Categorie archief: 3d printing

Niet de deeleconomie, maar de commonseconomie kan de wereld redden

door Jean Lievens
P2P Foundation Belgium

Eerst verschenen op De Wereld Morgen op 29 mei 2016 (blog Jean Lievens – originele tekst)

De deeleconomie staat steeds meer in de belangstelling, maar over de commonseconomie wordt helaas veel minder gesproken. Waarschijnlijk blijft dit voor velen te abstract, maar als we het hebben over de noodzaak van een transitie naar een duurzame economie en naar een meer rechtvaardige en democratische samenleving, dan is de commonseconomie wel de hefboom.

We leven in een verandering van tijdperk, gekenmerkt door economische en financiële crisissen, sociale onrust en politieke instabiliteit. Ons sociaale-conomisch systeem functioneert niet meer en “de politiek” draagt geen oplossingen aan. Anderzijds opent de technologische vooruitgang enorme mogelijkheden om de huidige ecologische, economische en sociale problemen op te lossen, maar binnen de oude structuren en denkschema’s werkt ze de financieel-economische en sociale crisis juist in de hand.

Er is veel sociaal verzet tegen de neoliberale tegen-hervormingen van de afgelopen jaren, maar vaak blijven protestbewegingen beperkt tot “tegen iets zijn” en is er een gebrek aan coherent alternatief. Ook klassieke linkse formules schijnen niet meer te werken of worden de nek omgedraaid binnen een vijandige internationale context, wat de Grieken aan de lijve mochten ondervinden.

Wel zijn overal in de wereld mensen actief betrokken in allerhande initiatieven om te bouwen aan een betere wereld. Velen hebben zich afgekeerd van de politiek en bouwen “het nieuwe binnen het oude”. Ze zijn actief op gebied van sociale rechtvaardigheid en solidariteit (vakbonden, coöperatieven, NGO’s, fairtradeorganisaties, noord-zuidbewegingen etc.), openheid en transparantie (open source beweging, open designgemeenschappen…) en duurzaamheid (circulaire economie, microfabrieken…).

Tussen deze verschillende groepen bestaat echter weinig interactie en ook binnen deze groepen is de fragmentatie vaak groot. Maar ze dragen wel de kiemen van een nieuw systeem, waarbij “de commons” het bindmiddel kan zijn. Een van de organisaties die hierbij een verbindende en katalyserende rol kan spelen, is volgens mij Hart boven Hard, zowel in haar hoedanigheid van netwerk als van beweging.

Maar laat ik eerst even beknopt de kern van het transitiemodel uitleggen dat de P2P Foundation voorstelt. Het boek De Wereld Redden bevat heel wat ideeën, maar vaak pikken mensen alleen dat eruit wat in hun kraam past. Om te beginnen hebben we nooit beweerd dat de “deeleconomie” de wereld zal redden, zoals Rogier De Langhe schrijft in een van zijn opiniestukken in De Morgen van 17 mei (Welke deeleconomie willen we?). In ons boek hebben we het over peer-to-peer, maar maken we een onderscheid tussen peer-to-peer marktplaatsen (waar de deeleconomie zich grotendeels afspeelt) en peer-productie van commons. Ons transitieverhaal steunt vooral op de tweede pijler.

De deeleconomie (alleen) zal de wereld niet redden

De deeleconomie zoals ze zich tot nu toe heeft ontwikkeld, wordt vooral gedomineerd door commerciële platformen die vraag en aanbod van markttransacties tussen individuen (denk aan de “gig”-jobs, het “delen” van autoritten tegen betaling, het verhuren van appartementen…) regelen via algoritmes en daar flink wat geld aan verdienen. De belangrijkste voordelen van deze modellen is dat ze voor de gebruikers vaak performanter en goedkoper zijn dan de traditionele modellen en dat ze zorgen voor een beter gebruik van de bestaande infrastructuur (het “deel”aspect) waardoor ze deel uitmaken van een noodzakelijke evolutie naar een meer duurzame economie.

Maar de keerzijde is ook niet mals: ze ontwijken allerhande wetgevingen waaraan de traditionele modellen wel aan moeten beantwoorden (sociale wetgeving, voorschriften inzake veiligheid en gezondheid etc.), ze investeren zelf niet in infrastructuur en wentelen alle risico’s af op degenen die hun platform gebruiken om geld te verdienen. Zelfs degenen die voor de vrije markt zijn en pleiten voor een gelijk speelveld, kunnen toch niet anders dan vaststellen dat we hier te maken hebben met oneerlijke concurrentie. Je kan dan twee zaken doen: ofwel het speelveld gelijkschakelen door deze platformen te onderwerpen aan dezelfde regels die gelden voor andere bedrijven, ofwel de regels voor andere bedrijven ook afschaffen. Dus hier pleiten we uiteraard voor klassieke regulering.

Alternatieven op commerciële platformbedrijven

Maar er zijn andere manieren om dergelijke kapitalistische platformen van antwoord te dienen. Laten we Uber nemen als voorbeeld. Zo heeft sharing city Seoel Uber ronduit verboden. Maar tegelijk ontwikkelde de stad wel een even gebruiksvriendelijk alternatief: een mobiliteitsapp op stadsniveau waarin de klassieke taxisector werd geïntegreerd. Vakbonden kunnen Uberchauffeurs organiseren en opkomen voor hun belangen (zo heeft Seattle onlangs Uberchauffeurs syndicale rechten verleend waardoor ze expliciet erkend werden als werknemers en niet als freelancers) of zelfs helpen met het opzetten van een coöperatieve die gebruik maakt van een eigen app. Zo gaan alle verdiensten naar de chauffeurs zelf en niet naar Silicon Valley. Op dat vlak zijn de initiatieven echter enorm versnipperd, want elke entiteit gebruikt andere open source applicaties en apps. Het komt er dus op aan om al deze mini-initiatieven te coördineren en te stroomlijnen binnen één netwerk.

