Categorie archief: p2p economie

12006159_10207424606596276_8552091078701843873_n

Niet de deeleconomie, maar de commonseconomie kan de wereld redden

door Jean Lievens
P2P Foundation Belgium

Eerst verschenen op De Wereld Morgen op 29 mei 2016 (blog Jean Lievens – originele tekst)

De deeleconomie staat steeds meer in de belangstelling, maar over de commonseconomie wordt helaas veel minder gesproken. Waarschijnlijk blijft dit voor velen te abstract, maar als we het hebben over de noodzaak van een transitie naar een duurzame economie en naar een meer rechtvaardige en democratische samenleving, dan is de commonseconomie wel de hefboom.

We leven in een verandering van tijdperk, gekenmerkt door economische en financiële crisissen, sociale onrust en politieke instabiliteit. Ons sociaale-conomisch systeem functioneert niet meer en “de politiek” draagt geen oplossingen aan. Anderzijds opent de technologische vooruitgang enorme mogelijkheden om de huidige ecologische, economische en sociale problemen op te lossen, maar binnen de oude structuren en denkschema’s werkt ze de financieel-economische en sociale crisis juist in de hand.

Er is veel sociaal verzet tegen de neoliberale tegen-hervormingen van de afgelopen jaren, maar vaak blijven protestbewegingen beperkt tot “tegen iets zijn” en is er een gebrek aan coherent alternatief. Ook klassieke linkse formules schijnen niet meer te werken of worden de nek omgedraaid binnen een vijandige internationale context, wat de Grieken aan de lijve mochten ondervinden.

Wel zijn overal in de wereld mensen actief betrokken in allerhande initiatieven om te bouwen aan een betere wereld. Velen hebben zich afgekeerd van de politiek en bouwen “het nieuwe binnen het oude”. Ze zijn actief op gebied van sociale rechtvaardigheid en solidariteit (vakbonden, coöperatieven, NGO’s, fairtradeorganisaties, noord-zuidbewegingen etc.), openheid en transparantie (open source beweging, open designgemeenschappen…) en duurzaamheid (circulaire economie, microfabrieken…).

Tussen deze verschillende groepen bestaat echter weinig interactie en ook binnen deze groepen is de fragmentatie vaak groot. Maar ze dragen wel de kiemen van een nieuw systeem, waarbij “de commons” het bindmiddel kan zijn. Een van de organisaties die hierbij een verbindende en katalyserende rol kan spelen, is volgens mij Hart boven Hard, zowel in haar hoedanigheid van netwerk als van beweging.

Maar laat ik eerst even beknopt de kern van het transitiemodel uitleggen dat de P2P Foundation voorstelt. Het boek De Wereld Redden bevat heel wat ideeën, maar vaak pikken mensen alleen dat eruit wat in hun kraam past. Om te beginnen hebben we nooit beweerd dat de “deeleconomie” de wereld zal redden, zoals Rogier De Langhe schrijft in een van zijn opiniestukken in De Morgen van 17 mei (Welke deeleconomie willen we?). In ons boek hebben we het over peer-to-peer, maar maken we een onderscheid tussen peer-to-peer marktplaatsen (waar de deeleconomie zich grotendeels afspeelt) en peer-productie van commons. Ons transitieverhaal steunt vooral op de tweede pijler.

De deeleconomie (alleen) zal de wereld niet redden

De deeleconomie zoals ze zich tot nu toe heeft ontwikkeld, wordt vooral gedomineerd door commerciële platformen die vraag en aanbod van markttransacties tussen individuen (denk aan de “gig”-jobs, het “delen” van autoritten tegen betaling, het verhuren van appartementen…) regelen via algoritmes en daar flink wat geld aan verdienen. De belangrijkste voordelen van deze modellen is dat ze voor de gebruikers vaak performanter en goedkoper zijn dan de traditionele modellen en dat ze zorgen voor een beter gebruik van de bestaande infrastructuur (het “deel”aspect) waardoor ze deel uitmaken van een noodzakelijke evolutie naar een meer duurzame economie.

Maar de keerzijde is ook niet mals: ze ontwijken allerhande wetgevingen waaraan de traditionele modellen wel aan moeten beantwoorden (sociale wetgeving, voorschriften inzake veiligheid en gezondheid etc.), ze investeren zelf niet in infrastructuur en wentelen alle risico’s af op degenen die hun platform gebruiken om geld te verdienen. Zelfs degenen die voor de vrije markt zijn en pleiten voor een gelijk speelveld, kunnen toch niet anders dan vaststellen dat we hier te maken hebben met oneerlijke concurrentie. Je kan dan twee zaken doen: ofwel het speelveld gelijkschakelen door deze platformen te onderwerpen aan dezelfde regels die gelden voor andere bedrijven, ofwel de regels voor andere bedrijven ook afschaffen. Dus hier pleiten we uiteraard voor klassieke regulering.

Alternatieven op commerciële platformbedrijven

Maar er zijn andere manieren om dergelijke kapitalistische platformen van antwoord te dienen. Laten we Uber nemen als voorbeeld. Zo heeft sharing city Seoel Uber ronduit verboden. Maar tegelijk ontwikkelde de stad wel een even gebruiksvriendelijk alternatief: een mobiliteitsapp op stadsniveau waarin de klassieke taxisector werd geïntegreerd. Vakbonden kunnen Uberchauffeurs organiseren en opkomen voor hun belangen (zo heeft Seattle onlangs Uberchauffeurs syndicale rechten verleend waardoor ze expliciet erkend werden als werknemers en niet als freelancers) of zelfs helpen met het opzetten van een coöperatieve die gebruik maakt van een eigen app. Zo gaan alle verdiensten naar de chauffeurs zelf en niet naar Silicon Valley. Op dat vlak zijn de initiatieven echter enorm versnipperd, want elke entiteit gebruikt andere open source applicaties en apps. Het komt er dus op aan om al deze mini-initiatieven te coördineren en te stroomlijnen binnen één netwerk.

Maar goed, we blijven hier nog altijd op het terrein van marktactiviteiten, het kopen en verkopen van diensten om geld te verdienen. Daar is niks mis mee, mensen moeten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Maar als er wordt samengewerkt rond één platform, beheerd door de stakeholders (dus niet alleen de chauffeurs , maar bijvoorbeeld ook de klanten en de overheid), dan wordt dit gemeenschappelijk platform wel de kern van de economische activiteit waaraan de marktactiviteit is ondergeschikt.

Er zijn natuurlijk ook tal van deelinitiatieven die een maatschappelijk doel voor ogen hebben, zoals autodelen op buurtniveau (vb. Dégage in Gent), of logies delen op wereldniveau (couchsurfing). Dit is de originele deeleconomie, die nog altijd bestaat én groeit, maar inmiddels in de media werd overschaduwd door Uber en Airbnb. Deze laatste is trouwens zelf begonnen binnen de reële deeleconomie, wat nog steeds vervat zit in de naam (air staat voor air matrass: het idee was een luchtbed in de living voor toeristen, in ruil voor een kleine deelname in de kosten). Met de intrede van venture capital werd het platform geprofessionaliseerd, er kwamen diensten bij (zoals een verzekering tegen vandalisme), maar bovenal vervoegden steeds meer professionele spelers het platform om appartementen te verhuren aan toeristen. Op die manier omzeilen ze stedenbouwkundige vergunningen en de wetgeving op hotels, jagen ze tegelijk de huurprijzen voor lokale bewoners omhoog en maken bepaalde buurten onleefbaar (denk aan Barceloneta in Barcelona). Tussen haakjes, het is ook belangrijk om op te merken dat alleen mensen die iets hebben iets kunnen ‘delen’ (lees verhuren). Een huurder mag meestal niet onderverhuren, ook niet via Airbnb.

De commonseconomie

Tot daar de “deeleconomie”. Wat echter veel belangrijker is in ons transitieverhaal, is de zogenaamde commons-economie en meer bepaald de creatie van commons van open software, kennis en design. Bekende commons zijn Linux, Wikipedia en Arduino, maar er bestaan duizenden andere voorbeelden. We hebben hier te maken met een postkapitalistisch model, omdat:

Het niet gebaseerd is op arbeid/kapitaal, maar op vrijwillige bijdragen
Het geen goederen of diensten voortbrengt om te verkopen op de markt (ruilwaarde), maar rechtstreekse gebruikswaarde die vrij beschikbaar is, in overvloed aanwezig, vrijwel kosteloos, oneindig reproduceerbaar en dus niet eens “vermarkt” kan worden.
Sommigen rangschikken ook deze commons onder de ‘deeleconomie’ omdat ze vrij beschikbaar zijn (en dus vrij kunnen ‘gedeeld’ worden), maar dan gooi je Uber en Wikipedia op één hoop, wat toch problematisch is. Om verwarring te vermijden is het dus aangewezen om bij elk project de volgende vragen te stellen:
wat is de hoofddoelstelling (maatschappelijk of winstgevend)?
wordt er gemeengoed gecreëerd dat vrij beschikbaar is?

Alleen in het twee geval spreken we van een commons-economie. Is de doelstelling maatschappelijk en wordt er gewerkt via een collectief deelplatform, dan is het deelplatform zelf de commons en kan je ook dit soort van deelinitiatieven tot de commons-economie rekenen. Gaat het om pure markttransacties, dan hebben we te maken met P2P marktplaatsen die strik genomen niets met delen te maken hebben, maar door deze platformen zelf en door de media wel als dusdanig genoemd worden, dus ik veronderstel dat we ermee moeten leven.

Een productiever model…

Het gemeenschappelijk creëren van open gemeengoed van kennis, softwarecode en allerhande ontwerpen blijkt in de praktijk veel sneller, efficiënter en productiever dan de traditionele (lees kapitalistische) manier om deze zaken voort te brengen. Sinds Wikipedia zijn papieren encyclopedieën alleen nog in tweedehandszaken verkrijgbaar. Wikipedia is gratis, wordt elke dag beter en volgt de actualiteit. Een paar minuten nadat de media hebben bericht over de dood van Prince, is de popster ook dood op Wikipedia. Open software is de norm binnen de softwarewereld geworden. Nasa, BMW, het CERN, het Witte Huis… gebruiken Linux, een software die vrij beschikbaar is voor iedereen. Er bestaan een dertigtal open source-auto’s (inclusief een open source zelfrijdende auto) die stuk voor stuk milieuvriendelijke en energiezuiniger zijn dan industriële wagens, alleen komen de banken niet met geld over de brug om de productie ervan te financieren, tenzij ten minste een deel van het ontwerp beschermd wordt door patenten. Tot nu toe lijkt LocalMotors, een semi-open source wagen die in een microfabriek via 3D printing kan worden geproduceerd het enige model dat ook economisch succesvol is. Maar er zijn ook open source robotten, open source landbouwmachines, open source laboratoriumapparatuur en duizenden andere open hardwaresystemen. Daarnaast is er ook het delen van kennis allerhande, zoals open wetenschap tegenover het peperduur verkopen van academische artikels door privé-uitgeverijen.

… gedomineerd door het kapitalisme

Maar net als de deeleconomie waarvan eerder sprake, wordt ook de commonseconomie volop “gerecupereerd” door het kapitalisme, hoewel “gebruikt” me een beter woord lijkt in deze context, want er is hier toch iets anders aan de hand. We krijgen namelijk een model waarbij bedrijven die elkaar beconcurreren op de markt, wel samen bouwen aan een commons. Als toemaatje krijgen ze er de bijdragen bij van vrijwilligers die voor allerhande redenen gratis bijdragen tot het gemeengoed. Neem open software. Ongeveer 75% van de programmeurs die bijdragen tot Linux, worden betaald door grote bedrijven zoals IBM en Red Hat, die net als Google, Intel, HP, Samsung, Cisco enzovoort de Linux Foundation financieren. Waarom? Omdat het stukken goedkoper en efficiënter is Linux te helpen ontwikkelen dan eigen software te ontwikkelen. Voor hen is Linux een goedkope grondstof die ze kunnen gebruiken om andere diensten aan te bieden op de markt, meestal het maken van een gebruiksvriendelijke versie op maat van hun klanten, maar ook onderhoud, training, consultancy, enzovoort.

