Categorie archief: Coöperatieven

Met alle Chinezen… (maar waarom niet met ons?)

Eerst gepubliceerd in De Standaard van 11 juni 2016 (opiniepagina).
Overgenomen met toestemming van de auteurs Dirk Holemans en Steven Vromman.

Het is alsof niets meer werkt. Ministers morren omdat kiezers hun maatregelen niet waarderen, burgers gaan de straat op omdat ze onzeker zijn over hun toekomst. Het ongenoegen zit diep. Mensen zijn niet vergeten hoe banken gered zijn met hun belastinggeld. Is de beloning daarvoor dat hun geld op de spaarboekjes nu niets meer opbrengt? Klassieke instrumenten om vooruit te komen, zoals het sociaal overleg, haperen. Ondertussen vergeten we ons voor te bereiden op een duurzame toekomst.

Neem nu het energiebeleid. Federaal blijven we inzetten op versleten kerncentrales, waarbij we behalve de risico’s voor de bevolking jaarlijks nog 1 miljard euro winst cadeau doen aan het Franse Engie, moederbedrijf van Electrabel. Vlaanderen zal dan weer 2 miljard euro subsidies betalen aan een houtpelletproducent uit Estland om een verouderde steenkoolcentrale om te bouwen tot een biomassacentrale. Een belangrijk deel van de Turteltaks gaat naar de financiering van deze miskleun, die niet zal bijdragen aan een sociaal-ecologisch energiebeleid. Om daar iets over te lezen, moet je naar het buitenland kijken. Spanje produceert op winderige dagen meer groene stroom dan het zelf nodig heeft. Noorwegen wil zonder verpinken tegen 2025 de auto op fossiele brandstoffen bannen.

Ook ons land zit vol positieve energie, maar je moet het willen zien. Steeds meer burgers willen zelf de handen uit de mouwen steken om ons land voor te bereiden op de toekomstvaardig. Denk aan stadslandbouwprojecten, repaircafés, hernieuwbare-energiecoöperaties, weggeefpleinen, digitale uitleenplatformen.

Mindshift

Het zou evident moeten zijn dat regeringen deze burgerenergie inzetten. Toch gebeurt het niet. Het vraagt een mindshift: ministers en hun kabinetten beslissen niet langer alleen, co-creatie wordt het model. De ivoren toren vervelt tot horizontale netwerken. De tijd is gekomen om die banden tussen burger en staat te smeden.

Een unieke kans dient zich nu aan voor een essentiële infrastructuur: ons stroomnet. Het heeft er alle schijn van dat de intercommunale Eandis aandelen zal verkopen aan een Chinese investeerder (DS 2 juni). Eandis, dat zijn eigenlijk u en ik, die via onze gemeentebesturen een groot deel van ons elektriciteitsnetwerk (de distributie) in handen hebben. Deze netbeheerder, waar de regeringspartijen de lakens uitdelen, heeft extra kapitaal nodig. Een geweldige kans om de actieve burgers erbij te betrekken, zou je denken. Maar helaas.

Waarom vervangen we de Chinese investeerder niet door de gebruikers van het stroomnet, de bevolking? Bied de aandelen te koop aan aan de burgers, die zich kunnen verenigen in coöperaties. Zo garandeer je dat het algemeen belang voorgaat op dat van investeerders. In Duitsland, Denemarken en Spanje zijn steeds er steeds meer steden waar de burgers het distributienetwerk (deels) terugkopen, wat meteen een positief effect heeft op de dienstverlening en ecologische doelstellingen.

Zomaar Chinezen in plaats van de eigen bevolking mede-eigenaar maken van ons stroomnet, is om vier redenen een gemiste kans van­jewelste.

1. De transitie naar een duurzaam energiesysteem zit muurvast. Het onduidelijke groenestroombeleid heeft ongeveer iedereen kwaad gekregen. Door burgers mede-eigenaar te maken van het stroomnet, creëer je betrokkenheid en openheid. Chinezen die mee beslissen kunnen de zaak enkel bemoeilijken. Geven we zo onze autonomie niet op? Hebben we dan de ruimte om te gaan voor een smart grid dat klaar is voor 100 procent hernieuwbare energie?

2. Een deel van het ongenoegen heeft te maken met de steeds hogere energiefactuur, waarvan de distributiekosten een groot deel uitmaken. Buitenlanders investeren niet voor onze mooie ogen, ze willen rendement. Zal de stroom niet gewoon nog duurder worden?

3. Het zal nog slechter gaan met onze democratie: de intrede van een externe partner is meestal geen goede zaak voor de transparantie. Wegens commerciële belangen zal het voor de burgers moeilijker zijn inzage te krijgen in de boeken. Dat geldt trouwens in heel Europa: de Chinese partner heeft zich al ingekocht in Italiaanse en Portugese stroomnetten. Hoe zit het eigenlijk met de gewenste Vlaamse verankering van ons industrieel weefsel?

4. Het beloofde dividend aan de investeerder kunnen we veel beter gebruiken voor twee zaken: investeren in een smart grid en de burgers die mee investeren een centje laten meeverdienen. Een stuk van het geld kunnen we prima gebruiken om de omslag naar hernieuwbare energie te versnellen. En waarom bieden we burgers geen mooie kans om hun spaargeld te investeren in de toekomst van hun kinderen, terwijl het ook nog iets opbrengt? Wat willen de volkspartijen: de Chinezen rijk maken of het spaargeld van hun kiezers iets doen opbrengen?

Niet de deeleconomie, maar de commonseconomie kan de wereld redden

door Jean Lievens
P2P Foundation Belgium

Eerst verschenen op De Wereld Morgen op 29 mei 2016 (blog Jean Lievens – originele tekst)

De deeleconomie staat steeds meer in de belangstelling, maar over de commonseconomie wordt helaas veel minder gesproken. Waarschijnlijk blijft dit voor velen te abstract, maar als we het hebben over de noodzaak van een transitie naar een duurzame economie en naar een meer rechtvaardige en democratische samenleving, dan is de commonseconomie wel de hefboom.

We leven in een verandering van tijdperk, gekenmerkt door economische en financiële crisissen, sociale onrust en politieke instabiliteit. Ons sociaale-conomisch systeem functioneert niet meer en “de politiek” draagt geen oplossingen aan. Anderzijds opent de technologische vooruitgang enorme mogelijkheden om de huidige ecologische, economische en sociale problemen op te lossen, maar binnen de oude structuren en denkschema’s werkt ze de financieel-economische en sociale crisis juist in de hand.

Er is veel sociaal verzet tegen de neoliberale tegen-hervormingen van de afgelopen jaren, maar vaak blijven protestbewegingen beperkt tot “tegen iets zijn” en is er een gebrek aan coherent alternatief. Ook klassieke linkse formules schijnen niet meer te werken of worden de nek omgedraaid binnen een vijandige internationale context, wat de Grieken aan de lijve mochten ondervinden.

Wel zijn overal in de wereld mensen actief betrokken in allerhande initiatieven om te bouwen aan een betere wereld. Velen hebben zich afgekeerd van de politiek en bouwen “het nieuwe binnen het oude”. Ze zijn actief op gebied van sociale rechtvaardigheid en solidariteit (vakbonden, coöperatieven, NGO’s, fairtradeorganisaties, noord-zuidbewegingen etc.), openheid en transparantie (open source beweging, open designgemeenschappen…) en duurzaamheid (circulaire economie, microfabrieken…).

Tussen deze verschillende groepen bestaat echter weinig interactie en ook binnen deze groepen is de fragmentatie vaak groot. Maar ze dragen wel de kiemen van een nieuw systeem, waarbij “de commons” het bindmiddel kan zijn. Een van de organisaties die hierbij een verbindende en katalyserende rol kan spelen, is volgens mij Hart boven Hard, zowel in haar hoedanigheid van netwerk als van beweging.

Maar laat ik eerst even beknopt de kern van het transitiemodel uitleggen dat de P2P Foundation voorstelt. Het boek De Wereld Redden bevat heel wat ideeën, maar vaak pikken mensen alleen dat eruit wat in hun kraam past. Om te beginnen hebben we nooit beweerd dat de “deeleconomie” de wereld zal redden, zoals Rogier De Langhe schrijft in een van zijn opiniestukken in De Morgen van 17 mei (Welke deeleconomie willen we?). In ons boek hebben we het over peer-to-peer, maar maken we een onderscheid tussen peer-to-peer marktplaatsen (waar de deeleconomie zich grotendeels afspeelt) en peer-productie van commons. Ons transitieverhaal steunt vooral op de tweede pijler.

De deeleconomie (alleen) zal de wereld niet redden

De deeleconomie zoals ze zich tot nu toe heeft ontwikkeld, wordt vooral gedomineerd door commerciële platformen die vraag en aanbod van markttransacties tussen individuen (denk aan de “gig”-jobs, het “delen” van autoritten tegen betaling, het verhuren van appartementen…) regelen via algoritmes en daar flink wat geld aan verdienen. De belangrijkste voordelen van deze modellen is dat ze voor de gebruikers vaak performanter en goedkoper zijn dan de traditionele modellen en dat ze zorgen voor een beter gebruik van de bestaande infrastructuur (het “deel”aspect) waardoor ze deel uitmaken van een noodzakelijke evolutie naar een meer duurzame economie.

Maar de keerzijde is ook niet mals: ze ontwijken allerhande wetgevingen waaraan de traditionele modellen wel aan moeten beantwoorden (sociale wetgeving, voorschriften inzake veiligheid en gezondheid etc.), ze investeren zelf niet in infrastructuur en wentelen alle risico’s af op degenen die hun platform gebruiken om geld te verdienen. Zelfs degenen die voor de vrije markt zijn en pleiten voor een gelijk speelveld, kunnen toch niet anders dan vaststellen dat we hier te maken hebben met oneerlijke concurrentie. Je kan dan twee zaken doen: ofwel het speelveld gelijkschakelen door deze platformen te onderwerpen aan dezelfde regels die gelden voor andere bedrijven, ofwel de regels voor andere bedrijven ook afschaffen. Dus hier pleiten we uiteraard voor klassieke regulering.

Alternatieven op commerciële platformbedrijven

Maar er zijn andere manieren om dergelijke kapitalistische platformen van antwoord te dienen. Laten we Uber nemen als voorbeeld. Zo heeft sharing city Seoel Uber ronduit verboden. Maar tegelijk ontwikkelde de stad wel een even gebruiksvriendelijk alternatief: een mobiliteitsapp op stadsniveau waarin de klassieke taxisector werd geïntegreerd. Vakbonden kunnen Uberchauffeurs organiseren en opkomen voor hun belangen (zo heeft Seattle onlangs Uberchauffeurs syndicale rechten verleend waardoor ze expliciet erkend werden als werknemers en niet als freelancers) of zelfs helpen met het opzetten van een coöperatieve die gebruik maakt van een eigen app. Zo gaan alle verdiensten naar de chauffeurs zelf en niet naar Silicon Valley. Op dat vlak zijn de initiatieven echter enorm versnipperd, want elke entiteit gebruikt andere open source applicaties en apps. Het komt er dus op aan om al deze mini-initiatieven te coördineren en te stroomlijnen binnen één netwerk.

Maar goed, we blijven hier nog altijd op het terrein van marktactiviteiten, het kopen en verkopen van diensten om geld te verdienen. Daar is niks mis mee, mensen moeten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Maar als er wordt samengewerkt rond één platform, beheerd door de stakeholders (dus niet alleen de chauffeurs , maar bijvoorbeeld ook de klanten en de overheid), dan wordt dit gemeenschappelijk platform wel de kern van de economische activiteit waaraan de marktactiviteit is ondergeschikt.

Er zijn natuurlijk ook tal van deelinitiatieven die een maatschappelijk doel voor ogen hebben, zoals autodelen op buurtniveau (vb. Dégage in Gent), of logies delen op wereldniveau (couchsurfing). Dit is de originele deeleconomie, die nog altijd bestaat én groeit, maar inmiddels in de media werd overschaduwd door Uber en Airbnb. Deze laatste is trouwens zelf begonnen binnen de reële deeleconomie, wat nog steeds vervat zit in de naam (air staat voor air matrass: het idee was een luchtbed in de living voor toeristen, in ruil voor een kleine deelname in de kosten). Met de intrede van venture capital werd het platform geprofessionaliseerd, er kwamen diensten bij (zoals een verzekering tegen vandalisme), maar bovenal vervoegden steeds meer professionele spelers het platform om appartementen te verhuren aan toeristen. Op die manier omzeilen ze stedenbouwkundige vergunningen en de wetgeving op hotels, jagen ze tegelijk de huurprijzen voor lokale bewoners omhoog en maken bepaalde buurten onleefbaar (denk aan Barceloneta in Barcelona). Tussen haakjes, het is ook belangrijk om op te merken dat alleen mensen die iets hebben iets kunnen ‘delen’ (lees verhuren). Een huurder mag meestal niet onderverhuren, ook niet via Airbnb.

De commonseconomie

Tot daar de “deeleconomie”. Wat echter veel belangrijker is in ons transitieverhaal, is de zogenaamde commons-economie en meer bepaald de creatie van commons van open software, kennis en design. Bekende commons zijn Linux, Wikipedia en Arduino, maar er bestaan duizenden andere voorbeelden. We hebben hier te maken met een postkapitalistisch model, omdat:

Het niet gebaseerd is op arbeid/kapitaal, maar op vrijwillige bijdragen
Het geen goederen of diensten voortbrengt om te verkopen op de markt (ruilwaarde), maar rechtstreekse gebruikswaarde die vrij beschikbaar is, in overvloed aanwezig, vrijwel kosteloos, oneindig reproduceerbaar en dus niet eens “vermarkt” kan worden.
Sommigen rangschikken ook deze commons onder de ‘deeleconomie’ omdat ze vrij beschikbaar zijn (en dus vrij kunnen ‘gedeeld’ worden), maar dan gooi je Uber en Wikipedia op één hoop, wat toch problematisch is. Om verwarring te vermijden is het dus aangewezen om bij elk project de volgende vragen te stellen:
wat is de hoofddoelstelling (maatschappelijk of winstgevend)?
wordt er gemeengoed gecreëerd dat vrij beschikbaar is?

