Categorie archief: bedrijven

12006159_10207424606596276_8552091078701843873_n

Niet de deeleconomie, maar de commonseconomie kan de wereld redden

door Jean Lievens
P2P Foundation Belgium

Eerst verschenen op De Wereld Morgen op 29 mei 2016 (blog Jean Lievens – originele tekst)

De deeleconomie staat steeds meer in de belangstelling, maar over de commonseconomie wordt helaas veel minder gesproken. Waarschijnlijk blijft dit voor velen te abstract, maar als we het hebben over de noodzaak van een transitie naar een duurzame economie en naar een meer rechtvaardige en democratische samenleving, dan is de commonseconomie wel de hefboom.

We leven in een verandering van tijdperk, gekenmerkt door economische en financiële crisissen, sociale onrust en politieke instabiliteit. Ons sociaale-conomisch systeem functioneert niet meer en “de politiek” draagt geen oplossingen aan. Anderzijds opent de technologische vooruitgang enorme mogelijkheden om de huidige ecologische, economische en sociale problemen op te lossen, maar binnen de oude structuren en denkschema’s werkt ze de financieel-economische en sociale crisis juist in de hand.

Er is veel sociaal verzet tegen de neoliberale tegen-hervormingen van de afgelopen jaren, maar vaak blijven protestbewegingen beperkt tot “tegen iets zijn” en is er een gebrek aan coherent alternatief. Ook klassieke linkse formules schijnen niet meer te werken of worden de nek omgedraaid binnen een vijandige internationale context, wat de Grieken aan de lijve mochten ondervinden.

Wel zijn overal in de wereld mensen actief betrokken in allerhande initiatieven om te bouwen aan een betere wereld. Velen hebben zich afgekeerd van de politiek en bouwen “het nieuwe binnen het oude”. Ze zijn actief op gebied van sociale rechtvaardigheid en solidariteit (vakbonden, coöperatieven, NGO’s, fairtradeorganisaties, noord-zuidbewegingen etc.), openheid en transparantie (open source beweging, open designgemeenschappen…) en duurzaamheid (circulaire economie, microfabrieken…).

Tussen deze verschillende groepen bestaat echter weinig interactie en ook binnen deze groepen is de fragmentatie vaak groot. Maar ze dragen wel de kiemen van een nieuw systeem, waarbij “de commons” het bindmiddel kan zijn. Een van de organisaties die hierbij een verbindende en katalyserende rol kan spelen, is volgens mij Hart boven Hard, zowel in haar hoedanigheid van netwerk als van beweging.

Maar laat ik eerst even beknopt de kern van het transitiemodel uitleggen dat de P2P Foundation voorstelt. Het boek De Wereld Redden bevat heel wat ideeën, maar vaak pikken mensen alleen dat eruit wat in hun kraam past. Om te beginnen hebben we nooit beweerd dat de “deeleconomie” de wereld zal redden, zoals Rogier De Langhe schrijft in een van zijn opiniestukken in De Morgen van 17 mei (Welke deeleconomie willen we?). In ons boek hebben we het over peer-to-peer, maar maken we een onderscheid tussen peer-to-peer marktplaatsen (waar de deeleconomie zich grotendeels afspeelt) en peer-productie van commons. Ons transitieverhaal steunt vooral op de tweede pijler.

De deeleconomie (alleen) zal de wereld niet redden

De deeleconomie zoals ze zich tot nu toe heeft ontwikkeld, wordt vooral gedomineerd door commerciële platformen die vraag en aanbod van markttransacties tussen individuen (denk aan de “gig”-jobs, het “delen” van autoritten tegen betaling, het verhuren van appartementen…) regelen via algoritmes en daar flink wat geld aan verdienen. De belangrijkste voordelen van deze modellen is dat ze voor de gebruikers vaak performanter en goedkoper zijn dan de traditionele modellen en dat ze zorgen voor een beter gebruik van de bestaande infrastructuur (het “deel”aspect) waardoor ze deel uitmaken van een noodzakelijke evolutie naar een meer duurzame economie.

Maar de keerzijde is ook niet mals: ze ontwijken allerhande wetgevingen waaraan de traditionele modellen wel aan moeten beantwoorden (sociale wetgeving, voorschriften inzake veiligheid en gezondheid etc.), ze investeren zelf niet in infrastructuur en wentelen alle risico’s af op degenen die hun platform gebruiken om geld te verdienen. Zelfs degenen die voor de vrije markt zijn en pleiten voor een gelijk speelveld, kunnen toch niet anders dan vaststellen dat we hier te maken hebben met oneerlijke concurrentie. Je kan dan twee zaken doen: ofwel het speelveld gelijkschakelen door deze platformen te onderwerpen aan dezelfde regels die gelden voor andere bedrijven, ofwel de regels voor andere bedrijven ook afschaffen. Dus hier pleiten we uiteraard voor klassieke regulering.

Alternatieven op commerciële platformbedrijven

Maar er zijn andere manieren om dergelijke kapitalistische platformen van antwoord te dienen. Laten we Uber nemen als voorbeeld. Zo heeft sharing city Seoel Uber ronduit verboden. Maar tegelijk ontwikkelde de stad wel een even gebruiksvriendelijk alternatief: een mobiliteitsapp op stadsniveau waarin de klassieke taxisector werd geïntegreerd. Vakbonden kunnen Uberchauffeurs organiseren en opkomen voor hun belangen (zo heeft Seattle onlangs Uberchauffeurs syndicale rechten verleend waardoor ze expliciet erkend werden als werknemers en niet als freelancers) of zelfs helpen met het opzetten van een coöperatieve die gebruik maakt van een eigen app. Zo gaan alle verdiensten naar de chauffeurs zelf en niet naar Silicon Valley. Op dat vlak zijn de initiatieven echter enorm versnipperd, want elke entiteit gebruikt andere open source applicaties en apps. Het komt er dus op aan om al deze mini-initiatieven te coördineren en te stroomlijnen binnen één netwerk.

Maar goed, we blijven hier nog altijd op het terrein van marktactiviteiten, het kopen en verkopen van diensten om geld te verdienen. Daar is niks mis mee, mensen moeten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Maar als er wordt samengewerkt rond één platform, beheerd door de stakeholders (dus niet alleen de chauffeurs , maar bijvoorbeeld ook de klanten en de overheid), dan wordt dit gemeenschappelijk platform wel de kern van de economische activiteit waaraan de marktactiviteit is ondergeschikt.