Maar goed, we blijven hier nog altijd op het terrein van marktactiviteiten, het kopen en verkopen van diensten om geld te verdienen. Daar is niks mis mee, mensen moeten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Maar als er wordt samengewerkt rond één platform, beheerd door de stakeholders (dus niet alleen de chauffeurs , maar bijvoorbeeld ook de klanten en de overheid), dan wordt dit gemeenschappelijk platform wel de kern van de economische activiteit waaraan de marktactiviteit is ondergeschikt.

Er zijn natuurlijk ook tal van deelinitiatieven die een maatschappelijk doel voor ogen hebben, zoals autodelen op buurtniveau (vb. Dégage in Gent), of logies delen op wereldniveau (couchsurfing). Dit is de originele deeleconomie, die nog altijd bestaat én groeit, maar inmiddels in de media werd overschaduwd door Uber en Airbnb. Deze laatste is trouwens zelf begonnen binnen de reële deeleconomie, wat nog steeds vervat zit in de naam (air staat voor air matrass: het idee was een luchtbed in de living voor toeristen, in ruil voor een kleine deelname in de kosten). Met de intrede van venture capital werd het platform geprofessionaliseerd, er kwamen diensten bij (zoals een verzekering tegen vandalisme), maar bovenal vervoegden steeds meer professionele spelers het platform om appartementen te verhuren aan toeristen. Op die manier omzeilen ze stedenbouwkundige vergunningen en de wetgeving op hotels, jagen ze tegelijk de huurprijzen voor lokale bewoners omhoog en maken bepaalde buurten onleefbaar (denk aan Barceloneta in Barcelona). Tussen haakjes, het is ook belangrijk om op te merken dat alleen mensen die iets hebben iets kunnen ‘delen’ (lees verhuren). Een huurder mag meestal niet onderverhuren, ook niet via Airbnb.

De commonseconomie

Tot daar de “deeleconomie”. Wat echter veel belangrijker is in ons transitieverhaal, is de zogenaamde commons-economie en meer bepaald de creatie van commons van open software, kennis en design. Bekende commons zijn Linux, Wikipedia en Arduino, maar er bestaan duizenden andere voorbeelden. We hebben hier te maken met een postkapitalistisch model, omdat:

Het niet gebaseerd is op arbeid/kapitaal, maar op vrijwillige bijdragen
Het geen goederen of diensten voortbrengt om te verkopen op de markt (ruilwaarde), maar rechtstreekse gebruikswaarde die vrij beschikbaar is, in overvloed aanwezig, vrijwel kosteloos, oneindig reproduceerbaar en dus niet eens “vermarkt” kan worden.
Sommigen rangschikken ook deze commons onder de ‘deeleconomie’ omdat ze vrij beschikbaar zijn (en dus vrij kunnen ‘gedeeld’ worden), maar dan gooi je Uber en Wikipedia op één hoop, wat toch problematisch is. Om verwarring te vermijden is het dus aangewezen om bij elk project de volgende vragen te stellen:
wat is de hoofddoelstelling (maatschappelijk of winstgevend)?
wordt er gemeengoed gecreëerd dat vrij beschikbaar is?

Alleen in het twee geval spreken we van een commons-economie. Is de doelstelling maatschappelijk en wordt er gewerkt via een collectief deelplatform, dan is het deelplatform zelf de commons en kan je ook dit soort van deelinitiatieven tot de commons-economie rekenen. Gaat het om pure markttransacties, dan hebben we te maken met P2P marktplaatsen die strik genomen niets met delen te maken hebben, maar door deze platformen zelf en door de media wel als dusdanig genoemd worden, dus ik veronderstel dat we ermee moeten leven.

Een productiever model…

Het gemeenschappelijk creëren van open gemeengoed van kennis, softwarecode en allerhande ontwerpen blijkt in de praktijk veel sneller, efficiënter en productiever dan de traditionele (lees kapitalistische) manier om deze zaken voort te brengen. Sinds Wikipedia zijn papieren encyclopedieën alleen nog in tweedehandszaken verkrijgbaar. Wikipedia is gratis, wordt elke dag beter en volgt de actualiteit. Een paar minuten nadat de media hebben bericht over de dood van Prince, is de popster ook dood op Wikipedia. Open software is de norm binnen de softwarewereld geworden. Nasa, BMW, het CERN, het Witte Huis… gebruiken Linux, een software die vrij beschikbaar is voor iedereen. Er bestaan een dertigtal open source-auto’s (inclusief een open source zelfrijdende auto) die stuk voor stuk milieuvriendelijke en energiezuiniger zijn dan industriële wagens, alleen komen de banken niet met geld over de brug om de productie ervan te financieren, tenzij ten minste een deel van het ontwerp beschermd wordt door patenten. Tot nu toe lijkt LocalMotors, een semi-open source wagen die in een microfabriek via 3D printing kan worden geproduceerd het enige model dat ook economisch succesvol is. Maar er zijn ook open source robotten, open source landbouwmachines, open source laboratoriumapparatuur en duizenden andere open hardwaresystemen. Daarnaast is er ook het delen van kennis allerhande, zoals open wetenschap tegenover het peperduur verkopen van academische artikels door privé-uitgeverijen.

… gedomineerd door het kapitalisme

Maar net als de deeleconomie waarvan eerder sprake, wordt ook de commonseconomie volop “gerecupereerd” door het kapitalisme, hoewel “gebruikt” me een beter woord lijkt in deze context, want er is hier toch iets anders aan de hand. We krijgen namelijk een model waarbij bedrijven die elkaar beconcurreren op de markt, wel samen bouwen aan een commons. Als toemaatje krijgen ze er de bijdragen bij van vrijwilligers die voor allerhande redenen gratis bijdragen tot het gemeengoed. Neem open software. Ongeveer 75% van de programmeurs die bijdragen tot Linux, worden betaald door grote bedrijven zoals IBM en Red Hat, die net als Google, Intel, HP, Samsung, Cisco enzovoort de Linux Foundation financieren. Waarom? Omdat het stukken goedkoper en efficiënter is Linux te helpen ontwikkelen dan eigen software te ontwikkelen. Voor hen is Linux een goedkope grondstof die ze kunnen gebruiken om andere diensten aan te bieden op de markt, meestal het maken van een gebruiksvriendelijke versie op maat van hun klanten, maar ook onderhoud, training, consultancy, enzovoort.

