kan de wereld redden

door Jean Lievens
P2P Foundation Belgium

Eerst verschenen op De Wereld Morgen op 29 mei 2016 (blog Jean Lievens – originele tekst)

De deeleconomie staat steeds meer in de belangstelling, maar over de commonseconomie wordt helaas veel minder gesproken. Waarschijnlijk blijft dit voor velen te abstract, maar als we het hebben over de noodzaak van een transitie naar een duurzame economie en naar een meer rechtvaardige en democratische samenleving, dan is de commonseconomie wel de hefboom.

We leven in een verandering van tijdperk, gekenmerkt door economische en financiële crisissen, sociale onrust en politieke instabiliteit. Ons sociaale-conomisch systeem functioneert niet meer en “de politiek” draagt geen oplossingen aan. Anderzijds opent de technologische vooruitgang enorme mogelijkheden om de huidige ecologische, economische en sociale problemen op te lossen, maar binnen de oude structuren en denkschema’s werkt ze de financieel-economische en sociale crisis juist in de hand.

Er is veel sociaal verzet tegen de neoliberale tegen-hervormingen van de afgelopen jaren, maar vaak blijven protestbewegingen beperkt tot “tegen iets zijn” en is er een gebrek aan coherent alternatief. Ook klassieke linkse formules schijnen niet meer te werken of worden de nek omgedraaid binnen een vijandige internationale context, wat de Grieken aan de lijve mochten ondervinden.

Wel zijn overal in de wereld mensen actief betrokken in allerhande initiatieven om te bouwen aan een betere wereld. Velen hebben zich afgekeerd van de politiek en bouwen “het nieuwe binnen het oude”. Ze zijn actief op gebied van sociale rechtvaardigheid en solidariteit (vakbonden, coöperatieven, NGO’s, fairtradeorganisaties, noord-zuidbewegingen etc.), openheid en transparantie (open source beweging, open designgemeenschappen…) en duurzaamheid (circulaire economie, microfabrieken…).

Tussen deze verschillende groepen bestaat echter weinig interactie en ook binnen deze groepen is de fragmentatie vaak groot. Maar ze dragen wel de kiemen van een nieuw systeem, waarbij “de commons” het bindmiddel kan zijn. Een van de organisaties die hierbij een verbindende en katalyserende rol kan spelen, is volgens mij Hart boven Hard, zowel in haar hoedanigheid van netwerk als van beweging.

Maar laat ik eerst even beknopt de kern van het transitiemodel uitleggen dat de P2P Foundation voorstelt. Het boek De Wereld Redden bevat heel wat ideeën, maar vaak pikken mensen alleen dat eruit wat in hun kraam past. Om te beginnen hebben we nooit beweerd dat de “deeleconomie” de wereld zal redden, zoals Rogier De Langhe schrijft in een van zijn opiniestukken in De Morgen van 17 mei (Welke deeleconomie willen we?). In ons boek hebben we het over peer-to-peer, maar maken we een onderscheid tussen peer-to-peer marktplaatsen (waar de deeleconomie zich grotendeels afspeelt) en peer-productie van commons. Ons transitieverhaal steunt vooral op de tweede pijler.

De deeleconomie (alleen) zal de wereld niet redden

De deeleconomie zoals ze zich tot nu toe heeft ontwikkeld, wordt vooral gedomineerd door commerciële platformen die vraag en aanbod van markttransacties tussen individuen (denk aan de “gig”-jobs, het “delen” van autoritten tegen betaling, het verhuren van appartementen…) regelen via algoritmes en daar flink wat geld aan verdienen. De belangrijkste voordelen van deze modellen is dat ze voor de gebruikers vaak performanter en goedkoper zijn dan de traditionele modellen en dat ze zorgen voor een beter gebruik van de bestaande infrastructuur (het “deel”aspect) waardoor ze deel uitmaken van een noodzakelijke evolutie naar een meer duurzame economie.

Maar de keerzijde is ook niet mals: ze ontwijken allerhande wetgevingen waaraan de traditionele modellen wel aan moeten beantwoorden (sociale wetgeving, voorschriften inzake veiligheid en gezondheid etc.), ze investeren zelf niet in infrastructuur en wentelen alle risico’s af op degenen die hun platform gebruiken om geld te verdienen. Zelfs degenen die voor de vrije markt zijn en pleiten voor een gelijk speelveld, kunnen toch niet anders dan vaststellen dat we hier te maken hebben met oneerlijke concurrentie. Je kan dan twee zaken doen: ofwel het speelveld gelijkschakelen door deze platformen te onderwerpen aan dezelfde regels die gelden voor andere bedrijven, ofwel de regels voor andere bedrijven ook afschaffen. Dus hier pleiten we uiteraard voor klassieke regulering.

Alternatieven op commerciële platformbedrijven

Maar er zijn andere manieren om dergelijke kapitalistische platformen van antwoord te dienen. Laten we Uber nemen als voorbeeld. Zo heeft sharing city Seoel Uber ronduit verboden. Maar tegelijk ontwikkelde de stad wel een even gebruiksvriendelijk alternatief: een mobiliteitsapp op stadsniveau waarin de klassieke taxisector werd geïntegreerd. Vakbonden kunnen Uberchauffeurs organiseren en opkomen voor hun belangen (zo heeft Seattle onlangs Uberchauffeurs syndicale rechten verleend waardoor ze expliciet erkend werden als werknemers en niet als freelancers) of zelfs helpen met het opzetten van een coöperatieve die gebruik maakt van een eigen app. Zo gaan alle verdiensten naar de chauffeurs zelf en niet naar Silicon Valley. Op dat vlak zijn de initiatieven echter enorm versnipperd, want elke entiteit gebruikt andere open source applicaties en apps. Het komt er dus op aan om al deze mini-initiatieven te coördineren en te stroomlijnen binnen één netwerk.

Maar goed, we blijven hier nog altijd op het terrein van marktactiviteiten, het kopen en verkopen van diensten om geld te verdienen. Daar is niks mis mee, mensen moeten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Maar als er wordt samengewerkt rond één platform, beheerd door de stakeholders (dus niet alleen de chauffeurs , maar bijvoorbeeld ook de klanten en de overheid), dan wordt dit gemeenschappelijk platform wel de kern van de economische activiteit waaraan de marktactiviteit is ondergeschikt.

Er zijn natuurlijk ook tal van deelinitiatieven die een maatschappelijk doel voor ogen hebben, zoals autodelen op buurtniveau (vb. Dégage in Gent), of logies delen op wereldniveau (couchsurfing). Dit is de originele deeleconomie, die nog altijd bestaat én groeit, maar inmiddels in de media werd overschaduwd door Uber en Airbnb. Deze laatste is trouwens zelf begonnen binnen de reële deeleconomie, wat nog steeds vervat zit in de naam (air staat voor air matrass: het idee was een luchtbed in de living voor toeristen, in ruil voor een kleine deelname in de kosten). Met de intrede van venture capital werd het platform geprofessionaliseerd, er kwamen diensten bij (zoals een verzekering tegen vandalisme), maar bovenal vervoegden steeds meer professionele spelers het platform om appartementen te verhuren aan toeristen. Op die manier omzeilen ze stedenbouwkundige vergunningen en de wetgeving op hotels, jagen ze tegelijk de huurprijzen voor lokale bewoners omhoog en maken bepaalde buurten onleefbaar (denk aan Barceloneta in Barcelona). Tussen haakjes, het is ook belangrijk om op te merken dat alleen mensen die iets hebben iets kunnen ‘delen’ (lees verhuren). Een huurder mag meestal niet onderverhuren, ook niet via Airbnb.