Er zijn natuurlijk ook tal van deelinitiatieven die een maatschappelijk doel voor ogen hebben, zoals autodelen op buurtniveau (vb. Dégage in Gent), of logies delen op wereldniveau (couchsurfing). Dit is de originele deeleconomie, die nog altijd bestaat én groeit, maar inmiddels in de media werd overschaduwd door Uber en Airbnb. Deze laatste is trouwens zelf begonnen binnen de reële deeleconomie, wat nog steeds vervat zit in de naam (air staat voor air matrass: het idee was een luchtbed in de living voor toeristen, in ruil voor een kleine deelname in de kosten). Met de intrede van venture capital werd het platform geprofessionaliseerd, er kwamen diensten bij (zoals een verzekering tegen vandalisme), maar bovenal vervoegden steeds meer professionele spelers het platform om appartementen te verhuren aan toeristen. Op die manier omzeilen ze stedenbouwkundige vergunningen en de wetgeving op hotels, jagen ze tegelijk de huurprijzen voor lokale bewoners omhoog en maken bepaalde buurten onleefbaar (denk aan Barceloneta in Barcelona). Tussen haakjes, het is ook belangrijk om op te merken dat alleen mensen die iets hebben iets kunnen ‘delen’ (lees verhuren). Een huurder mag meestal niet onderverhuren, ook niet via Airbnb.

De commonseconomie

Tot daar de “deeleconomie”. Wat echter veel belangrijker is in ons transitieverhaal, is de zogenaamde commons-economie en meer bepaald de creatie van commons van open software, kennis en design. Bekende commons zijn Linux, Wikipedia en Arduino, maar er bestaan duizenden andere voorbeelden. We hebben hier te maken met een postkapitalistisch model, omdat:

Het niet gebaseerd is op arbeid/kapitaal, maar op vrijwillige bijdragen
Het geen goederen of diensten voortbrengt om te verkopen op de markt (ruilwaarde), maar rechtstreekse gebruikswaarde die vrij beschikbaar is, in overvloed aanwezig, vrijwel kosteloos, oneindig reproduceerbaar en dus niet eens “vermarkt” kan worden.
Sommigen rangschikken ook deze commons onder de ‘deeleconomie’ omdat ze vrij beschikbaar zijn (en dus vrij kunnen ‘gedeeld’ worden), maar dan gooi je Uber en Wikipedia op één hoop, wat toch problematisch is. Om verwarring te vermijden is het dus aangewezen om bij elk project de volgende vragen te stellen:
wat is de hoofddoelstelling (maatschappelijk of winstgevend)?
wordt er gemeengoed gecreëerd dat vrij beschikbaar is?

Alleen in het twee geval spreken we van een commons-economie. Is de doelstelling maatschappelijk en wordt er gewerkt via een collectief deelplatform, dan is het deelplatform zelf de commons en kan je ook dit soort van deelinitiatieven tot de commons-economie rekenen. Gaat het om pure markttransacties, dan hebben we te maken met P2P marktplaatsen die strik genomen niets met delen te maken hebben, maar door deze platformen zelf en door de media wel als dusdanig genoemd worden, dus ik veronderstel dat we ermee moeten leven.

Een productiever model…

Het gemeenschappelijk creëren van open gemeengoed van kennis, softwarecode en allerhande ontwerpen blijkt in de praktijk veel sneller, efficiënter en productiever dan de traditionele (lees kapitalistische) manier om deze zaken voort te brengen. Sinds Wikipedia zijn papieren encyclopedieën alleen nog in tweedehandszaken verkrijgbaar. Wikipedia is gratis, wordt elke dag beter en volgt de actualiteit. Een paar minuten nadat de media hebben bericht over de dood van Prince, is de popster ook dood op Wikipedia. Open software is de norm binnen de softwarewereld geworden. Nasa, BMW, het CERN, het Witte Huis… gebruiken Linux, een software die vrij beschikbaar is voor iedereen. Er bestaan een dertigtal open source-auto’s (inclusief een open source zelfrijdende auto) die stuk voor stuk milieuvriendelijke en energiezuiniger zijn dan industriële wagens, alleen komen de banken niet met geld over de brug om de productie ervan te financieren, tenzij ten minste een deel van het ontwerp beschermd wordt door patenten. Tot nu toe lijkt LocalMotors, een semi-open source wagen die in een microfabriek via 3D printing kan worden geproduceerd het enige model dat ook economisch succesvol is. Maar er zijn ook open source robotten, open source landbouwmachines, open source laboratoriumapparatuur en duizenden andere open hardwaresystemen. Daarnaast is er ook het delen van kennis allerhande, zoals open wetenschap tegenover het peperduur verkopen van academische artikels door privé-uitgeverijen.

… gedomineerd door het kapitalisme

Maar net als de deeleconomie waarvan eerder sprake, wordt ook de commonseconomie volop “gerecupereerd” door het kapitalisme, hoewel “gebruikt” me een beter woord lijkt in deze context, want er is hier toch iets anders aan de hand. We krijgen namelijk een model waarbij bedrijven die elkaar beconcurreren op de markt, wel samen bouwen aan een commons. Als toemaatje krijgen ze er de bijdragen bij van vrijwilligers die voor allerhande redenen gratis bijdragen tot het gemeengoed. Neem open software. Ongeveer 75% van de programmeurs die bijdragen tot Linux, worden betaald door grote bedrijven zoals IBM en Red Hat, die net als Google, Intel, HP, Samsung, Cisco enzovoort de Linux Foundation financieren. Waarom? Omdat het stukken goedkoper en efficiënter is Linux te helpen ontwikkelen dan eigen software te ontwikkelen. Voor hen is Linux een goedkope grondstof die ze kunnen gebruiken om andere diensten aan te bieden op de markt, meestal het maken van een gebruiksvriendelijke versie op maat van hun klanten, maar ook onderhoud, training, consultancy, enzovoort.

Laten we een voorbeeld nemen uit de open hardware. Alles wat de mens maakt, moet eerst ontworpen worden. Er komen meer en meer ontwerpen tot stand door open en transparante samenwerking van bijdragers via het internet. Het internet wordt naast een goedkoop communicatie- en coördinatiemiddel dus ook meer en meer een universeel productiemiddel. Tegelijk vervaagt de grens tussen (digitaal) ontwerp en geautomatiseerde productie. Machines zijn immers gekoppeld aan computers. Voeg daaraan toe dat na de miniaturisering van de computer ook de miniaturisering van machines aan de orde van de dag is, waarbij je “meer kunt doen met minder”, en je ziet meteen het potentieel dat zich opent om ons maatschappelijk en economisch model volgens volledig andere lijnen te gaan ordenen. Maar dat kan alleen als we ons organiseren en bewust modellen ontwikkelen die dat ook in de praktijk brengen. Want tot op heden, zwaait het kapitaal nog altijd de scepter, ook in de wereld van de commons.