Laten we een voorbeeld nemen uit de open hardware. Alles wat de mens maakt, moet eerst ontworpen worden. Er komen meer en meer ontwerpen tot stand door open en transparante samenwerking van bijdragers via het internet. Het internet wordt naast een goedkoop communicatie- en coördinatiemiddel dus ook meer en meer een universeel productiemiddel. Tegelijk vervaagt de grens tussen (digitaal) ontwerp en geautomatiseerde productie. Machines zijn immers gekoppeld aan computers. Voeg daaraan toe dat na de miniaturisering van de computer ook de miniaturisering van machines aan de orde van de dag is, waarbij je “meer kunt doen met minder”, en je ziet meteen het potentieel dat zich opent om ons maatschappelijk en economisch model volgens volledig andere lijnen te gaan ordenen. Maar dat kan alleen als we ons organiseren en bewust modellen ontwikkelen die dat ook in de praktijk brengen. Want tot op heden, zwaait het kapitaal nog altijd de scepter, ook in de wereld van de commons.

Je hebt immers nog altijd kapitaal nodig om iets te produceren: een fysische ruimte, grondstoffen en arbeid. Je verlaat de digitale, postkapitalistische wereld van de overvloed en betreedt in zekere zin weer de wereld van arbeid en kapitaal. Maar ook binnen dat kader heb je de keuze welk soort van organisatie je hiervoor opricht. Een coöperatieve is hier ongetwijfeld de meest geschikte bedrijfsvorm omdat haar eigendom- en beheermodel het best aansluit met de peer-to-peer waardecreatie in de commons. Omdat jonge ondernemers vaak niet vertrouwd zijn met het coöperatieve model, domineren durfkapitalisten (venture capital) die torenhoge rendementen terugeisen voor hun investering logischerwijze nog altijd de open hardwaregemeenschappen, hoewel we oog moeten hebben voor de oprukkende fablabs, hackerspaces, co-working spaces en makerspaces die vaak ondersteund door lokale overheden, scholen of universiteiten, en ook via crowdfunding.

Sociale ondernemers

Het is belangrijk hier een punt te maken over sociale ondernemers. Klassiek links haalt vaak de neus op voor ondernemers omdat ze die onterecht vereenzelvigen met “kapitalisten”. De woorden “sociaal” en “ondernemen” vinden ze een contradictio in terminis. Bovendien schieten veel politici van groene en sociaaldemocratische partijen die ondernemers omarmen (zonder evenwel een onderscheid te maken in de aard en de grootte van de bedrijven) tegelijk op de vakbonden die ze bestempelen als “conservatief”. Ze behoren historisch tot de neoliberale strekking (gelukkig op zijn retours) die de derde weg van Blair voorstaat. Maar stel je in de schoenen van een jonge ingenieur die de wereld wil verbeteren. Geloof me, ze zijn niet in de minderheid. Zo wilt 98 procent van afgestudeerde ingenieurs in Finland duurzaam ontwerpen. Alleen… als ze het geluk hebben een baan te vinden in een klassiek bedrijf, moeten ze zorgen voor ingeplante slijtage. Het alternatief is zich aansluiten bij een open hardwaregemeenschap en proberen zelf of met vrienden een bedrijfje op te starten. Als je bijdragen levert voor een open ontwerp, is er immers geen enkel reden om slijtage in te plannen. Je probeert een product zo goed mogelijk te ontwerpen.

De laatste jaren zien we meer en meer jongeren die ecologische en maatschappelijke problemen willen oplossen door zelf een bedrijf op te starten. Maar ook mensen die al jaren voor traditionele bedrijven werken, stappen voor allerhande redenen uit de ratrace en gaan zelf een sociale bedrijfsactiviteit beginnen die goed is voor de samenleving en die hun eigen leven veel meer zin geeft. Het is juist dat we hier vaak te maken hebben met een geprivilegieerde groep, maar dit fenomeen illustreert toch een uittocht uit het bestaande systeem, zowel vrijwillig als gedwongen.

Alleen… je moet natuurlijk wel geld verdienen om te overleven. Het grootste probleem vandaag is dat de commons, die een steeds grotere plaats innemen in de kapitalistische economie, nog steeds ondergeschikt zijn aan het overheersende model en alleen collectief reproduceerbaar zijn maar niet individueel. Wat bedoel ik daarmee? Als individu kan je tijdelijk gratis bijdragen tot commons (als je student bent, werkloos, of in je vrije uurtjes), maar je kan dat niet blijven doen. De commons blijven echter collectief overleven omdat er steeds nieuwe mensen bijkomen die bijdragen leveren, terwijl anderen wegvallen.

Nieuwe bedrijfsmodellen

De vraag van een miljoen is dus: hoe kunnen we bedrijfsmodellen ontwikkelen die het de commoners (bijdragers tot commons) mogelijk maakt om in hun levensonderhoud te voorzien? Gelukkig is dit geen theoretische vraag aangezien er volop aan deze modellen wordt gewerkt. Met andere woorden, er bestaan reeds ethische bedrijven die samen een commons produceren, zoals Enspiral, een jong bedrijvennetwerk dat Loomio (een samenwerkingssoftware) en Co-Budget (een app om democratische investeringsbeslissingen te nemen binnen het netwerk) heeft ontwikkeld en “Stuff that Matters” als baseline heeft. Het initiatief ontstond in Nieuw-Zeeland, maar het netwerk groei als kool en de open software Loomio is inmiddels uitgegroeid tot een zelfstandig bedrijf (een coöperatieve in eigendom en zelfbeheer van de werknemers) binnen het Enspiral netwerk, met wereldwijde vertakkingen.