De commonseconomie

Tot daar de “deeleconomie”. Wat echter veel belangrijker is in ons transitieverhaal, is de zogenaamde commons-economie en meer bepaald de creatie van commons van open software, kennis en design. Bekende commons zijn Linux, Wikipedia en Arduino, maar er bestaan duizenden andere voorbeelden. We hebben hier te maken met een postkapitalistisch model, omdat:

Het niet gebaseerd is op arbeid/kapitaal, maar op vrijwillige bijdragen
Het geen goederen of diensten voortbrengt om te verkopen op de markt (ruilwaarde), maar rechtstreekse gebruikswaarde die vrij beschikbaar is, in overvloed aanwezig, vrijwel kosteloos, oneindig reproduceerbaar en dus niet eens “vermarkt” kan worden.
Sommigen rangschikken ook deze commons onder de ‘deeleconomie’ omdat ze vrij beschikbaar zijn (en dus vrij kunnen ‘gedeeld’ worden), maar dan gooi je Uber en Wikipedia op één hoop, wat toch problematisch is. Om verwarring te vermijden is het dus aangewezen om bij elk project de volgende vragen te stellen:
wat is de hoofddoelstelling (maatschappelijk of winstgevend)?
wordt er gemeengoed gecreëerd dat vrij beschikbaar is?

Alleen in het twee geval spreken we van een commons-economie. Is de doelstelling maatschappelijk en wordt er gewerkt via een collectief deelplatform, dan is het deelplatform zelf de commons en kan je ook dit soort van deelinitiatieven tot de commons-economie rekenen. Gaat het om pure markttransacties, dan hebben we te maken met P2P marktplaatsen die strik genomen niets met delen te maken hebben, maar door deze platformen zelf en door de media wel als dusdanig genoemd worden, dus ik veronderstel dat we ermee moeten leven.

Een productiever model…

Het gemeenschappelijk creëren van open gemeengoed van kennis, softwarecode en allerhande ontwerpen blijkt in de praktijk veel sneller, efficiënter en productiever dan de traditionele (lees kapitalistische) manier om deze zaken voort te brengen. Sinds Wikipedia zijn papieren encyclopedieën alleen nog in tweedehandszaken verkrijgbaar. Wikipedia is gratis, wordt elke dag beter en volgt de actualiteit. Een paar minuten nadat de media hebben bericht over de dood van Prince, is de popster ook dood op Wikipedia. Open software is de norm binnen de softwarewereld geworden. Nasa, BMW, het CERN, het Witte Huis… gebruiken Linux, een software die vrij beschikbaar is voor iedereen. Er bestaan een dertigtal open source-auto’s (inclusief een open source zelfrijdende auto) die stuk voor stuk milieuvriendelijke en energiezuiniger zijn dan industriële wagens, alleen komen de banken niet met geld over de brug om de productie ervan te financieren, tenzij ten minste een deel van het ontwerp beschermd wordt door patenten. Tot nu toe lijkt LocalMotors, een semi-open source wagen die in een microfabriek via 3D printing kan worden geproduceerd het enige model dat ook economisch succesvol is. Maar er zijn ook open source robotten, open source landbouwmachines, open source laboratoriumapparatuur en duizenden andere open hardwaresystemen. Daarnaast is er ook het delen van kennis allerhande, zoals open wetenschap tegenover het peperduur verkopen van academische artikels door privé-uitgeverijen.

… gedomineerd door het kapitalisme

Maar net als de deeleconomie waarvan eerder sprake, wordt ook de commonseconomie volop “gerecupereerd” door het kapitalisme, hoewel “gebruikt” me een beter woord lijkt in deze context, want er is hier toch iets anders aan de hand. We krijgen namelijk een model waarbij bedrijven die elkaar beconcurreren op de markt, wel samen bouwen aan een commons. Als toemaatje krijgen ze er de bijdragen bij van vrijwilligers die voor allerhande redenen gratis bijdragen tot het gemeengoed. Neem open software. Ongeveer 75% van de programmeurs die bijdragen tot Linux, worden betaald door grote bedrijven zoals IBM en Red Hat, die net als Google, Intel, HP, Samsung, Cisco enzovoort de Linux Foundation financieren. Waarom? Omdat het stukken goedkoper en efficiënter is Linux te helpen ontwikkelen dan eigen software te ontwikkelen. Voor hen is Linux een goedkope grondstof die ze kunnen gebruiken om andere diensten aan te bieden op de markt, meestal het maken van een gebruiksvriendelijke versie op maat van hun klanten, maar ook onderhoud, training, consultancy, enzovoort.

Laten we een voorbeeld nemen uit de open hardware. Alles wat de mens maakt, moet eerst ontworpen worden. Er komen meer en meer ontwerpen tot stand door open en transparante samenwerking van bijdragers via het internet. Het internet wordt naast een goedkoop communicatie- en coördinatiemiddel dus ook meer en meer een universeel productiemiddel. Tegelijk vervaagt de grens tussen (digitaal) ontwerp en geautomatiseerde productie. Machines zijn immers gekoppeld aan computers. Voeg daaraan toe dat na de miniaturisering van de computer ook de miniaturisering van machines aan de orde van de dag is, waarbij je “meer kunt doen met minder”, en je ziet meteen het potentieel dat zich opent om ons maatschappelijk en economisch model volgens volledig andere lijnen te gaan ordenen. Maar dat kan alleen als we ons organiseren en bewust modellen ontwikkelen die dat ook in de praktijk brengen. Want tot op heden, zwaait het kapitaal nog altijd de scepter, ook in de wereld van de commons.

Je hebt immers nog altijd kapitaal nodig om iets te produceren: een fysische ruimte, grondstoffen en arbeid. Je verlaat de digitale, postkapitalistische wereld van de overvloed en betreedt in zekere zin weer de wereld van arbeid en kapitaal. Maar ook binnen dat kader heb je de keuze welk soort van organisatie je hiervoor opricht. Een coöperatieve is hier ongetwijfeld de meest geschikte bedrijfsvorm omdat haar eigendom- en beheermodel het best aansluit met de peer-to-peer waardecreatie in de commons. Omdat jonge ondernemers vaak niet vertrouwd zijn met het coöperatieve model, domineren durfkapitalisten (venture capital) die torenhoge rendementen terugeisen voor hun investering logischerwijze nog altijd de open hardwaregemeenschappen, hoewel we oog moeten hebben voor de oprukkende fablabs, hackerspaces, co-working spaces en makerspaces die vaak ondersteund door lokale overheden, scholen of universiteiten, en ook via crowdfunding.

Sociale ondernemers

Het is belangrijk hier een punt te maken over sociale ondernemers. Klassiek links haalt vaak de neus op voor ondernemers omdat ze die onterecht vereenzelvigen met “kapitalisten”. De woorden “sociaal” en “ondernemen” vinden ze een contradictio in terminis. Bovendien schieten veel politici van groene en sociaaldemocratische partijen die ondernemers omarmen (zonder evenwel een onderscheid te maken in de aard en de grootte van de bedrijven) tegelijk op de vakbonden die ze bestempelen als “conservatief”. Ze behoren historisch tot de neoliberale strekking (gelukkig op zijn retours) die de derde weg van Blair voorstaat. Maar stel je in de schoenen van een jonge ingenieur die de wereld wil verbeteren. Geloof me, ze zijn niet in de minderheid. Zo wilt 98 procent van afgestudeerde ingenieurs in Finland duurzaam ontwerpen. Alleen… als ze het geluk hebben een baan te vinden in een klassiek bedrijf, moeten ze zorgen voor ingeplante slijtage. Het alternatief is zich aansluiten bij een open hardwaregemeenschap en proberen zelf of met vrienden een bedrijfje op te starten. Als je bijdragen levert voor een open ontwerp, is er immers geen enkel reden om slijtage in te plannen. Je probeert een product zo goed mogelijk te ontwerpen.