Je hebt immers nog altijd kapitaal nodig om iets te produceren: een fysische ruimte, grondstoffen en arbeid. Je verlaat de digitale, postkapitalistische wereld van de overvloed en betreedt in zekere zin weer de wereld van arbeid en kapitaal. Maar ook binnen dat kader heb je de keuze welk soort van organisatie je hiervoor opricht. Een coöperatieve is hier ongetwijfeld de meest geschikte bedrijfsvorm omdat haar eigendom- en beheermodel het best aansluit met de peer-to-peer waardecreatie in de commons. Omdat jonge ondernemers vaak niet vertrouwd zijn met het coöperatieve model, domineren durfkapitalisten (venture capital) die torenhoge rendementen terugeisen voor hun investering logischerwijze nog altijd de open hardwaregemeenschappen, hoewel we oog moeten hebben voor de oprukkende fablabs, hackerspaces, co-working spaces en makerspaces die vaak ondersteund door lokale overheden, scholen of universiteiten, en ook via crowdfunding.

Sociale ondernemers

Het is belangrijk hier een punt te maken over sociale ondernemers. Klassiek links haalt vaak de neus op voor ondernemers omdat ze die onterecht vereenzelvigen met “kapitalisten”. De woorden “sociaal” en “ondernemen” vinden ze een contradictio in terminis. Bovendien schieten veel politici van groene en sociaaldemocratische partijen die ondernemers omarmen (zonder evenwel een onderscheid te maken in de aard en de grootte van de bedrijven) tegelijk op de vakbonden die ze bestempelen als “conservatief”. Ze behoren historisch tot de neoliberale strekking (gelukkig op zijn retours) die de derde weg van Blair voorstaat. Maar stel je in de schoenen van een jonge ingenieur die de wereld wil verbeteren. Geloof me, ze zijn niet in de minderheid. Zo wilt 98 procent van afgestudeerde ingenieurs in Finland duurzaam ontwerpen. Alleen… als ze het geluk hebben een baan te vinden in een klassiek bedrijf, moeten ze zorgen voor ingeplante slijtage. Het alternatief is zich aansluiten bij een open hardwaregemeenschap en proberen zelf of met vrienden een bedrijfje op te starten. Als je bijdragen levert voor een open ontwerp, is er immers geen enkel reden om slijtage in te plannen. Je probeert een product zo goed mogelijk te ontwerpen.

De laatste jaren zien we meer en meer jongeren die ecologische en maatschappelijke problemen willen oplossen door zelf een bedrijf op te starten. Maar ook mensen die al jaren voor traditionele bedrijven werken, stappen voor allerhande redenen uit de ratrace en gaan zelf een sociale bedrijfsactiviteit beginnen die goed is voor de samenleving en die hun eigen leven veel meer zin geeft. Het is juist dat we hier vaak te maken hebben met een geprivilegieerde groep, maar dit fenomeen illustreert toch een uittocht uit het bestaande systeem, zowel vrijwillig als gedwongen.

Alleen… je moet natuurlijk wel geld verdienen om te overleven. Het grootste probleem vandaag is dat de commons, die een steeds grotere plaats innemen in de kapitalistische economie, nog steeds ondergeschikt zijn aan het overheersende model en alleen collectief reproduceerbaar zijn maar niet individueel. Wat bedoel ik daarmee? Als individu kan je tijdelijk gratis bijdragen tot commons (als je student bent, werkloos, of in je vrije uurtjes), maar je kan dat niet blijven doen. De commons blijven echter collectief overleven omdat er steeds nieuwe mensen bijkomen die bijdragen leveren, terwijl anderen wegvallen.

Nieuwe bedrijfsmodellen

De vraag van een miljoen is dus: hoe kunnen we bedrijfsmodellen ontwikkelen die het de commoners (bijdragers tot commons) mogelijk maakt om in hun levensonderhoud te voorzien? Gelukkig is dit geen theoretische vraag aangezien er volop aan deze modellen wordt gewerkt. Met andere woorden, er bestaan reeds ethische bedrijven die samen een commons produceren, zoals Enspiral, een jong bedrijvennetwerk dat Loomio (een samenwerkingssoftware) en Co-Budget (een app om democratische investeringsbeslissingen te nemen binnen het netwerk) heeft ontwikkeld en “Stuff that Matters” als baseline heeft. Het initiatief ontstond in Nieuw-Zeeland, maar het netwerk groei als kool en de open software Loomio is inmiddels uitgegroeid tot een zelfstandig bedrijf (een coöperatieve in eigendom en zelfbeheer van de werknemers) binnen het Enspiral netwerk, met wereldwijde vertakkingen.

Ik geef deze voorbeelden mee om ons verhaal wat concreter te maken zodat de verhaallijn duidelijker wordt. Wij denken namelijk dat er een nieuwe economie in wording is rond de commons. Deze economie wordt inderdaad gedomineerd door het kapitaal, maar veroorzaakt binnen het kapitalisme een waardecrisis: de geproduceerde gebruikswaarde groeit exponentieel, maar de gerealiseerde marktwaarde stijgt slechts lineair en wordt grotendeels “opgevangen” door het kapitaal. Maar naarmate het kapitaal investeert in peer-to-peer-netwerken en commons, versterkt ze die tegelijk en maakt aldus het potentieel alternatief sterker. Vroegere systeemovergangen vonden op dezelfde lijnen plaats: het oude systeem maakt gebruik van het nieuwe systeem om zijn bestaan te rekken, maar versterkt daardoor het nieuwe systeem tot een punt wordt bereikt waarop het nieuwe systeem kan doorbreken en dominant worden.

Vandaag wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe bedrijfsmodellen, vaak coöperatieven, die commons voortbrengen en tegelijk in het levensonderhoud voorzien van de coöperanten. Ook wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe manieren om de waardecreatie binnen de commons te registreren (open boekhouding) en die te koppelen aan vergoedingen voor de commonors indien de projecten marktwaarde realiseren. Er ontstaan ook nieuwe solidariteitsmechanismen, zoals de broodfondsen in Nederland, een sociaal zekerheidssysteem op minischaal voor “zzp-ers” (zelfstandigen zonder personeel, hier meestal freelancers genoemd). Zo zie je dat de mutualiteiten van de vroege arbeidersbeweging vandaag nog eens dunnetjes overgedaan door mensen die buiten de mazen van het sociale zekerheidssysteem vallen.