Ik geef deze voorbeelden mee om ons verhaal wat concreter te maken zodat de verhaallijn duidelijker wordt. Wij denken namelijk dat er een nieuwe economie in wording is rond de commons. Deze economie wordt inderdaad gedomineerd door het kapitaal, maar veroorzaakt binnen het kapitalisme een waardecrisis: de geproduceerde gebruikswaarde groeit exponentieel, maar de gerealiseerde marktwaarde stijgt slechts lineair en wordt grotendeels “opgevangen” door het kapitaal. Maar naarmate het kapitaal investeert in peer-to-peer-netwerken en commons, versterkt ze die tegelijk en maakt aldus het potentieel alternatief sterker. Vroegere systeemovergangen vonden op dezelfde lijnen plaats: het oude systeem maakt gebruik van het nieuwe systeem om zijn bestaan te rekken, maar versterkt daardoor het nieuwe systeem tot een punt wordt bereikt waarop het nieuwe systeem kan doorbreken en dominant worden.

Vandaag wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe bedrijfsmodellen, vaak coöperatieven, die commons voortbrengen en tegelijk in het levensonderhoud voorzien van de coöperanten. Ook wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe manieren om de waardecreatie binnen de commons te registreren (open boekhouding) en die te koppelen aan vergoedingen voor de commonors indien de projecten marktwaarde realiseren. Er ontstaan ook nieuwe solidariteitsmechanismen, zoals de broodfondsen in Nederland, een sociaal zekerheidssysteem op minischaal voor “zzp-ers” (zelfstandigen zonder personeel, hier meestal freelancers genoemd). Zo zie je dat de mutualiteiten van de vroege arbeidersbeweging vandaag nog eens dunnetjes overgedaan door mensen die buiten de mazen van het sociale zekerheidssysteem vallen.

Ook de nieuwe coöperatieven die wereldwijd groeien als kool brengen de hoogdagen van de arbeidersbeweging in herinnering. Ook zij probeerden het nieuwe te bouwen binnen het oude, maar streefden vooral naar het veroveren van de politieke macht om de economie gradueel (door hervormingen) of min of meer volledig (door revolutie) via de staat over te nemen. De traditionele coöperatieven werden echter grotendeels weggeconcurreerd door multinationals die over meer kapitaal beschikten en dankzij schaalvoordelen goedkopere producten konden op de markt brengen. Coöperatieven die overleefden, konden dit alleen door zich net te gedragen als kapitalistische bedrijven waardoor ze op de duur nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren. Toch kan de historische arbeidersbeweging een grote inspiratiebron zijn voor de open source- en commonsbeweging. Alleen is haar heroïsche geschiedenis gedurende de laatste decennia (en zelfs langer) grotendeels ondergesneeuwd door bureaucratisering en incorporatie binnen de staat.

Kloof tussen precariaat en salariaat dichten, niet aanwakkeren

Dat laatste verklaart waarom veel jongeren die zich wel als een vis in het water voelen in de open source- en commonsbeweging, zich niet herkennen in de huidige arbeidersbeweging. Deze laatste is dan weer al decennia in een defensieve strijd verwikkeld voor het behoud van sociale verworvenheden en vindt moeilijk aansluiting bij jongeren die opgroeien in een tijd waarin het oude sociale contract meer en meer wordt opgeblazen voor de nieuwe generatie. Sommigen concluderen daaruit dat de klassenstrijd moet wijken voor een generatiestrijd. Niet het falend systeem is verantwoordelijk, wel de oudere generatie die de rijkdom heeft opgesoupeerd waardoor er niks meer overblijft voor de jeugd . Hoewel minder brutaal (hoewel…) lijkt dit de redenering die ook economiefilosoof Rogier De Langhe volgt in zijn recente columns. Rogier geeft toe dat er een systeemcrisis is, maar vindt dat “wij daar allemaal samen” voor verantwoordelijk zijn. Zoiets kan je natuurlijk alleen maar beweren als je de klassennatuur van onze samenleving ontkent. Maar zelfs dan is het hallucinant om het volgende te beweren: ”Zoals in 2008 bleek dat bankiers niet hadden kunnen weerstaan aan de ‘hebzucht’, zo blijkt vandaag dat ook de vakbonden te ver gingen. Ze verwierven meer rechten dan duurzaam over de generaties heen konden worden voorzien. Zelfs de banksters waagden het niet het land plat te leggen uit protest tegen het instorten van het kaartenhuisje dat ze zelf hadden gebouwd.” (De Morgen van 25 mei 2016: Waarom betogers op bankiers lijken”)

Rogier vindt de vakbonden blijkbaar nog erger dan de banksters. Hij pleit wel voor meer solidariteit, maar dan wil binnen de groep van “have nots”: “Ik droom van een herverdeling van sterk naar arm, in plaats van van niet-gesyndiceerd naar gesyndiceerd en van ongeboren naar vandaag.” Dat er in de afgelopen dertig jaar 10 procent van het BNP verschoven is van Arbeid naar Kapitaal is bijzaak, want “De bedragen waar het om gaat, zijn zo gigantisch dat een vermogensbelasting weinig verschil maakt. Zeker in een land als het onze illustreert het discours over de 1 procent vooral dat het makkelijker is de schuld bij een externe vijand te zoeken, dan bij onszelf.”