Alleen in het twee geval spreken we van een commons-economie. Is de doelstelling maatschappelijk en wordt er gewerkt via een collectief deelplatform, dan is het deelplatform zelf de commons en kan je ook dit soort van deelinitiatieven tot de commons-economie rekenen. Gaat het om pure markttransacties, dan hebben we te maken met P2P marktplaatsen die strik genomen niets met delen te maken hebben, maar door deze platformen zelf en door de media wel als dusdanig genoemd worden, dus ik veronderstel dat we ermee moeten leven.

Een productiever model…

Het gemeenschappelijk creëren van open gemeengoed van kennis, softwarecode en allerhande ontwerpen blijkt in de praktijk veel sneller, efficiënter en productiever dan de traditionele (lees kapitalistische) manier om deze zaken voort te brengen. Sinds Wikipedia zijn papieren encyclopedieën alleen nog in tweedehandszaken verkrijgbaar. Wikipedia is gratis, wordt elke dag beter en volgt de actualiteit. Een paar minuten nadat de media hebben bericht over de dood van Prince, is de popster ook dood op Wikipedia. Open software is de norm binnen de softwarewereld geworden. Nasa, BMW, het CERN, het Witte Huis… gebruiken Linux, een software die vrij beschikbaar is voor iedereen. Er bestaan een dertigtal open source-auto’s (inclusief een open source zelfrijdende auto) die stuk voor stuk milieuvriendelijke en energiezuiniger zijn dan industriële wagens, alleen komen de banken niet met geld over de brug om de productie ervan te financieren, tenzij ten minste een deel van het ontwerp beschermd wordt door patenten. Tot nu toe lijkt LocalMotors, een semi-open source wagen die in een microfabriek via 3D printing kan worden geproduceerd het enige model dat ook economisch succesvol is. Maar er zijn ook open source robotten, open source landbouwmachines, open source laboratoriumapparatuur en duizenden andere open hardwaresystemen. Daarnaast is er ook het delen van kennis allerhande, zoals open wetenschap tegenover het peperduur verkopen van academische artikels door privé-uitgeverijen.

… gedomineerd door het kapitalisme

Maar net als de deeleconomie waarvan eerder sprake, wordt ook de commonseconomie volop “gerecupereerd” door het kapitalisme, hoewel “gebruikt” me een beter woord lijkt in deze context, want er is hier toch iets anders aan de hand. We krijgen namelijk een model waarbij bedrijven die elkaar beconcurreren op de markt, wel samen bouwen aan een commons. Als toemaatje krijgen ze er de bijdragen bij van vrijwilligers die voor allerhande redenen gratis bijdragen tot het gemeengoed. Neem open software. Ongeveer 75% van de programmeurs die bijdragen tot Linux, worden betaald door grote bedrijven zoals IBM en Red Hat, die net als Google, Intel, HP, Samsung, Cisco enzovoort de Linux Foundation financieren. Waarom? Omdat het stukken goedkoper en efficiënter is Linux te helpen ontwikkelen dan eigen software te ontwikkelen. Voor hen is Linux een goedkope grondstof die ze kunnen gebruiken om andere diensten aan te bieden op de markt, meestal het maken van een gebruiksvriendelijke versie op maat van hun klanten, maar ook onderhoud, training, consultancy, enzovoort.

Laten we een voorbeeld nemen uit de open hardware. Alles wat de mens maakt, moet eerst ontworpen worden. Er komen meer en meer ontwerpen tot stand door open en transparante samenwerking van bijdragers via het internet. Het internet wordt naast een goedkoop communicatie- en coördinatiemiddel dus ook meer en meer een universeel productiemiddel. Tegelijk vervaagt de grens tussen (digitaal) ontwerp en geautomatiseerde productie. Machines zijn immers gekoppeld aan computers. Voeg daaraan toe dat na de miniaturisering van de computer ook de miniaturisering van machines aan de orde van de dag is, waarbij je “meer kunt doen met minder”, en je ziet meteen het potentieel dat zich opent om ons maatschappelijk en economisch model volgens volledig andere lijnen te gaan ordenen. Maar dat kan alleen als we ons organiseren en bewust modellen ontwikkelen die dat ook in de praktijk brengen. Want tot op heden, zwaait het kapitaal nog altijd de scepter, ook in de wereld van de commons.

Je hebt immers nog altijd kapitaal nodig om iets te produceren: een fysische ruimte, grondstoffen en arbeid. Je verlaat de digitale, postkapitalistische wereld van de overvloed en betreedt in zekere zin weer de wereld van arbeid en kapitaal. Maar ook binnen dat kader heb je de keuze welk soort van organisatie je hiervoor opricht. Een coöperatieve is hier ongetwijfeld de meest geschikte bedrijfsvorm omdat haar eigendom- en beheermodel het best aansluit met de peer-to-peer waardecreatie in de commons. Omdat jonge ondernemers vaak niet vertrouwd zijn met het coöperatieve model, domineren durfkapitalisten (venture capital) die torenhoge rendementen terugeisen voor hun investering logischerwijze nog altijd de open hardwaregemeenschappen, hoewel we oog moeten hebben voor de oprukkende fablabs, hackerspaces, co-working spaces en makerspaces die vaak ondersteund door lokale overheden, scholen of universiteiten, en ook via crowdfunding.

Sociale ondernemers

Het is belangrijk hier een punt te maken over sociale ondernemers. Klassiek links haalt vaak de neus op voor ondernemers omdat ze die onterecht vereenzelvigen met “kapitalisten”. De woorden “sociaal” en “ondernemen” vinden ze een contradictio in terminis. Bovendien schieten veel politici van groene en sociaaldemocratische partijen die ondernemers omarmen (zonder evenwel een onderscheid te maken in de aard en de grootte van de bedrijven) tegelijk op de vakbonden die ze bestempelen als “conservatief”. Ze behoren historisch tot de neoliberale strekking (gelukkig op zijn retours) die de derde weg van Blair voorstaat. Maar stel je in de schoenen van een jonge ingenieur die de wereld wil verbeteren. Geloof me, ze zijn niet in de minderheid. Zo wilt 98 procent van afgestudeerde ingenieurs in Finland duurzaam ontwerpen. Alleen… als ze het geluk hebben een baan te vinden in een klassiek bedrijf, moeten ze zorgen voor ingeplante slijtage. Het alternatief is zich aansluiten bij een open hardwaregemeenschap en proberen zelf of met vrienden een bedrijfje op te starten. Als je bijdragen levert voor een open ontwerp, is er immers geen enkel reden om slijtage in te plannen. Je probeert een product zo goed mogelijk te ontwerpen.

De laatste jaren zien we meer en meer jongeren die ecologische en maatschappelijke problemen willen oplossen door zelf een bedrijf op te starten. Maar ook mensen die al jaren voor traditionele bedrijven werken, stappen voor allerhande redenen uit de ratrace en gaan zelf een sociale bedrijfsactiviteit beginnen die goed is voor de samenleving en die hun eigen leven veel meer zin geeft. Het is juist dat we hier vaak te maken hebben met een geprivilegieerde groep, maar dit fenomeen illustreert toch een uittocht uit het bestaande systeem, zowel vrijwillig als gedwongen.

Alleen… je moet natuurlijk wel geld verdienen om te overleven. Het grootste probleem vandaag is dat de commons, die een steeds grotere plaats innemen in de kapitalistische economie, nog steeds ondergeschikt zijn aan het overheersende model en alleen collectief reproduceerbaar zijn maar niet individueel. Wat bedoel ik daarmee? Als individu kan je tijdelijk gratis bijdragen tot commons (als je student bent, werkloos, of in je vrije uurtjes), maar je kan dat niet blijven doen. De commons blijven echter collectief overleven omdat er steeds nieuwe mensen bijkomen die bijdragen leveren, terwijl anderen wegvallen.

Nieuwe bedrijfsmodellen

De vraag van een miljoen is dus: hoe kunnen we bedrijfsmodellen ontwikkelen die het de commoners (bijdragers tot commons) mogelijk maakt om in hun levensonderhoud te voorzien? Gelukkig is dit geen theoretische vraag aangezien er volop aan deze modellen wordt gewerkt. Met andere woorden, er bestaan reeds ethische bedrijven die samen een commons produceren, zoals Enspiral, een jong bedrijvennetwerk dat Loomio (een samenwerkingssoftware) en Co-Budget (een app om democratische investeringsbeslissingen te nemen binnen het netwerk) heeft ontwikkeld en “Stuff that Matters” als baseline heeft. Het initiatief ontstond in Nieuw-Zeeland, maar het netwerk groei als kool en de open software Loomio is inmiddels uitgegroeid tot een zelfstandig bedrijf (een coöperatieve in eigendom en zelfbeheer van de werknemers) binnen het Enspiral netwerk, met wereldwijde vertakkingen.

Ik geef deze voorbeelden mee om ons verhaal wat concreter te maken zodat de verhaallijn duidelijker wordt. Wij denken namelijk dat er een nieuwe economie in wording is rond de commons. Deze economie wordt inderdaad gedomineerd door het kapitaal, maar veroorzaakt binnen het kapitalisme een waardecrisis: de geproduceerde gebruikswaarde groeit exponentieel, maar de gerealiseerde marktwaarde stijgt slechts lineair en wordt grotendeels “opgevangen” door het kapitaal. Maar naarmate het kapitaal investeert in peer-to-peer-netwerken en commons, versterkt ze die tegelijk en maakt aldus het potentieel alternatief sterker. Vroegere systeemovergangen vonden op dezelfde lijnen plaats: het oude systeem maakt gebruik van het nieuwe systeem om zijn bestaan te rekken, maar versterkt daardoor het nieuwe systeem tot een punt wordt bereikt waarop het nieuwe systeem kan doorbreken en dominant worden.

Vandaag wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe bedrijfsmodellen, vaak coöperatieven, die commons voortbrengen en tegelijk in het levensonderhoud voorzien van de coöperanten. Ook wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe manieren om de waardecreatie binnen de commons te registreren (open boekhouding) en die te koppelen aan vergoedingen voor de commonors indien de projecten marktwaarde realiseren. Er ontstaan ook nieuwe solidariteitsmechanismen, zoals de broodfondsen in Nederland, een sociaal zekerheidssysteem op minischaal voor “zzp-ers” (zelfstandigen zonder personeel, hier meestal freelancers genoemd). Zo zie je dat de mutualiteiten van de vroege arbeidersbeweging vandaag nog eens dunnetjes overgedaan door mensen die buiten de mazen van het sociale zekerheidssysteem vallen.

Ook de nieuwe coöperatieven die wereldwijd groeien als kool brengen de hoogdagen van de arbeidersbeweging in herinnering. Ook zij probeerden het nieuwe te bouwen binnen het oude, maar streefden vooral naar het veroveren van de politieke macht om de economie gradueel (door hervormingen) of min of meer volledig (door revolutie) via de staat over te nemen. De traditionele coöperatieven werden echter grotendeels weggeconcurreerd door multinationals die over meer kapitaal beschikten en dankzij schaalvoordelen goedkopere producten konden op de markt brengen. Coöperatieven die overleefden, konden dit alleen door zich net te gedragen als kapitalistische bedrijven waardoor ze op de duur nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren. Toch kan de historische arbeidersbeweging een grote inspiratiebron zijn voor de open source- en commonsbeweging. Alleen is haar heroïsche geschiedenis gedurende de laatste decennia (en zelfs langer) grotendeels ondergesneeuwd door bureaucratisering en incorporatie binnen de staat.

Kloof tussen precariaat en salariaat dichten, niet aanwakkeren

Dat laatste verklaart waarom veel jongeren die zich wel als een vis in het water voelen in de open source- en commonsbeweging, zich niet herkennen in de huidige arbeidersbeweging. Deze laatste is dan weer al decennia in een defensieve strijd verwikkeld voor het behoud van sociale verworvenheden en vindt moeilijk aansluiting bij jongeren die opgroeien in een tijd waarin het oude sociale contract meer en meer wordt opgeblazen voor de nieuwe generatie. Sommigen concluderen daaruit dat de klassenstrijd moet wijken voor een generatiestrijd. Niet het falend systeem is verantwoordelijk, wel de oudere generatie die de rijkdom heeft opgesoupeerd waardoor er niks meer overblijft voor de jeugd . Hoewel minder brutaal (hoewel…) lijkt dit de redenering die ook economiefilosoof Rogier De Langhe volgt in zijn recente columns. Rogier geeft toe dat er een systeemcrisis is, maar vindt dat “wij daar allemaal samen” voor verantwoordelijk zijn. Zoiets kan je natuurlijk alleen maar beweren als je de klassennatuur van onze samenleving ontkent. Maar zelfs dan is het hallucinant om het volgende te beweren: ”Zoals in 2008 bleek dat bankiers niet hadden kunnen weerstaan aan de ‘hebzucht’, zo blijkt vandaag dat ook de vakbonden te ver gingen. Ze verwierven meer rechten dan duurzaam over de generaties heen konden worden voorzien. Zelfs de banksters waagden het niet het land plat te leggen uit protest tegen het instorten van het kaartenhuisje dat ze zelf hadden gebouwd.” (De Morgen van 25 mei 2016: Waarom betogers op bankiers lijken”)

Rogier vindt de vakbonden blijkbaar nog erger dan de banksters. Hij pleit wel voor meer solidariteit, maar dan wil binnen de groep van “have nots”: “Ik droom van een herverdeling van sterk naar arm, in plaats van van niet-gesyndiceerd naar gesyndiceerd en van ongeboren naar vandaag.” Dat er in de afgelopen dertig jaar 10 procent van het BNP verschoven is van Arbeid naar Kapitaal is bijzaak, want “De bedragen waar het om gaat, zijn zo gigantisch dat een vermogensbelasting weinig verschil maakt. Zeker in een land als het onze illustreert het discours over de 1 procent vooral dat het makkelijker is de schuld bij een externe vijand te zoeken, dan bij onszelf.”