Ook de nieuwe coöperatieven die wereldwijd groeien als kool brengen de hoogdagen van de arbeidersbeweging in herinnering. Ook zij probeerden het nieuwe te bouwen binnen het oude, maar streefden vooral naar het veroveren van de politieke macht om de economie gradueel (door hervormingen) of min of meer volledig (door revolutie) via de staat over te nemen. De traditionele coöperatieven werden echter grotendeels weggeconcurreerd door multinationals die over meer kapitaal beschikten en dankzij schaalvoordelen goedkopere producten konden op de markt brengen. Coöperatieven die overleefden, konden dit alleen door zich net te gedragen als kapitalistische bedrijven waardoor ze op de duur nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren. Toch kan de historische arbeidersbeweging een grote inspiratiebron zijn voor de open source- en commonsbeweging. Alleen is haar heroïsche geschiedenis gedurende de laatste decennia (en zelfs langer) grotendeels ondergesneeuwd door bureaucratisering en incorporatie binnen de staat.

Kloof tussen precariaat en salariaat dichten, niet aanwakkeren

Dat laatste verklaart waarom veel jongeren die zich wel als een vis in het water voelen in de open source- en commonsbeweging, zich niet herkennen in de huidige arbeidersbeweging. Deze laatste is dan weer al decennia in een defensieve strijd verwikkeld voor het behoud van sociale verworvenheden en vindt moeilijk aansluiting bij jongeren die opgroeien in een tijd waarin het oude sociale contract meer en meer wordt opgeblazen voor de nieuwe generatie. Sommigen concluderen daaruit dat de klassenstrijd moet wijken voor een generatiestrijd. Niet het falend systeem is verantwoordelijk, wel de oudere generatie die de rijkdom heeft opgesoupeerd waardoor er niks meer overblijft voor de jeugd . Hoewel minder brutaal (hoewel…) lijkt dit de redenering die ook economiefilosoof Rogier De Langhe volgt in zijn recente columns. Rogier geeft toe dat er een systeemcrisis is, maar vindt dat “wij daar allemaal samen” voor verantwoordelijk zijn. Zoiets kan je natuurlijk alleen maar beweren als je de klassennatuur van onze samenleving ontkent. Maar zelfs dan is het hallucinant om het volgende te beweren: ”Zoals in 2008 bleek dat bankiers niet hadden kunnen weerstaan aan de ‘hebzucht’, zo blijkt vandaag dat ook de vakbonden te ver gingen. Ze verwierven meer rechten dan duurzaam over de generaties heen konden worden voorzien. Zelfs de banksters waagden het niet het land plat te leggen uit protest tegen het instorten van het kaartenhuisje dat ze zelf hadden gebouwd.” (De Morgen van 25 mei 2016: Waarom betogers op bankiers lijken”)

Rogier vindt de vakbonden blijkbaar nog erger dan de banksters. Hij pleit wel voor meer solidariteit, maar dan wil binnen de groep van “have nots”: “Ik droom van een herverdeling van sterk naar arm, in plaats van van niet-gesyndiceerd naar gesyndiceerd en van ongeboren naar vandaag.” Dat er in de afgelopen dertig jaar 10 procent van het BNP verschoven is van Arbeid naar Kapitaal is bijzaak, want “De bedragen waar het om gaat, zijn zo gigantisch dat een vermogensbelasting weinig verschil maakt. Zeker in een land als het onze illustreert het discours over de 1 procent vooral dat het makkelijker is de schuld bij een externe vijand te zoeken, dan bij onszelf.”

Er bestaat ongetwijfeld een spanningsveld tussen de klassieke arbeidersklasse die bestaat uit (vaak oudere) werknemers die in een hiërarchisch verband voor een bedrijf werken, en de nieuwe klasse van precaire en autonome werkers die rechtstreeks voor de markt (moeten) werken. Dat kan gedwongen zijn omdat ze geen werk vinden, maar velen doen het ook vrijwillig, ook uit sociale bewogenheid. Die groep gebruikt het internet en de commons voor het opzetten van nieuwe solidariteitsmechanismen. Op dat vlak speelt Smart.be in België een voortrekkersrol. We hebben de vakbonden al vaker op de korrel genomen omdat ze deze groeiende groep precaire werkers rechts laten liggen (in Nederland is binnen het FNV al geruime tijd een fel debat aan de gang). We moeten bruggen bouwen tussen precaire en “beschermde” werknemers, niet door de rechten van de ene groep af te bouwen ten voordele van de andere, maar om samen te ijveren voor een maatschappij die eerlijkere, democratischer en meer gelijk is dan de huidige. Helaas drijft Rogier de tegenstelling tussen beide groepen op de spits en door ongenadeloos de vakbonden te viseren in hun verzet tegen de regeringsmaatregelen, staat hij objectief gezien natuurlijk 100 procent aan de kant van de regering die hij in zijn columns nooit op de korrel neemt.

De commons als nieuw bindmiddel in een positief transitieverhaal

Maar goed, terug naar mijn verhaal. Wat in het oude verhaal van de arbeidersbeweging ontbrak, was een nieuwe manier om waarde te creëren en te herverdelen, die bovendien superieur is aan het oude model. Vandaag bestaat deze nieuwe productiewijze wel. In het oude verhaal versloeg groot klein. Altijd. Vandaag kan een netwerk van veel kleintjes groot verslaan. Denk aan Linux en Wikipedia. De nieuwe platformbedrijven of “netarchische” kapitalisten (kapitalisten die heersen over het netwerk), zijn nog piepjong (Google is 20 jaar oud, Facebook 12, Uber 6) maar hebben in een mum van tijd de wereld veroverd. De vraag is hoe duurzaam die bedrijven zijn op langere termijn, gezien hun parasitair karakter en het feit dat de waarde die ze onttrekken uit menselijke samenwerking niet terugvloeit naar de mensen die deze waarde creëren.

Er bestaat volgens mij geen uniforme formule om deze bedrijven aan te pakken. Sommigen kunnen op termijn weggeconcurreerd (of weg”samengewerkt”) worden door nieuwe, coöperatieve modellen, op voorwaarde dat deze globaal opgeschaald worden (samenwerking in wereldwijde netwerken). Zowel de overheid als de traditionele organisaties van de arbeidersbeweging kunnen daarin een stimulerende rol spelen. Anderen zoals Google of Facebook worden best “openbare nutsbedrijven”, zoals destijds de spoorwegen en de elektriciteitsbedrijven. Natuurlijk zijn deze privéplatformen wereldwijd actief, maar ze zijn wel ingebed in een staat (meestal de VS) waarbinnen een politieke strijd kan gevoerd worden om ze om te turnen in door stakeholders beheerde nutsbedrijven (geen traditionele staatsbedrijven dus). Buiten de VS kunnen en worden ze via regulering meer aan banden gelegd, hoewel de resultaten nog niet spectaculair te noemen zijn (bv. Europa versus Facebook en Google).