Er bestaat ongetwijfeld een spanningsveld tussen de klassieke arbeidersklasse die bestaat uit (vaak oudere) werknemers die in een hiërarchisch verband voor een bedrijf werken, en de nieuwe klasse van precaire en autonome werkers die rechtstreeks voor de markt (moeten) werken. Dat kan gedwongen zijn omdat ze geen werk vinden, maar velen doen het ook vrijwillig, ook uit sociale bewogenheid. Die groep gebruikt het internet en de commons voor het opzetten van nieuwe solidariteitsmechanismen. Op dat vlak speelt Smart.be in België een voortrekkersrol. We hebben de vakbonden al vaker op de korrel genomen omdat ze deze groeiende groep precaire werkers rechts laten liggen (in Nederland is binnen het FNV al geruime tijd een fel debat aan de gang). We moeten bruggen bouwen tussen precaire en “beschermde” werknemers, niet door de rechten van de ene groep af te bouwen ten voordele van de andere, maar om samen te ijveren voor een maatschappij die eerlijkere, democratischer en meer gelijk is dan de huidige. Helaas drijft Rogier de tegenstelling tussen beide groepen op de spits en door ongenadeloos de vakbonden te viseren in hun verzet tegen de regeringsmaatregelen, staat hij objectief gezien natuurlijk 100 procent aan de kant van de regering die hij in zijn columns nooit op de korrel neemt.

De commons als nieuw bindmiddel in een positief transitieverhaal

Maar goed, terug naar mijn verhaal. Wat in het oude verhaal van de arbeidersbeweging ontbrak, was een nieuwe manier om waarde te creëren en te herverdelen, die bovendien superieur is aan het oude model. Vandaag bestaat deze nieuwe productiewijze wel. In het oude verhaal versloeg groot klein. Altijd. Vandaag kan een netwerk van veel kleintjes groot verslaan. Denk aan Linux en Wikipedia. De nieuwe platformbedrijven of “netarchische” kapitalisten (kapitalisten die heersen over het netwerk), zijn nog piepjong (Google is 20 jaar oud, Facebook 12, Uber 6) maar hebben in een mum van tijd de wereld veroverd. De vraag is hoe duurzaam die bedrijven zijn op langere termijn, gezien hun parasitair karakter en het feit dat de waarde die ze onttrekken uit menselijke samenwerking niet terugvloeit naar de mensen die deze waarde creëren.

Er bestaat volgens mij geen uniforme formule om deze bedrijven aan te pakken. Sommigen kunnen op termijn weggeconcurreerd (of weg”samengewerkt”) worden door nieuwe, coöperatieve modellen, op voorwaarde dat deze globaal opgeschaald worden (samenwerking in wereldwijde netwerken). Zowel de overheid als de traditionele organisaties van de arbeidersbeweging kunnen daarin een stimulerende rol spelen. Anderen zoals Google of Facebook worden best “openbare nutsbedrijven”, zoals destijds de spoorwegen en de elektriciteitsbedrijven. Natuurlijk zijn deze privéplatformen wereldwijd actief, maar ze zijn wel ingebed in een staat (meestal de VS) waarbinnen een politieke strijd kan gevoerd worden om ze om te turnen in door stakeholders beheerde nutsbedrijven (geen traditionele staatsbedrijven dus). Buiten de VS kunnen en worden ze via regulering meer aan banden gelegd, hoewel de resultaten nog niet spectaculair te noemen zijn (bv. Europa versus Facebook en Google).

Om te resumeren, wil ik de volgende stellingen poneren:

De commons kunnen het bindmiddel zijn van een nieuwe progressieve beweging
De drie groepen die mondiaal actief zijn in transitiebewegingen (rond ecologie, solidariteit en open source) moeten elkaar beter leren kennen en meer gaan samenwerken

Tegelijk kan geijverd worden voor een commons-transitieprogramma dat streeft naar een nieuw economisch-maatschappeijk paradigma dat steunt op drie pijlers:
Een productieve civiele maatschappij van burgers die vrijwillig bijdragen tot commons
Een ethische bedrijvencoalitie rond deze commons
Een nieuw overheidsmodel waarbij de overheid optreedt als partnerstaat die peer-productie van vrije burgers faciliteert en ondersteunt (met geld, infrastructuur, onderwijs etc.) Deze staat vervangt de welvaartsstaat niet, maar overstijgt ze. Strijden tegen de afbouw van de welvaartsstaat blijft dus 100 procent een progressieve strijd.

Daarnaast dringt zich een herlocalisering op van de productie in microfabrieken die eveneens wereldwijd genetwerkt zijn en aldus een tegengewicht kunnen bieden op transnationaal niveau tegenover de multinationals. Op die basis kunnen we de ecologische crisis bezweren (duurzame lokale energiecoöperatieven aangesloten op een smart grid, drastische vermindering van transport- en energiekosten, transparante aanvoerketens ten dienste van een circulaire economie waardoor het generatief vermogen van de planeet volledig wordt hersteld etc.)

Voor meer info:

P2P Foundation
Enspiral
Jean Lievens

Lars Moratis: “De deeleconomie is niet vanzelf duurzaam”

Uittreksel – Het volledige artikel gepubliceerd op 17/12/2014 op Down to Earth, het platform voor groene journalistiek en opinie. Een initiatief van Milieudefensie.

De opkomst van de deeleconomie betekent niet per se dat we groener gaan leven en socialer met elkaar omgaan, zegt MVO-expert Lars Moratis. Critici noemen het terecht een innovatie van het kapitalisme.

(…)

“Vroeger leende je nog wel eens de auto van je buurman, nu moet je er voor betalen”
Dat klinkt mooi en als het inderdaad ertoe leidt dat we onze huizen, auto’s, gereedschappen, maaltijden en de zorg met elkaar gaan delen, dan is dat ook mooi. Maar je ziet nu ook het omgekeerde gebeuren en juist marktnormen hun intrede doen in de sharing space: vroeger leende je nog wel eens de auto van je buurman, nu moet je er voor betalen.”