Er bestaat ongetwijfeld een spanningsveld tussen de klassieke arbeidersklasse die bestaat uit (vaak oudere) werknemers die in een hiërarchisch verband voor een bedrijf werken, en de nieuwe klasse van precaire en autonome werkers die rechtstreeks voor de markt (moeten) werken. Dat kan gedwongen zijn omdat ze geen werk vinden, maar velen doen het ook vrijwillig, ook uit sociale bewogenheid. Die groep gebruikt het internet en de commons voor het opzetten van nieuwe solidariteitsmechanismen. Op dat vlak speelt Smart.be in België een voortrekkersrol. We hebben de vakbonden al vaker op de korrel genomen omdat ze deze groeiende groep precaire werkers rechts laten liggen (in Nederland is binnen het FNV al geruime tijd een fel debat aan de gang). We moeten bruggen bouwen tussen precaire en “beschermde” werknemers, niet door de rechten van de ene groep af te bouwen ten voordele van de andere, maar om samen te ijveren voor een maatschappij die eerlijkere, democratischer en meer gelijk is dan de huidige. Helaas drijft Rogier de tegenstelling tussen beide groepen op de spits en door ongenadeloos de vakbonden te viseren in hun verzet tegen de regeringsmaatregelen, staat hij objectief gezien natuurlijk 100 procent aan de kant van de regering die hij in zijn columns nooit op de korrel neemt.

De commons als nieuw bindmiddel in een positief transitieverhaal

Maar goed, terug naar mijn verhaal. Wat in het oude verhaal van de arbeidersbeweging ontbrak, was een nieuwe manier om waarde te creëren en te herverdelen, die bovendien superieur is aan het oude model. Vandaag bestaat deze nieuwe productiewijze wel. In het oude verhaal versloeg groot klein. Altijd. Vandaag kan een netwerk van veel kleintjes groot verslaan. Denk aan Linux en Wikipedia. De nieuwe platformbedrijven of “netarchische” kapitalisten (kapitalisten die heersen over het netwerk), zijn nog piepjong (Google is 20 jaar oud, Facebook 12, Uber 6) maar hebben in een mum van tijd de wereld veroverd. De vraag is hoe duurzaam die bedrijven zijn op langere termijn, gezien hun parasitair karakter en het feit dat de waarde die ze onttrekken uit menselijke samenwerking niet terugvloeit naar de mensen die deze waarde creëren.

Er bestaat volgens mij geen uniforme formule om deze bedrijven aan te pakken. Sommigen kunnen op termijn weggeconcurreerd (of weg”samengewerkt”) worden door nieuwe, coöperatieve modellen, op voorwaarde dat deze globaal opgeschaald worden (samenwerking in wereldwijde netwerken). Zowel de overheid als de traditionele organisaties van de arbeidersbeweging kunnen daarin een stimulerende rol spelen. Anderen zoals Google of Facebook worden best “openbare nutsbedrijven”, zoals destijds de spoorwegen en de elektriciteitsbedrijven. Natuurlijk zijn deze privéplatformen wereldwijd actief, maar ze zijn wel ingebed in een staat (meestal de VS) waarbinnen een politieke strijd kan gevoerd worden om ze om te turnen in door stakeholders beheerde nutsbedrijven (geen traditionele staatsbedrijven dus). Buiten de VS kunnen en worden ze via regulering meer aan banden gelegd, hoewel de resultaten nog niet spectaculair te noemen zijn (bv. Europa versus Facebook en Google).

Om te resumeren, wil ik de volgende stellingen poneren:

De commons kunnen het bindmiddel zijn van een nieuwe progressieve beweging
De drie groepen die mondiaal actief zijn in transitiebewegingen (rond ecologie, solidariteit en open source) moeten elkaar beter leren kennen en meer gaan samenwerken

Tegelijk kan geijverd worden voor een commons-transitieprogramma dat streeft naar een nieuw economisch-maatschappeijk paradigma dat steunt op drie pijlers:
Een productieve civiele maatschappij van burgers die vrijwillig bijdragen tot commons
Een ethische bedrijvencoalitie rond deze commons
Een nieuw overheidsmodel waarbij de overheid optreedt als partnerstaat die peer-productie van vrije burgers faciliteert en ondersteunt (met geld, infrastructuur, onderwijs etc.) Deze staat vervangt de welvaartsstaat niet, maar overstijgt ze. Strijden tegen de afbouw van de welvaartsstaat blijft dus 100 procent een progressieve strijd.

Daarnaast dringt zich een herlocalisering op van de productie in microfabrieken die eveneens wereldwijd genetwerkt zijn en aldus een tegengewicht kunnen bieden op transnationaal niveau tegenover de multinationals. Op die basis kunnen we de ecologische crisis bezweren (duurzame lokale energiecoöperatieven aangesloten op een smart grid, drastische vermindering van transport- en energiekosten, transparante aanvoerketens ten dienste van een circulaire economie waardoor het generatief vermogen van de planeet volledig wordt hersteld etc.)

Voor meer info:

P2P Foundation
Enspiral
Jean Lievens

De tien geboden van peer-productie en de commons-economie

Originele tekst eerder gepubliceerd op de blog van de P2P Foundation en Wired

Voor een vrije, eerlijke en duurzame productiewijze en waardecreatie

Michel Bauwens, Berlijn, Oktober 23, 2015, voor de “Uncommons conferentie”

Zoals we elders probeerden aan te tonen, heeft het ontstaan van op commons gerichte peer-productie een nieuwe logica in het leven geroepen voor de samenwerking tussen open productieve gemeenschappen die gedeelde hulpbronnen (commons) creëren aan de hand van bijdragen, en marktgerichte entiteiten die toegevoegde waarde creëren bovenop of langs deze gedeelde commons.

Deze tekst handelt over ontluikende praktijken die een inspiratiebron kunnen zijn voor de nieuwe entiteiten van de ethische economie. De belangrijkste doelstelling is het creëren van nieuwe entiteiten die de traditionele bedrijfsvormen met hun winstmaximaliserende praktijken van waarde-extractie overstijgen. In plaats van extractieve kapitaalvormen hebben we generatieve vormen nodig die waarde co-creëren met en voor de commoners.

Voor de verklaring van de nieuwe praktijken, gebruik ik dezelfde formule als die van de Tien Geboden. Ze bestaan reeds allemaal onder verschillende gedaanten, maar moeten nog veralgemeend en geïntegreerd worden. Wat de wereld, de mensheid en alle wezens die de invloed ondergaan van onze activiteiten nodig hebben, is een productiewijze en productieverhoudingen die zowel vrij, eerlijk als duurzaam zijn.

Open en vrij

1. Gij zult open bedrijfsmodellen gebruiken die steunen op gedeelde kennis.

Gesloten bedrijfsmodellen zijn gebaseerd op artificiële schaarste. Hoewel kennis een niet- of zelfs anti-rivaliserend goed is waarvan de gebruikswaarde toeneemt naarmate het meer wordt gedeeld, en hoewel het in digitale vorm gemakkelijk kan gedeeld worden tegen zeer lage marginale kost, creëren veel extractieve bedrijven opzettelijk artificiële schaarste om rente te kunnen onttrekken aan het creëren of het gebruik van gedigitaliseerde kennis. Via legale onderdrukking of technologische sabotage worden goederen die natuurlijk kunnen worden gedeeld kunstmatig schaars gemaakt om extra winsten te genereren.

Dat is hemeltergend in een context waarin technische kennis in staat is levens te redden en de planeet te helen. Het eerste gebod is daarom het ethische gebod om te delen wat kan worden gedeeld, en om alleen marktwaarde te creëren bij hulpbronnen die schaars zijn, en toegevoegde waarde te creëren bovenop of langs deze commons. Open bedrijfsmodellen zijn marktstrategieën die gebaseerd zijn op de erkenning van natuurlijke overvloed en de weigering om een inkomen te genereren door die kunstmatig schaars te maken.

Meer informatie (in het Engels) is te vinden hier

Eerlijk

2. Gij zult werken via open coöperatieven

Er worden veel meer nieuwe ethische en generatieve entiteiten opgericht die meer in harmonie zijn met de uit bijdragen gecreëerde commons. De sleutel hierbij is om te kiezen voor postbedrijfsvormen die toelaten dat de bijdragende commoners in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

Vooral open coöperatieven komen hiervoor in aanmerking. Ze hebben de volgende kenmerken:

1. Ze zijn doelgericht en hebben een sociale doelstelling die verbonden is aan de creatie van gedeelde hulpbronnen
2. Ze worden beheerd volgens een multi-stakeholdermodel, waarbij iedereen betrokken wordt die beïnvloed wordt door de werkzaamheden of bijdragen levert tot de betrokken activiteit
3. Ze verbinden zich statutair en volgens hun eigen regels met de productieve gemeenschappen voor het co-creëren van commons.

Ik voeg daar vaak nog een vierde voorwaarde aan toe, namelijk dat ze organisatorisch een globale visie hebben ten einde een tegenmacht te kunnen creëren tegenover de extractieve multinationals.

Coöperatieven zijn maar één van de potentiële vormen die commons-vriendelijke marktentiteiten kunnen aannemen. We zien ook de opkomst van meer open entiteiten zoals neo-tribale vormen (denk aan de werkwijze van de gemeenschap rond Ouishare), of meer strak georganiseerde nieuwe modellen zoals Enspiral.org, Las Indias of de Ethos Foundation. Een nog opener vorm is het soort van netwerk waarvoor de gemeenschap rond de open wetenschappelijke hardware Sensorica heeft gekozen. Ze wil de bijdragen strakker koppelen aan de gegenereerde inkomsten door alle microtaken in het beloningssysteem toe te laten aan de hand van open value accounting of contibutory acccounting (verder meer hierover).

Gij zult hierover meer informatie (in het Engels) vinden hier

3. Gij zult gebruik maken van Open Value Accounting (“open-waarde-boekhouding”) of Contibutory Accounting (“bijdragende boekhouding”)

Peer-productie is gebaseerd op vrije, gedistribueerde taken van bijdragers die werken binnen een samenwerkingsinfrastructuur gedreven door een open gemeenschap. De traditie van een baan met vaste taakbeschrijving in ruil voor een salaris is allicht niet de meest aangewezen manier om de bijdragers tot dergelijke processen te belonen. Vandaar de geboorte van de open-waarde-boekhouding of bijdragende boekhouding, een praktijk die al bestaat bij Sensorica. Het systeem bestaat erin dat elke commoner bijdragen kan leveren, ingelogd naargelang een projectnummer, en ‘karmapunten’ krijgt na een peer-evaluatie. Als er inkomsten worden gegenereerd, dan vloeien die naargelang de gewogen bijdragen, zodat elke commoner op een eerlijke manier wordt vergoed. Bijdragende boekhouding of andere gelijkaardige oplossingen zijn belangrijk om te vermijden dat enkel een beperkt aantal bijdragers die dichter bij de markt staan zich alle waarde die door een veel grotere gemeenschap werd gecreëerd, zouden toe-eigenen. Open boekhouding verzekert een transparante (her)verdeling van de waarde voor alle deelnemers.

Gij zult meer informatie (in het Engels vinden hier

4. Gij zult een eerlijke verdeling van gemeenschappelijk gecreëerde waarde verzekeren via CopyFair Licenties

De copyleft licenties laten iedereen toe om de noodzakelijke kenniscommons te hergebruiken, op voorwaarde dat elke verandering en elke verbetering aan dezelfde commons wordt toegevoegd. Dat is een groot voordeel, maar we mogen daarbij de noodzaak tot eerlijkheid niet uit het oog verliezen. Wanneer we overgaan tot fysieke productie die middelen vergt voor gebouwen, grondstoffen en lonen, zien we dat een dergelijke licentie de onbeperkte commerciële exploitatie van de commons door extractieve modellen in de hand werkt. We moeten dus verzekeren dat het delen van kennis behouden blijft, maar wederkerigheid vragen voor de commerciële exploitatie van de commons zodat er een gelijk speelveld ontstaat voor de economisch ethische spelers die de sociale en ecologische kosten internaliseren. Dit wordt bewerkstelligd door copyfair licenties die wederkerigheid vragen in ruil voor het recht op commercialisering, met behoud van het volledig delen van de kennis.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie vinden hier

5. Gij zult solidariteit bedrijven en de levens- en werkrisico’s verminderen via commonfare-praktijken

Aangezien een van de grote gevolgen van de financiële en neoliberale globalisering de geleidelijke verzwakking van de macht van nationale staten is, bestaat er vandaag een sterke en geïntegreerde poging om de solidariteitsmechanismen, ingebed in het model van de welvaartsstaten, terug te schroeven. Zolang we de macht niet hebben om het tij te doen keren, is het noodzakelijk dat we substantiële gedistribueerde solidariteitsmechanismen heropbouwen, een praktijk die we “commonvaart” (versus welvaart) kunnen noemen. Voorbeelden als het Broodfonds (Nederland), Friendsurance (Duitsland) en de “health sharing ministries” (U.S.), of coöperatieve entiteiten zoals Coopaname in Frankrijk laten nieuwe vormen van gedistribueerde solidariteit zien die kunnen worden ontwikkeld om ons te beschermen tegen levens- en werkrisico’s

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

Duurzaam

6. Gij zult open en duurzame ontwerpen gebruiken voor een open source circulaire economie

Productieve open gemeenschappen verzekeren maximale participatie via modulariteit en granulariteit. Omdat ze opereren in een context van gedeelde en overvloedige middelen, is de praktijk van geplande slijtage -die geen fout is maar een kenmerk van winstmaximaliserende bedrijven- volledig vreemd aan hen. Ethische ondernemersentiteiten zullen daarom deze open en duurzame modellen gebruiken en duurzame goederen en diensten produceren.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

7. Gij zult verder gaan dan uitsluitend te steunen op onvolkomen prijssignalen van de markt en overgaan tot wederzijdse coördinatie van de productie via open aanvoerketens en open boekhouding.