Laten we een voorbeeld nemen uit de open hardware. Alles wat de mens maakt, moet eerst ontworpen worden. Er komen meer en meer ontwerpen tot stand door open en transparante samenwerking van bijdragers via het internet. Het internet wordt naast een goedkoop communicatie- en coördinatiemiddel dus ook meer en meer een universeel productiemiddel. Tegelijk vervaagt de grens tussen (digitaal) ontwerp en geautomatiseerde productie. Machines zijn immers gekoppeld aan computers. Voeg daaraan toe dat na de miniaturisering van de computer ook de miniaturisering van machines aan de orde van de dag is, waarbij je “meer kunt doen met minder”, en je ziet meteen het potentieel dat zich opent om ons maatschappelijk en economisch model volgens volledig andere lijnen te gaan ordenen. Maar dat kan alleen als we ons organiseren en bewust modellen ontwikkelen die dat ook in de praktijk brengen. Want tot op heden, zwaait het kapitaal nog altijd de scepter, ook in de wereld van de commons.

Je hebt immers nog altijd kapitaal nodig om iets te produceren: een fysische ruimte, grondstoffen en arbeid. Je verlaat de digitale, postkapitalistische wereld van de overvloed en betreedt in zekere zin weer de wereld van arbeid en kapitaal. Maar ook binnen dat kader heb je de keuze welk soort van organisatie je hiervoor opricht. Een coöperatieve is hier ongetwijfeld de meest geschikte bedrijfsvorm omdat haar eigendom- en beheermodel het best aansluit met de peer-to-peer waardecreatie in de commons. Omdat jonge ondernemers vaak niet vertrouwd zijn met het coöperatieve model, domineren durfkapitalisten (venture capital) die torenhoge rendementen terugeisen voor hun investering logischerwijze nog altijd de open hardwaregemeenschappen, hoewel we oog moeten hebben voor de oprukkende fablabs, hackerspaces, co-working spaces en makerspaces die vaak ondersteund door lokale overheden, scholen of universiteiten, en ook via crowdfunding.

Sociale ondernemers

Het is belangrijk hier een punt te maken over sociale ondernemers. Klassiek links haalt vaak de neus op voor ondernemers omdat ze die onterecht vereenzelvigen met “kapitalisten”. De woorden “sociaal” en “ondernemen” vinden ze een contradictio in terminis. Bovendien schieten veel politici van groene en sociaaldemocratische partijen die ondernemers omarmen (zonder evenwel een onderscheid te maken in de aard en de grootte van de bedrijven) tegelijk op de vakbonden die ze bestempelen als “conservatief”. Ze behoren historisch tot de neoliberale strekking (gelukkig op zijn retours) die de derde weg van Blair voorstaat. Maar stel je in de schoenen van een jonge ingenieur die de wereld wil verbeteren. Geloof me, ze zijn niet in de minderheid. Zo wilt 98 procent van afgestudeerde ingenieurs in Finland duurzaam ontwerpen. Alleen… als ze het geluk hebben een baan te vinden in een klassiek bedrijf, moeten ze zorgen voor ingeplante slijtage. Het alternatief is zich aansluiten bij een open hardwaregemeenschap en proberen zelf of met vrienden een bedrijfje op te starten. Als je bijdragen levert voor een open ontwerp, is er immers geen enkel reden om slijtage in te plannen. Je probeert een product zo goed mogelijk te ontwerpen.

De laatste jaren zien we meer en meer jongeren die ecologische en maatschappelijke problemen willen oplossen door zelf een bedrijf op te starten. Maar ook mensen die al jaren voor traditionele bedrijven werken, stappen voor allerhande redenen uit de ratrace en gaan zelf een sociale bedrijfsactiviteit beginnen die goed is voor de samenleving en die hun eigen leven veel meer zin geeft. Het is juist dat we hier vaak te maken hebben met een geprivilegieerde groep, maar dit fenomeen illustreert toch een uittocht uit het bestaande systeem, zowel vrijwillig als gedwongen.

Alleen… je moet natuurlijk wel geld verdienen om te overleven. Het grootste probleem vandaag is dat de commons, die een steeds grotere plaats innemen in de kapitalistische economie, nog steeds ondergeschikt zijn aan het overheersende model en alleen collectief reproduceerbaar zijn maar niet individueel. Wat bedoel ik daarmee? Als individu kan je tijdelijk gratis bijdragen tot commons (als je student bent, werkloos, of in je vrije uurtjes), maar je kan dat niet blijven doen. De commons blijven echter collectief overleven omdat er steeds nieuwe mensen bijkomen die bijdragen leveren, terwijl anderen wegvallen.

Nieuwe bedrijfsmodellen

De vraag van een miljoen is dus: hoe kunnen we bedrijfsmodellen ontwikkelen die het de commoners (bijdragers tot commons) mogelijk maakt om in hun levensonderhoud te voorzien? Gelukkig is dit geen theoretische vraag aangezien er volop aan deze modellen wordt gewerkt. Met andere woorden, er bestaan reeds ethische bedrijven die samen een commons produceren, zoals Enspiral, een jong bedrijvennetwerk dat Loomio (een samenwerkingssoftware) en Co-Budget (een app om democratische investeringsbeslissingen te nemen binnen het netwerk) heeft ontwikkeld en “Stuff that Matters” als baseline heeft. Het initiatief ontstond in Nieuw-Zeeland, maar het netwerk groei als kool en de open software Loomio is inmiddels uitgegroeid tot een zelfstandig bedrijf (een coöperatieve in eigendom en zelfbeheer van de werknemers) binnen het Enspiral netwerk, met wereldwijde vertakkingen.

Ik geef deze voorbeelden mee om ons verhaal wat concreter te maken zodat de verhaallijn duidelijker wordt. Wij denken namelijk dat er een nieuwe economie in wording is rond de commons. Deze economie wordt inderdaad gedomineerd door het kapitaal, maar veroorzaakt binnen het kapitalisme een waardecrisis: de geproduceerde gebruikswaarde groeit exponentieel, maar de gerealiseerde marktwaarde stijgt slechts lineair en wordt grotendeels “opgevangen” door het kapitaal. Maar naarmate het kapitaal investeert in peer-to-peer-netwerken en commons, versterkt ze die tegelijk en maakt aldus het potentieel alternatief sterker. Vroegere systeemovergangen vonden op dezelfde lijnen plaats: het oude systeem maakt gebruik van het nieuwe systeem om zijn bestaan te rekken, maar versterkt daardoor het nieuwe systeem tot een punt wordt bereikt waarop het nieuwe systeem kan doorbreken en dominant worden.

Vandaag wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe bedrijfsmodellen, vaak coöperatieven, die commons voortbrengen en tegelijk in het levensonderhoud voorzien van de coöperanten. Ook wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe manieren om de waardecreatie binnen de commons te registreren (open boekhouding) en die te koppelen aan vergoedingen voor de commonors indien de projecten marktwaarde realiseren. Er ontstaan ook nieuwe solidariteitsmechanismen, zoals de broodfondsen in Nederland, een sociaal zekerheidssysteem op minischaal voor “zzp-ers” (zelfstandigen zonder personeel, hier meestal freelancers genoemd). Zo zie je dat de mutualiteiten van de vroege arbeidersbeweging vandaag nog eens dunnetjes overgedaan door mensen die buiten de mazen van het sociale zekerheidssysteem vallen.

Ook de nieuwe coöperatieven die wereldwijd groeien als kool brengen de hoogdagen van de arbeidersbeweging in herinnering. Ook zij probeerden het nieuwe te bouwen binnen het oude, maar streefden vooral naar het veroveren van de politieke macht om de economie gradueel (door hervormingen) of min of meer volledig (door revolutie) via de staat over te nemen. De traditionele coöperatieven werden echter grotendeels weggeconcurreerd door multinationals die over meer kapitaal beschikten en dankzij schaalvoordelen goedkopere producten konden op de markt brengen. Coöperatieven die overleefden, konden dit alleen door zich net te gedragen als kapitalistische bedrijven waardoor ze op de duur nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren. Toch kan de historische arbeidersbeweging een grote inspiratiebron zijn voor de open source- en commonsbeweging. Alleen is haar heroïsche geschiedenis gedurende de laatste decennia (en zelfs langer) grotendeels ondergesneeuwd door bureaucratisering en incorporatie binnen de staat.

Kloof tussen precariaat en salariaat dichten, niet aanwakkeren

Dat laatste verklaart waarom veel jongeren die zich wel als een vis in het water voelen in de open source- en commonsbeweging, zich niet herkennen in de huidige arbeidersbeweging. Deze laatste is dan weer al decennia in een defensieve strijd verwikkeld voor het behoud van sociale verworvenheden en vindt moeilijk aansluiting bij jongeren die opgroeien in een tijd waarin het oude sociale contract meer en meer wordt opgeblazen voor de nieuwe generatie. Sommigen concluderen daaruit dat de klassenstrijd moet wijken voor een generatiestrijd. Niet het falend systeem is verantwoordelijk, wel de oudere generatie die de rijkdom heeft opgesoupeerd waardoor er niks meer overblijft voor de jeugd . Hoewel minder brutaal (hoewel…) lijkt dit de redenering die ook economiefilosoof Rogier De Langhe volgt in zijn recente columns. Rogier geeft toe dat er een systeemcrisis is, maar vindt dat “wij daar allemaal samen” voor verantwoordelijk zijn. Zoiets kan je natuurlijk alleen maar beweren als je de klassennatuur van onze samenleving ontkent. Maar zelfs dan is het hallucinant om het volgende te beweren: ”Zoals in 2008 bleek dat bankiers niet hadden kunnen weerstaan aan de ‘hebzucht’, zo blijkt vandaag dat ook de vakbonden te ver gingen. Ze verwierven meer rechten dan duurzaam over de generaties heen konden worden voorzien. Zelfs de banksters waagden het niet het land plat te leggen uit protest tegen het instorten van het kaartenhuisje dat ze zelf hadden gebouwd.” (De Morgen van 25 mei 2016: Waarom betogers op bankiers lijken”)

Rogier vindt de vakbonden blijkbaar nog erger dan de banksters. Hij pleit wel voor meer solidariteit, maar dan wil binnen de groep van “have nots”: “Ik droom van een herverdeling van sterk naar arm, in plaats van van niet-gesyndiceerd naar gesyndiceerd en van ongeboren naar vandaag.” Dat er in de afgelopen dertig jaar 10 procent van het BNP verschoven is van Arbeid naar Kapitaal is bijzaak, want “De bedragen waar het om gaat, zijn zo gigantisch dat een vermogensbelasting weinig verschil maakt. Zeker in een land als het onze illustreert het discours over de 1 procent vooral dat het makkelijker is de schuld bij een externe vijand te zoeken, dan bij onszelf.”