De laatste jaren zien we meer en meer jongeren die ecologische en maatschappelijke problemen willen oplossen door zelf een bedrijf op te starten. Maar ook mensen die al jaren voor traditionele bedrijven werken, stappen voor allerhande redenen uit de ratrace en gaan zelf een sociale bedrijfsactiviteit beginnen die goed is voor de samenleving en die hun eigen leven veel meer zin geeft. Het is juist dat we hier vaak te maken hebben met een geprivilegieerde groep, maar dit fenomeen illustreert toch een uittocht uit het bestaande systeem, zowel vrijwillig als gedwongen.

Alleen… je moet natuurlijk wel geld verdienen om te overleven. Het grootste probleem vandaag is dat de commons, die een steeds grotere plaats innemen in de kapitalistische economie, nog steeds ondergeschikt zijn aan het overheersende model en alleen collectief reproduceerbaar zijn maar niet individueel. Wat bedoel ik daarmee? Als individu kan je tijdelijk gratis bijdragen tot commons (als je student bent, werkloos, of in je vrije uurtjes), maar je kan dat niet blijven doen. De commons blijven echter collectief overleven omdat er steeds nieuwe mensen bijkomen die bijdragen leveren, terwijl anderen wegvallen.

Nieuwe bedrijfsmodellen

De vraag van een miljoen is dus: hoe kunnen we bedrijfsmodellen ontwikkelen die het de commoners (bijdragers tot commons) mogelijk maakt om in hun levensonderhoud te voorzien? Gelukkig is dit geen theoretische vraag aangezien er volop aan deze modellen wordt gewerkt. Met andere woorden, er bestaan reeds ethische bedrijven die samen een commons produceren, zoals Enspiral, een jong bedrijvennetwerk dat Loomio (een samenwerkingssoftware) en Co-Budget (een app om democratische investeringsbeslissingen te nemen binnen het netwerk) heeft ontwikkeld en “Stuff that Matters” als baseline heeft. Het initiatief ontstond in Nieuw-Zeeland, maar het netwerk groei als kool en de open software Loomio is inmiddels uitgegroeid tot een zelfstandig bedrijf (een coöperatieve in eigendom en zelfbeheer van de werknemers) binnen het Enspiral netwerk, met wereldwijde vertakkingen.

Ik geef deze voorbeelden mee om ons verhaal wat concreter te maken zodat de verhaallijn duidelijker wordt. Wij denken namelijk dat er een nieuwe economie in wording is rond de commons. Deze economie wordt inderdaad gedomineerd door het kapitaal, maar veroorzaakt binnen het kapitalisme een waardecrisis: de geproduceerde gebruikswaarde groeit exponentieel, maar de gerealiseerde marktwaarde stijgt slechts lineair en wordt grotendeels “opgevangen” door het kapitaal. Maar naarmate het kapitaal investeert in peer-to-peer-netwerken en commons, versterkt ze die tegelijk en maakt aldus het potentieel alternatief sterker. Vroegere systeemovergangen vonden op dezelfde lijnen plaats: het oude systeem maakt gebruik van het nieuwe systeem om zijn bestaan te rekken, maar versterkt daardoor het nieuwe systeem tot een punt wordt bereikt waarop het nieuwe systeem kan doorbreken en dominant worden.

Vandaag wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe bedrijfsmodellen, vaak coöperatieven, die commons voortbrengen en tegelijk in het levensonderhoud voorzien van de coöperanten. Ook wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe manieren om de waardecreatie binnen de commons te registreren (open boekhouding) en die te koppelen aan vergoedingen voor de commonors indien de projecten marktwaarde realiseren. Er ontstaan ook nieuwe solidariteitsmechanismen, zoals de broodfondsen in Nederland, een sociaal zekerheidssysteem op minischaal voor “zzp-ers” (zelfstandigen zonder personeel, hier meestal freelancers genoemd). Zo zie je dat de mutualiteiten van de vroege arbeidersbeweging vandaag nog eens dunnetjes overgedaan door mensen die buiten de mazen van het sociale zekerheidssysteem vallen.

Ook de nieuwe coöperatieven die wereldwijd groeien als kool brengen de hoogdagen van de arbeidersbeweging in herinnering. Ook zij probeerden het nieuwe te bouwen binnen het oude, maar streefden vooral naar het veroveren van de politieke macht om de economie gradueel (door hervormingen) of min of meer volledig (door revolutie) via de staat over te nemen. De traditionele coöperatieven werden echter grotendeels weggeconcurreerd door multinationals die over meer kapitaal beschikten en dankzij schaalvoordelen goedkopere producten konden op de markt brengen. Coöperatieven die overleefden, konden dit alleen door zich net te gedragen als kapitalistische bedrijven waardoor ze op de duur nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren. Toch kan de historische arbeidersbeweging een grote inspiratiebron zijn voor de open source- en commonsbeweging. Alleen is haar heroïsche geschiedenis gedurende de laatste decennia (en zelfs langer) grotendeels ondergesneeuwd door bureaucratisering en incorporatie binnen de staat.

Kloof tussen precariaat en salariaat dichten, niet aanwakkeren

Dat laatste verklaart waarom veel jongeren die zich wel als een vis in het water voelen in de open source- en commonsbeweging, zich niet herkennen in de huidige arbeidersbeweging. Deze laatste is dan weer al decennia in een defensieve strijd verwikkeld voor het behoud van sociale verworvenheden en vindt moeilijk aansluiting bij jongeren die opgroeien in een tijd waarin het oude sociale contract meer en meer wordt opgeblazen voor de nieuwe generatie. Sommigen concluderen daaruit dat de klassenstrijd moet wijken voor een generatiestrijd. Niet het falend systeem is verantwoordelijk, wel de oudere generatie die de rijkdom heeft opgesoupeerd waardoor er niks meer overblijft voor de jeugd . Hoewel minder brutaal (hoewel…) lijkt dit de redenering die ook economiefilosoof Rogier De Langhe volgt in zijn recente columns. Rogier geeft toe dat er een systeemcrisis is, maar vindt dat “wij daar allemaal samen” voor verantwoordelijk zijn. Zoiets kan je natuurlijk alleen maar beweren als je de klassennatuur van onze samenleving ontkent. Maar zelfs dan is het hallucinant om het volgende te beweren: ”Zoals in 2008 bleek dat bankiers niet hadden kunnen weerstaan aan de ‘hebzucht’, zo blijkt vandaag dat ook de vakbonden te ver gingen. Ze verwierven meer rechten dan duurzaam over de generaties heen konden worden voorzien. Zelfs de banksters waagden het niet het land plat te leggen uit protest tegen het instorten van het kaartenhuisje dat ze zelf hadden gebouwd.” (De Morgen van 25 mei 2016: Waarom betogers op bankiers lijken”)

Rogier vindt de vakbonden blijkbaar nog erger dan de banksters. Hij pleit wel voor meer solidariteit, maar dan wil binnen de groep van “have nots”: “Ik droom van een herverdeling van sterk naar arm, in plaats van van niet-gesyndiceerd naar gesyndiceerd en van ongeboren naar vandaag.” Dat er in de afgelopen dertig jaar 10 procent van het BNP verschoven is van Arbeid naar Kapitaal is bijzaak, want “De bedragen waar het om gaat, zijn zo gigantisch dat een vermogensbelasting weinig verschil maakt. Zeker in een land als het onze illustreert het discours over de 1 procent vooral dat het makkelijker is de schuld bij een externe vijand te zoeken, dan bij onszelf.”