Wat besluitvorming is voor planning en het prijsmechanisme voor de markt, is wederzijdse coördinatie voor de commons.

We zullen nooit komen tot een duurzame ‘circulaire economie’ waarbij de output van het ene productieproces gebruikt wordt als de input voor een ander, als we gesloten aanvoerketens gebruiken en als elke samenwerking onderworpen is aan pijnlijke onderhandelingen in een weinig transparante omgeving. Maar ondernemingscoalities die reeds onderling afhankelijk zijn door hun bijdragen aan collaboratieve commons kunnen ecosystemen van samenwerking creëren aan de hand van open aanvoerketens waarin de productieprocessen transparant worden en waarbij elke participant zijn gedrag kan aanpassen gebaseerd op de beschikbare kennis binnen het netwerk. Overproductie doet zich niet voor wanneer de werkelijke productie van het netwerk algemene kennis wordt.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

8. Gij zult cosmo-lokalisering bedrijven

Als het licht is, is het globaal, als het zwaar is, is het lokaal: dit is het nieuwe principe van commons gebaseerde peer-productie, waarbij kennis wereldwijd wordt gedeeld maar de productie kan plaatsvinden op basis van de vraag en gebaseerd op werkelijke noden via een netwerk van gedistribueerde co-working ateliers en microfabrieken. Sommige studies hebben aangetoond dat tot tweederden van de grondstoffen en energie niet naar de productie gaan, maar naar transport. Dit is duidelijk onhoudbaar. Een terugkeer naar plaatselijke productie via herlocalisering is een voorwaarde sine qua non voor de overgang naar duurzame productie.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier
http://p2pfoundation.net/Category:Sustainable_Manufacturing

9. Gij zult fysieke infrastructuur wederzijds delen

Platformcoöperatieven, datacoöperatieven en fairshare-vormen van gedistribueerde eigendom kunnen worden aangewend om samen de productie-infrastructuur te bezitten.

De zogenaamde deeleconomie van Airbnb en Uber is verkeerd genoemd, maar toont niettemin het potentieel aan van middelen die anders niet zouden worden gebruikt. Co-working, skill-sharing, ride-sharing zijn voorbeelden van de vele manieren waarop we middelen kunnen delen en hergebruiken om de thermodynamische efficiëntie van onze consumptie dramatisch te verhogen.

In de juiste context van co-eigendom en co-governance, kan een echte deeleconomie gigantische voordelen opleveren op het vlak van een verminderd gebruik van hulpbronnen. Onze productiemiddelen, inclusief machines, kunnen wederzijds gedeeld worden, in eigen eigendom, door al degenen die de waarde creëren.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

10. Gij zult generatief kapitaal mutualiseren

Generatieve kapitaalvormen kunnen niet steunen op een extractief geldaanbod dat gebaseerd is op samengestelde interest verschuldigd aan extractieve banken. We moeten af van de 38% rente die in alle goederen en diensten vervat is en ons geldsysteem veranderen, en het gebruik van wederzijdse kredietsystemen substantieel verhogen.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

Vertaling Jean Lievens

Alles suggesties voor verbeteringen aan de vertaling welkom op [email protected]

Drie “governance hacks” om peer productie om te vormen tot een echt economisch en sociaal systeem

Door Michel Bauwens

Originele tekst P2P Foundation

Het kapitalisme was niet altijd een organisch en dominant systeem. Alvorens het de status verwierf van een volwaardige productiewijze, anders gesteld van een samenhangende manier om waarde te creëren en te verdelen, of van een specifieke vorm van samenleving en beschaving, diende het in te breken in het oude systeem om het naar zijn eigen beeld te kneden. In “zijn boek “De Grote Transformatie” legt Karl Polanyi uit hoe bijvoorbeeld de vroege kooplieden nog steeds afhankelijk waren van ambachtslui en gilden (het zogenaamde ‘putting-out’-systeem) en er aanvankelijk niet in slaagden om van arbeid een koopwaar te maken.

Deze situatie verschilt niet veel van het ‘proto’-productiesysteem dat vandaag in opmars is: peerproductie gericht op gemeengoed (‘commons-oriented peer production), waarbij een gemeenschap van bijdragers, al dan niet betaald, een gemeengoed of ‘commons’ (gedeelde hulpbronnen die beheerd worden door hun gebruikers) creëren in plaats van goederen (koopwaar). Hoe kan deze opkomende, postkapitalistische logica die nu al de logica van arbeid als koopwaar overstijgt, dominant worden? Hoe maken we van peerproductie een organisch systeem? Tegen deze achtergrond stellen de P2P Foundation en soortgelijke netwerken van P2P-activisten een aantal hacks voor.

De centrale kwestie is de volgende: hoe houden we de “waarde”” binnen de sfeer van de commons, zodat die kunnen groeien en zichzelf reproduceren? Of in andere woorden: hoe kunnen we op basis van onze bijdragen in ons levensonderhoud voorzien?”

De copyfair licentie

Een eerste “hack” is de copyfair licentie, een licentie die steunt op wederkerigheid. Waarom is dat nodig? Volgens de traditionele, negentiende-eeuwse definitie van communisme is de General Public Licentie technisch gezien een communistische licentie: “van ieder naargelang zijn bijdragen, voor ieder naargelang zijn noden”. Maar binnen onze huidige politieke economie leidt een dergelijke dynamiek onvermijdelijk tot de overheersing van een economie die gebaseerd is op “vrije en gedeelde hulpbronnen” door grote privéspelers en bovendien tot het gebruik van deze gedeelde hulpbronnen door organisaties die er niet toe bijdragen.

Dit “liberaal communisme” (communisme in dienst van het kapitaal en de liberale waarde van het ‘recht op delen’) is niet noodzakelijk een probleem voor niet-rivaliserende en antirivaliserende hulpbronnen zoals kennis en softwarecode, maar het kan wel problematisch zijn als we spreken over design, zaden en andere vormen van delen die verbonden zijn aan fysieke productie. Als we immers moeten investeren in gebouwen, machines, grondstoffen en salarissen, kan de private overheersing van de open economie een probleem vormen.

Bijgevolg zou een licentie die een of andere vorm van wederkerigheid vereist een aantal voordelen opleveren. De vereiste dat bedrijven die zelf niet bijdragen tot de commons een licentievergoeding zouden betalen, zou een kapitaalstroom genereren naar de sfeer van de commons, zijn gemeenschappen en “Stichtingen” (Foundations). Ten tweede -en belangrijker- zou de vereiste om wederkerigheid te definiëren opnieuw een “morele economie” creëren die positieve sociale externaliteiten zou re-integreren binnen de marktsfeer zelf.

Open coöperatieven

Onze tweede “hack” zou bovendien een dynamiek op gang brengen op het vlak van beheer en eigendom. Wij stellen voor dat commoners eigen “open coöperatieven” zouden oprichten, dus coöperatieven die niet alleen werken voor hun eigen leden, maar structureel en statutair samen commons creëren naast het voorzien van een inkomen voor de coöperatieve arbeiders. In dit model zou de coöperatieve een maatschappelijk doel hebben, niet winstgericht zijn (de winsten worden dan gebruikt om een maatschappelijk doel te realiseren), meerdere stakeholders betrekken, maar ook samen gemeengoed creëren in de vorm van zowel immateriële commons (gedeelde kennis) maar ook gedeelde materiële hulpbronnen (een voorbeeld is de woningcoöperatieve “Allianza Solidaria” in het zuiden van Quito die van zijn leden 100 uur arbeid vraagt voor de creatie van gemeenschappelijke parken).

Deze nieuwe coöperatieven zouden niet langer uitmonden in organisaties die egoïstisch handelen op de kapitaalmarkten ten behoeve van hun eigen leden, maar zouden een gemeengoed creëren dat op natuurlijke wijze tot hun normale activiteiten zou behoren. Een gelijkaardig voorstel is het eigendomsmodel gebaseerd op eerlijk delen (‘fairshares ownership), waarbij het eigendom in vier gelijke parten wordt verdeeld: een voor de stichters, een voor de investeerders, een voor de arbeiders en een voor de gebruikersgemeenschappen.

Open aanvoerketens en open boekhouding

De derde en laatste hack die we voorstellen is de oprichting van open aanvoerketens en open boekhouding. Van zodra er een “ethische ondernemerscoalitie” is opgericht rond de copyfair licentie en/of een sociaal charter met gemeenschappelijke waarden en een oriëntatie naar het gemeengoed, kan op natuurlijke wijze worden overgeschakeld van competitie naar samenwerking en het delen van informatie over productie en boekhouding doorheen het netwerk. Een voorbeeld is Enspiral, een netwerk van sociale ondernemers in Nieuw Zeeland, die binnen hun netwerk transparantie bedrijven.

Dankzij deze hack zou de wederkerige en stigmergische coördinatie van productieve activiteiten die reeds van toepassing is in de immateriële productie van kennis, code en design, ook beginnen met het op gang brengen van een dynamiek van postkapitalistische wederkerige coördinatie in de sfeer van reële fysieke productie.

Als deze drie stappen door verschillende actoren gelijktijdig worden genomen, zou peerproductie op een betekenisvolle manier evolueren naar een functionerend organisch systeem dat in staat is om zichzelf te reproduceren aangezien de bijdragers tot de commons een coöperatief levensonderhoud zouden kunnen creëren. We zouden geëvolueerd zijn van een “communisme van kapitaal” naar een “kapitaal van de commons”.

vertaling: Jean Lievens

Het klein verzet: de wereld na het kapitalisme

door Evelien Verstraeten

Eerst verschenen in De Wereld Morgen op 20 mei 2015

Wat als we met z’n allen beslissen dat niet de economie ons bepaalt, maar dat wij de economie zijn? Vorig jaar reisde journaliste Tine Hens door Europa, op zoek naar een antwoord op die vraag. Denen, Grieken, Britten of Portugezen, allemaal vertelden ze over een alternatieve economie, een nieuwe democratie en hun ‘klein verzet’. Dat is ook meteen de titel van Hens’ nieuwe boek dat vandaag verschijnt. DeWereldMorgen.be had een gesprek met de auteur.

Tine Hens (40) is historica en werkt als freelance journaliste voor Knack Focus. We spreken af in het Openbaar Entrepot voor de Kunsten (OPEK) in Leuven, waar ze volgende week haar tweede boekvoorstelling van Het klein verzet geeft. “Spannend”, lacht ze, toch wel wat zenuwachtig.

Haar enthousiasme is groot en net daarin schuilt haar boodschap. Als tiener was ze lid van de Jeugdbond voor Natuur en Milieu, maar daar heerste moedeloosheid: “We voerden actie, maar na een tijd geloofden we niet meer dat we iets konden veranderen. Er was altijd weer een ander probleem dat om aandacht schreeuwde.”

Breken met neerslachtigheid

Hens wil breken met de neerslachtigheid in de maatschappij: “Ook vandaag worden we ontmoedigd om te dromen en te geloven dat het beter of anders kan. ‘Er is geen alternatief’, klinkt het. Ik wil mensen net het gevoel geven van: ‘We kunnen het allemaal!’ Misschien ga je het resultaat van datgene waar je mee bezig bent niet merken, maar je moet het ook niet onmiddellijk groots zien. Als je alleen naar het grote doel in de verte kijkt, dan kan je niet anders dan ontgoocheld afhaken. Iets doen is belangrijker dan niets proberen. Hoe klein die daden ook zijn. Dat is wat ik wil vertellen, dat is mijn klein verzet.”

Groeigedachte loslaten

Op je reis door Europa bezocht je burgerinitiatieven die ingaan tegen het gangbare economische denken. Geloof je echt dat klein verzet een nieuwe wereld kan openen?

“We gaan er altijd vanuit dat grote veranderingen grote daden nodig hebben. Maar als je kijkt naar revoluties en evoluties in de geschiedenis, dan zijn de details minstens even belangrijk. Klein verzet gaat over die details. Bijvoorbeeld je fiets nemen in plaats van je auto, een ladder lenen in plaats van er een te kopen of gewoon je aardappelboer leren kennen. Zulke kleine handelingen en keuzes gaan in tegen het mainstream economisch denken.”

“Als je het hedendaagse discours mag geloven, is er maar één mogelijke werkelijkheid: die waarin economische groei allesbepalend is. Toch ben ik er sterk van overtuigd dat het bevrijdend is om die groeigedachte los te laten. We moeten niet voor méér gaan, maar voor beter.”

Langs de andere kant heeft die groeigedachte ons wel heel veel welvaart opgeleverd.

“De vraag is: welke prijs hebben we daarvoor betaald? Niet alleen hier in het Westen, maar zeker in het Zuiden. Het kapitalisme heeft veel kapot gemaakt. Denk maar aan de ecologische parameters die in het rood schieten. Maar er zijn bijvoorbeeld ook nog nooit zo veel burn-outs geweest. Dat zijn elementen die erop wijzen dat het huidige systeem op zijn einde loopt. In plaats van daaraan te sleutelen is het misschien interessanter om met iets anders te beginnen.”

“Er zijn al verschillende modellen voorhanden die een alternatief bieden op het kapitalisme. Dat gaat dan over de economie van ‘het goede leven’, waarbij de focus minder ligt op het egoïsme in ieder van ons en meer op samenwerken en delen van kennis en spullen. Mensen hebben er nood aan om samen te komen. Als je die krachten als basis van de economie neemt, dan krijg je een heel werkbaar, inclusief model. Die burgereconomie groeit van onderuit en is erg laagdrempelig. Iedereen kan deelnemen op zijn manier en de centrale vraag is: ‘Wat kunnen wij allemaal?’ Soms zijn dat stomme dingen zoals een fiets herstellen, maar net dat is verrijkend. Misschien is dat naïef, dromerig of utopisch. Maar ik ben een fan van utopieën.”