Er bestaat ongetwijfeld een spanningsveld tussen de klassieke arbeidersklasse die bestaat uit (vaak oudere) werknemers die in een hiërarchisch verband voor een bedrijf werken, en de nieuwe klasse van precaire en autonome werkers die rechtstreeks voor de markt (moeten) werken. Dat kan gedwongen zijn omdat ze geen werk vinden, maar velen doen het ook vrijwillig, ook uit sociale bewogenheid. Die groep gebruikt het internet en de commons voor het opzetten van nieuwe solidariteitsmechanismen. Op dat vlak speelt Smart.be in België een voortrekkersrol. We hebben de vakbonden al vaker op de korrel genomen omdat ze deze groeiende groep precaire werkers rechts laten liggen (in Nederland is binnen het FNV al geruime tijd een fel debat aan de gang). We moeten bruggen bouwen tussen precaire en “beschermde” werknemers, niet door de rechten van de ene groep af te bouwen ten voordele van de andere, maar om samen te ijveren voor een maatschappij die eerlijkere, democratischer en meer gelijk is dan de huidige. Helaas drijft Rogier de tegenstelling tussen beide groepen op de spits en door ongenadeloos de vakbonden te viseren in hun verzet tegen de regeringsmaatregelen, staat hij objectief gezien natuurlijk 100 procent aan de kant van de regering die hij in zijn columns nooit op de korrel neemt.

De commons als nieuw bindmiddel in een positief transitieverhaal

Maar goed, terug naar mijn verhaal. Wat in het oude verhaal van de arbeidersbeweging ontbrak, was een nieuwe manier om waarde te creëren en te herverdelen, die bovendien superieur is aan het oude model. Vandaag bestaat deze nieuwe productiewijze wel. In het oude verhaal versloeg groot klein. Altijd. Vandaag kan een netwerk van veel kleintjes groot verslaan. Denk aan Linux en Wikipedia. De nieuwe platformbedrijven of “netarchische” kapitalisten (kapitalisten die heersen over het netwerk), zijn nog piepjong (Google is 20 jaar oud, Facebook 12, Uber 6) maar hebben in een mum van tijd de wereld veroverd. De vraag is hoe duurzaam die bedrijven zijn op langere termijn, gezien hun parasitair karakter en het feit dat de waarde die ze onttrekken uit menselijke samenwerking niet terugvloeit naar de mensen die deze waarde creëren.

Er bestaat volgens mij geen uniforme formule om deze bedrijven aan te pakken. Sommigen kunnen op termijn weggeconcurreerd (of weg”samengewerkt”) worden door nieuwe, coöperatieve modellen, op voorwaarde dat deze globaal opgeschaald worden (samenwerking in wereldwijde netwerken). Zowel de overheid als de traditionele organisaties van de arbeidersbeweging kunnen daarin een stimulerende rol spelen. Anderen zoals Google of Facebook worden best “openbare nutsbedrijven”, zoals destijds de spoorwegen en de elektriciteitsbedrijven. Natuurlijk zijn deze privéplatformen wereldwijd actief, maar ze zijn wel ingebed in een staat (meestal de VS) waarbinnen een politieke strijd kan gevoerd worden om ze om te turnen in door stakeholders beheerde nutsbedrijven (geen traditionele staatsbedrijven dus). Buiten de VS kunnen en worden ze via regulering meer aan banden gelegd, hoewel de resultaten nog niet spectaculair te noemen zijn (bv. Europa versus Facebook en Google).

Om te resumeren, wil ik de volgende stellingen poneren:

De commons kunnen het bindmiddel zijn van een nieuwe progressieve beweging
De drie groepen die mondiaal actief zijn in transitiebewegingen (rond ecologie, solidariteit en open source) moeten elkaar beter leren kennen en meer gaan samenwerken

Tegelijk kan geijverd worden voor een commons-transitieprogramma dat streeft naar een nieuw economisch-maatschappeijk paradigma dat steunt op drie pijlers:
Een productieve civiele maatschappij van burgers die vrijwillig bijdragen tot commons
Een ethische bedrijvencoalitie rond deze commons
Een nieuw overheidsmodel waarbij de overheid optreedt als partnerstaat die peer-productie van vrije burgers faciliteert en ondersteunt (met geld, infrastructuur, onderwijs etc.) Deze staat vervangt de welvaartsstaat niet, maar overstijgt ze. Strijden tegen de afbouw van de welvaartsstaat blijft dus 100 procent een progressieve strijd.

Daarnaast dringt zich een herlocalisering op van de productie in microfabrieken die eveneens wereldwijd genetwerkt zijn en aldus een tegengewicht kunnen bieden op transnationaal niveau tegenover de multinationals. Op die basis kunnen we de ecologische crisis bezweren (duurzame lokale energiecoöperatieven aangesloten op een smart grid, drastische vermindering van transport- en energiekosten, transparante aanvoerketens ten dienste van een circulaire economie waardoor het generatief vermogen van de planeet volledig wordt hersteld etc.)

Voor meer info:

P2P Foundation
Enspiral
Jean Lievens

schermafbeelding-2015-11-23-om-14.20.09

Kiezen om te delen: sociale deelinitiatieven zijn een maatschappelijke keuze

door Herman Peeters
Origineel op De Wereld Morgen, maandag 23 november 2015

Delen is meer aanwezig dan we vermoeden, en het belang ervan lijkt alleen maar toe te nemen. Iedereen maakt bewust of onbewust gebruik van open source software op zijn computer. Via Facebook delen we informatie met vrienden, of gewoon met iedereen. Wie een kamer vrij heeft kan die via Airbnb verhuren. Dichtbij maken deelinitiatieven opgang zoals autodelen, het delen van gebruiksvoorwerpen, het delen en gezamenlijk beheren van publieke ruimten, met complementaire munten enzovoort. Nieuwe internettoepassingen maken delen gemakkelijker dan ooit.
De recente opgang van het delen opent perspectieven op sociaal, ecologisch en economisch vlak. Maar het stelt ons ook voor vragen. Wie er zich op toelegt kan door te delen een stuiver uitsparen of bijverdienen. Dit lijkt handig voor wie het niet breed heeft, maar tegelijk blijken ook de marktspelers het delen ontdekt te hebben om nieuwe markten aan te boren, kosten te drukken of de bestaande regels te omzeilen. Deze ontwikkeling nodigt ons dan ook uit tot een reflectie over de plaats die we het delen en het beheer van gemeengoed in onze samenleving toekennen.

Eén naam, veel gezichten

Deeleconomie is een fenomeen met veel gezichten. Wanneer we spreken over deeleconomie veronderstellen we meteen de creatie van meerwaarde via het delen. Deze meerwaarde kan economisch, ecologisch of sociaal zijn, naargelang het karakter of de typologie van het deelinitiatief. Het kan commercieel of niet-commercieel van aard zijn, centraal of decentraal beheerd worden en op een lokale of globale schaal opereren. Wie iemand een lift aanbiedt via Uber deelt op een commerciële, centraal gestuurde globale wijze. Wie daarentegen zijn auto inzet bij het Gentse autodeelinitiatief Dégage participeert aan een niet-commercieel, lokaal en decentraal beheerd initiatief.

Uit economisch oogpunt zijn beide systemen effectief. Het bestaande potentieel van de wagen wordt optimaal benut. Op ecologisch vlak is de winst bij beiden eveneens duidelijk: minder auto’s op de weg betekent een lagere belasting van het milieu. Op sociaal vlak is het bepalen van de meerwaarde heel wat onduidelijker. Op microniveau lijken in beide systemen zowel de gebruiker als de aanbieder te winnen. De gebruiker hoeft zich geen wagen aan te schaffen, wat een grote kostenbesparing betekent, terwijl de aanbieder een deel van zijn investeringskost terugverdient.

Op macroniveau doen zich effecten voor die minder onder controle zijn. De zwaarder gereguleerde taxidiensten ondervinden een concurrentienadeel van Uber en dreigen uit de markt geprijsd te worden. Voor economisten is dit echter geen zwaar probleem. De chauffeur die hierdoor zijn job verliest heeft weldegelijk pech, maar is onderweg naar een productievere job. Een ander probleem dat opduikt is dat Uber mensen weghoudt van het publieke openbaar vervoer, zodat dit duurder wordt voor de gemeenschap.

Sociaal potentieel

Anderzijds zijn er uit sociaal oogpunt overwegingen te maken die voor lokale, decentraal georganiseerde non-profit initiatieven pleiten. Praktijken op lokaal vlak kunnen een grote betrokkenheid van de deelnemers organiseren. Ze zijn niet alleen vitaal, maar stimuleren tegelijk het vrijwilligerswerk en versterken het sociaal kapitaal in de buurt. De complementaire munt Toreke in het Gentse Rabot is een goed voorbeeld. Of wie bijvoorbeeld lid wordt van Dégage krijgt elk jaar een uitnodiging voor een barbecue waar de werking wordt besproken en men onderlinge vertrouwensbanden smeedt.

Uit het voorgaande besluiten om volledig in te zetten op non-profit-deelinitiatieven is nog iets te voorbarig. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat vooral de hoger opgeleide middenklasse aan deelinitiatieven participeert. Mensen met een lagere scholing bedienen zich er minder vlot van. Dit is ook de ervaring van een aantal LETS-groepen die gepoogd hebben om kwetsbare gezinnen te betrekken. Ook moet opgemerkt worden dat de deeleconomie de bestaande sociaal-economische orde eerder bevestigt dan verstoort. Wie niet bezit ziet zijn bijdrage aan het gemeengoed niet rechtstreeks omgezet in een groter vermogen. Dit komt omdat herverdeling niet wezenlijk het DNA uitmaakt van de deeleconomie. Dit in tegenstelling tot de sociale zekerheid en ons belastingsysteem. Dit geeft meteen de plaats aan die we deeleconomie moeten toekennen ten aanzien van de publieke sociale bescherming. Deeleconomie kan hier alleen aanvullend en nooit vervangend ingezet worden.

Naar een herverdeeleconomie

Deeleconomie kan gemakkelijk een horizontale solidariteit tot stand brengen. Verticale solidariteit is minder evident. Voor dit laatste zijn systemen nodig waarbij sterkeren meer bijdragen en zwakkeren meer gebruiken. De digitale omgeving waarin de deeleconomie zich vandaag veelal ontwikkelt is een doorkruisende factor. Het is niet vanzelfsprekend om in een internetomgeving waar ogenschijnlijk iedereen gelijk is en de ongelimiteerde vrijheid van ondernemen en consumeren ons toelacht, sociale correcties in te bouwen. Een digitaal platform dat dit zou doen dreigt al gauw een leeg platform te worden. Bovendien versterken digitale en sociale uitsluiting elkaar wederzijds.

Het is bijgevolg meer voor de hand liggend om zich uit sociaal oogpunt toe te leggen op lokale gedeelde systemen van ‘onderlinge hulp’ die een grote participatie van zwakkeren nastreven of op systemen die collectief bezit voorop stellen zoals we die in historische commons terugvinden. Van dit laatste is de Community Land Trust een goed voorbeeld. Een sociaal georiënteerde deeleconomie streeft naar een grotere autonomie van de deelnemer t.a.v. de factoren die zijn bestaan determineren.