Er bestaat ongetwijfeld een spanningsveld tussen de klassieke arbeidersklasse die bestaat uit (vaak oudere) werknemers die in een hiërarchisch verband voor een bedrijf werken, en de nieuwe klasse van precaire en autonome werkers die rechtstreeks voor de markt (moeten) werken. Dat kan gedwongen zijn omdat ze geen werk vinden, maar velen doen het ook vrijwillig, ook uit sociale bewogenheid. Die groep gebruikt het internet en de commons voor het opzetten van nieuwe solidariteitsmechanismen. Op dat vlak speelt Smart.be in België een voortrekkersrol. We hebben de vakbonden al vaker op de korrel genomen omdat ze deze groeiende groep precaire werkers rechts laten liggen (in Nederland is binnen het FNV al geruime tijd een fel debat aan de gang). We moeten bruggen bouwen tussen precaire en “beschermde” werknemers, niet door de rechten van de ene groep af te bouwen ten voordele van de andere, maar om samen te ijveren voor een maatschappij die eerlijkere, democratischer en meer gelijk is dan de huidige. Helaas drijft Rogier de tegenstelling tussen beide groepen op de spits en door ongenadeloos de vakbonden te viseren in hun verzet tegen de regeringsmaatregelen, staat hij objectief gezien natuurlijk 100 procent aan de kant van de regering die hij in zijn columns nooit op de korrel neemt.

De commons als nieuw bindmiddel in een positief transitieverhaal

Maar goed, terug naar mijn verhaal. Wat in het oude verhaal van de arbeidersbeweging ontbrak, was een nieuwe manier om waarde te creëren en te herverdelen, die bovendien superieur is aan het oude model. Vandaag bestaat deze nieuwe productiewijze wel. In het oude verhaal versloeg groot klein. Altijd. Vandaag kan een netwerk van veel kleintjes groot verslaan. Denk aan Linux en Wikipedia. De nieuwe platformbedrijven of “netarchische” kapitalisten (kapitalisten die heersen over het netwerk), zijn nog piepjong (Google is 20 jaar oud, Facebook 12, Uber 6) maar hebben in een mum van tijd de wereld veroverd. De vraag is hoe duurzaam die bedrijven zijn op langere termijn, gezien hun parasitair karakter en het feit dat de waarde die ze onttrekken uit menselijke samenwerking niet terugvloeit naar de mensen die deze waarde creëren.

Er bestaat volgens mij geen uniforme formule om deze bedrijven aan te pakken. Sommigen kunnen op termijn weggeconcurreerd (of weg”samengewerkt”) worden door nieuwe, coöperatieve modellen, op voorwaarde dat deze globaal opgeschaald worden (samenwerking in wereldwijde netwerken). Zowel de overheid als de traditionele organisaties van de arbeidersbeweging kunnen daarin een stimulerende rol spelen. Anderen zoals Google of Facebook worden best “openbare nutsbedrijven”, zoals destijds de spoorwegen en de elektriciteitsbedrijven. Natuurlijk zijn deze privéplatformen wereldwijd actief, maar ze zijn wel ingebed in een staat (meestal de VS) waarbinnen een politieke strijd kan gevoerd worden om ze om te turnen in door stakeholders beheerde nutsbedrijven (geen traditionele staatsbedrijven dus). Buiten de VS kunnen en worden ze via regulering meer aan banden gelegd, hoewel de resultaten nog niet spectaculair te noemen zijn (bv. Europa versus Facebook en Google).

Om te resumeren, wil ik de volgende stellingen poneren:

De commons kunnen het bindmiddel zijn van een nieuwe progressieve beweging
De drie groepen die mondiaal actief zijn in transitiebewegingen (rond ecologie, solidariteit en open source) moeten elkaar beter leren kennen en meer gaan samenwerken

Tegelijk kan geijverd worden voor een commons-transitieprogramma dat streeft naar een nieuw economisch-maatschappeijk paradigma dat steunt op drie pijlers:
Een productieve civiele maatschappij van burgers die vrijwillig bijdragen tot commons
Een ethische bedrijvencoalitie rond deze commons
Een nieuw overheidsmodel waarbij de overheid optreedt als partnerstaat die peer-productie van vrije burgers faciliteert en ondersteunt (met geld, infrastructuur, onderwijs etc.) Deze staat vervangt de welvaartsstaat niet, maar overstijgt ze. Strijden tegen de afbouw van de welvaartsstaat blijft dus 100 procent een progressieve strijd.

Daarnaast dringt zich een herlocalisering op van de productie in microfabrieken die eveneens wereldwijd genetwerkt zijn en aldus een tegengewicht kunnen bieden op transnationaal niveau tegenover de multinationals. Op die basis kunnen we de ecologische crisis bezweren (duurzame lokale energiecoöperatieven aangesloten op een smart grid, drastische vermindering van transport- en energiekosten, transparante aanvoerketens ten dienste van een circulaire economie waardoor het generatief vermogen van de planeet volledig wordt hersteld etc.)

Voor meer info:

P2P Foundation
Enspiral
Jean Lievens

De tien geboden van peer-productie en de commons-economie

Originele tekst eerder gepubliceerd op de blog van de P2P Foundation en Wired

Voor een vrije, eerlijke en duurzame productiewijze en waardecreatie

Michel Bauwens, Berlijn, Oktober 23, 2015, voor de “Uncommons conferentie”

Zoals we elders probeerden aan te tonen, heeft het ontstaan van op commons gerichte peer-productie een nieuwe logica in het leven geroepen voor de samenwerking tussen open productieve gemeenschappen die gedeelde hulpbronnen (commons) creëren aan de hand van bijdragen, en marktgerichte entiteiten die toegevoegde waarde creëren bovenop of langs deze gedeelde commons.

Deze tekst handelt over ontluikende praktijken die een inspiratiebron kunnen zijn voor de nieuwe entiteiten van de ethische economie. De belangrijkste doelstelling is het creëren van nieuwe entiteiten die de traditionele bedrijfsvormen met hun winstmaximaliserende praktijken van waarde-extractie overstijgen. In plaats van extractieve kapitaalvormen hebben we generatieve vormen nodig die waarde co-creëren met en voor de commoners.

Voor de verklaring van de nieuwe praktijken, gebruik ik dezelfde formule als die van de Tien Geboden. Ze bestaan reeds allemaal onder verschillende gedaanten, maar moeten nog veralgemeend en geïntegreerd worden. Wat de wereld, de mensheid en alle wezens die de invloed ondergaan van onze activiteiten nodig hebben, is een productiewijze en productieverhoudingen die zowel vrij, eerlijk als duurzaam zijn.

Open en vrij

1. Gij zult open bedrijfsmodellen gebruiken die steunen op gedeelde kennis.

Gesloten bedrijfsmodellen zijn gebaseerd op artificiële schaarste. Hoewel kennis een niet- of zelfs anti-rivaliserend goed is waarvan de gebruikswaarde toeneemt naarmate het meer wordt gedeeld, en hoewel het in digitale vorm gemakkelijk kan gedeeld worden tegen zeer lage marginale kost, creëren veel extractieve bedrijven opzettelijk artificiële schaarste om rente te kunnen onttrekken aan het creëren of het gebruik van gedigitaliseerde kennis. Via legale onderdrukking of technologische sabotage worden goederen die natuurlijk kunnen worden gedeeld kunstmatig schaars gemaakt om extra winsten te genereren.

Dat is hemeltergend in een context waarin technische kennis in staat is levens te redden en de planeet te helen. Het eerste gebod is daarom het ethische gebod om te delen wat kan worden gedeeld, en om alleen marktwaarde te creëren bij hulpbronnen die schaars zijn, en toegevoegde waarde te creëren bovenop of langs deze commons. Open bedrijfsmodellen zijn marktstrategieën die gebaseerd zijn op de erkenning van natuurlijke overvloed en de weigering om een inkomen te genereren door die kunstmatig schaars te maken.