Om te resumeren, wil ik de volgende stellingen poneren:

De commons kunnen het bindmiddel zijn van een nieuwe progressieve beweging
De drie groepen die mondiaal actief zijn in transitiebewegingen (rond ecologie, solidariteit en open source) moeten elkaar beter leren kennen en meer gaan samenwerken

Tegelijk kan geijverd worden voor een commons-transitieprogramma dat streeft naar een nieuw economisch-maatschappeijk paradigma dat steunt op drie pijlers:
Een productieve civiele maatschappij van burgers die vrijwillig bijdragen tot commons
Een ethische bedrijvencoalitie rond deze commons
Een nieuw overheidsmodel waarbij de overheid optreedt als partnerstaat die peer-productie van vrije burgers faciliteert en ondersteunt (met geld, infrastructuur, onderwijs etc.) Deze staat vervangt de welvaartsstaat niet, maar overstijgt ze. Strijden tegen de afbouw van de welvaartsstaat blijft dus 100 procent een progressieve strijd.

Daarnaast dringt zich een herlocalisering op van de productie in microfabrieken die eveneens wereldwijd genetwerkt zijn en aldus een tegengewicht kunnen bieden op transnationaal niveau tegenover de multinationals. Op die basis kunnen we de ecologische crisis bezweren (duurzame lokale energiecoöperatieven aangesloten op een smart grid, drastische vermindering van transport- en energiekosten, transparante aanvoerketens ten dienste van een circulaire economie waardoor het generatief vermogen van de planeet volledig wordt hersteld etc.)

Voor meer info:

P2P Foundation
Enspiral
Jean Lievens

Opendata

10 redenen waarom open source de wereld verovert Continue reading at: 10 redenen waarom open source de wereld verovert

Samenvatting artikel verschenen op 20 juli 2014 op datamashup.info

Open source is aan een opmars bezig in de grootzakelijke sector. Tien redenen waarom bedrijven propriëtaire software links laten liggen. Open source-software, ooit het domein van tech-hobbyisten, maakt imposante stappen in de zakelijke softwarewereld.

Volgens Gartner maakt open source-software in 2016 deel uit van vrijwel alle bedrijfskritieke softwareportfolio’s van bedrijven. Open source is daarnaast sterk gegroeid; er lopen naar schatting nu zo’n miljoen open source-projecten. Tien redenen voor de toegenomen populariteit van open source.

1. Kwaliteit
2. Featureset
3. Beveiliging
4. Snellere innovatie
5. Schaalbaarheid
6. Maatwerk
7. Samenwerking
8. Standaarden
9. Hypermodern
10. Kosten

Een bedrijf moet verder interne resources besteden aan het aanpassen op en integreren van open source-software. Maar de kosten zijn niet meer de bepalende factor, zo blijkt uit de verhalen van bedrijven die we spraken en de twee genoemde onderzoeken. Open source biedt meer kwaliteit, beveiliging en het allerbelangrijkste: het heeft een omslagpunt bereikt in de adoptie: het wordt grootschalig ingezet door giganten als Facebook en Google. Share the post “10 redenen waarom open source de wereld verovert”

Continue reading at: 10 redenen waarom open source de wereld verovert

Vijf tips voor succesvol sociaal ondernemen

Uit nuzakelijk.nl

Geen hulpverlener
“Werken met beperkt personeel kost extra geld, energie en tijd”, zeggen de fondsen. Er zijn regelingen voor opleiding en compensatie, maar die missen vaak aansluiting met de praktijk op de werkvloer. “Een werkgever is geen hulpverlener. Stel je dan ook niet zo op, dan verlies je aan commerciële scherpte.”

Een goede strategie
Een goede sociale ondernemer heeft volgens de fondsen ruime ervaring en een goede opleiding. Een duidelijke financieringsstrategie, marktstrategie en financiële administratie zijn daarnaast van levensbelang. “Sociaal ondernemen pakt altijd duurder uit. Dat moet je van te voren berekenen.”

Sociale missie
Meer specifiek heeft de sociale ondernemer baat bij een duidelijk gecommuniceerde sociale missie naar de buitenwereld. Maak helder wat je doet, met wie en waarom. “Laat de maatschappij zien welke sociale opbrengsten jouw bedrijf genereert.”

Werk met een doelgroep
De fondsen adviseren om met een doelgroep te werken waarover de ondernemer kennis op kan bouwen. Kies voor een soort beperking. Lichamelijk of psychisch. “Er zijn bijvoorbeeld IT-bedrijven die werken met mensen met autisme die software kunnen testen.”

Betrek stakeholders
Ook kan het volgens de onderzoekers nuttig zijn om stakeholders bij je bedrijf te betrekken die de onderneming vooruit kunnen helpen. Ga bijvoorbeeld te rade bij collega-ondernemers of het netwerk voor sociaal ondernemers ‘Normaalste zaak.’

Cartoon_dexia_bonussen (600 x 450)_tcm21-247171

DIT ZIJN DE DROGREDENEN IN HET BELONINGSDEBAT

gepubliceerd op 20 juni 2014 in Management Team

Highlights:

“Uit ons onderzoek blijkt dat een bonus niet prestatieverhogend werkt. Net zo min we overigens konden aantonen dat bonussen een tegengesteld effect hebben. Bonussen moet je op een andere manier geven, want als er iets is gebleken de afgelopen twintig jaar is dat bonussen de oorzaak zijn van de financiële schandalen. Een veel eerlijker manier van variabele betaling is winstdeling. Dus dat je begin 2014 bekijkt hoeveel winst er in 2013 is gemaakt en die evenredig verdeelt in het bedrijf. Op die manier mijd je mensen die alleen maar dingen doen om hun bonus te halen, zonder daarbij na te denken over andere onderdelen in het bedrijf. Laten we wel wezen, mensen die weggaan voor het geld, ben je natuurlijk sowieso liever kwijt dan rijk. Dat zijn namelijk excentriek gemotiveerde mensen en je wilt juist intrinsiek gemotiveerde mensen.’”