Burgerinitiatieven op een sociale leest geschoeid

Kan de deeleconomie dan zo georganiseerd worden dat zij een hefboom wordt voor opwaartse sociale mobiliteit voor zwakke groepen? Zeker. Men dient hierbij als initiatiefnemer een aantal specifieke principes voorop te stellen:

Op de eerste plaats dienen initiatieven die sociale stijging als uitgangspunt nemen, een ander waardenkader te hanteren en solidariteit en sociale inclusie boven winst te stellen.
Tussen de deelnemers moeten duidelijke afspraken gemaakt worden om een vermarkting van het gemeengoed tegen te gaan en overconsumptie te vermijden.
Om zwakkere groepen te bereiken dient er ingezet te worden op specifieke werkvormen. Zo is het niet onlogisch om initiatieven op te zetten die enkel voor zwakke groepen toegankelijk zijn teneinde de bindende kracht van de lotsverbondenheid te laten werken. Deze initiatieven dient kunnen best geënt worden op bestaande netwerken waar relatief veel laaggeschoolden aan participeren, zoals volkstuinen, voetbalclubs, carnavalverenigingen… Sociaal-economisch zwakkeren hanteren immers vaak informele vormen van onderlinge hulp.
Ook dient men domeinen te selecteren die een grote betrokkenheid van de doelgroep garanderen. Door bijvoorbeeld in te zetten op een initiatief voor het delen en beheren van ruimte in een kansarme wijk, verkrijgt men het effect dat de doelgroep zelf de vruchten van het initiatief zal plukken.
Men kan zich laten inspireren door historische modellen van delen, de zogenaamde commons, die het zwakkere deel van de bevolking bevoordeelden. Deze initiatieven hadden tot doel om iedereen in zijn bestaan te laten voorzien.
Tenslotte dient de overheid in dit soort innovatieve praktijken te investeren. Zij vergen immers een specifieke aanpak en begeleiding. Er moet meer geïnvesteerd worden in mensen die met minder kansen aan de start komen.

De overheid als partner

Bij de ontwikkeling van een sociale deeleconomie is er voor de overheid een belangrijke rol weggelegd. Ze kan tal van taken op zich nemen die de creatie van maatschappelijke meerwaarde aanmoedigen. Ze kan grids voorzien voor startende initiatieven. Dit kan de vorm aannemen van administratieve advisering. Ze kan een wettelijk kader uitbouwen voor gemeenschappelijk bezit en gebruik. Ze kan ook bijkomende regelgeving creëren voor bescherming en verzekering van vrijwilligerswerk of het fiscaal vrijstellen van kleine opbrengsten uit gemeengoed.

Ze kan fysieke ruimte vrijmaken voor de ontwikkeling van sociale burgerinitiatieven zoals het voorzien in ontmoetingsruimtes, terreinen voor coöperatieve windmolens, en dergelijke. Ze kan regels wegnemen of versoepelen die de ontwikkeling van gezamenlijke initiatieven hinderen. Denken we bijvoorbeeld aan de mogelijkheden die geloofsgemeenschappen zouden hebben mochten zij zonnepanelen op gebedshuizen kunnen plaatsen en aan leden en omwonenden een dividend uit kunnen keren. En ze kan drempels tot participatie verlagen. Zo zouden OCMW’s voorafbetalingen kunnen doen voor de aankoop van een aandeel van een coöperatieve nutsvoorziening dat naderhand in schijven kan terugbetaald worden.

Via een gericht stimulerend optreden van de overheid kunnen sociaal innovatieve praktijken in de deeleconomie een opstap bieden naar een sterkere maatschappelijke positie van zwakkere groepen. Toch is hier een belangrijke randbemerking bij te formuleren. Onderzoeken hebben aangetoond dat sociaal innovatieve praktijken beter renderen tegen de achtergrond van een herverdelende staat die er voor zorgt dat onderaan de samenleving de mazen van het net goed gesloten zijn.

Herman Peeters

Deze bijdrage verscheen in kortere vorm in Frank, het tijdschrift van Samenlevingsopbouw-Gent.

Bronnen:

http://platformsocialbusiness.nl/definities-van-de-deeleconomie/
https://about.ing.be/Over-ING/Press-room/Press-article/Deeleconomie-kent-groot-groeipotentieel-in-Belgie-2.htm
http://www.oikos.be/english/item/709-schor-over-de-deeleconomie
Bauwens, M., De wereld redden, Antwerpen, 2013
De Moor, T., Homo Coöperans, Utrecht, 2013
Van Bouchaute, B., Depraetere, A. Oosterlynck, S., Schuermans, N.: Solidariteit in diversiteit, in: Over gevestigden en buitenstaanders, Leuven, 2014
Mariën, I. en Van Audenhove, L., Digitale inclusie: het middenveld als structurele partners. In: Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting 2012, Oases, p. 320.

Schermafbeelding 2015-06-17 om 14.52.35

Drie “governance hacks” om peer productie om te vormen tot een echt economisch en sociaal systeem

Door Michel Bauwens

Originele tekst P2P Foundation

Het kapitalisme was niet altijd een organisch en dominant systeem. Alvorens het de status verwierf van een volwaardige productiewijze, anders gesteld van een samenhangende manier om waarde te creëren en te verdelen, of van een specifieke vorm van samenleving en beschaving, diende het in te breken in het oude systeem om het naar zijn eigen beeld te kneden. In “zijn boek “De Grote Transformatie” legt Karl Polanyi uit hoe bijvoorbeeld de vroege kooplieden nog steeds afhankelijk waren van ambachtslui en gilden (het zogenaamde ‘putting-out’-systeem) en er aanvankelijk niet in slaagden om van arbeid een koopwaar te maken.

Deze situatie verschilt niet veel van het ‘proto’-productiesysteem dat vandaag in opmars is: peerproductie gericht op gemeengoed (‘commons-oriented peer production), waarbij een gemeenschap van bijdragers, al dan niet betaald, een gemeengoed of ‘commons’ (gedeelde hulpbronnen die beheerd worden door hun gebruikers) creëren in plaats van goederen (koopwaar). Hoe kan deze opkomende, postkapitalistische logica die nu al de logica van arbeid als koopwaar overstijgt, dominant worden? Hoe maken we van peerproductie een organisch systeem? Tegen deze achtergrond stellen de P2P Foundation en soortgelijke netwerken van P2P-activisten een aantal hacks voor.

De centrale kwestie is de volgende: hoe houden we de “waarde”” binnen de sfeer van de commons, zodat die kunnen groeien en zichzelf reproduceren? Of in andere woorden: hoe kunnen we op basis van onze bijdragen in ons levensonderhoud voorzien?”

De copyfair licentie

Een eerste “hack” is de copyfair licentie, een licentie die steunt op wederkerigheid. Waarom is dat nodig? Volgens de traditionele, negentiende-eeuwse definitie van communisme is de General Public Licentie technisch gezien een communistische licentie: “van ieder naargelang zijn bijdragen, voor ieder naargelang zijn noden”. Maar binnen onze huidige politieke economie leidt een dergelijke dynamiek onvermijdelijk tot de overheersing van een economie die gebaseerd is op “vrije en gedeelde hulpbronnen” door grote privéspelers en bovendien tot het gebruik van deze gedeelde hulpbronnen door organisaties die er niet toe bijdragen.

Dit “liberaal communisme” (communisme in dienst van het kapitaal en de liberale waarde van het ‘recht op delen’) is niet noodzakelijk een probleem voor niet-rivaliserende en antirivaliserende hulpbronnen zoals kennis en softwarecode, maar het kan wel problematisch zijn als we spreken over design, zaden en andere vormen van delen die verbonden zijn aan fysieke productie. Als we immers moeten investeren in gebouwen, machines, grondstoffen en salarissen, kan de private overheersing van de open economie een probleem vormen.

Bijgevolg zou een licentie die een of andere vorm van wederkerigheid vereist een aantal voordelen opleveren. De vereiste dat bedrijven die zelf niet bijdragen tot de commons een licentievergoeding zouden betalen, zou een kapitaalstroom genereren naar de sfeer van de commons, zijn gemeenschappen en “Stichtingen” (Foundations). Ten tweede -en belangrijker- zou de vereiste om wederkerigheid te definiëren opnieuw een “morele economie” creëren die positieve sociale externaliteiten zou re-integreren binnen de marktsfeer zelf.

Open coöperatieven

Onze tweede “hack” zou bovendien een dynamiek op gang brengen op het vlak van beheer en eigendom. Wij stellen voor dat commoners eigen “open coöperatieven” zouden oprichten, dus coöperatieven die niet alleen werken voor hun eigen leden, maar structureel en statutair samen commons creëren naast het voorzien van een inkomen voor de coöperatieve arbeiders. In dit model zou de coöperatieve een maatschappelijk doel hebben, niet winstgericht zijn (de winsten worden dan gebruikt om een maatschappelijk doel te realiseren), meerdere stakeholders betrekken, maar ook samen gemeengoed creëren in de vorm van zowel immateriële commons (gedeelde kennis) maar ook gedeelde materiële hulpbronnen (een voorbeeld is de woningcoöperatieve “Allianza Solidaria” in het zuiden van Quito die van zijn leden 100 uur arbeid vraagt voor de creatie van gemeenschappelijke parken).

Deze nieuwe coöperatieven zouden niet langer uitmonden in organisaties die egoïstisch handelen op de kapitaalmarkten ten behoeve van hun eigen leden, maar zouden een gemeengoed creëren dat op natuurlijke wijze tot hun normale activiteiten zou behoren. Een gelijkaardig voorstel is het eigendomsmodel gebaseerd op eerlijk delen (‘fairshares ownership), waarbij het eigendom in vier gelijke parten wordt verdeeld: een voor de stichters, een voor de investeerders, een voor de arbeiders en een voor de gebruikersgemeenschappen.

Open aanvoerketens en open boekhouding

De derde en laatste hack die we voorstellen is de oprichting van open aanvoerketens en open boekhouding. Van zodra er een “ethische ondernemerscoalitie” is opgericht rond de copyfair licentie en/of een sociaal charter met gemeenschappelijke waarden en een oriëntatie naar het gemeengoed, kan op natuurlijke wijze worden overgeschakeld van competitie naar samenwerking en het delen van informatie over productie en boekhouding doorheen het netwerk. Een voorbeeld is Enspiral, een netwerk van sociale ondernemers in Nieuw Zeeland, die binnen hun netwerk transparantie bedrijven.

Dankzij deze hack zou de wederkerige en stigmergische coördinatie van productieve activiteiten die reeds van toepassing is in de immateriële productie van kennis, code en design, ook beginnen met het op gang brengen van een dynamiek van postkapitalistische wederkerige coördinatie in de sfeer van reële fysieke productie.

Als deze drie stappen door verschillende actoren gelijktijdig worden genomen, zou peerproductie op een betekenisvolle manier evolueren naar een functionerend organisch systeem dat in staat is om zichzelf te reproduceren aangezien de bijdragers tot de commons een coöperatief levensonderhoud zouden kunnen creëren. We zouden geëvolueerd zijn van een “communisme van kapitaal” naar een “kapitaal van de commons”.

vertaling: Jean Lievens

P2P economie – Geert Hofman presenteert “OWAES: een oase voor talent”

In het kader van de digitale week organiseerden stad Kortrijk en ESF project OWAES op 30/4/2015 een studienamiddag rond digitale peer-to-peer economie in The Level te Kortrijk.

Geert Hofman, projectleider van het ESF project OWAES, kadert het OWAES project dat een platform ontwikkelt rond peer-to-peer arbeid en vorming in een historische context: waarom OWAES een oase is en wil zijn.

P2P economie – Jean Lievens over “P2P als prototype van een nieuwe productiewijze en economie

In het kader van de digitale week organiseerden stad Kortrijk en ESF project OWAES op 30/4/2015 een studienamiddag rond digitale peer-to-peer economie in The Level te Kortrijk.

In een half uurtje de geschiedenis van de menselijke ontwikkeling, de verschillende productiviteitsrevoluties en de transitie naar een nieuw economisch systeem uitleggen, bleek misschien wel wat hoog gegrepen, maar ondanks enige vermoeidheid na een drukke werkweek heb ik toch genoten van deze interessante namiddag over de nieuwe P2P – economie, en was ik vereerd er als laatste het woord te mogen voeren. Omdat ik wist dat de meeste deelnemers er al een lange dag op hadden zitten, heb ik wat grapjes ingelast, waarbij de een al wat beter lukte dan de ander… Met dank aan Geert Hofman.