Meer informatie (in het Engels) is te vinden hier

Eerlijk

2. Gij zult werken via open coöperatieven

Er worden veel meer nieuwe ethische en generatieve entiteiten opgericht die meer in harmonie zijn met de uit bijdragen gecreëerde commons. De sleutel hierbij is om te kiezen voor postbedrijfsvormen die toelaten dat de bijdragende commoners in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

Vooral open coöperatieven komen hiervoor in aanmerking. Ze hebben de volgende kenmerken:

1. Ze zijn doelgericht en hebben een sociale doelstelling die verbonden is aan de creatie van gedeelde hulpbronnen
2. Ze worden beheerd volgens een multi-stakeholdermodel, waarbij iedereen betrokken wordt die beïnvloed wordt door de werkzaamheden of bijdragen levert tot de betrokken activiteit
3. Ze verbinden zich statutair en volgens hun eigen regels met de productieve gemeenschappen voor het co-creëren van commons.

Ik voeg daar vaak nog een vierde voorwaarde aan toe, namelijk dat ze organisatorisch een globale visie hebben ten einde een tegenmacht te kunnen creëren tegenover de extractieve multinationals.

Coöperatieven zijn maar één van de potentiële vormen die commons-vriendelijke marktentiteiten kunnen aannemen. We zien ook de opkomst van meer open entiteiten zoals neo-tribale vormen (denk aan de werkwijze van de gemeenschap rond Ouishare), of meer strak georganiseerde nieuwe modellen zoals Enspiral.org, Las Indias of de Ethos Foundation. Een nog opener vorm is het soort van netwerk waarvoor de gemeenschap rond de open wetenschappelijke hardware Sensorica heeft gekozen. Ze wil de bijdragen strakker koppelen aan de gegenereerde inkomsten door alle microtaken in het beloningssysteem toe te laten aan de hand van open value accounting of contibutory acccounting (verder meer hierover).

Gij zult hierover meer informatie (in het Engels) vinden hier

3. Gij zult gebruik maken van Open Value Accounting (“open-waarde-boekhouding”) of Contibutory Accounting (“bijdragende boekhouding”)

Peer-productie is gebaseerd op vrije, gedistribueerde taken van bijdragers die werken binnen een samenwerkingsinfrastructuur gedreven door een open gemeenschap. De traditie van een baan met vaste taakbeschrijving in ruil voor een salaris is allicht niet de meest aangewezen manier om de bijdragers tot dergelijke processen te belonen. Vandaar de geboorte van de open-waarde-boekhouding of bijdragende boekhouding, een praktijk die al bestaat bij Sensorica. Het systeem bestaat erin dat elke commoner bijdragen kan leveren, ingelogd naargelang een projectnummer, en ‘karmapunten’ krijgt na een peer-evaluatie. Als er inkomsten worden gegenereerd, dan vloeien die naargelang de gewogen bijdragen, zodat elke commoner op een eerlijke manier wordt vergoed. Bijdragende boekhouding of andere gelijkaardige oplossingen zijn belangrijk om te vermijden dat enkel een beperkt aantal bijdragers die dichter bij de markt staan zich alle waarde die door een veel grotere gemeenschap werd gecreëerd, zouden toe-eigenen. Open boekhouding verzekert een transparante (her)verdeling van de waarde voor alle deelnemers.

Gij zult meer informatie (in het Engels vinden hier

4. Gij zult een eerlijke verdeling van gemeenschappelijk gecreëerde waarde verzekeren via CopyFair Licenties

De copyleft licenties laten iedereen toe om de noodzakelijke kenniscommons te hergebruiken, op voorwaarde dat elke verandering en elke verbetering aan dezelfde commons wordt toegevoegd. Dat is een groot voordeel, maar we mogen daarbij de noodzaak tot eerlijkheid niet uit het oog verliezen. Wanneer we overgaan tot fysieke productie die middelen vergt voor gebouwen, grondstoffen en lonen, zien we dat een dergelijke licentie de onbeperkte commerciële exploitatie van de commons door extractieve modellen in de hand werkt. We moeten dus verzekeren dat het delen van kennis behouden blijft, maar wederkerigheid vragen voor de commerciële exploitatie van de commons zodat er een gelijk speelveld ontstaat voor de economisch ethische spelers die de sociale en ecologische kosten internaliseren. Dit wordt bewerkstelligd door copyfair licenties die wederkerigheid vragen in ruil voor het recht op commercialisering, met behoud van het volledig delen van de kennis.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie vinden hier

5. Gij zult solidariteit bedrijven en de levens- en werkrisico’s verminderen via commonfare-praktijken

Aangezien een van de grote gevolgen van de financiële en neoliberale globalisering de geleidelijke verzwakking van de macht van nationale staten is, bestaat er vandaag een sterke en geïntegreerde poging om de solidariteitsmechanismen, ingebed in het model van de welvaartsstaten, terug te schroeven. Zolang we de macht niet hebben om het tij te doen keren, is het noodzakelijk dat we substantiële gedistribueerde solidariteitsmechanismen heropbouwen, een praktijk die we “commonvaart” (versus welvaart) kunnen noemen. Voorbeelden als het Broodfonds (Nederland), Friendsurance (Duitsland) en de “health sharing ministries” (U.S.), of coöperatieve entiteiten zoals Coopaname in Frankrijk laten nieuwe vormen van gedistribueerde solidariteit zien die kunnen worden ontwikkeld om ons te beschermen tegen levens- en werkrisico’s

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

Duurzaam

6. Gij zult open en duurzame ontwerpen gebruiken voor een open source circulaire economie

Productieve open gemeenschappen verzekeren maximale participatie via modulariteit en granulariteit. Omdat ze opereren in een context van gedeelde en overvloedige middelen, is de praktijk van geplande slijtage -die geen fout is maar een kenmerk van winstmaximaliserende bedrijven- volledig vreemd aan hen. Ethische ondernemersentiteiten zullen daarom deze open en duurzame modellen gebruiken en duurzame goederen en diensten produceren.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

7. Gij zult verder gaan dan uitsluitend te steunen op onvolkomen prijssignalen van de markt en overgaan tot wederzijdse coördinatie van de productie via open aanvoerketens en open boekhouding.

Wat besluitvorming is voor planning en het prijsmechanisme voor de markt, is wederzijdse coördinatie voor de commons.

We zullen nooit komen tot een duurzame ‘circulaire economie’ waarbij de output van het ene productieproces gebruikt wordt als de input voor een ander, als we gesloten aanvoerketens gebruiken en als elke samenwerking onderworpen is aan pijnlijke onderhandelingen in een weinig transparante omgeving. Maar ondernemingscoalities die reeds onderling afhankelijk zijn door hun bijdragen aan collaboratieve commons kunnen ecosystemen van samenwerking creëren aan de hand van open aanvoerketens waarin de productieprocessen transparant worden en waarbij elke participant zijn gedrag kan aanpassen gebaseerd op de beschikbare kennis binnen het netwerk. Overproductie doet zich niet voor wanneer de werkelijke productie van het netwerk algemene kennis wordt.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

8. Gij zult cosmo-lokalisering bedrijven

Als het licht is, is het globaal, als het zwaar is, is het lokaal: dit is het nieuwe principe van commons gebaseerde peer-productie, waarbij kennis wereldwijd wordt gedeeld maar de productie kan plaatsvinden op basis van de vraag en gebaseerd op werkelijke noden via een netwerk van gedistribueerde co-working ateliers en microfabrieken. Sommige studies hebben aangetoond dat tot tweederden van de grondstoffen en energie niet naar de productie gaan, maar naar transport. Dit is duidelijk onhoudbaar. Een terugkeer naar plaatselijke productie via herlocalisering is een voorwaarde sine qua non voor de overgang naar duurzame productie.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier
http://p2pfoundation.net/Category:Sustainable_Manufacturing

9. Gij zult fysieke infrastructuur wederzijds delen

Platformcoöperatieven, datacoöperatieven en fairshare-vormen van gedistribueerde eigendom kunnen worden aangewend om samen de productie-infrastructuur te bezitten.