“Een fundamentele vraag die je kunt stellen is dus of je als bedrijf überhaupt op zoek moet naar mensen die de hoogte van het salaris leidend vinden. ‘Promotie en ontwikkelingsmogelijkheden van individuen zijn over het algemeen veel belangrijker,’ zegt Arnoud Boot, hoogleraar Ondernemingsfinanciering en financiële markten aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Maar wat dat betreft is er een fundamentele gedragsverandering nodig. In het zogeheten transactiegeoriënteerde bankieren, zoals het verzorgen en financieren van fusies, willen individuen in New York en Londen allemaal een piece of the action. Een hele grote groep is op zoek naar dergelijke transacties, die alleen de korte termijn dienen. Die groep geeft daardoor heel weinig om het bedrijf zelf.’”

“De kredietcrisis heeft laten zien dat veel topsalarissen helemaal niet waren gebaseerd op objectief meetbare verdiensten en louter marktconform waren. De Wall Street Journal schreef dat er een soort vakbond van topmensen is ontstaan die elkaar de bal toespelen. ‘Er is een soort managerial capitalism ontstaan, waarin het management vooral goed voor zichzelf zorgt,’ zegt Boot. ‘Vergeet bovendien de rol van beloningsbureaus als Towers Watson en Hay Group niet. Zij adviseren bestuurders door ondernemingen met elkaar te vergelijken. Hun advies komt erop neer dat iedereen in de hoogste regionen moet zitten. Maar dat kan niet, want zo creëer je elk jaar een verdere stijging van de salarissen. Maar alle bedrijven doen er aan mee, die doen als het ware haasje over. De bureaus legitimeren op deze manier de beloningsspiraal en de commissarissen zien zich gedekt.’”

(cartoon lbc-nvk.acv)

oopoeh-wint-prijs-voor-sociale-ondernemers

Oopoeh wint prijs voor sociale ondernemers

uit: nuzakelijk.nl

De startups Amplino, Oopoeh en Ctalents hebben Social Impact Lab gewonnen, een wedstrijd voor startende sociale ondernemingen in Nederland.

Lab wordt georganiseerd door accountantsorganisatie PwC. De drie startups zijn gekozen uit meer dan vijftig aanmeldingen.

Sociale ondernemingen zijn bedrijven die primair een sociaal of maatschappelijk doel nastreven en daarnaast een gezond businessmodel hanteren.

Draagbare malariatester

Amplino brengt een draagbare malariatester, die hele kleine hoeveelheden van de parasiet kan detecteren, van het Nederlandse ziekenhuis-lab naar ontwikkelingslanden.

Oopoeh, een afkorting van ‘opa’s en oma’s passen op een huisdier’, wil eenzaamheid onder ouderen bestrijden door ze te koppelen aan een huisdier in de buurt.

Ctalents geeft bedrijven adviezen over hoe ze mensen met een beperking kunnen inzetten voor relevante werkzaamheden.

10251986_10152791790282977_5561987663370589691_n

Over piraten, copyright en basisinkomen

Overgenomen van het FB-prikbord van Sarah Van Liefferinge

De piraten willen copyright niet afschaffen, wel willen we de wetgeving hervormen. Sinds eind jaren ’90 kunnen we via internet goedkoop en supersnel muziekbestanden delen met elkaar. Maar de huidige copyrightwetgeving werd nooit aangepast aan het digitale tijdperk en is dus compleet verouderd. Er gaapt een gigantische kloof tussen de digitale realiteit en de wetgeving.

Oorspronkelijk (eind 18de eeuw in de VS) werd copyright ingevoerd om de vooruitgang van wetenschap en kunst te bevorderen. Artiesten en uitvinders kregen toen 14 jaar bescherming zodat ze hun investering konden terugwinnen. Daarna kwam hun werk in het publiek domein, en dus ter beschikking van de gemeenschap.

De huidige termijn voor copyright is ‘de dood van de artiest + 70 jaar’. Telkens wanneer Micky Mouse in het publiek domein dreigt te belanden, zetten de Disney Company en andere distributiemaatschappijen een machtige lobbymachine in gang. Zo slaagden ze er in ’98 in om hun sterfiguurtje nog 20 jaar langer uit te melken. En reken maar dat ze in 2018 zullen proberen om het auteursrecht met nog eens 20 jaar te verlengen, tot 90 jaar na de dood van de artiest.
Volgens de piraten heeft de huidige copyrightwetgeving niks meer te maken met ‘het stimuleren van creativiteit’, noch met ‘de bescherming van en een eerlijk verdienmodel voor artiesten’. De monsterboetes die geclaimd worden (zelfs van kleine downloaders) draaien daar niet om: het is paniekvoetbal van distributiemaatschappijen die hun macht en vermogen zien wegglippen door de digitalisering.

Weet je nog hoe je zelf aan de radio gekluisterd zat om dat ene nummer op tape op te nemen? En hoe je CD’tjes brandde voor je vrienden, omdat CD’s in de winkel veel te duur waren en je wist dat de artiest zelf er zo goed als niks aan verdiende? Het is een feit dat het internet dit onschuldig delen massaal veel makkelijker gemaakt heeft. Maar in plaats van op een geforceerde manier tegen technologische evoluties in te gaan en zelfs kleine downloaders te criminaliseren, zou de sector zich beter concentreren op nieuwe verdienmodellen, aangepast aan dit tijdperk.
De piraten geloven in de bescherming van de commons of gemeenschapsgoederen: kunst, cultuur en wetenschap moeten ten dienste staan van de mensheid, en niet ten dienste van machtige bedrijven. Daarom is het nodig om de copyrightwegeving te herzien en weer in balans te brengen.

Wij stellen voor:

1) Intellectueel recht is onvervreemdbaar: wie covert, samplet, … doet aan naamsvermelding. Dat is basisbeleefdheid.
2) Muziek delen voor niet-commercieel gebruik moet vrij zijn. Het internet biedt nu eenmaal deze mogelijkheid. Enkel door op grote schaal de privacy van internetgebruikers te schenden en iedereen te controleren en bespioneren, kan dit delen aan banden gelegd worden. En dat is exact wat de machtige distributielobby nu aan het proberen is, via vrijhandelsakkoorden zoals TTIP bv. Ze willen controle over het internet ten koste van onze universele mensenrechten. Maar met een kanon op een mug schieten is zelden een goed idee.
3) Wat commercieel gebruik betreft stellen we een termijn van 20 jaar voor. Elk werk wordt na publicatie automatisch beschermd voor 5 jaar. Na 5 jaar kan de artiest het werk registreren om die termijn te verlengen tot 20 jaar. Deze procedure is bedoeld om het probleem van zogenaamde ‘wezen’ (werken waarvan de maker niet bekend is, maar die wel nog onder copyright vallen en dus niet gebruikt mogen worden zonder expliciete toestemming van de maker) van de baan te helpen.
4) Auteursrechtenorganisaties zoals SABAM werken met onduidelijke verdeelsleutels die niet op reële afspeellijsten gebaseerd zijn: goed voor de groten, maar niet voor de kleintjes. Bovendien eist SABAM ook vergoedingen van DJ’s die niet auteursrechtelijk beschermd werk afspelen, alsook van bands die hun eigen muziek spelen. Verder bedragen de werkingskosten van SABAM ongeveer even veel als de inningen die ze doen. Afschaffen die handel!
5) Check zeker ook de Creative Commons licenties, die artiesten de mogelijkheid bieden om zelf te specifiëren hoe hun werk al dan niet gebruikt mag worden.