Jean Lievens

Hierbij ook nog het korte debat achteraf

dominique-willaert-is-cordinator-van-victoria-deluxe-quotwij-komen-er-zelf-ongeschon

Dominique Willaert: De zwakke elementen van de P2P-economie

De P2P werkgroep binnen De Toekomstfabriek organiseerde samen met Victoria Deluxe in Gent een denkdag op donderdag 12 maart onder leiding van Michel Bauwens en Francine Mestrum.

De bedoeling van deze denkdag was om rond een vijftal stellingen te werken, gecentreerd rond de P2P-economie en aanverwante thema’s (bv. het onvoorwaardelijk basisinkomen).

We publiceren hier de stelling van Dominique Willaert

Met veel interesse probeer ik de ontwikkelingen van de P2P economie te volgen.
Telkens ik teksten en interviews lees (en het boek ‘De wereld redden’) valt mij het enorm uitdagende karakter op van de P2P – maar ik kan me niet van de indruk ont-doen dat een aantal cruciale thema’s telkens een stuk uit de weg worden gegaan. Mij intrigeert vooral de vraag waarom dit zo is. In discussies die op de sociale media worden gevoerd over één van die thema’s – met name het basisinkomen – valt op dat wie in het basisinkomen gelooft dit niet zelden op een heel onvoorwaardelijke ma-nier doet. Wie vragen of opmerkingen m.b.t. het basisinkomen durft te formuleren wordt niet zelden weggezet als reactionair of tegendraads. Het onvoorwaardelijke geloof in het basisinkomen neemt naar mijn aanvoelen soms een soort religieuze vorm aan. Of: het neemt de vorm aan van een utopie aan en wie erin gelooft reageert geprikkeld op elke vorm van kritiek of bevraging. Omgekeerd is het echter ook zo dat wie sceptisch staat t.a.v. het basisinkomen dit soms weinig of niet on-derbouwt met argumenten. De denkdag die we op 12 maart organiseren is bedoeld om de wij/zij opstelling inzake P2P economie en basisinkomen op te heffen en te vervangen door een verdiepende dialoog.

In de stelling die ik wil ontwikkelen, wil ik graag enkele stappen uitwerken.

1. In de bespreking van de ontwikkeling van de P2P economie is één van de zwakke elementen dat er te weinig wordt gesproken over welk inkomen mensen uit deze nieuwe arbeid zullen/kunnen halen. Zelf denk ik dat de P2P economie zich in sneltreinvaart zal ontwikkelen en niet alleen binnen het terrein van kenniswerk(ers). Ook binnen andere werkdomeinen zal de P2P economie zich ontvouwen. Via nieuwe technologische toepassingen zal de P2P economie ook ingang vinden in de zorg-, onderwijs-, vormingssector. Meer en meer goederen EN diensten zullen binnen een P2P logica worden ontwikkeld. Dit maakt dat de arbeid en arbeidsorganisatie zich fundamenteel zal wijzigen. Dit zal ongetwijfeld een ingrijpende impact hebben op hoe de arbeidsvoorwaarden worden onderhandeld, verdedigd, bewaakt en over wie er beslist welke waarde er wordt ontwikkeld en naar wie de meerwaarde zal opeisen die binnen een P2P economie zal worden geproduceerd.

Waar een groot deel van de P2P economie zich misschien nu nog in de vrije tijd van mensen afspeelt, zal dit snel doorschuiven naar de reguliere arbeid. Mensen zullen benieuwd zijn en vragen naar welk soort inkomen ze uit hun (nieuwe) arbeid zullen halen. De kans bestaat dat in het begin veel mensen bereid zullen zijn om ‘onder’ een bepaalde prijs te zullen werken, omdat ze op die manier met hun nieuwe netwerken een plek zullen kunnen veroveren binnen ‘de markt’. Ik gebruik bewust het woord ‘markt’ omdat ik er hoegenaamd niet van overtuigd ben dat de P2P economie automatisch zal resulteren in een postkapitalistische samenleving. Dit zal enkel het geval zijn wanneer er een diepgaand debat + strijd wordt gevoerd rond hoe we de arbeid zullen waarderen (en koppelen aan een onderhandeld en gegarandeerd inkomen) + wanneer de meerwaarde in de toekomst niet langer in handen van een kleine elite zal terecht komen of blijven.

Mij lijkt het logisch dat mensen die arbeid verrichten binnen een P2P netwerk een inkomen kunnen halen uit die arbeid. Een inkomen dat onderhandeld kan worden en dat door middel van een reeks bindende afspraken kan gegarandeerd worden. De technologische evoluties doen vermoeden dat arbeidsduurvermindering eigenlijk al lang een politiek en economisch feit zou moeten zijn. Een volle werkweek zal uit 25 of 30 uur/week kunnen bestaan en voor de geleverde arbeid moet een volwaardig inkomen kunnen gegarandeerd worden. Voorstanders van een basisinkomen verge-ten soms dat geld (en een inkomen) nooit uit het niets ontstaat. Een inkomen is meestal het resultaat van waarde die gecreëerd wordt en een reeks politieke en economische besluiten die tot herverdelingsmechanismen leiden. Een deel van de waarde wordt omgezet in loon, een ander deel wordt omgezet in ‘kapitaal’. Kapitaal die de voorbije decennia steeds vaker in een soort speculatieve en virtuele economie terecht kwam en niet langer in de reële economie. O.a. Picketty leert ons dat het inkomen dat uit arbeid werd gehaald de voorbije decennia significant gedaald is t.o.v. het inkomen die een kleine elite uit kapitaal heeft kunnen halen.

Wanneer je mensen (en het liefst op mondiale schaal) een basisinkomen wil garan-deren moet je durven benoemen dat dit een strijd impliceert om een groot deel van ‘het ontsnapte’ kapitaal terug te halen, terug in handen te krijgen en dit geld (deze waarde) inzet te maken van een debat over hoe je deze middelen zal besteden/herverdelen. Je kan inkomen garanderen voor wie arbeid presteert en je kan ook in de toekomst vervangingsinkomens garanderen voor wie tijdelijk geen arbeid presteert. Bepaalde vormen van arbeid kun je ook fundamenteel hoger en beter ver-lonen dan wat nu het geval is. Handenarbeid, het uitvoeren van lastig en vuil werk kun je opwaarderen door hier een hoger inkomen aan te verbinden. Ouders die kie-zen om voor hun kinderen zorgen kun je een hoog inkomen garanderen omdat we dit als maatschappelijke arbeid beschouwen en willen waarderen.

En als uitsmijter: om mensen wereldwijd van een (basis) minimuminkomen te voor-zien kan er misschien een mondiale beweging ontstaan die eist dat extreme rijkdom (enkelingen die over gigantisch veel privaat eigendom/middelen beschikken) deze middelen terug naar de gemeenschap moeten laten vloeien. Noem het een geweld-loze en democratisch verworven actiemiddelen om extreme ongelijkheid onwettelijk te maken. Kan zo’n mondiale beweging eisen dat kapitaal niet wordt opgepot maar telkens terug wordt geïnvesteerd in verantwoorde economische activiteiten?

Vraag: op welke manier willen we binnen een P2P economie de maatschappelijke, ecologische, economische arbeid waarderen. Doen wit met een onderhandeld inko-men, kiezen we voor een basisinkomen? Naar wie gaat de (meer)waarde die binnen een P2P economie wordt gecreëerd?

2. Een tweede cruciaal thema die moet worden uitgediept is de vraag wie er binnen de P2P economie verantwoordelijk wordt voor de noodzakelijke reguleringen. Het is immers een illusie om te denken dat de diverse P2P netwerken op basis van zelf-organisatie en horizontale besluitvormingsprocessen vat kunnen krijgen op prijssetting, inkomensgarantie, respecteren van arbeidsafspraken,…
Het kapitalisme doet het net heel goed omdat het aansluit op wat door sociaal psy-chologen en sociologen wordt omschreven in de distinctietheorie (Weber – Bourdieu). Mensen willen zich onophoudelijk van elkaar onderscheiden. De P2P econo-mie zal leiden tot een nieuwe habitus voor veel mensen (= een plek waar mensen zich thuis voelen en waar ze veel gemeenschappelijk hebben met elkaar), maar pa-rallel zullen mensen zoeken hoe ze zich zullen kunnen onderscheiden van elkaar. Eén van de wijzen waarop dit zich willen van elkaar onderscheiden, zal manifeste-ren zal ook in de toekomst gesitueerd zijn binnen de arbeidswereld. In de wijze waarop we creëren, produceren zullen we ons willen onderscheiden van elkaar en in de verwachtingen die we ontwikkelen op vlak van de (zelf)waardering en verloning van onze arbeid. Vreemd genoeg wordt er binnen de P2P-beweging zelden tot nooit stil gestaan bij de factor ‘macht’. De machtsmechanismen die vandaag hegemonisch zijn gestructureerd zullen niet zo maar verdwijnen. Er zal slimme en duurzame en volhardende strijd nodig zijn om de macht te her veroveren. Eén van de meest uit-dagende perspectieven is dat binnen de P2P economie het onderscheid tussen werkgever en werknemer zich misschien wel fundamenteel kan wijzigen. Peer2Peer netwerken kunnen erin slagen om arbeidsprocessen en de wijze waarop de productie wordt georganiseerd terug te veroveren op anonieme, onzichtbare aandeelhouders. Zelf geloof ik dat er binnen een P2P economisch model de kans ontstaat dat de arbeiders veel sterker de productieprocessen bepalen en terug in handen krijgen. Er kan dus een veel sterkere economische democratie ontstaan. Het onderscheid tussen arbeiders en bedienden zal/kan vervagen en wie arbeid ver-richt kan zichzelf deels als werknemer maar ook deels als werkgever gaan be-schouwen. Het syndicalisme zal dus zich op compleet andere en nieuwe manieren moeten ontwikkelen en niet langer gebaseerd op de oorspronkelijke arbeidsdeling en de ontwikkeling van de naoorlogse welvaartsstaat. Vakbonden zetten zich nu heel sterk in op wie er nog werkt (en op het behoud van koopkracht), terwijl de mensen die geen werk (meer) vinden, of de mensen die zich willen onttrekken aan de kapitalistische economie eigenlijk weinig syndicale aandacht en zorg ervaren.

De vraag blijft wel: een P2P economie zal zich niet binnen een machtsvrije econo-mische en maatschappelijke ruimte ontwikkelen. Een auto die via een 3D-printer in Europa wordt geproduceerd zal niet noodzakelijk dezelfde prijs kosten als diezelfde auto (dus op dezelfde manier geproduceerd) in Brazilië wordt geproduceerd. Zullen arbeidsvoorwaarden, inkomens, prijzen, kwaliteitsgaranties op het niveau van de natiestaten worden geregeld of kun je hopen op mondiale reguleringsmechanis-men? Kunnen de huidige instellingen (WHO, IMF, …) binnen een P2P economie vervangen worden door nieuwe instellingen die op fundamenteel nieuwe manieren tot reguleringsafspraken komen (en dit omzetten in wetten die onderwerp van juri-dische bescherming kunnen worden?).

Vraag: op welke niveaus en schalen willen we dat er politieke en economische + ecologische reguleringsmechanismen worden ontwikkeld. Wat we als overheid of staat beschouwen hoeven we niet als iets vijandigs of beperkends te beschouwen maar als een veruitwendiging van democratische controle. Uiteraard hoeft dit geen kopie van onze parlementaire democratie te zijn. Er kunnen arbeids- en controleor-ganen worden ontwikkeld die een sterk bottom up karakter vertonen. Maar hoe sterk vinden we deze controle, regulering en bescherming noodzakelijk? Of denken we werkelijk dat de P2P economie en masse bevrijdde individuen en burgers zal voortbrengen die in staat zijn tot zelfregulering?