Burgerbewegingen

Enkele van die utopieën heb je in Griekenland gezien. In Thessaloniki beslisten de burgers bijvoorbeeld om het heft zelf in handen te nemen.

“Dat gebeurde daar uit pure noodzaak, want de crisis hakte er zo diep in dat veel mensen uit de boot vielen. Aan het begin van de crisis had je bijvoorbeeld de aardappelbeweging. De bedoeling was dat de boeren hun producten rechtstreeks aan de consument verkochten. Ik wilde een van hun marktjes bezoeken, maar er was een wet uitgevaardigd die het pop-up idee van een boerenmarkt verbood.”

“Als antwoord, en dat is waarnaar ik op zoek ben gegaan, hebben een aantal professoren uit Thessaloniki een coöperatieve supermarkt opgericht. Daarmee geven ze de boeren een officiële plek om hun producten aan te bieden. De kracht en de vindingrijkheid van al die mensen heeft me dikwijls ontroerd.”

“Thessaloniki is een stad van beton en asfalt, je hebt er nauwelijks groen. Maar dan heb je Perka, een burgercollectief dat verlaten militaire domeinen tot groententuinen omtovert. Dat waren verharde, onbruikbare terreinen, maar toch hebben een aantal burgers doorgezet en zijn ze stenen uit de grond beginnen te halen. Nu kweken ze er hun eigen tomaten en aubergines en bewaren ze er hun eigen zaden.”

Voedsel als begin

Bij het lezen van je boek viel het me op dat alles bij voedsel begint. De moestuinen rond het oude Crystal Palace in Londen, de supermarkt in Thessaloniki. Stopt het verhaal daar of gaat het nog verder?

“Het is een domino-effect. Vaak begint het bij eten en deint het verder uit naar bijvoorbeeld een grasmachine delen. Dat kan met je buurman, maar ook via websites als peerby. Vervolgens zijn er mensen die zelf hun elektriciteitsproductie in handen nemen.”

“In Hamburg bijvoorbeeld hopen een aantal bewoners van de Altonawijk een oude bunker om te bouwen tot een energiecentrale. Daarnaast willen ze aan de andere kant van de bunker een centrum voor een nieuwe economie bouwen, met ruilinitiatieven en herstelateliers. Het project is er nog lang niet en het is ook niet zeker of het er ooit zal komen. Maar er is rond die grote, lelijke bunker een dynamiek ontstaan. Mensen komen er samen, leren elkaar kennen en wisselen nu al spullen, talenten of kennis uit.”

Zulke initiatieven ontstaan dus niet alleen in Zuid- Europa. Ik zag dat jullie in de gemeente waar je woont ook een repair café organiseren en een geefwinkel hebben geopend.

“Het zijn initiatieven van Transitie Herent, een groepje burgers dat een praktisch antwoord probeert te vinden op de klimaatopwarming en op het besef dat de overgebleven fossiele brandstoffen maar beter in de grond blijven. De nadruk ligt daarbij op kleine acties in de buurt en de lokale economie. Dankzij die acties leer je mensen op een andere manier kennen. De geefwinkel is zo’n plek van ontmoetingen van verschillende sociale lagen, die elkaar in onze samenleving niet vaak meer ontmoeten.”

Onzichtbaar maar overal aanwezig

Je schrijft dat je thuis kwam van je reis met nieuwe moed en frisse ideeën, maar dat de resultaten van de federale verkiezingen een heel ander beeld opwierpen. Zijn het dan niet slechts een paar enkelingen die alternatieve paden willen bewandelen?

“Het is soms niet zichtbaar, maar het zit overal wel een beetje. Ik zag op een bepaald moment mijn omgeving veranderen. Mensen die voordien helemaal niet met ecologie bezig waren, vonden plots dat het zo niet verder kon. Er is een veelheid aan projecten en initiatieven van mensen die het anders willen doen. Ik was verbaasd en blij verrast om dat ook in de rest van Europa te zien.”

“Er ontstaan enerzijds kleinschalige burgerinitiatieven rond voedsel en energie, maar je vindt ook mensen die een hele industrietak willen hertekenen. De Nederlandse architect Thomas Rau bijvoorbeeld zit in de reguliere economische omgeving, maar van daaruit beïnvloedt hij zijn leveranciers. Zo vraagt hij geen lampen aan Philips, maar licht. Rau huurt de lampen, maar Philips blijft verantwoordelijk voor zijn product. De producent heeft er dan ook alles bij te winnen om zijn product zo te maken dat het volledig hergebruikt kan worden. Op die manier probeert Rau de circulaire economie te versterken.”

Meer informatie over Het klein verzet en de boekvoorstellingen vindt u op de website van uitgeverij EPO.

Evelien Verstraeten

Een nieuw verhaal voor links

eerst gepubliceerd in de Wereld Morgen

Links heeft een nieuw, optimistisch verhaal nodig. Het oude werkt niet meer. Welbeschouwd speelt de arbeidersbeweging al minstens drie decennia in verdediging. Met dit defensieve spel verliest ze de ene match na de andere. Als het roer niet snel wordt omgegooid, dreigt de degradatie, of erger. Een heroriëntatie naar nieuwe burgerinitiatieven en -bewegingen dringt zich op.

Het blijft nog wachten op de slaagkansen van de hervormingen in Griekenland en het effect ervan op de rest van Europa, maar tot nu toe is sociale afbraak overal de boodschap. Vaste jobs worden schaarser, studeren duurder, de ongelijkheid neemt toe, solidariteitsmechanismen gaan op de schop, de natuur gaat om zeep en het klimaat slaat op hol.

En er zijn geen sociale zekerheden meer. Leuke tijd om in op te groeien. Jongeren krijgen een negatief sociaal contract aangeboden, en velen concluderen dat de vorige generatie alles heeft opgebrast. Soylent Green, een sciencefictionfilm uit de begin jaren zeventig waarin 65-plussers tot groene koekjes worden verwerkt, komt achter het hoekje gluren.

Destructieve creatie

De creatieve destructie van Schumpeter heeft plaats geruimd voor destructieve creatie. Binnen twintig jaar zullen robots tot 50% van de huidige jobs in België hebben overgenomen. Op zich een leuk vooruitzicht, ware het niet dat alle winst naar de eigenaars van de robotten gaat. Met de automatisering kalft het salariaat zienderogen af. Het vaste arbeidscontract moet wijken voor precaire statuten van freelancers en zzp-ers (zelfstandigen zonder personeel), vandaag al goed voor een derde (tegen 2020 de helft) van de Amerikaanse werkers.

In Nederland, altijd een stapje “voorop”, is dit al een op vier. Velen vinden hun autonomie een pluspunt, maar ze hossen wel zonder sociale bescherming van de ene tijdelijke opdracht naar de andere. Permanent. Ze vallen naast het sociale vangnet van de overheid en kunnen een privéverzekering niet betalen Daarom vonden ze de broodfondsen uit, solidariteitsfondsen van ongeveer 150 man die maandelijks 25 euro in een pot leggen en bij ziekte een uitkering krijgen van 750 euro. Het is de hergeboorte van de negentiende-eeuwse mutualiteiten.

Klusjes en bullshit jobs

Daarnaast groeit het leger dat met de eigen auto taxichauffeur speelt voor Uber, een kamer op overschot verhuurt via Airbnb of (bij)klust voor een habbekrats via Taskrabbit of Mechanical Turk. Denk niet dat het gaat om onkruid wieden of de hond uitlaten: in de VS heb je al platforms voor dokters (Health Tap) en advocaten (Upcounsel).

Voor velen bieden deze platforms nog altijd een leuke bijverdienste, maar steeds meer mensen worden ervan afhankelijk om te overleven. Oorspronkelijk hadden veel platforms een sociale doelstelling: delen tegen kostprijs of zelfs gratis. Maar ze worden zienderogen gekaapt door beleggers die alleen maar uit zijn op financieel gewin. Met hun geld breiden de platforms uit en worden ze professioneler, maar de sociale logica moet wijken voor de winstlogica.

Durfkapitalisten (ze hebben hun naam niet gestolen) hebben een flink deel van de ontluikende deeleconomie gekaapt. De term had oorspronkelijk vooral betrekking op het delen (sharing) van gemeenschappelijke dingen (auto’s, boren, tuinen..) wat zowel het milieu als het sociale weefsel ten goede komt. Gelukkig bestaan er nog altijd heel wat deelplatformen waar de nadruk blijft liggen op dat laatste.

Maar dat geldt al lang niet meer voor de Airbnb’s en Ubers van deze wereld. Airbnb investeert niet in hotels, Uber niet in taxi’s. Het zijn slechts platforms die vraag en aanbod samenbrengen, maar wel met een steeds groter stuk van de koek gaan lopen. Voor jonge mensen die af en toe hun appartement verhuren aan toeristen (en dan tijdelijk bij hun ouders of vrienden logeren), biedt Airbnb een mooi extraatje. Maar als je voor je hele inkomen afhankelijk bent van dergelijke platforms, krijg je al gauw een moderne vorm van feodalisme. “Vazaleconomie” zou misschien een beter woord zijn. Op de keper beschouwd, hebben we hier te maken met een parasitair systeem van de ergste soort.

Basisinkomen

Vandaag verdien je vooral geld met geld (rente), eigendom (aandelen en obligaties) en controle over netwerken via intellectueel eigendom en marketing. Immateriële zaken dus, waarvan de waarde eigenlijk “politiek” bepaald wordt. Volgens Roland Duchatelet is in België maar 7% van de bevolking meer betrokken bij de productie van voedsel en materiële goederen. De rest zijn diensten, vaak verpakt in wat de Amerikaanse antropoloog en anarchist David Graeber “bullshit jobs” noemt: banen waarvan de betrokkenen zelf vinden dat ze eigenlijk overbodig zijn. Winsten vallen steeds minder te rapen in de productie, die grotendeels naar het zuiden is verhuist waar arbeid in overvoed en dus goedkoop is.

Onlangs kwam Rutger Bregman daarover vertellen in Reyers Laat. De Nederlandse golden boy verdedigde er op speelse wijze een andere visie op arbeid die hij koppelde aan een onvoorwaardelijk basisinkomen. Zijn standpunt botste op ongeloof bij een oogbolrollende Liesbeth Homans die zich – mondhoeken richting studiovloer – afvroeg wie dit ging betalen. Rutger Bregman repliceerde gevat dat de minister er negentiende-eeuwse opvattingen op nahield. In onze samenleving bestaan andere herverdelingsmechanismen dan via de overheid.

Er stroomt inderdaad heel wat geld naar boven, naar mensen met “bullshitjobs” die in wezen geen bijdrage leveren tot de reële economie en zelfs welvaart vernietigen. Spreekt er eigenlijk nog iemand over de bankencrisis? Nee, natuurlijk niet. De Islam, ja. En 60-plussers die op hun gat in Benidorm profiteren. Activeren dat zootje!

Rutger Bregman noemt zich liberaal in hart en nieren. Hij gelooft in meritocratie en vindt dat mensen moeten bijdragen voor hun geld. Een basisinkomen is daar niet mee in contradictie omdat dit juist de mogelijkheid biedt om te doen wat je graag doet en waar je het best in bent. Iedereen profiteert daarbij, de maatschappij al zeker. Mensen met minder prettige en zware beroepen zouden juist meer moeten verdienen. Daar kan “de wortel en de stok” nog spelen. Allemaal interessante denkpistes waar ik het in de grond mee eens ben. Alleen hebben we een transitieprogramma nodig dat steunt op een nieuw paradigma, want binnen het oude zie ik het niet gebeuren.

Peer-productie en het gemeengoed

We moeten inderdaad anders gaan aankijken tegen arbeid, maar hoe? Welk werk bedoelen we? Spreken we over loonarbeid, of nuttige bijdragen aan gemeengoed projecten, die tot nu toe meestal onbetaald blijven? Hoe komen we tot een systeem waarin mensen meer beloond worden naar werk (en minder naar bezit), maar met sterke ingebouwde solidariteitsmechanismen die de zwakkeren de nodige bescherming bieden? We bevinden ons immers voor de volgende paradox.

Onze welvaartsstaat steunt op solidariteitsmechanismen die werden uitgevonden, uitgebouwd en uiteindelijk via de staat veralgemeend door de arbeidersbeweging (mutualiteiten, pensioenkassen, werkloosheidskassen). Overal in Europa wordt dit stelsel afgebouwd. Maar dit is maar één zijde van de medaille. De andere blijft tot nu toe onderbelicht.

In de afgelopen twintig jaar zijn we immers ook getuige van een nieuw ontluikend economisch systeem dat een andere logica volgt. Dit systeem wordt aangedreven door het internet dat horizontale communicatie en collaboratie mogelijk maakt tegen zeer lage kostprijs. Daardoor kunnen steeds meer zaken beter en goedkoper geregeld worden via samenwerkingsplatformen dan via traditionele organisaties. Burgers bouwen samen software, kennis en ontwerpen.

Met meer dan 30.000 open-hardwareprojecten, van auto’s over landbouwmachines tot robotten en satellieten zien we dat de logica van delen en produceren via het internet zich ook doorzet in het productieproces. Na de miniaturisering van de computer zijn vandaag de machines aan de beurt. Het delen en kopiëren van digitale muziek, software, film, design, kennis… op het internet vloeit over naar het delen van infrastructuur in fablabs, co-working-, hackers- en makerspaces.

Helaas bestaan er nog geen uitgewerkte studies om al die nieuwe ontwikkelingen in kaart te brengen, maar in Barcelona groeide het aantal co-workingspaces van 3 naar 50 in drie jaar tijd, in Wenen was er drie jaar geleden één hackerspace, vandaag zijn er vijftien, in de VS groeide stadslandbouw door (hoofdzakelijk) collectieve groepen met 48% in twee jaar tijd… De laatste tien jaar groeit het aantal burgerinitiatieven als kool, zoals te zien is in een recente studie van Tine de Moor. Ook de coöperatieve beweging zit in de lift: vandaag werken meer mensen voor coöperatieven dan voor multinationals.