De piraten begrijpen dat sommige artiesten het moeilijk hebben met het feit dat hun muziek vrij te verkrijgen is via internet. Maar studies wijzen uit dat muziekliefhebbers die gratis downloaden niet minder geld spenderen aan concerten of betaalde muziek: het budget dat ze uitgeven blijft constant. Mensen zijn bereid om te betalen voor muziek, en dan vooral als ze weten dat ze daarmee de artiest zelf (en niet de distributielobby) steunen. Bovendien kan niemand ontkennen dat het internet ook gigantische mogelijkheden biedt voor artiesten: het is veel makkelijker om een breed publiek te bereiken en exposure te krijgen.

Verder zal er ook een zekere maturiteit moeten groeien bij de internetgebruikers. De eerste grote golf van gratis downloaden kwam deels voort uit protest tegen de verouderde wetgeving en de veel te dure CD’s van voorheen. Als artiesten via internet een connectie uitbouwen met hun fans, zijn velen van hen bereid om een redelijke prijs te betalen voor de kwaliteit die ze krijgen. En dat tieners hun zakgeld liever uitgeven aan festivals dan dat ze betalen voor al hun muziek.. God ja, denk terug aan jouw collectie cassetjes en gekopieerde CD’s, en het moment dat je bewust besliste dat je met graagte een deel van je loon aan muziek wilde spenderen.

En als allerlaatste punt: het basisinkomen als nieuw verdienmodel. We zien hoe steeds meer jobs verdwijnen door de robotisering, en hoe steeds meer mensen moeten knokken om rond te komen. Tegelijkertijd blijft het aantal superrijken toenemen. Er is dus nood aan een nieuw systeem van herverdeling. De piraten geloven dat elke burger in dit land een basisinkomen zou moeten krijgen, zodat hij/zij de kans krijgt zich ten volle te ontplooien. Heel veel arbeid is maatschappelijk waardevol, maar economisch niet winstgevend: denk maar aan de zorg voor ouderen en kinderen, vrijwilligerswerk, studeren, beginnende ondernemingen, maar ook artistieke projecten. Muziek brengt mensen samen en voedt de ziel, maar toch komen veel muzikanten nauwelijks rond. Dankzij het basisinkomen krijgen ook niet-gesubsidieerde en beginnende artiesten een kans om hun levensproject uit te bouwen. En het is een belangrijke stap richting een meer creatieve en warme samenleving waarin burgers kunnen zijn wie ze willen zijn, en niet wie de arbeidsmarkt hen dwingt te zijn.

Schermafbeelding 2014-03-30 om 22.20.16

Zo bouw je een crowdfunding-campagne op

Fragment uit artikel van Simon Douw, gepubliceerd op Sprout (27 maart 2014)

(…)
1. Pre-crowdfundingcampagne
Een goed begin is dus het halve werk, en dat begint al ruim voordat je campagne online staat. De fase voordat het project daadwerkelijk op een platform staat noemen we de pre-crowdfundingcampagne. In deze fase is het zaak om de mensen die dichtbij je staan net zo enthousiast te krijgen over de campagne en het product als jij dat bent. Vrienden, collega’s, zeer trouwe klanten en familie vormen een belangrijke basis van de campagne. Zij kennen je al, hebben direct vertrouwen in jouw handelen en zullen daarom eerder een bijdrage leveren dan de onbekende crowd. Betrek hen volop bij je plannen en vraag hen om kritisch naar je crowdfundingideeën te kijken. Dat levert jou waardevolle feedback op én maakt hen trouwe ambassadeurs van je campagne.

2. Intimifase (1-2 weken)
De intimifase is de eerste fase van je daadwerkelijke campagne, startend zodra je crowdfundingcampagne online staat. Start in je eigen omgeving om jouw enthousiasme voor de campagne te verspreiden en vrienden en familie vanaf het begin mee te laten doen met jouw campagne. Veel ondernemers onderschatten het belang van deze groep intimi, terwijl zij de basis vormen van je campagne. Onderzoek liet zien dat die 20 actieve deelnemers doorgaans cruciaal zijn voor het succes van je campagne. Vergelijk het met de adoptiecyclus van Rogers: in de eerste weken van de campagne bevinden de early adopters zich in jouw eigen netwerk en de massa haakt pas aan, als het project vertrouwen uitstraalt (het doelbedrag al deels is behaald). Het benaderen van bekenden en intimi om mee te doen wordt wel eens als drempel ervaren. Vaak vinden intimi het juist erg leuk om betrokken te zijn en zich in te zetten voor jouw enthousiasme. Daar waar jij het gevoel hebt dat je bij bekenden om geld moet bedelen, ervaren zij het als welkome kans om samen iets moois te bereiken. En juist intimi willen het enthousiasme met jou delen.

3. Netwerkfase (2– 3 weken)
Na de eerste twee weken van je campagne, als de vaste aanhang enthousiast is en zij zich al als waardige ambassadeurs van het project gedragen, willen al jouw andere contacten ook graag horen over de campagne. De weg naar 100% van het doelbedrag is inmiddels al aardig gevuld en het vertrouwen daarmee gekweekt. Roep in deze fase, per e-mail en sociale media, vooral iedereen uit je netwerk op om mee te doen. En misschien weet je wel een interessante actie, stunt of bijeenkomst te organiseren voor je netwerk? In de netwerkfase verschuift de motivatie om mee te doen van de persoon, “ik doe mee, omdat ik het jou gun” zoals in de intimifase, vaak naar het project zelf. Het netwerk doet mee, omdat men het project tof vindt en het graag samen met jou mogelijk maakt.

4. Crowdfase (3– 5 weken)
Als je bredere netwerk al flink is ingestapt, en al ongeveer de helft van je doelbedrag is behaald, wordt het steeds interessanter voor mensen die verder van je af staan om te participeren. Dit is de tijd voor nog meer acties en een uitgelezen moment om publiciteit te zoeken.