3. In de bespreking van de P2P economie en het basisinkomen wordt er tot nu niet doorgedacht over welke vorm van sociale bescherming en sociale zekerheid we bin-nen dit soort economie willen ontwikkelen. De sociale zekerheid zoals die in het Westen werd ontwikkeld, is een stelsel van solidariteit dat grotendeels voor een groot stuk door de werknemers wordt ontwikkeld. Een flink deel van het loon vloeit naar de overheid die deze middelen herverdeelt binnen het stelsel van de sociale zekerheid. Het zijn mensen die arbeid verrichten die voor een groot deel verantwoordelijk zijn voor dit soort solidariteit. Kapitaalsbezitters dragen hier ook toe bij, maar in veel mindere mate en de voorbije jaren is het aandeel dat uit arbeid komt significant groter geworden dan het deel dat uit kapitaal komt + laat ons niet verge-ten dat kapitaal heel dikwijls niets anders is dan rijkdom die door arbeid wordt voortgebracht en via accumulatie en het zich toe-eigenen van de meerwaarde als ‘kapitaal’ wordt beschouwd.

Een vreemde paradox is dat op vandaag van alle volwassenen wordt verwacht dat ze ‘werken’ en werkgevers vragen voortdurend om de loonkosten te dalen. Vreemd genoeg wordt het begrip loonkost door werkgevers bijna systematisch vervangen door loonlast. Het loon die werknemers voor hun arbeid ontvangen kunnen we toch nooit als last beschouwen. Terwijl een flink deel van het loon eigenlijk wordt ingezet om de sociale zekerheid te financieren en dus te waarborgen. Lonen die hoog genoeg liggen zijn dus een goede zaak wanneer we een kwaliteitsvolle sociale be-scherming willen organiseren.

Hoe zullen we binnen een Peer2Peer economie inzetten op de ontwikkeling van so-ciale bescherming? Verwachten we dat een deel van de sociale bescherming onder-ling tussen mensen (in lokale gemeenschappen) wordt georganiseerd? En leunt dit aan bij de participatiesamenleving die in Nederland al model vindt en ook stilaan opgang maakt in Vlaanderen? Of kiezen we voor een nog steeds door een overheid georganiseerd stelsel dat wordt gefinancierd door werknemers en diegenen die zich een groot deel van de meerwaarde toe-eigenen? Zal er sprake zijn van een nieuwe sociale kwestie? In het naoorlogse model werd van de werkgevers verwacht dat ze voor een quasi volledige tewerkstelling zouden zorgen. Van de overheid werd ver-wacht dat ze voor een opvangnet zouden zorgen in tijden van uitzonderingssituatie.
Vreemd genoeg staat vandaag ‘niet werken’ zo goed als synoniem van beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt’ ook al zijn er te weinig beschikbare jobs.

Qua arbeidsvolume en beschikbare jobs ziet het er naar uit dat het arbeidsvolume in de toekomst alleen maar kan en zal dalen. Daalt dan ook de (meer)waarde uit de verrichte arbeid? Uit welke andere bronnen kunnen we ‘rijkdom’ halen die tot her-verdeling kan leiden? Tot nu wordt de massawerkloosheid echter sterk misbruikt door middel van het drukken van de lonen. En het pleidooi om vervangingsinkom-sten te verlagen om op die manier mensen aan het werk te krijgen, is eigenlijk niet meer of minder dan een vorm van ontmanteling van de sociale zekerheid zoals deze tussen 1960 en 1990 werd ontwikkeld.

Vraag: Kan er binnen een P2P economie een fundamentele arbeidsherverdeling worden ontwikkeld zonder dat dit tot de ontmanteling van de sociale zekerheid leidt? Kunnen er loopbanen worden ontwikkeld die verbonden worden met een uni-verseel tijdskredietstelsel waarbij vormen van maatschappelijke en ecologische zorg mee onderdeel van dergelijke loopbaan worden? Beschouwen we het ontwikkelen van sociale bescherming als een volwaardig onderdeel van onze ‘economie’ waardoor we de uitgaven die we binnen het stelsel van sociale bescherming doen als in-vesteringen beschouwen? En: kan een P2P economie inzetten op het ontwikkelen van sociale bescherming op een zo universeel mogelijke schaal, tussen vanuit een mondiaal perspectief, zodat het imperialisme en oorlogen als onderdeel van het ka-pitalisme kunnen vervangen worden door vredesdividenden?

Bauwens-bio2

De nieuwe welvaartstaat is een partner staat: van welfare naar commonfare

De P2P werkgroep binnen De Toekomstfabriek organiseerde samen met Victoria Deluxe in Gent een denkdag op donderdag 12 maart onder leiding van Michel Bauwens en Francine Mestrum.

De bedoeling van deze denkdag was om rond een vijftal stellingen te werken, gecentreerd rond de P2P-economie en aanverwante thema’s (bv. het onvoorwaardelijk basisinkomen).

We publiceren hier de stelling van Michel Bauwens

Uitleg: de oude welvaartstaat, gebaseerd op de kracht van de arbeidsbeweging staat niet alleen onder druk, maar wordt actief afgebouwd, en de onderliggende reden is de structurele zwakheid van de klassieke arbeidersklasse in de Westerse omgeving en de bewuste de-industrialisering onder het neoliberale regime.

De nieuwe welvaartstaat kan er alleen komen door ons te baseren op de nieuwe vormen van arbeid, die meer en meer ontsnappen aan het salariaat. Vandaar de noodzakelijke aandacht voor freelancers, het precariaat en diegenen die een nieuwe netwerk-samenleving opbouwen met de bijbehorende solidariteitsmechanismen.

Net zoals de oude welvaartsmechanismen gebaseerd waren op een veralgemening van de arbeidssolidariteit, zal de nieuwe ‘commonfare’ zich moeten baseren op de peer-to-peer-solidariteit en de nieuwe commons.

Dit vergt een respect voor de centrale rol van de productieve civiele maatschappij, voor de ondersteuning van nieuwe vormen van zelfstandig maar genetwerkt ondernemerschap (de sociale ondernemers zijn het nieuwe proletariaat!), en voor een nieuwe vorm van staat, die de juiste infrastructuren opbouwt voor individuele en sociale autonomie.

Dit alles moet gekoppeld worden aan een nieuwe industrialisering van Europa, gebaseerd op het peer-to-peer-model: “Wat licht is, is globaal, wat zwaar is, is lokaal’. Dit laatste is een conditio sine qua non om de “meerwaarde” ook binnen Europa te houden.

oshw-logos

Een nieuw verhaal voor links

eerst gepubliceerd in de Wereld Morgen

Links heeft een nieuw, optimistisch verhaal nodig. Het oude werkt niet meer. Welbeschouwd speelt de arbeidersbeweging al minstens drie decennia in verdediging. Met dit defensieve spel verliest ze de ene match na de andere. Als het roer niet snel wordt omgegooid, dreigt de degradatie, of erger. Een heroriëntatie naar nieuwe burgerinitiatieven en -bewegingen dringt zich op.

Het blijft nog wachten op de slaagkansen van de hervormingen in Griekenland en het effect ervan op de rest van Europa, maar tot nu toe is sociale afbraak overal de boodschap. Vaste jobs worden schaarser, studeren duurder, de ongelijkheid neemt toe, solidariteitsmechanismen gaan op de schop, de natuur gaat om zeep en het klimaat slaat op hol.

En er zijn geen sociale zekerheden meer. Leuke tijd om in op te groeien. Jongeren krijgen een negatief sociaal contract aangeboden, en velen concluderen dat de vorige generatie alles heeft opgebrast. Soylent Green, een sciencefictionfilm uit de begin jaren zeventig waarin 65-plussers tot groene koekjes worden verwerkt, komt achter het hoekje gluren.

Destructieve creatie

De creatieve destructie van Schumpeter heeft plaats geruimd voor destructieve creatie. Binnen twintig jaar zullen robots tot 50% van de huidige jobs in België hebben overgenomen. Op zich een leuk vooruitzicht, ware het niet dat alle winst naar de eigenaars van de robotten gaat. Met de automatisering kalft het salariaat zienderogen af. Het vaste arbeidscontract moet wijken voor precaire statuten van freelancers en zzp-ers (zelfstandigen zonder personeel), vandaag al goed voor een derde (tegen 2020 de helft) van de Amerikaanse werkers.

In Nederland, altijd een stapje “voorop”, is dit al een op vier. Velen vinden hun autonomie een pluspunt, maar ze hossen wel zonder sociale bescherming van de ene tijdelijke opdracht naar de andere. Permanent. Ze vallen naast het sociale vangnet van de overheid en kunnen een privéverzekering niet betalen Daarom vonden ze de broodfondsen uit, solidariteitsfondsen van ongeveer 150 man die maandelijks 25 euro in een pot leggen en bij ziekte een uitkering krijgen van 750 euro. Het is de hergeboorte van de negentiende-eeuwse mutualiteiten.

Klusjes en bullshit jobs

Daarnaast groeit het leger dat met de eigen auto taxichauffeur speelt voor Uber, een kamer op overschot verhuurt via Airbnb of (bij)klust voor een habbekrats via Taskrabbit of Mechanical Turk. Denk niet dat het gaat om onkruid wieden of de hond uitlaten: in de VS heb je al platforms voor dokters (Health Tap) en advocaten (Upcounsel).

Voor velen bieden deze platforms nog altijd een leuke bijverdienste, maar steeds meer mensen worden ervan afhankelijk om te overleven. Oorspronkelijk hadden veel platforms een sociale doelstelling: delen tegen kostprijs of zelfs gratis. Maar ze worden zienderogen gekaapt door beleggers die alleen maar uit zijn op financieel gewin. Met hun geld breiden de platforms uit en worden ze professioneler, maar de sociale logica moet wijken voor de winstlogica.

Durfkapitalisten (ze hebben hun naam niet gestolen) hebben een flink deel van de ontluikende deeleconomie gekaapt. De term had oorspronkelijk vooral betrekking op het delen (sharing) van gemeenschappelijke dingen (auto’s, boren, tuinen..) wat zowel het milieu als het sociale weefsel ten goede komt. Gelukkig bestaan er nog altijd heel wat deelplatformen waar de nadruk blijft liggen op dat laatste.

Maar dat geldt al lang niet meer voor de Airbnb’s en Ubers van deze wereld. Airbnb investeert niet in hotels, Uber niet in taxi’s. Het zijn slechts platforms die vraag en aanbod samenbrengen, maar wel met een steeds groter stuk van de koek gaan lopen. Voor jonge mensen die af en toe hun appartement verhuren aan toeristen (en dan tijdelijk bij hun ouders of vrienden logeren), biedt Airbnb een mooi extraatje. Maar als je voor je hele inkomen afhankelijk bent van dergelijke platforms, krijg je al gauw een moderne vorm van feodalisme. “Vazaleconomie” zou misschien een beter woord zijn. Op de keper beschouwd, hebben we hier te maken met een parasitair systeem van de ergste soort.

Basisinkomen

Vandaag verdien je vooral geld met geld (rente), eigendom (aandelen en obligaties) en controle over netwerken via intellectueel eigendom en marketing. Immateriële zaken dus, waarvan de waarde eigenlijk “politiek” bepaald wordt. Volgens Roland Duchatelet is in België maar 7% van de bevolking meer betrokken bij de productie van voedsel en materiële goederen. De rest zijn diensten, vaak verpakt in wat de Amerikaanse antropoloog en anarchist David Graeber “bullshit jobs” noemt: banen waarvan de betrokkenen zelf vinden dat ze eigenlijk overbodig zijn. Winsten vallen steeds minder te rapen in de productie, die grotendeels naar het zuiden is verhuist waar arbeid in overvoed en dus goedkoop is.