Naar een nieuw model rond de commons

Maar de belangrijkste revolutionaire verandering is volgens mij de opkomst van digitaal gemeengoed: globale, complexe projecten rond open kennis, software en design, die voor iedereen vrij beschikbaar is. Rond dit nieuw gemeengoed groeit een nieuwe economie van freelancers en allerhande bedrijven die deze “commons” als grondstof gebruiken voor het maken van producten en diensten met toegevoegde waarde.

Het gebruik van open software door bedrijven (denk aan IBM en Linux) is vrij bekend, maar nieuw is toch de snelle opkomst van allerhande open-hardwareprojecten. Het idee is eenvoudig: alles dat gemaakt wordt, moet eerst geconcipieerd worden. In klassieke bedrijven wordt die kennis beschermd door patenten. Die zijn bedoeld om innovatie te stimuleren omdat bedrijven hun onderzoekskosten willen recupereren. Maar in de praktijk zijn ze uitgegroeid tot innovatieremmers die patenthouders zolang mogelijk monopoliewinsten bezorgen.

Niet zo bij open hardware: iedereen kan de concepten verbeteren en iedereen kan ze downloaden. Met de nodige machines, eventueel gedeeld in een fablab, kan een doe-het-zelver het product zelf maken. Soms kan je een pakket onderdelen (vaak vervaardigd met 3D-printers) kopen en ze als een meubel van Ikea zelf ineen steken, of je kan het afgewerkte product kopen bij een open hardwarebedrijf. Deze laatste wint dan wel niks op het intellectueel eigendom, aangezien het ontwerp vrij beschikbaar is, maar wordt wel vergoed voor zijn arbeid. Loon naar werk dus.

Open-hardwarebedrijven zijn vaak starters die een klassieke bedrijfsvorm aannemen en voor hun financiering een beroep doen op crowdfunding en durfkapitalisten. Maar niets belet jonge ondernemers om een coöperatieve op te richten, een bedrijfsvorm die veel beter aansluit bij de praktijk van vrije bijdragen aan een gemeengoed en de deelcultuur in de virtuele wereld.

Als die productiecoöperatieven zich dan nog eens met elkaar zouden verbinden in een wereldwijd netwerk rond het open-designgemeengoed, dan krijg je een soort van gedistribueerde multinational die in staat is het klassieke model te verslaan omdat ze efficiënter en goedkoper kan werken. Als je ten slotte ook de boekhouding en aanvoerketen van die coöperatieven open en transparant maakt en alle stakeholders betrekt, dan kom je tot een nieuw economisch model dat zowel de markt als de klassieke planeconomie in de schaduw stelt.

In dit verhaal moet de overheid het geweer van schouder veranderen en evolueren van betuttelende marktstaat naar faciliterende partnerstaat: een overheid die burgerinitiatieven mogelijk maakt en stimuleert. Ook die evolutie is bezig, zij het vooral op plaatselijk vlak. Zo heeft Bologna onlangs een “reglement voor de commons” ingevoerd, die al door 25 andere gemeenten is overgenomen (Michel Bauwens en Dirk Holemans in Knack van 22/2/2015).

Burgers doen voorstellen aan de gemeente, bijvoorbeeld om hun wijk te verfraaien. Na overleg kan de gemeente middelen vrijmaken waarmee die burgers hun plannen zelf kunnen waarmaken. Dat vergt ook een ommekeer in het politieke denken, want de meeste politici willen zich vooral profileren rond wat zij doen voor de burger.

Utopisch? Misschien. Maar op microniveau wordt er al volop geëxperimenteerd en in theorie kunnen we ons vandaag voorstellen hoe dit model op macroniveau zou kunnen werken. Daarom kan het P2P-verhaal vandaag dezelfde rol spelen als het socialistisch verhaal in de negentiende eeuw. Ook toen waren er honderden en duizenden basisinitiatieven.

De arbeiders vochten niet alleen op hun werkplaats voor betere werkomstandigheden, maar creëerden ook machtige organisaties waarmee ze hun politieke stempel drukten op de twintigste eeuw. Maar hun macht kalft af. De productie is voor een groot deel verhuisd naar ontwikkelingslanden en hier proberen bedrijven de syndicale macht verder te breken, gisteren door outsourcing, vandaag door crowdsourcing.

Nieuw links

De erosie van de macht van de arbeidersbeweging weerspiegelt zich in een crisis van de sociaaldemocratie, die probeert afstand te nemen van de syndicale achterban om te kunnen verruimen (met bijzonder weinig succes), maar ook weinig aansluiting vindt bij de nieuwe bewegingen en de vele initiatieven die opborrelen vanuit de civiele maatschappij.

De nieuwe progressieve formaties in Griekenland en Spanje knopen daar wel bij aan. Het is zeer significant dat Gianni Dragasakis, de nieuwe vicepremier van de Syriza-regering in Griekenland, in zijn parlementstoespraak expliciet verwees naar het ontwikkelen van bottom-up, op gemeengoed gebaseerde peerproductiemodellen om tegemoet te komen aan de noden van de Griekse bevolking.

Dr. Vasilis Kostakis, medewerker van de P2P Foundation en samen met Michel Bauwens auteur van het boek Network Society and Future Scenarios for a Collaborative Economy, schrijft: “Het lijkt erop dat Syriza een politiek nastreeft die in de lijn ligt van het idee van de “partnerstaat” en dat op het vlak van onderwijs, overheidsbeleid en R&D. Om er een paar te vernoemen:

– Het vrijgeven van openbare data
– Het vrijgeven van alles kennis die gefinancierd wordt met belastingsgeld
– Het creëren van een omgeving die samenwerking stimuleert tussen kleine ondernemers en coöperatieven, waarbij initiatieven die steunen op open-source-technologieën en -praktijken worden aangemoedigd
– Het ontwikkelen van bepaalde participatieve processen (en het versterken van de bestaande) om burgers te betrekken bij het beleid
– Het aannemen van open standaarden en patronen voor openbare diensten en onderwijs.

Het is bij mijn weten voor de eerste keer dat een Europese regering expliciet een politiek verdedigt die aansluit bij de nieuwe economische logica in wording. Onafhankelijk van de manier waarop in België deze nieuwe politiek gestalte zal krijgen, ben ik hoopvol dat er een progressieve meerderheid kan gevonden worden rond de kernideeën van de nieuwe p2p-logica: de creatie van een nieuwe economie van ethische bedrijven rond collectief gecreëerd gemeengoed, of in de woorden van Jeremy Rifkin, commons-based peer production. Daarbij kan elke politieke partij haar eigen klemtonen leggen: duurzaamheid, sociaal ondernemerschap, solidariteit.

Maar niet alleen de rechtse partijen, ook de vakbonden en de sociaaldemocratie zijn in mijn ogen nog te veel gericht op het verdedigen van het oude systeem dat steunt op arbeid en kapitaal. Veel verder dan een vermogenswinstbelasting komt men niet.

Ik denk echter dat de ommekeer zich niet kan realiseren via een loutere herverdeling binnen het oude systeem, als dit niet gekoppeld wordt aan een heroriëntatie naar het nieuwe systeem. Dit is nu eenmaal nodig om de traditionele links-rechtsverhouding te overstijgen en een zo groot mogelijke politieke meerderheid te verwerven om een begeleide, vreedzame transitie mogelijk te maken.

Jean Lievens

Lars Moratis: “De deeleconomie is niet vanzelf duurzaam”

Uittreksel – Het volledige artikel gepubliceerd op 17/12/2014 op Down to Earth, het platform voor groene journalistiek en opinie. Een initiatief van Milieudefensie.

De opkomst van de deeleconomie betekent niet per se dat we groener gaan leven en socialer met elkaar omgaan, zegt MVO-expert Lars Moratis. Critici noemen het terecht een innovatie van het kapitalisme.

(…)

“Vroeger leende je nog wel eens de auto van je buurman, nu moet je er voor betalen”
Dat klinkt mooi en als het inderdaad ertoe leidt dat we onze huizen, auto’s, gereedschappen, maaltijden en de zorg met elkaar gaan delen, dan is dat ook mooi. Maar je ziet nu ook het omgekeerde gebeuren en juist marktnormen hun intrede doen in de sharing space: vroeger leende je nog wel eens de auto van je buurman, nu moet je er voor betalen.”

“De corporate stories van Airbnb en Uber staan bol van de retoriek over gemeenschapszin, idealen en duurzaamheid. Uit onderzoek bij de Amerikaanse autodeelsite Zippcar blijkt bijvoorbeeld dat autodelers duurzaamheidsargumenten nauwelijks een rol spelen. Ze hechten vooral aan autonomie en vrijheid, aan gemak en materiële waarde. De deelauto is voor hen een kostenefficiënte oplossing. Het gaat hen niet om gemeenschapsgevoel, maar in eerste instantie om markttransacties gebaseerd op prijs en beschikbaarheid.

Daarbij is Airbnb al meer waard dan een aantal gerespecteerde hotelketens en bestaat ongeveer de helft van haar deelnemers uit commerciële verhuurders die gewoon geld verdienen aan de verhuur van kamers. Taxidienst Uber is inmiddels 30 miljard euro waard en dit wordt wekelijks meer. Ziehier de volgende zeepbel….. Critici zeggen daarom terecht dat deze deeleconomie evengoed kan worden gezien als een innovatie van het kapitalisme dat tegen zijn grenzen aanloopt en nieuwe productiemethoden en afzetmarkten zoekt.”

(…)

“3D-printers maken het mogelijk om zelf te produceren. Die zijn nog prijzig, maar je kunt je voorstellen dat bedrijven die beschikbaar stellen of dat je deze met een groep mensen of via een coöperatie aanschaft. Dan bezit je gezamenlijk de productiemiddelen.”

Michel Bauwens: ‘We hebben een digitale sociaaldemocratie nodig’

Originele link: Château d’ Ampsin – Jan de Zutter

Hij woont nog steeds in Thailand, maar dat is een kwestie van tijd. Cyberfilosoof en peer-to-peer activist Michel Bauwens keert zeker terug naar Europa. “Azië heeft een op status gebaseerde consumptiecultuur die puur het liberale model volgt. Alles is er te koop. In Zuid-Amerika gebeurt er zoveel meer. Voor elke procent groei in het bbp heb je er, in vergelijking met Azië, vier keer minder armoede. Dat heeft te maken met de herverdelingspolitiek van linkse regeringen. In Europa zit echter de sociologische basis van peer-to-peer: de kenniswerkers. De crisis is hier ook een stuk erger. Er is een overschot aan precaire jongeren met veel kennis die werken aan het gemeengoed. De vraag naar informatie over peer-to-peer is hier enorm. Daarom is een nieuwe economie mogelijk in Europa.”

Jan de Zutter

Straks geeft hij een lezing en dat zal ongeveer de zesde activiteit zijn van die dag. Michel Bauwens (1958) heeft het druk, nu hij overal ter wereld gevraagd wordt omwille van zijn visie op een nieuw economisch model dat in de steigers staat, hoewel de meeste mensen dat nog niet echt merken. Bauwens is de oprichter van de Peer-to-Peer (P2P) Foundation, een netwerk van onderzoekers en activisten die de transitie naar een open, participatieve en op ‘commons’ gebaseerde economie bestuderen én ontwikkelen. Commons zijn ‘gemeenschappelijke eigendommen’ van een gemeenschap (hierna ‘gemeengoed’) en kunnen dus niet in private handen zijn. Het kan gaan om grondgebied dat door iedereen gebruikt en bewerkt mag worden, maar het kunnen ook culturele goederen zijn zoals literatuur of informatie. “Peer-to-peer heeft altijd bestaan,” zegt Bauwens. “Het kapitalisme heeft het gemeengoed willen afbreken, waardoor we het hier bijna niet meer vinden. Nu we digitaal gemeengoed kunnen maken, verandert dat stilaan. Dankzij internet en netwerktechnologieën is het makkelijker om samen globale projecten te organiseren. Het gemeengoed komt daardoor opnieuw in de maatschappij. Het creëert een nieuwe manier van denken.”

Bauwens belandde omwille van zijn werk in de top 100 van de wereldwijde ‘(En)Rich List’, die de meest inspirerende persoonlijkheden op het gebied van duurzaamheid in kaart brengt. Hij werd onder meer door de Ecuadoraanse regering gevraagd een model te ontwikkelen dat de economie van het land volledig kan hertekenen, gebaseerd op principes van open kennis en participatie. “In een peer-to-peer economie werken mensen samen aan een gemeengoed,” zegt Bauwens, “in tegenstelling tot een kapitalistische economie waar personen met elkaar goederen of ideeën uitwisselen. In een peer-to-peer economie worden sommigen betaald voor hun werk, anderen dan weer niet. Het is geen arbeid in de klassieke zin. Als een gemeengoed digitaal is, is het per definitie niet schaars. Je kan het gratis reproduceren. Er is geen spanning tussen vraag en aanbod. Het is dus geen marktproduct, maar rond de toegevoegde waarde van dat gemeengoed – dat niet in overvloed aanwezig is – kan je wel een economie creëren: het aanleren van het gebruiken en het installeren van die toepassingen, het ontwikkelen van nieuwe software, het integreren van die systemen, de strategieën errond, enzovoort. Het gaat om een andere economische visie dan de huidige die van alles een commodity maakt. Dat is misschien allemaal wat theoretisch, dus daarom geef ik een voorbeeld. De Verenigde Staten hebben geografische informatie vrijgegeven
als gemeengoed. Doordat iedereen die kaarten kan gebruiken – met apps, geolocation en andere toepassingen – is de economie er op dat vlak een stuk democratischer geworden. Een gemeengoed kan dus ook productief zijn. In Europa schermt elke natiestaat zijn eigen geografische informatiedatabank af. De staat investeert, wil daar iets van recupereren en geeft dus aan slechts een handvol bedrijven – zoals TomTom – een licentie. Kleine economieën komen zo in handen
van een paar monopolistische bedrijven.”