“De corporate stories van Airbnb en Uber staan bol van de retoriek over gemeenschapszin, idealen en duurzaamheid. Uit onderzoek bij de Amerikaanse autodeelsite Zippcar blijkt bijvoorbeeld dat autodelers duurzaamheidsargumenten nauwelijks een rol spelen. Ze hechten vooral aan autonomie en vrijheid, aan gemak en materiële waarde. De deelauto is voor hen een kostenefficiënte oplossing. Het gaat hen niet om gemeenschapsgevoel, maar in eerste instantie om markttransacties gebaseerd op prijs en beschikbaarheid.

Daarbij is Airbnb al meer waard dan een aantal gerespecteerde hotelketens en bestaat ongeveer de helft van haar deelnemers uit commerciële verhuurders die gewoon geld verdienen aan de verhuur van kamers. Taxidienst Uber is inmiddels 30 miljard euro waard en dit wordt wekelijks meer. Ziehier de volgende zeepbel….. Critici zeggen daarom terecht dat deze deeleconomie evengoed kan worden gezien als een innovatie van het kapitalisme dat tegen zijn grenzen aanloopt en nieuwe productiemethoden en afzetmarkten zoekt.”

(…)

“3D-printers maken het mogelijk om zelf te produceren. Die zijn nog prijzig, maar je kunt je voorstellen dat bedrijven die beschikbaar stellen of dat je deze met een groep mensen of via een coöperatie aanschaft. Dan bezit je gezamenlijk de productiemiddelen.”

“We beleven het einde van het Romeinse Rijk. Dat geeft moed”

Een uitgebreid interview met Michel Bauwens in De Morgen van 11 oktober 2014 (Zeno-bijlage)

De westerse economie gaat om zeep, maar dat is juist geweldig nieuws. Eindelijk wat anders! Welkom in de wereld van Michel Bauwens (56), een filosoof die zo radicaal outside the box denkt, dat er in de verste verte geen box meer te bekennen valt.

Misschien kent u Michel Bauwens niet – en dat is dan erg jammer. Maar die ene onbekende Belg, waarvan u de naam alweer vergeten bent, die plots opdook naast Mahatma Gandhi en Martin Luther King in die lijst van honderd meest inspirerende personen van het Post Growth Institute, herinnert u zich die nog? Dat was Michel Bauwens.

De rest van het interview hier

Met peer-to-peer naar een post-kapitalistisch systeem

Originele content
Ook gepubliceerd op De Wereld Morgen

Het inzetten van netwerktechnologie heeft alsmaar ingrijpendere gevolgen op de manier waarop onze economie, sociaal leven en organisaties functioneren. Het leger auteurs die het transformatieve karakter ervan belichten, groeit met de dag. Vandaag zijn het niet langer marxistische denkers zoals Immanuel Wallerstein die praten over het einde van het kapitalisme, maar ook mainstream auteurs zoals Jeremy Rifkin, raadgever van ondermeer de EU en de Duitse bonskanselier.

In zijn laatste boek “The Zero Marginal Cost Society” legt Rifkin uit hoe het kapitalisme slachtoffer wordt van zijn eigen succes door de marginale kost van producten tot bijna nul te herleiden. In de digitale wereld hebben we het punt van overvloed al bereikt. Alles wat digitaal is, kan immers zonder kwaliteitsverlies en zo goed als gratis tot in het oneindige gekopieerd worden, en natuurlijk is geen enkel bedrijf opgewassen tegen gratis. Je moet alleen over een computer en een internetverbinding beschikken. De digitale revolutie eist dan ook zijn eerste slachtoffers in de wereld van de muziek, media en uitgevers. Maar met nieuwe machines zoals 3D-printers en het hergebruik van materialen is ook materiële productie tegen bijna zero marginale kost al mogelijk.

Denk niet dat deze machines zich beperken tot het maken van plastieken poppetjes of aangepaste hoorapparaten. Vandaag kunnen we auto’s, drones, laptops, telefoons en andere gesofisticeerde producten printen, of althans de onderdelen ervan, om die daarna als een lego in elkaar te zetten. De 3D-printer van RepRap kan zelfs zichzelf printen, dus niemand weet hoeveel ervan in omloop zijn! Deze technologieën zijn natuurlijk nog niet wijd verspreid, maar fablabs en makerspaces schieten wel als paddenstoelen uit de grond.

Peer-to-peer in een kapitalistische context

Deze ontwikkelingen zijn niet alleen bedreigend voor ondernemingen en organisaties, maar natuurlijk ook voor de mensen die er hun brood verdienen, denk maar aan taxichauffeurs die vrezen voor broodroof door Uber. Wat te doen? Als we platforms als Uber en Airbnb verbieden dreigen we het innovatieve kind met het badwater weg te gooien. Als we niets doen geven we vrijgeleide voor sociale afbraak en deregulering. Reglementering is dus aangewezen, niet ter bescherming van gevestigde belangen maar om een level playing field te creëren, monopolievorming tegen te gaan en gebruikers (zowel aan vraag- als aanbodzijde) te beschermen.

Uber en Airbnb zijn echter maar twee voorbeelden van snel groeiende bedrijven die zoveel mogelijk munt proberen te slaan uit peer-to-peer (P2P) netwerken die consumenten en producenten met elkaar verbinden. Maar er is een groot verschil tussen op P2P gebaseerde marktplaatsen en P2P als relationele dynamiek binnen een gemeenschap die commons produceert. In het eerste geval wordt iedereen een zelfstandige zonder sociale rechten maar afhankelijk van een platform dat systematisch zijn monopoliepositie versterkt. Zo verhoogde Uber, thans 18 miljard dollar waard (+400% in één jaar), onlangs haar aandeel in de inkomsten per rit in San Francisco van 20% naar 25%. Zo stroomt steeds meer geld naar boven, naar de aandeelhouders, terwijl de chauffeurs verarmen.