Onlangs kwam Rutger Bregman daarover vertellen in Reyers Laat. De Nederlandse golden boy verdedigde er op speelse wijze een andere visie op arbeid die hij koppelde aan een onvoorwaardelijk basisinkomen. Zijn standpunt botste op ongeloof bij een oogbolrollende Liesbeth Homans die zich – mondhoeken richting studiovloer – afvroeg wie dit ging betalen. Rutger Bregman repliceerde gevat dat de minister er negentiende-eeuwse opvattingen op nahield. In onze samenleving bestaan andere herverdelingsmechanismen dan via de overheid.

Er stroomt inderdaad heel wat geld naar boven, naar mensen met “bullshitjobs” die in wezen geen bijdrage leveren tot de reële economie en zelfs welvaart vernietigen. Spreekt er eigenlijk nog iemand over de bankencrisis? Nee, natuurlijk niet. De Islam, ja. En 60-plussers die op hun gat in Benidorm profiteren. Activeren dat zootje!

Rutger Bregman noemt zich liberaal in hart en nieren. Hij gelooft in meritocratie en vindt dat mensen moeten bijdragen voor hun geld. Een basisinkomen is daar niet mee in contradictie omdat dit juist de mogelijkheid biedt om te doen wat je graag doet en waar je het best in bent. Iedereen profiteert daarbij, de maatschappij al zeker. Mensen met minder prettige en zware beroepen zouden juist meer moeten verdienen. Daar kan “de wortel en de stok” nog spelen. Allemaal interessante denkpistes waar ik het in de grond mee eens ben. Alleen hebben we een transitieprogramma nodig dat steunt op een nieuw paradigma, want binnen het oude zie ik het niet gebeuren.

Peer-productie en het gemeengoed

We moeten inderdaad anders gaan aankijken tegen arbeid, maar hoe? Welk werk bedoelen we? Spreken we over loonarbeid, of nuttige bijdragen aan gemeengoed projecten, die tot nu toe meestal onbetaald blijven? Hoe komen we tot een systeem waarin mensen meer beloond worden naar werk (en minder naar bezit), maar met sterke ingebouwde solidariteitsmechanismen die de zwakkeren de nodige bescherming bieden? We bevinden ons immers voor de volgende paradox.

Onze welvaartsstaat steunt op solidariteitsmechanismen die werden uitgevonden, uitgebouwd en uiteindelijk via de staat veralgemeend door de arbeidersbeweging (mutualiteiten, pensioenkassen, werkloosheidskassen). Overal in Europa wordt dit stelsel afgebouwd. Maar dit is maar één zijde van de medaille. De andere blijft tot nu toe onderbelicht.

In de afgelopen twintig jaar zijn we immers ook getuige van een nieuw ontluikend economisch systeem dat een andere logica volgt. Dit systeem wordt aangedreven door het internet dat horizontale communicatie en collaboratie mogelijk maakt tegen zeer lage kostprijs. Daardoor kunnen steeds meer zaken beter en goedkoper geregeld worden via samenwerkingsplatformen dan via traditionele organisaties. Burgers bouwen samen software, kennis en ontwerpen.

Met meer dan 30.000 open-hardwareprojecten, van auto’s over landbouwmachines tot robotten en satellieten zien we dat de logica van delen en produceren via het internet zich ook doorzet in het productieproces. Na de miniaturisering van de computer zijn vandaag de machines aan de beurt. Het delen en kopiëren van digitale muziek, software, film, design, kennis… op het internet vloeit over naar het delen van infrastructuur in fablabs, co-working-, hackers- en makerspaces.

Helaas bestaan er nog geen uitgewerkte studies om al die nieuwe ontwikkelingen in kaart te brengen, maar in Barcelona groeide het aantal co-workingspaces van 3 naar 50 in drie jaar tijd, in Wenen was er drie jaar geleden één hackerspace, vandaag zijn er vijftien, in de VS groeide stadslandbouw door (hoofdzakelijk) collectieve groepen met 48% in twee jaar tijd… De laatste tien jaar groeit het aantal burgerinitiatieven als kool, zoals te zien is in een recente studie van Tine de Moor. Ook de coöperatieve beweging zit in de lift: vandaag werken meer mensen voor coöperatieven dan voor multinationals.

Naar een nieuw model rond de commons

Maar de belangrijkste revolutionaire verandering is volgens mij de opkomst van digitaal gemeengoed: globale, complexe projecten rond open kennis, software en design, die voor iedereen vrij beschikbaar is. Rond dit nieuw gemeengoed groeit een nieuwe economie van freelancers en allerhande bedrijven die deze “commons” als grondstof gebruiken voor het maken van producten en diensten met toegevoegde waarde.

Het gebruik van open software door bedrijven (denk aan IBM en Linux) is vrij bekend, maar nieuw is toch de snelle opkomst van allerhande open-hardwareprojecten. Het idee is eenvoudig: alles dat gemaakt wordt, moet eerst geconcipieerd worden. In klassieke bedrijven wordt die kennis beschermd door patenten. Die zijn bedoeld om innovatie te stimuleren omdat bedrijven hun onderzoekskosten willen recupereren. Maar in de praktijk zijn ze uitgegroeid tot innovatieremmers die patenthouders zolang mogelijk monopoliewinsten bezorgen.

Niet zo bij open hardware: iedereen kan de concepten verbeteren en iedereen kan ze downloaden. Met de nodige machines, eventueel gedeeld in een fablab, kan een doe-het-zelver het product zelf maken. Soms kan je een pakket onderdelen (vaak vervaardigd met 3D-printers) kopen en ze als een meubel van Ikea zelf ineen steken, of je kan het afgewerkte product kopen bij een open hardwarebedrijf. Deze laatste wint dan wel niks op het intellectueel eigendom, aangezien het ontwerp vrij beschikbaar is, maar wordt wel vergoed voor zijn arbeid. Loon naar werk dus.

Open-hardwarebedrijven zijn vaak starters die een klassieke bedrijfsvorm aannemen en voor hun financiering een beroep doen op crowdfunding en durfkapitalisten. Maar niets belet jonge ondernemers om een coöperatieve op te richten, een bedrijfsvorm die veel beter aansluit bij de praktijk van vrije bijdragen aan een gemeengoed en de deelcultuur in de virtuele wereld.

Als die productiecoöperatieven zich dan nog eens met elkaar zouden verbinden in een wereldwijd netwerk rond het open-designgemeengoed, dan krijg je een soort van gedistribueerde multinational die in staat is het klassieke model te verslaan omdat ze efficiënter en goedkoper kan werken. Als je ten slotte ook de boekhouding en aanvoerketen van die coöperatieven open en transparant maakt en alle stakeholders betrekt, dan kom je tot een nieuw economisch model dat zowel de markt als de klassieke planeconomie in de schaduw stelt.

In dit verhaal moet de overheid het geweer van schouder veranderen en evolueren van betuttelende marktstaat naar faciliterende partnerstaat: een overheid die burgerinitiatieven mogelijk maakt en stimuleert. Ook die evolutie is bezig, zij het vooral op plaatselijk vlak. Zo heeft Bologna onlangs een “reglement voor de commons” ingevoerd, die al door 25 andere gemeenten is overgenomen (Michel Bauwens en Dirk Holemans in Knack van 22/2/2015).

Burgers doen voorstellen aan de gemeente, bijvoorbeeld om hun wijk te verfraaien. Na overleg kan de gemeente middelen vrijmaken waarmee die burgers hun plannen zelf kunnen waarmaken. Dat vergt ook een ommekeer in het politieke denken, want de meeste politici willen zich vooral profileren rond wat zij doen voor de burger.

Utopisch? Misschien. Maar op microniveau wordt er al volop geëxperimenteerd en in theorie kunnen we ons vandaag voorstellen hoe dit model op macroniveau zou kunnen werken. Daarom kan het P2P-verhaal vandaag dezelfde rol spelen als het socialistisch verhaal in de negentiende eeuw. Ook toen waren er honderden en duizenden basisinitiatieven.

De arbeiders vochten niet alleen op hun werkplaats voor betere werkomstandigheden, maar creëerden ook machtige organisaties waarmee ze hun politieke stempel drukten op de twintigste eeuw. Maar hun macht kalft af. De productie is voor een groot deel verhuisd naar ontwikkelingslanden en hier proberen bedrijven de syndicale macht verder te breken, gisteren door outsourcing, vandaag door crowdsourcing.

Nieuw links

De erosie van de macht van de arbeidersbeweging weerspiegelt zich in een crisis van de sociaaldemocratie, die probeert afstand te nemen van de syndicale achterban om te kunnen verruimen (met bijzonder weinig succes), maar ook weinig aansluiting vindt bij de nieuwe bewegingen en de vele initiatieven die opborrelen vanuit de civiele maatschappij.

De nieuwe progressieve formaties in Griekenland en Spanje knopen daar wel bij aan. Het is zeer significant dat Gianni Dragasakis, de nieuwe vicepremier van de Syriza-regering in Griekenland, in zijn parlementstoespraak expliciet verwees naar het ontwikkelen van bottom-up, op gemeengoed gebaseerde peerproductiemodellen om tegemoet te komen aan de noden van de Griekse bevolking.

Dr. Vasilis Kostakis, medewerker van de P2P Foundation en samen met Michel Bauwens auteur van het boek Network Society and Future Scenarios for a Collaborative Economy, schrijft: “Het lijkt erop dat Syriza een politiek nastreeft die in de lijn ligt van het idee van de “partnerstaat” en dat op het vlak van onderwijs, overheidsbeleid en R&D. Om er een paar te vernoemen:

– Het vrijgeven van openbare data
– Het vrijgeven van alles kennis die gefinancierd wordt met belastingsgeld
– Het creëren van een omgeving die samenwerking stimuleert tussen kleine ondernemers en coöperatieven, waarbij initiatieven die steunen op open-source-technologieën en -praktijken worden aangemoedigd
– Het ontwikkelen van bepaalde participatieve processen (en het versterken van de bestaande) om burgers te betrekken bij het beleid
– Het aannemen van open standaarden en patronen voor openbare diensten en onderwijs.

Het is bij mijn weten voor de eerste keer dat een Europese regering expliciet een politiek verdedigt die aansluit bij de nieuwe economische logica in wording. Onafhankelijk van de manier waarop in België deze nieuwe politiek gestalte zal krijgen, ben ik hoopvol dat er een progressieve meerderheid kan gevonden worden rond de kernideeën van de nieuwe p2p-logica: de creatie van een nieuwe economie van ethische bedrijven rond collectief gecreëerd gemeengoed, of in de woorden van Jeremy Rifkin, commons-based peer production. Daarbij kan elke politieke partij haar eigen klemtonen leggen: duurzaamheid, sociaal ondernemerschap, solidariteit.

Maar niet alleen de rechtse partijen, ook de vakbonden en de sociaaldemocratie zijn in mijn ogen nog te veel gericht op het verdedigen van het oude systeem dat steunt op arbeid en kapitaal. Veel verder dan een vermogenswinstbelasting komt men niet.

Ik denk echter dat de ommekeer zich niet kan realiseren via een loutere herverdeling binnen het oude systeem, als dit niet gekoppeld wordt aan een heroriëntatie naar het nieuwe systeem. Dit is nu eenmaal nodig om de traditionele links-rechtsverhouding te overstijgen en een zo groot mogelijke politieke meerderheid te verwerven om een begeleide, vreedzame transitie mogelijk te maken.