De Amerikaanse econoom Jeremy Rifkin stelt dat dit soort economie binnen dertig jaar groter zal zijn dan de kapitalistische economie. Maar is ze complementair met die harde kapitalistische economie?

“Je moet het zien als een omkering: binnen de huidige markteconomie ontstaan nieuwe gemeengoederen. Vandaag nog wat periferisch als een subsysteem van de kapitalistische markt, maar stilaan verdrijven ze andere markten: Wikipedia vernietigt de Encyclopedia Britannica; elk miljoen dollar in vrije software vernietigt 64 miljoen dollar in privésoftware; een bedrijf met 400 werknemers kan op termijn niet op tegen een of meerdere netwerkbedrijven van 40 mensen met toegang tot 40.000 ontwikkelaars. Rifkin heeft gelijk: je krijgt een graduele verplaatsing van bestaande economische modellen naar gemeengoedmodellen. Bedrijven verzetten zich daar natuurlijk fel tegen. Neem nu breedband. Telecombedrijven stellen dikwijls dat de netneutraliteit moet worden afgeschaft, omdat Google en Facebook er gratis gebruik van maken en er winst mee maken. Netneutraliteit garandeert nu een open toegang tot het internet, terwijl sommige providers gebruikers er differentieel voor willen laten betalen. Mensen in de vrije media zijn natuurlijk tegen het afschaffen van netneutraliteit. Maar dat is een vals debat. Want in België ligt de Fiber, de glasvezelkabel, klaar die gigantische hoeveelheden informatie kan verwerken: naast de auto- en spoorwegen, naast de ring rond Antwerpen. Kapitalisme werkt volgens een schaarste-engineeringmechanisme: bedrijven houden artificiële schaarste in stand.
Ze willen de informatiestromen op het internet ook ‘schaars’ kunnen houden. Op die manier krijg je een kapitalisme dat tegen innovatie en vooruitgang is.”

Ook patenten zijn een blok aan het been van een peer-to-peer economie. Moeten we die afschaffen?

“Ze moeten niet worden afgeschaft, maar wel drastisch teruggeschroefd naar vijf jaar in plaats van twintig jaar nu. Patenten hebben een vertragend effect op innovatie. Studies wijzen erop dat de voordelen ervan na vijf jaar verdwijnen. Daarna zit je met grote bedrijven die patenten exclusief gebruiken om innovatie van concurrenten via de rechtbank tegen te gaan. Ook het copyright moeten we terugschroeven naar 14 jaar; zoals in de jaren 1930. Waarom moet copyright 95 jaar gelden? Die auteurs zijn dan al lang dood; je kan hen toch niet meer vergoeden. Het is pure monopolisering. Het hedendaags neoliberaal kapitalisme is een rentesysteem. Het extraheert rente zonder productiviteit. Vandaag kan je weinig winst maken met productie, maar des te meer door de controle over netwerken en intellectuele eigendommen. Na de crisis van 2008 hadden we het systeem grondig moeten hervormen, zoals met de New Deal is gebeurd na de crisis van de jaren 1920. We brachten echter enkel kleine cosmetische
ingrepen aan. De basis van het systeem is nog altijd dezelfde.”

Onze industriële samenleving is opgebouwd rond grootschalige projecten, terwijl peer-to-peer eerder kleinschaligheid koestert. Kan je via peer-to-peer bijvoorbeeld een staalfabriek uit de grond stampen?

Michel Bauwens 5“Zeer zeker. Opnieuw nemen we de Verenigde Staten als voorbeeld. De staalindustrie is er niet meer zoals vroeger. Vandaag maken veel kleine bedrijven van 50 à 200 man er staal. Dat is weliswaar geen peer-to-peer model, maar wel anders dan ons model waar grote bedrijven duizenden werknemers tewerkstellen. Ook voor de autoassemblage zitten we in een transitie met twee modellen: een model waar in grote fabrieken veel arbeiders en machines een groot aantal auto’s maken die moeten worden verscheept; en een ander model waar een auto lokaal via open design wordt ontwikkeld door ambachtslui, in lokale microfabrieken wordt gemaakt met een 3D-printer. In het oude model, an economy of scale, moet je steeds meer dingen maken om de kost per eenheid naar beneden te drukken. Je hebt steeds meer energie en materiaal nodig om competitief te zijn. In het peer-to-peer model, volgens de logica van an economy of scope, doen we meer met hetzelfde. Je gebruikt kennis uit de hele wereld om lokaal iets te ontwikkelen. Studies wijzen uit dat driekwart van de kost van productie transport is. De dag dat de olie 400 dollar per vat kost, werkt dat oude model niet meer. Dan wordt de
economy of scope belangrijker dan de economy of scale.”

Vandaag kan je met competitieve kennis veel geld verdienen. Waar zit het verdienmodel in die nieuwe economie?

“Nu hebben we een sociaal onrechtvaardig systeem van the winner takes it all. De meerderheid werkt hard; slechts enkelingen gaan met 90 procent van de inkomsten lopen. In een economie met kennisgemeengoed krijg je een reputatie: hoe beter je wordt, hoe meer je zal bijdragen tot het gemeengoed, hoe hoger jouw reputatie.”

Daarmee ligt er nog geen brood op de plank.

“Jawel, want je kan dat verzilveren op de markt. Het gemeengoed werkt samen met de markt. Zo werd er door een groot IT-bedrijf dat in Duitsland wou rekruteren een ranking opgemaakt van softwareontwikkelaars die werken via GitHub, een site waar open softwareontwikkelaars hun vrije code deponeren. Men keek naar wie de beste kwaliteit leverde én het grootste netwerk kon ontwikkelen. De beste ontwikkelaars konden aan de slag bij Google. Zo wisten ze hun werk in een peer-to-peer omgeving te verzilveren. In deze procedure kwamen er geen cv’s of portfolio aan te pas. Het ging enkel over een directe analyse van de kwaliteit van hun werk in een open source gemeengoed en over de opgebouwde reputatie.”

Zijn er schattingen om de impact van de peer-to-peer economie te meten?

“Volgens het rapport ‘Fair Use in the US Economy’ uit 2010 bedraagt de hele economie rond gedeelde kennis met 17 miljoen werkers één zesde van het Amerikaanse bbp. Dat is toch al behoorlijk wat.”

Nieuwe fenomenen als Uber of Airbnb zijn uitgegroeid tot volwaardige spelers op de arbeidsmarkt. Ze zetten traditionele tewerkstelling onder druk en zorgen daarmee voor oneerlijke concurrentie en sociale dumping is de kritiek.

“Net daarom hebben we een digitale sociaaldemocratie nodig. De arbeidersbeweging van de 19de eeuw ontstond doordat van hun land verjaagde boeren zonder bezittingen in steden terechtkwamen. Gradueel bouwden die rechten op. Er ontstonden solidariteitsmechanismen, die de welvaartsstaat nadien voor iedereen veralgemeende. Vandaag worden opnieuw heel wat mensen verjaagd: uit arbeid deze keer. Denk aan freelancers. Ze verliezen hun job, maar blijven wel gemeengoed opbouwen en doorwerken, zodat ze nadien gemakkelijker terug kunnen naar de arbeidsmarkt. We kunnen niet ontkennen dat er geen probleem bestaat met het gemeengoed. Veel jonge journalisten schreven gratis op de weblog The Huffington Post om hun reputatie op te bouwen, maar bij de verkoop ervan heeft niemand daar een dollar van gezien, behalve oprichtster Arianna Huffington. Het gemeengoed wordt uitgebuit.”

Ook Facebook is zo’n parasitair systeem. Zonder haar gebruikers is het een leeg platform; toch zijn de winsten exclusief voor de club rond Mark Zuckerberg.

“Stilaan komen we in een fase dat gemeenschappen daar oplossingen voor zoeken. In mijn P2P Foundation vertaalt een groep mensen gratis artikels over gemeengoed van het Engels naar het Spaans en omgekeerd. Dat wordt genoteerd in een pro bono boekhouding. Door bij te dragen aan het gemeengoed, bouwen ze een reputatie op. Als gevolg daarvan mochten twee van hen het nieuwe boek van David Bollier, Think like a commoner, vertalen. Je ziet onmiddellijk het probleem: tien mensen dragen bij aan de waarde van het gemeengoed en slechts twee profiteren van de markt. Dit Guerilla Translation collectief, dat deel uitmaakt van ons coöperatief netwerk, bouwde daarom een solidariteitsmechanisme op via een ‘open value accounting system’: 25 procent van die marktwaarde gaat naar die pro bono boekhouding om de andere bijdragers mee te vergoeden. In de toekomst kan de overheid dus ook een gemeengoed institutionaliseren om op die manier bijdragen tot het gemeengoed te vergoeden.”

Ook inzake regulering moet de overheid zich aanpassen aan de nieuwe realiteit. Kleine hotelletjes of taxidiensten worden overladen met regulering. Daar moeten Airbnb of Uber zich niets van aantrekken.

“Ik ben fel gekant tegen reguleringen die monopolies beschermen tegen innovatie, maar wel voorstander van een regulering tegen het misbruik van monopolies. Seoul, een ‘deelstad’, heeft Uber verboden. Niet om taxi’s te beschermen, wel om de eigen deeleconomie te beschermen tegen het Amerikaans monopolie van Uber. Dat is een goede zaak. Want een Uber-chauffeur heeft geen contact met de markt. Hij staat zwak tegenover zijn moederbedrijf; in San Francisco besliste Uber plots 20 procent minder te betalen voor dezelfde ritten. Daar moeten we voor oppassen. Anderzijds is de mutualisering van transport, in termen van duurzaamheid, natuurlijk wel een goede zaak. Elke deelwagen kan 15 privéwagens vervangen.
Als we dat systematisch zouden doen, kunnen we in het Westen in tijden van ecologische en economische crisis veel van onze welvaart beschermen.”

Hoe moet de 21ste eeuwse overheid er voor u dan uitzien?

“In het oude bureaucratische model produceert de staat een publieke dienst voor de gebruiker, waar diezelfde gebruiker geen enkele participatie in heeft. De dienstverlening kan goed of slecht zijn, ze is te nemen of te laten. Het kan anders. Ik geloof erg in het concept van de partnerstaat en in de commonificatie (nvdr., het transformeren tot coöperatief gedachtegoed) van publieke diensten. Neem nu de gezondheidszorg in Quebec. Daar zijn 98 procent van de nieuwe coöperaties solidariteitscoöperaties. Ook in de Emilia Romagna, Noord-Italië, bestaat het model van de solidariteitscoöperatie. Daar voorziet de staat fondsen, maar is de publieke gezondheid zelf in handen van de overheid, dokters, patiënten en gebruikers. Iedereen blijft het recht op gezondheidszorg behouden, maar ze wordt wel gecoproduceerd. De betrokkenheid en tevredenheid gingen er sterk omhoog. Over dat soort modellen moeten we nadenken. Het is geen kwestie van een zwakke of sterke staat, wel van een meer participatieve staat die de randvoorwaarden creëert om mensen zelf dingen te laten doen.”

Zoals de Furreai Kippu, een complementair muntsysteem in Japan. Als je er jouw bejaarde buurvrouw helpt, verdien je Furreai Kippu’s die je later zelf kan gebruiken om zorg te krijgen of die je kunt gebruiken voor de zorg voor jouw ouders.

“Dat is een mooi voorbeeld van een faciliterende overheid. We kunnen niet anders dan kritisch zijn over de overheid. Die functioneert vandaag niet meer naar behoren. Toen ik vijftien jaar geleden België verliet, reden de treinen nog op tijd. Nu ik even terug ben, doet bijna geen enkele trein dat meer. Het klassieke systeem staat op instorten. De staat is voor grote delen gecapteerd door de markt. De democratie wankelt. Een recente Amerikaanse studie vergeleek het stemgedrag van de volksvertegenwoordigers met de visie van haar kiezers én van haar financiers. Met de kiezers bleek er geen enkele correlatie te bestaan; met diegenen die hun verkiezingscampagne betaalden was er zo’n 85 procent correlatie. Onze democratie is dus een simulacrum geworden. Een partnerstaat kan die verdwenen participatie en democratie nieuw leven inblazen.”

In Nederland wordt de participatiestaat een trek-uw-plan-samenleving en ook in Vlaanderen zien we het discours van een terugtrekkende staat, waarbij van de bevolking verwacht wordt dat ze het zelf oplossen. Dat is wellicht niet het participatiemodel dat u bedoelt?

“Neen. We hebben dus een sterke linkse beweging nodig. Want er bestaat wel degelijk een contradictie tussen peer-to-peer en kapitalisme. Beiden hebben andere waarden. Het kapitalisme is niet het juiste systeem om van peer-to-peer gebruik te maken. Kijk naar crowdsourcing, waarin een organisatie gebruik maakt van een groep individuen voor consultancy, innovatie, beleidsvorming of onderzoek. Het idee an sich – dat iedereen kan bijdragen – is fantastisch. De realiteit is echter dat deze platformen met elkaar in concurrentie treden. Voor een project dienen
honderden mensen een design in, maar slechts twee mensen worden gekozen. De wereld van de arbeid betaalt een hoge prijs. Zo’n contradicties worden steeds groter.”

Hoe moeten we het peer-to-peer model dan wel inbedden in het huidige systeem?

“Ik pleit voor een gelijktijdige transformatie van een productieve, civiele maatschappij die bijdraagt aan het gemeengoed, een ethische markt en een partnerstaat. De drie moeten tegelijkertijd aangepakt worden om een nieuw evenwicht te vinden. Ik wil niets afschaffen. Alleen dat ze alle drie veranderen om de bloei van peer-to-peer op een sociaal rechtvaardige manier mogelijk maken.”

Wat is in zo’n nieuw model de rol van de vakbonden?