De digitale munt Bitcoin is een ander voorbeeld van gedistribueerd kapitalisme. Het mooie aan Bitcoin is dat het de eerste wereldmunt is die gecreëerd werd buiten overheden en banken om en dat iedereen die over een PC beschikt Bitcoins kan ontginnen. Maar de schaduwzijde is het deflatoir concept: van Bitcoin komen maximaal 21 miljoen munten in omloop, dus hoe hoger de vraag naar de digitale munt, hoe hoger de koers. Bovendien kan iemand die over een groot computerpark beschikt veel meer Bitcoins produceren dan de enkeling. De Gini-coëfficiënt (die de ongelijkheid uitdrukt) van Bitcoin is vandaag al hoger dan die van traditionele munten. De manier waarop we internettechnologie ontwerpen en gebruiken, is dus bepalend voor het resultaat.

Vanuit het standpunt van waardecreatie en –toe-eigening wordt het verhaal nog dramatischer als we platformen als Facebook of Google in beschouwing nemen. In een kapitalistisch bedrijf vloeit ten minste nog een deel van de waarde in de vorm van lonen terug naar degenen die de waarde creëren, maar in het geval van Facebook en Google wordt 100% van de waarde verzilverd door de aandeelhouders. Hoe duurzaam kan een dergelijk economisch model zijn?

Het postkapitalistisch potentieel van peer-to-peer

Het zou echter een grote vergissing zijn om ons blind te staren op de destabiliserende en zelfs destructieve gevolgen van netwerktechnologie binnen ons huidig economisch model. Even belangrijk zijn de emancipatorische en positieve krachten die ervan kunnen uitgaan. Het meest revolutionaire aspect van het internet schuilt namelijk in zijn superieure productievermogen. Vandaag kunnen mensen immers wereldwijd samen , zonder toestemming te vragen, hoogst complexe projecten ondernemen zoals de bouw van Wikipedia (open kennis), Linux (open source software) of Wikispeed (open design). Dat introduceert democratie in de productie en herintroduceert het middeleeuwse begrip “meent” of “gemeengoed” (commons) in de economische vergelijking die tot nu toe vrijwel uitsluitend uit de dichotomie overheid/privésector bestond. De civiele maatschappij is hyperproductief (en dus vaak performanter dan bedrijven en overheidsorganisaties) geworden, want produceren voor de commons is passionele productie die globaal kan worden gecoördineerd.

De voorbode van die nieuwe productiewijze is de manier waarop steeds meer software wordt gecreëerd, met Linux als paradepaardje. Bovendien vindt de mutualisering van kennis ook steeds vaker haar spiegelbeeld in de reële economie. Vooral jongeren houden zich bezig met gedistribueerde productie in fablabs, makerspaces, doe-het-zelf biolabo’s en coöperatieven als de natuurlijke partners van de commons. Deze ontwikkeling bevindt zich vandaag in embryonale vorm en het peer-to-peer model blijft afhankelijk van de markt. Het kan zichzelf dus (nog) niet reproduceren. Peer-producenten verdienen immers doorgaans geen cent aan hun bijdragen tot de commons en zijn gedwongen om voor een bedrijf of als freelancers te werken.

De emancipatorische en bevrijdende kracht die uitgaat van het peer-to-peer model zal er dan ook niet vanzelf komen. Tijdens de overgang van het feodalisme naar het kapitalisme verloren boeren en ambachtslui de controle over hun bestaansmiddelen. Ze werden gedwongen te werken in fabrieken in loonverband, maar organiseerden solidariteit via de oprichting van allerlei organisaties zoals mutualiteiten, coöperatieven, en pensioenkassen, evenals vakbonden en politieke partijen om hun belangen te verdedigen. De solidariteitsmechanismen werden na de Tweede wereldoorlog in een sociaal contract gegoten en veralgemeend via de welvaartsstaat. Maar door de systematische afbrokkeling van de macht van de traditionele arbeidersbeweging komt deze welvaartsstaat steeds zwaarder onder druk te staan.

Naar nieuwe solidariteitsmechanismen en -organisaties

In tegenstelling tot haar historische voorgangers, beschikken de kenniswerkers van vandaag terug over hun bestaansmiddelen in de vorm van een pc en een internetverbinding, maar ze worden niet meer gesocialiseerd op de werkvloer. Dat neemt niet weg dat ook zij nieuwe organisaties en structuren in het leven roepen: verenigingen zonder winstoogmerk om de infrastructuur van de commons te onderhouden en peerproductie mogelijk te maken (Wikimedia Foundation,Lionux Foundation, Gnome Foundation etc.), evenals speciale licenties om hun commons te beschermen tegen privatisering.

Maar er is meer. Net als de arbeiders in de negentiende eeuw, zoeken ook kenniswerkers naar oplossingen en alternatieven om hun welvaart en autonomie te verhogen. Zo organiseert de Freelancers Union in New York al bijna 300.000 freelancers. Een opvallend kenmerk van deze beweging is dat ze niet alleen waakt over de belangen van haar leden, maar zich ook engageert in het creëren van een alternatieve economie. Er is ook een revival van innovatieve coöperatieven zoals de Cooperativa Integral Catalana, een open coöperatief consortium in volle ontwikkeling die structureel verbonden is met het coproduceren van commons.

De P2P Foundation, een wereldwijde gemeenschap van onderzoekers en activisten die peer-to-peer bestuderen en promoten, treedt sinds kort ook op als participant en katalysator in de transitie naar een P2P-samenleving. Zo nodigde de Ecuadoriaanse overheid onze landgenoot Michel Bauwens, de oprichter van de P2P Foundation, begin dit jaar uit om het FLOK Society project te leiden (FLOK staat voor Free Libre Open Knowledge), terwijl de P2P Foundation onlangs een samenwerkingsakkoord afsloot met de Cooperativa Integral Catalana. De P2P Foundation stelt ook een innovatieve licentie voor, de peer production licence, die wederkerigheid wil introduceren in de markt.