De zogenaamde deeleconomie van Airbnb en Uber is verkeerd genoemd, maar toont niettemin het potentieel aan van middelen die anders niet zouden worden gebruikt. Co-working, skill-sharing, ride-sharing zijn voorbeelden van de vele manieren waarop we middelen kunnen delen en hergebruiken om de thermodynamische efficiëntie van onze consumptie dramatisch te verhogen.

In de juiste context van co-eigendom en co-governance, kan een echte deeleconomie gigantische voordelen opleveren op het vlak van een verminderd gebruik van hulpbronnen. Onze productiemiddelen, inclusief machines, kunnen wederzijds gedeeld worden, in eigen eigendom, door al degenen die de waarde creëren.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

10. Gij zult generatief kapitaal mutualiseren

Generatieve kapitaalvormen kunnen niet steunen op een extractief geldaanbod dat gebaseerd is op samengestelde interest verschuldigd aan extractieve banken. We moeten af van de 38% rente die in alle goederen en diensten vervat is en ons geldsysteem veranderen, en het gebruik van wederzijdse kredietsystemen substantieel verhogen.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

Vertaling Jean Lievens

Alles suggesties voor verbeteringen aan de vertaling welkom op [email protected]

POC21: 100 Eco-hackers en hippy geeks pogen de wereld te redden in een kasteel net buiten Parijs. Maar is er meer aan de hand?

Overgenomen van de lezerscommunity van De Wereld Morgen, gepubliceerd op 1 september 2015

Sinds iets meer dan twee weken is een verlaten 17de eeuws kasteel in Millemont ,naast Parijs mijn woon en werk plek. Met het project Vélo M2 zijn drie Brusselse collectieven (Soft Revolution, Urban Foxes en Ciklic) geselecteerd samen met 11 andere projecten om praktische oplossingen te geven op onze klimaat problematiek in aanloop van COP21 dat in december zal plaatsnemen in Parijs. POC21 of beter gezegd: Proof Of Concept wilt in de plaats van ellelange discussies die naar niets leiden tonen dat met Open Source projecten we een hele stap vooruit kunnen zetten. Het doel is nobel, maar hoe werkt het concreet?

Elk van de twaalf projecten biedt een tastbare oplossing voor een deel van onze klimaat problematiek te geven. Zo poogt Showerloop het aantal gebruikte liters van één douche te delen door vijf dankzij een ingenieus systeem van filters. Ownfood wilt de technologie van serres versimpelen en het werk om eigen planten te kweken herleiden naar 20 minuten per dag. Faircap is dan weer een waterfilter systeem dat kan worden ge-3D-print zodat het toegankelijk is voor iedereen en gewoon op een fles kan gevijsd worden. Wij met Vélo M2 proberen een platform uit te bouwen voor modules die passen op bakfietsen: een energiemodule met trapkracht en zonnepanelen, een cinema module of een keuken dat met recup voedsel werkt zijn maar enkel van de honderden mogelijkheden. Al deze modules kunnen worden gebouwd door iedereen om het gebruik van de bakfiets te stimuleren. Wat de twaalf projecten gemeen hebben is dat ze gebaseerd zijn op het open source principe: alle plannen worden openbaar gemaakt zodat een community verder kan werken op de bestaande plannen of gewoon nieuwe dingen kan toevoegen. Alles zit in het delen van ideeën om ze beter te maken.

Dat het open source principe niet enkel in de projecten zit is te danken aan te twee organisaties dat POC21 op poten hebben gezet: OuiShare en OpenState, respectievelijk een Franse en Duitse organisatie dat op basis van creatieve common en Open Source principe organisaties, ondernemingen en mensen steunt om positieve stappen te zetten in deze complexe maatschappij. Voor POC21 hebben ze niet enkel een innovatie kamp gebouwd waar 12 projecten na 5 weken een resultaat moeten tonen naar de buitenwereld, maar een reflectie over hoe we de hele maatschappij anders kunnen structureren zodat we duurzaam zijn over de hele lijn. Het innovatiekamp zelf is bij wijze van spreken open source en is in constante verandering om zich aan te passen aan de mensen die er in wonen en werken en dat in direct verband met de waardes die ze willen naar buiten brengen. Op hun site kan je dieper ingaan op de manier van leven, maar hier zijn alvast de basis principes.

De 130 mensen dat samenleven in het innovatiekamp zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het co-living en co-working aspect. De basis accommodatie werd door de organisatoren klaar gezet, maar sindsdien is elke verbetering een collectieve beslissing. In de ochtend wordt er een check-in gehouden. Mensen mogen dan zeggen waarvoor ze hulp nodig hebben, wat hun plan is van de dag en welke problemen ze ondervonden hebben. De dagtaken worden verdeeld op vrijwillige basis. Het composteren van de droogtoilettes, de keuken, het vuilnis of de nachtwacht wordt verdeeld onder de vrijwilligers, mentors, projectleiders en organisators. Iedereen zit hier op dezelfde lijn. Rond 19u30 wordt een check-out gedaan en krijgt iedereen de kans om mensen in de kijker te zetten of uit te leggen welke verbeteringen en vorderingen er gedaan zijn aan het samen leven. Alles verloopt organisch en de kerngroep grijpt pas in als het echt nodig is. Het co-living onderdeel is even belangrijk als het co-working onderdeel. Het werd snel duidelijk dat enkel 12 projecten tonen in een expo op het einde een gemiste kans zou zijn, en het simpelweg zou passen in onze prestatie gerichte maatschappij. Een beschouwing over het totaal proces is hier noodzakelijk.

Wat POC21 het beste omvat is een broeiplaats voor creativiteit, dit is niet enkel te danken aan het feit dat er meer dan 100 mensen van over heel de wereld samenzitten in een kasteel, maar dankzij de mentordays dat worden georganiseerd. Momenten van reflectie waar de projecten en deelnemers de kans krijgen om nieuwe kaders te ontdekken via specialisten in hun vak domein. Zo kregen we bezoek van Michel Bauwens, een Belgische filosoof dat bij de meest invloedrijke denkers van het moment behoort dankzij zijn Peer To Peer Foundation. Tomas Diez is de co-founder van een van de eerste FabLabs van Europa en staat mijlenver voor op het gebruik van dergelijke instituten in de dagelijkse maatschappij. Ook was Till Wolfer aanwezig op POC21, hij is een van de designers dat de XYZ Cargo Bike en het systeem erachter ontwierp samen met N55 Collective waarop wij ons project baseren.

Al deze mensen hadden een directe invloed op ons denken en kijk op het project. Meermaals kregen we een mokerslag dankzij de mogelijkheden die ze ons gaven, en stapsgewijs leerden we een principe van Open Source kennen: het is niet erg om niet alles te weten, blijf open voor nieuwe mogelijkheden en heb geen schrik om je project te herdenken. Michel Bauwens gaf ons het Fair Chare principe en de Copy Fair License die we kunnen gebruiken om een eerlijk ecosysteem te bouwen rond ons project. Zou zouden non-profit en privé gebruikers de modules vrij kunnen gebruiken en profit organisaties in ruil voor een investering in de community eveneens werken met de modules. Till Wolfer gaf ons dan weer meer inzicht in het modulaire systeem en hoe we een basismaat konden gebruiken om het project een breder draagvlak te geven. Tomas Diez liet ons dan weer dromen over de toekomst van FabLabs waar je je eigen machines zou kunnen bouwen uit simpele materialen voor je fablab. Weer een stap verder in de goeie richting.