(…)

Uitzonderingen
De verschillende fasen worden natuurlijk niet altijd zo gestructureerd doorlopen. 87% van de succesvolle projecten reikt volgens eerder genoemd onderzoek niet verder dan de intimi- of netwerkfase. En doordat media een campagne soms eerder oppikken dan verwacht kan een campagne in een vroeg stadium al de crowd bereiken. Dat zagen we niet zo lang geleden bij de boekhandels van Polare en werkt alleen als de urgentie en aantrekkingskracht van het project groot genoeg is.

(…)

NMBS: waarom niet naar een échte publieke onderneming?

Uittreksel opiniestuk van Sacha Dierckx, Doctoraatsstudent aan de UGent (vakgroep Politieke Wetenschappen) en actief bij de progressieve denktank Poliargus, verschenen op de website van Knack op 19/3/2014

(…)
Het gebrek aan inspraak is in het algemeen een probleem bij overheidsbedrijven. In zijn interessante boek over publieke ondernemingen Reclaiming public ownership: making space for economic democracy schrijft Andrew Cumbers dat net dat gebrek aan democratische inspraak (en bureaucratisering) mede de oorzaak was van het gebrek aan populariteit van sommige overheidsbedrijven na de Tweede Wereldoorlog. Het maakte het in ieder geval ook veel gemakkelijker voor regeringen om ze te privatiseren vanaf het begin van de jaren 1980. In het geval van de NMBS creëert het lage democratische gehalte niet alleen de illusie dat de problemen ‘gemakkelijk’ kunnen worden opgelost door een andere CEO; het leidt ook tot de perceptie dat de politiek of een door de politiek benoemde CEO de oorzaak is wanneer de NMBS slecht werkt, en maakt zo de weg vrij voor een rechts pleidooi van privatisering en liberalisering.

De stelling van Andrew Cumbers is dan ook dat publieke participatie uiterst belangrijk is in de hernieuwing van ‘publieke ondernemingen’. Er moet dus dringend nagedacht worden aan innovatieve manieren om overheidsbedrijven te democratiseren. Daarbij zou het in het geval van de NMBS bijvoorbeeld kunnen gaan om vertegenwoordigers van consumentenorganisaties, in de eerste plaats reizigersvereniging TreinTramBus (ook Test-Aankoop zou kunnen), en waarom ook geen ‘gewone’ reizigers? Ook vakbonden moeten zeker vertegenwoordigd zijn, zowel om hun technische expertise als voor de verdediging van degelijke arbeidsomstandigheden.

Op die manier kan de NMBS omgevormd worden van een onderneming in ‘publiek eigendom’, waarbij de beslissingsmacht bij het management en enkele politici ligt, tot een échte publieke onderneming met een gedemocratiseerde beslissingsstructuur. Het treinverkeer is te belangrijk om over te laten aan één, al dan niet falende, CEO.

Unknown

3D productie staat niet stil

uittreksel artikel verschenen op 3 maart op (www.beurs.com), bron: slim beleggen
Nu de 3D printer ook toegankelijk is geworden voor particulieren, lijkt deze markt zich steeds verder te vergroten. De mogelijkheden van 3D printing worden ook steeds uitgebreider. Er zijn zelfs al mogelijkheden om voedsel te maken. Maar ook lijkt het erop dat er in de toekomst zelfs een hart of een nier door middel van de 3D printer gemaakt kan worden. Bedrijven zitten ook niet stil en proberen op deze ontwikkelingen in te spelen.

Zo maakte de Hema bekend om te beginnen met het aanbieden van 3D producten. Dit zijn niet zomaar producten, dit zijn gepersonaliseerde producten. De Hema begint met het aanbieden van armbandjes, kettingen en telefoonhoesjes. Al deze producten kunnen naar eigen wens worden gemaakt. Hiermee is de Hema het eerste bedrijf in Nederland die deze optie aanbiedt.

Deze mooie ontwikkelingen rondom de 3D productie geeft genoeg kans voor diverse aandelen in deze technologie hoek: met het TECHNOLOGIE Rapport kunt u volop profiteren van deze kansen.

Toch liggen er ook altijd bedreigingen op de loer. Zo zal 3D printing steeds meer werk overnemen van de werknemer, wat in de toekomst zal leiden tot meer banenverlies. Zo kan de 3D printer ook gezien worden als een bedreiging van de wereldeconomie. Deze conclusie kan getrokken worden op basis van de mogelijkheden van de 3D printer, maar ook de mogelijkheden die in de toekomst allemaal nog gaan komen. Het lijkt erop dat we naar een tijd toe gaan waar de machine het werk steeds vaker over gaat nemen van de mens.

‘Creatievelingen als oplossing voor plattelandskrimp’

Het leeglopende platteland raakt steeds meer in trek bij creatievelingen en nichebedrijven die veelal vanuit hun eigen huis werken. Deze zogenoemde cottage industries vormen een nieuw soort plattelandseconomie, zegt geograaf Mark Sekuur.

Verschenen in Trouw 16/10/2013 – Uittreksel/Samenvatting

Opkomst van cottage industries
“Uit een publicatie van de Kamer van Koophandel (Eindrapport Cottage Industries, 2012) blijkt dat veel zzp’ers ervoor kiezen om te wonen en werken op het platteland, omdat de landschappelijke kwaliteiten hen inspireert.

Het zijn mensen waarbij de grens tussen wonen en werken vaag is en die juist in krimpgebieden goed terecht kunnen, omdat er oude schoolgebouwen, winkels of boerderijen vrijkomen waar ze precies vinden wat ze zoeken. Uit de cijfers blijkt dat het aantal cottage industries in de krimpgemeenten De Marne (Groningen) en Dongeradeel (Friesland) tussen 2000 en 2012 met maar liefst tientallen procenten is gestegen.”

Ondanks deze interessante constateringen, wordt er tot op dit moment nog helaas nauwelijks beleid voor deze trend gemaakt. In het Provinciaal Omgevingsplan (POP) van de provincie Groningen komt het woord ‘cottage industrie’ geen enkele keer voor. Gelukkig wordt het POP binnenkort herschreven; vooruitlopend hierop daarom een drietal tips hoe je het vestigingsklimaat kunt verbeteren.

 Basisvoorwaarden

1. Zorg voor snel internet
2. Ontwikkel een goed vindbare databank (website) met inspirerende, aantrekkelijke plekken voor dergelijke ondernemers
3. Open als gemeente een loket dat initiatieven ondersteunt bij het nemen van bestuurlijke en bureaucratische drempels

Mede daarom is een goed overheidsbeleid van essentieel belang. Faciliteer dergelijke initiatieven en ontvang ze met open armen. Benut de mogelijkheden en geef deze ontwikkeling een kans.