“Het voordeel van peer-to-peer is dat mensen passioneel een gemeengoed opbouwen, daarrond een economie creëren en daar inkomsten uit halen. De volle 100 procent van die mensen zijn gemotiveerd en zorgen voor hun eigen inkomen via open coöperaties. Je bent vrij en dus productief. Volgens het vakbondsmodel zijn vier op de vijf mensen niet gelukkig in hun job en werkt men om te overleven. Zolang dat de realiteit is, is het goed dat de vakbonden er zijn om de arbeiders te verdedigen. Ook Uber-chauffeurs zouden gesyndiceerd moeten worden. Maar het gezonde peer-to-peer model werkt anders. Ik zie in de toekomst nieuwe organisatiemodellen die wellicht iets gemeen zullen hebben met de ‘gilden’ van weleer. De Freelancers Union in de Verenigde Staten is daar een goed voorbeeld van”

In het peer-to-peer model mag je dan nog wel gepassioneerd bezig zijn, mensen bouwen er geen sociale rechten op, geen pensioenrechten, enzovoort.

“Klopt, maar je moet vertrekken vanuit de realiteit. Peer-to-peer vernietigt de bestaande jobs niet; het is de markt die steeds meer mensen uit de arbeid stoot. Je kan doen alsof dat niet gebeurt en dat oude model verdedigen, maar dan ben je louter defensief en dus verkeerd bezig. Vakbonden moeten meer doen voor freelancers. Ze moeten nadenken hoe die groep mensen zich kunnen verenigen, hoe ze voor hen solidariteitsmechanismen kunnen opbouwen. In Nederland bestaat het Broodfonds, een sociaal vangnet voor en door zelfstandigen. Veel mensen in de peer-to-peer economie maken er gebruik van. Men denkt er fel na over een andere manier van solidariteit. In die discussies zijn de vakbonden nergens te bekennen. Dat is jammer. Want het grote probleem van een peer-to-peer economie is inderdaad hoe zekerheid op te bouwen. Dat functioneert vooralsnog slecht.”

Zou dat geen rol kunnen zijn voor de sociaaldemocratie?

“Zeer zeker, maar ze doet dat hoegenaamd niet. De enige Vlaamse krant die niet over mijn boek De wereld redden (Uitgeverij Houtekiet & Denktank Oikos) schreef, was De Morgen. Dat is toch niet normaal? Dat betekent dat links veel te conservatief is, te veel aan oude modellen vasthangt terwijl de wereld aan het veranderen is. Op partijpolitiek niveau idem dito. Ik krijg uitnodigingen van CD&V, van Groen, van de Piratenpartij, van het Nederlandse Groenlinks… maar uit de hoek van de sp.a hoor ik niets. Dat is een probleem. Het betekent dat de sociaaldemocratie de draai niet vindt naar de nieuwe mentaliteit, naar de nieuwe jongeren, naar de kenniswerkers van de peer-to-peer economie.”

Wat moet de sociaaldemocratie dan doen om aansluiting te vinden?

“Ze moet aansluiting vinden bij de burgerbewegingen die zich met die zaken inlaten. Er zijn in Vlaanderen honderden verenigingen bezig met het heruitvinden van de voedselketen, van de energieketen, met co-working,… De jonge kennisarbeiders zijn de nieuwe arbeidersklasse. Er is geen andere arbeidersklasse meer in het Westen; die demografie gaat gestaag achteruit. Steeds minder mensen werken in de fysieke productie. De sociaaldemocratie is de partij geworden van de
overheidsambtenaren en van de bobo’s. Kijk opnieuw naar De Morgen. Onlangs stond ik in hun Zeno katern, maar de eerste vijf pagina’s gingen over Yves Desmet die meehielp in een driesterrenrestaurant van een of andere topchef, dat niemand kan betalen. De krant schrijft dus voor een elite. De overblijvende arbeiders stemden vroeger voor het Vlaams Blok, nu voor de N-VA. De sociaaldemocratie is volledig verkeerd bezig. De jonge kenniswerkers van vandaag worden aangetrokken door Groen, door de Piratenpartijen, door partijen als het Spaanse Podemos, het Griekse Syriza en de Italiaanse Vijfsterrenbeweging.”

Kan je dan geen begrip opbrengen voor klassieke partijen die bang zijn voor de vallende dominostenen in onze welvaartsstaat: eens je er een paar wegneemt, kan de hele boel ineen stuiken?

“Het is de taak van de politiek om te kijken naar alternatieven. Welke puzzelstukken ontbreken in de bestaande ecosystemen en hoe kunnen we als staat faciliteren om daar nieuwe evenwichten te vinden? We leven vandaag in een transitieperiode met twee economische modellen: een oud model dat nog altijd functioneert en een nieuw model dat ook al functioneert. Dat politici die pluraliteit erkennen, is voor mij al voldoende. Als je niet investeert in het nieuwe model, zit je in de penarie bij een crisis want dan zit je enkel nog met dat oude, onvolledige ecosysteem dat niet meer op zijn poten staat. Dat was het geval in 2008. Op dat moment kwam Rechts met haar plannen. Naomi Klein schreef in The Shock Doctrine (2007) over de opkomst van het rampenkapitalisme. Ze beschrijft hoe het neoliberalisme in tijden van crisis er zijn hervormingsprogramma’s doorduwde terwijl de mensen niet wisten wat er gebeurde. De crisis verlamde Links. Rechts had haar materiaal in de denktanks klaarliggen. Het kapitalisme zoekt altijd naar winst. Politiek gezien hebben ze die peer-to-peer systemen en participatiemodellen gebruikt als ideologie om de welvaartsstaat af te bouwen. Dat is jammer.”

Foto: Theo Beck

Een Open Brief van het Fair.Coop Team

vertaald door Bram Crevits

We willen je laten kennismaken met Fair.Coop, The Earth Cooperative voor een eerlijke economie.

Fair.Coop ishet meest recente project van Enric Duran, medestichter van de Cooperativa Integral Catalana. Eén van de belangrijkste doelstellingen van Fair.Coop is om te bouwen aan een nieuw globaal economisch systeem gebaseerd op coöperatie, ethiek, solidariteit en rechtvaardigheid in onze economische verhoudingen.

“Het is onze bedoeling om de transitie te maken naar een nieuwe wereld door economische en sociale ongelijkheid zoveel mogelijk te reduceren, en tegelijk bij te dragen tot een nieuwe globale rijkdom, voor iedereen toegankelijk als commons.”

Fair.Coop steunt op zelf-organisatie via het internet en blijft buiten de controle van natiestaten of overheden. Het combineert de aanbevelingen van de P2P Foundation rond open coöperativisme dat op commons gericht is, met een cryptomunt als transactiemiddel en geldreserve – Faircoin – zonder de beperkingen die eigen zijn aan Bitcoin. Faircon wordt verhandeld op de geldmarkten zoals elke andere cryptomunt of reguliere valuta. We willen een nieuw, gedecentraliseerd economisch systeem creëren: een metasysteem dat op een gedistribueerde manier onafhankelijke systemen ondersteunt, input geeft en verbindt. De handel in cryptomunten op de geldmarkten is de voorbije twee jaar snel toegenomen. Met het concept van Global South kunnen gemeenschappen zich wereldwijd profileren en elkaar ondersteunen. Het is tijd voor het waarmaken van een echt vernetwerkt mondiaal burgerschap. Het is tijd om de verandering waar te maken die van bovenaf niet wordt bereikt: een eerlijk economisch systeem.

Of korter gezegd, zoals we bij Fair.Coop zeggen, het punt is om de wisselmarkt te hacken door het inbrengen van het coöperatie-virus als middel voor wereldwijde economische rechtvaardigheid.

Het plan van Fair.Coop is om samen een beweging te maken en een wereld te bouwen gebaseerd op de volgende principes:

• Herverdeling en economische uitwisseling tussen gelijken
• Open politieke participatie
• Decentralisatie als de organisatiemodel
• Productie van commons
• Delen en verspreiden van open kennis

Fair.Coop heeft een systeem ontwikkeld om deze doelen te bereiken, met daarin noodzakelijke elementen om te bouwen aan een nieuwe economie. Eén daarvan is Faircoin, zoals hierboven reeds vermeld. Maar ook Faircredit, een wereldwijd onderling kredietsysteem als middel om goederen en diensten uit te wisselen, ondersteund door Faircoin. En daarnaast Fairfunds, Fairsavings, Fairmarket, Fairbag en Coopfunding. Alles in detail vind je hier.

Een sleuteldomein voor FairCoop is communicatie en vernetwerking te faciliteren en te ondersteunen tussen alle mogelijke projecten die creëren of produceren onder de Open Source principes.
We willen verbindingen leggen tussen groepen die zich engageren voor het algemeen belang. Vooral ook om te leren samenwerken, meer specifiek rond de immateriële aspecten (kennis, design, context) van dit soort materiële creatie. Daarnaast willen we peer-productie ondersteunen om bij te dragen tot de commons. We doen dit door samenwerking met groepen en gemeenschappen voor wie dit opzet een voordeel kan opleveren, hetzij als middel of grondstof voor hun eigen productie, hetzij voor hun directe consumptie.

We geloven dat het ook voor jou interessant is om je te verbinden met Fair.Coop, aangezien we gemeenschappelijke doelen en idealen hebben op het vlak van coöperatie, solidariteit en open productie. En we nodigen je uit om met ons mee te werken aan een gemeenschappelijk doel: een nieuw mondiaal economisch systeem, gebaseerd op globale rechtvaardigheid. We komen allemaal uit verschillende collectieven en organisaties die alternatieven creëren, maar soms zien we onszelf vastzitten in deze transitie, steeds geconfronteerd met nieuws over een gebrek aan recht in de wereld. Als we willen bouwen aan een alternatief economisch systeem dat rechtvaardig is voor alle mensen, dan moeten we er ons ten eerste van bewust zijn dat we niet alleen staan. Anderen zijn op een andere plaats hetzelfde aan het doen. Het is door dit in te zien dat we ook beseffen dat dit alternatief zich aan het ontwikkelen is, als enige andere uitweg. Bovendien kunnen we leren van elkaar en delen met elkaar, en moeten we geen tijd en middelen verliezen door dezelde problemen op te lossen. Door samen te werken kunnen we meer bereiken dan ooit.

We nodigen je uit om te kijken hoe je kan participeren in dit project, ondermeer hoe je een Fair.Coop lid wordt via het fair.coop sociaal netwerk. Dit sociaal netwerk is Fair.Coop’s belangrijkste participatieforum. Het is een plaats waar we kunnen delen, elkaar kunnen ontmoeten, discussiëren en samen bouwen met alle Fair.Coop gebruikers en leden wereldwijd. Ons netwerk is open voor iedereen en laat toe om deel te nemen in fora, groepen en teams. Als promotoren van Fair.Coop zijn we ervan overtuigd dat dit sociaal netwerk een commons kan worden, zowel door de kwaliteiten van de inhoud als door het ontstaan van projecten gelinkt aan praktijken en concepten zoals open coöperativisme, integrale revolutie, evenwaardige samenwerking, zelf-organisatie, ‘empowerment’, digitale commons, en zoveel meer. Er is immens veel technologie beschikbaar om beter in synergie met de planeet te leven, en er rest ons weinig tijd. Het moment is gekomen om te delen wat we weten en onze beste ideeën in de praktijk te brengen.

Ontdek hier hoe je kan participeren met jouw tijd of met andere bijdragen. Aarzel vooral niet om contact op te nemen als je vragen hebt en ontdek onze gezamenlijke mogelijkheden om een nieuwe en rechtvaardige wereld te creëren.

Fair.Coop: Economie, politiek, kennis, samenwerking, productie; dit alles peer-to-peer, open en coöperatief.

In solidariteit en hoop,

Het Fair.Coop team

VARIATIE BRIEF B – OPEN KENNIS

“Intellectuele eigendom is slecht voor de vooruitgang van de menselijke soort, en bevoordeelt privébelangen. Kennis wordt geprivatiseerd ongeacht het feit dat “toen ik in staat was verder te kijken, was het omdat ik op de schouders van reuzen kon staan.”
[..]
We geloven dat het ook voor jou interessant is om je te verbinden met Fair.Coop, omdat we gemeenschappelijke doelen en idealen hebben op het vlak van coöperatie, open kennis, P2P praktijken en open productie. We nodigen je uit om met ons samen te werken aan een gemeenschappelijk doel: globale economische rechtvaardigheid. Kennis is van nature vrij, en we willen het huidig stelsel doorbreken door het promoten van het gebruik van open Copyleft of Creative Commons licenties of andere mechanismen voor de bescherming van de Commons tegen privé winstbejag, met ondermeer de Peer Production License en andere Commons Based Reciprocity Licenses (of CBRLs). We organiseren ons van onderuit op een directe, gedecentraliseerde manier en halen ons voordeel uit de transparantie die het Internet biedt om een andere politiek weer te geven.

VARIATIE BRIEF C – FAIRTRADE
FairMarket is ontworpen als een virtuele plek met een veelheid aan verkoopsruimtes. FairMarket biedt door coöperatieve leden geproduceerde goederen en diensten aan aan iedereen (ook niet-FairCoop leden), en promoot daarmee FairCoop en stimuleert andere projecten en individuen om deel te worden van de coöperatieve.

“We beleven het einde van het Romeinse Rijk. Dat geeft moed”

Een uitgebreid interview met Michel Bauwens in De Morgen van 11 oktober 2014 (Zeno-bijlage)

De westerse economie gaat om zeep, maar dat is juist geweldig nieuws. Eindelijk wat anders! Welkom in de wereld van Michel Bauwens (56), een filosoof die zo radicaal outside the box denkt, dat er in de verste verte geen box meer te bekennen valt.

Misschien kent u Michel Bauwens niet – en dat is dan erg jammer. Maar die ene onbekende Belg, waarvan u de naam alweer vergeten bent, die plots opdook naast Mahatma Gandhi en Martin Luther King in die lijst van honderd meest inspirerende personen van het Post Growth Institute, herinnert u zich die nog? Dat was Michel Bauwens.

De rest van het interview hier