Na twee weken samenwonen en samenwerken vond ik het tijd om even tot bezinning te komen. Alle projecten zijn in de fase toegekomen waar ze beginnen te bouwen en er is een bekommernis dat er geen tijd meer zou zijn om de grotere thema’s en kaders te bespreken. Ik noteerde op het dorpsplein bord dat we deze zondag een filosofische sessie gingen houden met de volgende preview: “Learning to build a boat to avoid drawning is great. But we can’t do it by only giving the plans, we need to give the desire to travel by sea”. Achter deze gedachten zit de vraag hoe we het open source principe breder kunnen toepassen op de maatschappij. Want het is mooi, samenleven in een kasteel met 100 wereldverbeteraars, maar zo ontstaat er een bubbel, en onze taak is juist de bubbels te doorprikken. Tijdens het derde weekend, kwamen een tiental mensen naar de Wooden Dome en we begonnen onze gedachte te structureren. Onze redenering startte met het idee dat de expo het kanvas is voor de buitenwereld, en we moeten een verhaal hebben dat zowel de hackerspace gebruikers als onze mama’s aanspreekt. We begrijpen snel dat er geen afgebakend antwoord is, dat zou paradoxaal zijn voor het open source principe, maar we zien ook dat achter open source basis waardes zijn dat oplossingen geven voor onze huidige maatschappij. Het helpt ideeën sneller concreet maken, het geeft je een empowered gevoel als je zelf iets doet, het maakt de dingen dat je bouwt meer waardevol dan wanneer je ze koopt, het helpt je niet alleen te voelen. Dit zijn waardes waar iedereen zich in kan vinden en dat moeten we proberen te delen op de expo. Met deze bedenkingen eindigen we ons gezellig onder onsje met drie vragen die we zullen stellen aan elke kampbewoner:

Why do You Open Source (om een semantiek te bouwen rond open source)
What aspect of the Camp can we open source (om open source buiten het kader van software en hardware te brengen)

How did your most valuable conversation at POC21 start (om te begrijpen hoe ideeën vorm krijgen en mensen te helpen in hun creativiteit)

We zitten bijna halfweg en POC21 blijkt nu al een geslaagd Proof Of Concept te zijn. Laten we de komende 3 weken sleutelen aan het totaalproces om het te kunnen herhalen in tal van plekken over de hele wereld en dat deze 12 projecten niet enkel succesvol zijn, maar dat er tientallen andere projecten uit te grond worden gestamd dat dezelfde principes behouden en de samenleving weer centraal zet boven het geldgewin.

Drie “governance hacks” om peer productie om te vormen tot een echt economisch en sociaal systeem

Door Michel Bauwens

Originele tekst P2P Foundation

Het kapitalisme was niet altijd een organisch en dominant systeem. Alvorens het de status verwierf van een volwaardige productiewijze, anders gesteld van een samenhangende manier om waarde te creëren en te verdelen, of van een specifieke vorm van samenleving en beschaving, diende het in te breken in het oude systeem om het naar zijn eigen beeld te kneden. In “zijn boek “De Grote Transformatie” legt Karl Polanyi uit hoe bijvoorbeeld de vroege kooplieden nog steeds afhankelijk waren van ambachtslui en gilden (het zogenaamde ‘putting-out’-systeem) en er aanvankelijk niet in slaagden om van arbeid een koopwaar te maken.

Deze situatie verschilt niet veel van het ‘proto’-productiesysteem dat vandaag in opmars is: peerproductie gericht op gemeengoed (‘commons-oriented peer production), waarbij een gemeenschap van bijdragers, al dan niet betaald, een gemeengoed of ‘commons’ (gedeelde hulpbronnen die beheerd worden door hun gebruikers) creëren in plaats van goederen (koopwaar). Hoe kan deze opkomende, postkapitalistische logica die nu al de logica van arbeid als koopwaar overstijgt, dominant worden? Hoe maken we van peerproductie een organisch systeem? Tegen deze achtergrond stellen de P2P Foundation en soortgelijke netwerken van P2P-activisten een aantal hacks voor.

De centrale kwestie is de volgende: hoe houden we de “waarde”” binnen de sfeer van de commons, zodat die kunnen groeien en zichzelf reproduceren? Of in andere woorden: hoe kunnen we op basis van onze bijdragen in ons levensonderhoud voorzien?”

De copyfair licentie

Een eerste “hack” is de copyfair licentie, een licentie die steunt op wederkerigheid. Waarom is dat nodig? Volgens de traditionele, negentiende-eeuwse definitie van communisme is de General Public Licentie technisch gezien een communistische licentie: “van ieder naargelang zijn bijdragen, voor ieder naargelang zijn noden”. Maar binnen onze huidige politieke economie leidt een dergelijke dynamiek onvermijdelijk tot de overheersing van een economie die gebaseerd is op “vrije en gedeelde hulpbronnen” door grote privéspelers en bovendien tot het gebruik van deze gedeelde hulpbronnen door organisaties die er niet toe bijdragen.

Dit “liberaal communisme” (communisme in dienst van het kapitaal en de liberale waarde van het ‘recht op delen’) is niet noodzakelijk een probleem voor niet-rivaliserende en antirivaliserende hulpbronnen zoals kennis en softwarecode, maar het kan wel problematisch zijn als we spreken over design, zaden en andere vormen van delen die verbonden zijn aan fysieke productie. Als we immers moeten investeren in gebouwen, machines, grondstoffen en salarissen, kan de private overheersing van de open economie een probleem vormen.

Bijgevolg zou een licentie die een of andere vorm van wederkerigheid vereist een aantal voordelen opleveren. De vereiste dat bedrijven die zelf niet bijdragen tot de commons een licentievergoeding zouden betalen, zou een kapitaalstroom genereren naar de sfeer van de commons, zijn gemeenschappen en “Stichtingen” (Foundations). Ten tweede -en belangrijker- zou de vereiste om wederkerigheid te definiëren opnieuw een “morele economie” creëren die positieve sociale externaliteiten zou re-integreren binnen de marktsfeer zelf.

Open coöperatieven

Onze tweede “hack” zou bovendien een dynamiek op gang brengen op het vlak van beheer en eigendom. Wij stellen voor dat commoners eigen “open coöperatieven” zouden oprichten, dus coöperatieven die niet alleen werken voor hun eigen leden, maar structureel en statutair samen commons creëren naast het voorzien van een inkomen voor de coöperatieve arbeiders. In dit model zou de coöperatieve een maatschappelijk doel hebben, niet winstgericht zijn (de winsten worden dan gebruikt om een maatschappelijk doel te realiseren), meerdere stakeholders betrekken, maar ook samen gemeengoed creëren in de vorm van zowel immateriële commons (gedeelde kennis) maar ook gedeelde materiële hulpbronnen (een voorbeeld is de woningcoöperatieve “Allianza Solidaria” in het zuiden van Quito die van zijn leden 100 uur arbeid vraagt voor de creatie van gemeenschappelijke parken).

Deze nieuwe coöperatieven zouden niet langer uitmonden in organisaties die egoïstisch handelen op de kapitaalmarkten ten behoeve van hun eigen leden, maar zouden een gemeengoed creëren dat op natuurlijke wijze tot hun normale activiteiten zou behoren. Een gelijkaardig voorstel is het eigendomsmodel gebaseerd op eerlijk delen (‘fairshares ownership), waarbij het eigendom in vier gelijke parten wordt verdeeld: een voor de stichters, een voor de investeerders, een voor de arbeiders en een voor de gebruikersgemeenschappen.

Open aanvoerketens en open boekhouding

De derde en laatste hack die we voorstellen is de oprichting van open aanvoerketens en open boekhouding. Van zodra er een “ethische ondernemerscoalitie” is opgericht rond de copyfair licentie en/of een sociaal charter met gemeenschappelijke waarden en een oriëntatie naar het gemeengoed, kan op natuurlijke wijze worden overgeschakeld van competitie naar samenwerking en het delen van informatie over productie en boekhouding doorheen het netwerk. Een voorbeeld is Enspiral, een netwerk van sociale ondernemers in Nieuw Zeeland, die binnen hun netwerk transparantie bedrijven.