Volgens Jeremy Rifkin zullen de collaboratieve commons binnen ongeveer dertig jaar de economie domineren, met de kapitalistische markt als tweede viool. Ook Wallerstein geeft het huidige economische systeem nog hooguit veertig jaar, maar stelt terecht dat de toekomstige samenleving niet noodzakelijk beter zal zijn dan de huidige. Of we zoveel tijd hebben voor de omschakeling naar wereldwijde open en vrije samenwerking rond de commons, en een herlokalisering van de materiële productie in microfabrieken, is nog maar de vraag. Het IPCC-rapport over de klimaatcrisis stemt niet bepaald tot vrolijkheid. De positieve kant is dat tijdens kantelmomenten de wet van de grote getallen speelt en dat tijdens het transitieproces de houding en bijdrage van elkeen bepalend kan zijn voor de uitkomst. Want, en dat zegt Wallerstein ook, deze uitkomst kan ook een beter systeem zijn. En dat is precies wat p2p de mensheid potentieel te bieden heeft.

Jean Lievens
Kernlid P2P Foundation
Coauteur met Michel Bauwens van ‘De Wereld Redden, met P2P naar een postkapitalistische samenleving ‘(Houtekiet, 2013)

http://tegenlicht.vpro.nl/afleveringen/2014-2015/de-nieuwe-makers.html

originele link: Tegenlicht VPRO

Dalende kosten van materialen, gereedschappen en de beschikbaarheid van alle informatie zorgen ervoor dat iedereen zijn eigen fabrikant, ontwikkelaar en ondernemer kan worden. Is dit de nieuwe omgekeerde massaproductie en de start van een nieuwe industriële revolutie?

Regisseur Martijn Kieft vertelt over de Tegenlicht aflevering ‘De nieuwe makers’, te zien op zondag 14 september 21.05 uur op NPO2. http://tegenlicht.vpro.nl/

Bekijk de volledige aflevering hier
Snelle technologische ontwikkelingen maken niet alleen kennis voor iedereen beschikbaar, ook het gereedschap om mee uit te vinden en te produceren komt binnen ieders bereik. Een nieuwe generatie uitvinders en makers neemt het heft in eigen handen, en innoveert en produceert op zolders, in schuurtjes en in kleine lokale laboratoria. Brengt het ons een democratisering van innovatie en fabricage, of moeten we bang zijn voor wat de nieuwe makers uitvreten in hun eigen hi-tech laboratoria? En wat betekent het voor onze economie?

Hobbyisten en sleutelaars zijn van alle tijden, maar sinds kort hebben ze het makkelijker dan ooit. Geholpen door de opkomst van digitale fabricage en de ongelimiteerde hoeveelheid kennis die via internet toegankelijk is, kan een ieder nu zelf maken en ontwikkelen wat voorheen was voorbehouden aan grote fabrieken en onderzoekslaboratoria. Grote organisaties zoals NASA zoeken technologische innovatie op beurzen zoals de Maker Faire, waar de groeiende groep makers laat zien wat ze thuis gefabriceerd hebben. En dat is steeds vaker van hoog niveau.

Waar 3d-printen bijvoorbeeld tot voor kort vooral grappige ornamenten opleverde, heeft de Amsterdamse ontwerper Joris Laarman nu een stoel ontworpen die goedkoop en makkelijk zelf uit te printen is. Bij Shapeways kan je alles uit laten printen wat je wilt, van plastic tot metaal en allerlei nieuwe winkeltjes en handel zijn er rond ontstaan. Maar digitalisering houdt niet op bij het maken van spullen alleen: De analyse van genetisch materiaal is de afgelopen jaren zo goedkoop geworden, dat ‘Doe-Het-Zelf-Bio’-laboratoria ontstaan. Iedereen kan er leren bijvoorbeeld bacteriën genetisch te manipuleren.
Hoe gaat de wereld eruit zien als iedereen zelf fysieke producten kan ontwikkelen en maken, zonder dat daar grote investeringen voor nodig zijn? Volgens Jeremy Rifkin, schrijver van het boek ‘The Zero Marginal Cost Society’, zal het leiden tot een nieuwe economische revolutie, waarin het kapitalisme zoals we dat kennen, een veel kleinere rol zal gaan spelen.

Regie Martijn Kieft
Research Chris Vijn
Productie Helen Goossens
Eindredactie Henneke Hagen Frank Wiering

De voordelen van 3D-printing – no more T-Fords

fragment uit artikel gepubliceerd op regeling.nl op 9 mei 2014

GEEN MAL MEER NODIG
Als je eenmaal een productiemal hebt, zijn de marginale kosten beperkt. Een productiemal kost echter veel geld, ook voor eenvoudige producten. Een van de belangrijkste voordelen van additive manufacturing (3dPrinten) is dat er voor de productie geen mal meer nodig is. Daarmee valt een belangrijke reden voor massaproductie weg.

Neem de productie van het rubber badeendje. „Als je een miljoen rubber badeendjes wilt maken, gaat er niets boven het spuitgietproces. Het eerste eendje kost misschien 10.000 euro aan apparatuur om een mal te maken, maar ieder volgend eendje maakt het alleen maar goedkoper. Wanneer je een miljoen hebt geproduceerd, kosten ze nog maar een paar cent aan materiaal. Maar als je datzelfde eendje op een 3dPrinter maakt ben je voor het eerste eendje 20 euro kwijt – een enorme besparing t.o.v. het eerste eendje uit de spuitgieterij. Maar helaas kost het miljoenste eendje ook 20 euro want met additive manufacturing is er geen schaalvoordeel.” (overgenomen uit “Makers” van Chris Anderson)

Niet alle vaste kosten verdwijnen als gevolg van additive manufacturing. Zo blijven de ontwerpkosten. Het kan nodig zijn om meer dan een stuk te printen om daarmee de stuksprijs alsnog aanvaardbaar te krijgen.