Dankzij deze hack zou de wederkerige en stigmergische coördinatie van productieve activiteiten die reeds van toepassing is in de immateriële productie van kennis, code en design, ook beginnen met het op gang brengen van een dynamiek van postkapitalistische wederkerige coördinatie in de sfeer van reële fysieke productie.

Als deze drie stappen door verschillende actoren gelijktijdig worden genomen, zou peerproductie op een betekenisvolle manier evolueren naar een functionerend organisch systeem dat in staat is om zichzelf te reproduceren aangezien de bijdragers tot de commons een coöperatief levensonderhoud zouden kunnen creëren. We zouden geëvolueerd zijn van een “communisme van kapitaal” naar een “kapitaal van de commons”.

vertaling: Jean Lievens

Fietswieders: een open landbouwmachine om organische landbouw leuker te maken

De Fietswieders is een lowtech landbouwmachine die gebaseerd is op open source en het leven van (organische) landbouwers leuker wil maken.

De community rond de Fietswieders is te vinden op Facebook.

Bekijk ook de video

Als bijkomende info vinden we op Facebook nog de volgende “lange” verklaring:

“Wat gebeurt er als twee jonge boeren en een smid de handen in elkaar slaan? Samen ontwikkelen ze een geweldige machine: de fietswieder. Landbouw zal nooit meer hetzelfde zijn. We delen onze zoektocht en trakteren op vage foto’s, onduidelijke schetsen, hard-core engineering en groote ideëen.”

“We beleven het einde van het Romeinse Rijk. Dat geeft moed”

Een uitgebreid interview met Michel Bauwens in De Morgen van 11 oktober 2014 (Zeno-bijlage)

De westerse economie gaat om zeep, maar dat is juist geweldig nieuws. Eindelijk wat anders! Welkom in de wereld van Michel Bauwens (56), een filosoof die zo radicaal outside the box denkt, dat er in de verste verte geen box meer te bekennen valt.

Misschien kent u Michel Bauwens niet – en dat is dan erg jammer. Maar die ene onbekende Belg, waarvan u de naam alweer vergeten bent, die plots opdook naast Mahatma Gandhi en Martin Luther King in die lijst van honderd meest inspirerende personen van het Post Growth Institute, herinnert u zich die nog? Dat was Michel Bauwens.

De rest van het interview hier

Een maatschappij waarin alles gratis is

Verschenen op 21/3/2014 op politics.be
(21/03/2014) In het hart van het kapitalisme schuilt een paradox, die het systeem tot grote successen heeft geleid, maar nu zijn toekomst bedreigt,” schrijft Jeremy Rifkin in The New York Times,
“Productiekosten voor veel goederen en diensten worden nu zo laag dat ze bijna gratis zijn en niet langer onderhevig zijn aan marktkrachten.”

Het eerste teken van deze paradox dook in 1999 op en heette Napster. Miljoenen mensen begonnen muziek te delen zonder producenten en artiesten te betalen en dat deed de muziekindustrie op haar grondvesten daveren. De volgende ‘slachtoffers’ van deze evolutie zijn de klassieke media, het onderwijs en de energie- en industriële sectoren. Ook daar is het duidelijk (althans, dat hopen consumenten) dat de marginale productie- en/of duplicatiekosten op de lange termijn met een nulkost zullen flirten.

Volgens experts wordt een zero-marginal-cost economy een steeds realistischer toekomstbeeld, maar blijft deze evolutie onderhevig aan kapitalistische krachtenen het winstoogmerk. De gratiseconomie wint jaar na jaar aan belang en het aantal mensen dat voor betalende alternatieven – zogenaamde premiumdiensten – kiest, blijft krimpen. Rifkin meent dan ook dat de ‘deeleconomie’ binnen de komende twintig jaar ons economisch leven volledig zal ‘internetiseren’, waardoor marktkrachten veel aan belang zullen inboeten.

De nieuwe technologie-infrastructuur – the Internet of Things – zal tegen 2020 minstens 50 miljard sensoren met elkaar in verbindig stellen. Ter vergelijking: vandaag zijn er al 11 miljard zulke sensoren en deze verbinden grondstoffen, productielijnen, elektriciteits- en logistieke netwerken, huizen, kantoren, winkels, voertuigen en nog veel meer.

Big-Data-analyses zullen het marktproces vervolgens uiterst efficiënt maken en de marginale kost van de productie en distributie van een toenemend aantal producten en diensten dramatisch minimaliseren, net zoals dat nu al met digitale diensten gebeurt. Zo zullen huishoudens en bedrijven weldra hun energieconsumptie afstemmen op de energieflows op het net, met grote kostenbesparingen tot gevolg.

Volgens Cisco zal de dollarwaarde van de productiviteitswinsten van deze internetisering tegen 2022 de 14.000 miljard overstijgen en volgens General Electric zal het de helft van de globale economie omwentelen. De vraag is dan hoe deze toekomstige economie zal functioneren en volgens Rifkin zullen non-profits (in de V.S. nu al verantwoordelijk voor 5,5% van het BBP) een sleutelrol gaan spelen.

De gemeenschappelijke sector van de economie zal universele toegang, inclusie en samenwerking optimaliseren en ongelooflijk veel sociaal kapitaal creëren. Toch zal deze sector in Rifkins visie het kapitalistisch model niet vervangen. Hij zal ernaast bestaan, net zoals de deeleconomie nu ook al bestaat (al is Jaron Laniers alternatieve doemvisie van ‘digitaal maoïsme’ hier het vermelden waard).

Daarom ziet Rifkin de komende robotrevolutie op de arbeidsmarkt tevens als een opportuniteit om nieuwe jobs in de collaboratieve sector – gezondheidszorg, onderwijs, overheid, liefdadigheid – te creëren en niet enkel als een bedreiging voor onze manier van leven.

“We betreden een nieuwe wereld en wagen ons over de grenzen van de markt,” aldus Rifkin, “waar we zullen leren hoe samen te leven in een collaboratieve, globale maatschappij.”

Chris Anderson gaat in drones

Uittreksel artikel verschenen op 2 maart 2014 in wereldkoersen

(…)
Op dit moment is 3D Robotics na het Chinese DJI Innovations uit Shenzeng in omvang de tweede op deze markt, maar er liggen kapers op de loer in de vorm van industriële grootmachten als Amazon, FedEx en Domino’s Pizza. Jeff Bezos van Amazon speculeerde in november vorig jaar over het bezorgen van kleine pakketjes bij zijn klanten met behulp van drones, maar zo ver is het nog lang niet. De FAA (de Amerikaanse luchtvaartautoriteit) staat niet toe dat er met drones over bewoonde gebieden wordt gevlogen, en volgens Anderson is ook de privacywetgeving vooralsnog een grote hinderpaal.

Daarom richt 3D Robotics zich in eerste instantie op de landbouwmarkt. Boeren kunnen drones gebruiken om hun gewassen nauwkeurig in de gaten te houden en kleine verschillen in de productie (bijvoorbeeld als gevolg van hoogteverschillen of uiteenlopende bodemomstandigheden) bij wijze van spreken tot op de millimeter te corrigeren.

Het unieke van het bedrijfsmodel van 3D Robotics is dat alle blauwdrukken voor zijn circuit boards en modellen volledig openbaar zijn en door een grote gemeenschap van vrijwillige ontwikkelaars, via de website DIYDrone.com, worden ondersteund. “Als we het bij het rechte eind hebben, zal dit een fantastisch model zijn voor allerlei soorten bedrijven; en als we het mis hebben, is het een leerzame ervaring”.

Oorspronkelijk uit IEEE Spectrum