Jean Lievens

de-wereld-redden kl

Een duurzame samenleving op basis van Peer2Peer: Een interview met Michel Bauwens

Origineel gepubliceerd op 22 januari 2014 door Oikos

door Romaike Middendorp

Michel Bauwens – oprichter en onderzoeker van de Peer-to-Peer (P2P) foundation – heeft het druk. In oktober en november 2014 was hij een aantal weken in zijn geboorteland België, waar hij volle zalen trok dankzij zijn visie op een nieuw economisch model dat in de steigers staat. Zo ook op 13 oktober in het Kunstcentrum STUK in Leuven. Omwille van zijn pionierswerk op dit gebied belandde hij in 2012 in de top 100 van de wereldwijde (En)Rich List samengesteld door de Post Growth Institute die jaarlijks de meest inspirerende persoonlijkheden op het gebied van duurzaamheid op een rij zet. Oikos had het geluk om hem enkele brandende vragen voor te leggen.

U bent oprichter van de P2P Foundation. Kunt u iets meer vertellen over het werk van deze stichting en P2P in het algemeen?

De Peer2Peer – ofwel ‘gelijke-tot-gelijke’ (oftwel: P2P) – Foundation is formeel gezien een stichting die gesitueerd is in Amsterdam en fungeert als een ontmoetingsplek voor diegenen die bijdragen aan een open, participatieve en een op commens gebaseerde samenleving. Commens zijn gemeenschappelijke eigendommen van de samenleving (ofwel: ‘gemeengoed’) en zijn dus niet in private handen. We monitoren, observeren en beschrijven initiatieven in de echte wereld en proberen deze samen te brengen onder een groep coherente concepten en beginselen. Als netwerk doen we een aantal dingen, zoals: het samenbrengen van mensen, het distribueren van kennis door middel van een blog, het organiseren van bijeenkomsten, het opbouwen van een theorie omtrent sociale verandering, enzovoort. Daarnaast proberen we P2P ook te promoten. Dit alles gebeurt in verschillende talen.
P2P processen brengen gebruikswaarde voort dankzij een vrije samenwerking en toegang tot gedistribueerd kapitaal. P2P-productie onderscheidt zich van de huidige winstgerichte productie door private bedrijven als ook van productie door staatsbedrijven. P2P is niet gericht op het voortbrengen van ruilwaarde voor de markt, maar enkel van gebruikswaarde voor de gemeenschap. Het gaat hier om bijvoorbeeld vrije software bewerking, open design, vrije kennis, enzovoort.
P2P samenwerking heeft eigenlijk altijd al bestaan. Maar met het ontstaan van het kapitalisme, is het gemeengoed langzaam afgebroken. Door het ontstaan van het digitaal gemeengoed, verandert dit stilaan. Dankzij internet en netwerktechnologie wordt het gemakkelijker om samen globale projecten te organiseren. Dit brengt de commens terug in de maatschappij en creëert een nieuwe manier van denken.
P2P is een manier van waarde-productie, van gemeenschappelijk design gebaseerd op het uitwisselen van informatie. De mogelijkheid om te delen leidt tot een reductie van de marginale kosten. Een bekend voorbeeld hiervan is het project van Wikispeeds. In slechts drie maanden heeft een team van internationale ingenieurs een auto ontwikkeld die vijfmaal efficiënter is dan elke andere auto en daarnaast heel intelligent is ontworpen. De auto heeft een participatief ontwerp en kan geprint worden in gedistribueerde micro-fabrieken met behulp van een 3D printer. Doordat dit op aanvraag kan gebeuren, voorkomt het overproductie. Daarnaast verandert het de manier waarop waarde gecreëerd wordt volledig. Wikispeeds heeft aangetoond dat het mogelijk is het productieproces van goederen – niet enkel van auto’s – te revolutioneren: namelijk door middel van een gedistribueerde productie die verloopt in lokale microfabrieken.

Uw these is dus dat het nieuwe systeem op basis van P2P het oude systeem kan vervangen?

Ja, dat klopt. Er zijn een aantal belangrijke verschillen tussen P2P en zowel de kapitalistische als bijvoorbeeld de gift economie. Kapitalisme combineert pseudo-overvloed in de materiële wereld met artificiële schaarste in de immateriële wereld. We extraheren grondstoffen alsof de natuur oneindig is met als gevolg tal van milieuproblemen, waaronder biodiversiteitsverlies en klimaatverandering. De marktstaat is de externe regulator en private arbeid genereert waarde die gevangen wordt door private coöperaties. De civiele maatschappij staat hier buiten. Daarnaast bestaan er copyrights en patenten die voorkomen dat mensen informatie en kennis delen. Dit is een probleem.
Een belangrijk verschil met de oude productiewijze is dat in P2P de traditionele arbeidsverdeling plaats moet maken voor een taakverdeling. In P2P productie kiest iedereen zelf taken. Deelnemers aan een project kunnen de taken bekijken die al gedaan zijn en die nog moeten gebeuren. Zo is Wikipedia bijvoorbeeld een stigmergisch systeem: het is een transparant systeem dat functioneert aan de hand van het uitzenden van signalen. P2P is dus geen marktmechanisme en ook geen staatsmechanisme.
Momenteel bevinden we ons in een overgang naar een post-kapitalistische samenleving. In plaats van commodities in het kapitalistisch model, dragen mensen bij aan commens met een directe gebruikswaarde in het P2P systeem. Kapitalisme maakt producten met als doel ruilwaarde te creëren en daarmee winst en eventueel een nuttig product te maken. Indien het product niet nuttig is, dan wordt de burger wijsgemaakt dat het een nuttig product is door middel van marketing. Dit is in tegenstelling tot P2P waarbij direct waarde wordt gecreëerd, met vervolgens daaromheen de markt. Het is wel mogelijk om winst maken, bijvoorbeeld door het gebruiken en het installeren van die toepassingen, het ontwikkelen van nieuwe software, het integreren van die systemen, de strategieën, maar winst is niet het doel. Deze manier van produceren brengt het gemeengoed terug in de vergelijking. De grote zwakte van het kapitalisme is dat het de externe kosten afwentelt op de samenleving. P2P daarentegen gaat uit van ‘object-oriented sociality’ – de logica van het doel bepaalt de sociale logica.
Een voorbeeld waarin kapitalistische productie niet direct gericht is op de gebruikswaarde van het product zijn mobiele telefoons. Grote elektronica bedrijven, zoals Apple, ontwikkelen telefoons met telkens een nieuwe plug en bouwen daarnaast opzettelijk slijtage in, waardoor telefoons na een bepaalde gebruiksduur stuk gaan. Op deze manier verzekeren grote bedrijven zich ervan dat ze zich staande kunnen houden in een verdienmaatschappij. Wanneer een product vanuit de P2P gedachte – dus vanuit de gemeenschap – gemaakt zou worden, zou dit nooit het geval zijn. Niemand in de community heeft namelijk baat bij een telefoon of auto die na 15 of 20 jaar stuk gaat, aangezien de leden zelf van deze goederen gebruik maken.

In het eerste semester van 2014 werd Michel Bauwens gevraagd door de regering van Ecuador om een model te ontwikkelen dat de economie van het land volledig kan hertekenen. De FLOK Society onderzoeksgroep hebben het eerste geïntegreerde Commons Transitions Plan ontwikkeld, dat gebaseerd is op principes van open kennis en participatie. Hij vertelde ons meer over hoe een P2P samenleving er in de praktijk uit zou kunnen zien en wat daar de voorwaarden voor kunnen zijn.

Hoe is het FLOK Society project in het leven geroepen?

Het FLOK Society project is in het leven geroepen door drie overheidsinstituten uit Ecuador: het Ministerio Coordinador de Conocimiento y Talento Humano (het ‘Coördinerende Ministerie voor Kennis en Menselijk Talent’), het SENESCYT (Secretaría Nacional de Educación Superior, Ciencia, Technología e Innovación) en het IAEN (Instituto de Altos Estudios del Estado). De basis voor dit project komt vanuit het Nationaal Plan van Ecuador, gecentreerd rondom het concept Buen Vivir (letterlijk: ‘het goede leven’). Geïnspireerd door de traditionele waarden van de inheemse bevolking van Ecuador, waarin er op een minder materialistische manier aangekeken wordt tegen de economie en het sociale leven. Het is onmogelijk voor een land zoals Ecuador, wat nog volgens neokoloniale afhankelijkheden functioneert, om over te stappen op een eerlijkere samenleving zonder kennis toegankelijk te maken voor de bevolking. Zonder de benodigde materiële en immateriële condities, kan deze kennis – in de vorm van onderwijs, wetenschap, agricultuur, industrie – niet gedijen.
Het doel van de progressieve regering van Rafael Correa was om het land minder afhankelijk te maken van de door het westen gedomineerde globale economie. Momenteel exporteert Ecuador ruwe materialen tegen weinig toegevoegde waarde en importeert consumptiegoederen tegen een hoge toegevoegde waarde. Ons onderzoeksteam heeft een half jaar gewerkt aan een tal van wetsvoorstellen en proefprojecten. Het Commons Transition Plan dat wij op hebben gesteld bevat een framewerk voor de overgang naar een samenleving gebaseerd op P2P. Het is een participatief proces geweest, waarbij zowel lokale als buitenlandse input is geweest. Tijdens een Summit in mei 2014 zijn deze voorstellen voorgedragen aan de overheid, sociale bewegingen en specialisten. Het was op zichzelf een succes dat ook zo ervaren werd door de aanwezigen. Momenteel worden deze voorstellen behandeld en overwogen door de regering. Wel zijn er een aantal proefprojecten al gestart en wordt er nog steeds gelobbyd voor de implementatie.
Een aantal aspecten zijn erg opmerkelijk aan dit project. Allereerst, is dit de eerste keer dat er een plan is opgesteld rondom een nationale transitie met de commens als kern voor waarde creatie en distributie. Een belangrijk principe dat aan bod komt in het transitieplan is de noodzaak van een gezamenlijke hervorming van zowel de civiele maatschappij, de markt en de rol van de staat. Er is een klassieke conflict tussen markt en staat. Door het ontstaan van digitaal gemeengoed, is het nu ook de civiele maatschappij die actief bijdraagt aan het produceren van gemeengoed.
De bevolking van Ecuador bestaat voor een groot deel uit inheemse gemeenschappen. Een angst die veel van deze gemeenschappen hebben is dat de traditionele kennis die zij hebben opgebouwd wordt overgenomen door de private sfeer als deze kennis wordt gedeeld. Een oplossing die wij daarvoor aandragen is het opstellen van een ‘wederkerige, op commens-gebaseerde licentie’. Deze licentie laat niet-commercieel delen toe aan NGO’s en aan iedereen die bijdraagt aan deze commens, maar vraagt een bijdrage aan private actoren.

Wat zijn de genomen stappen in de tussentijd en hoe waarschijnlijk acht u het dat Ecuador deze transitie doorzet?

Ecuador is een neokoloniaal land en staat onder grote druk van de globale markt. Sinds het opstellen van het Nationaal Plan in 2010 is de regering langzaam weggeschoven van de originele en radicale ideeën. Maar het blijft opmerkelijk dat deze regering zoveel tijd en energie heeft gestoken in het project. Als er slechts een kleine verandering plaatsvindt in de wetten en de samenleving, dan mogen we heel blij zijn met het succes. Politieke verandering heeft een sociale en politieke basis nodig en dat kost tijd. Daarom ben ik er van overtuigd dat toekomstige projecten zich moeten richten op lagere niveaus van politieke organisatie, zoals steden en regio’s.

Wat nu? Wat komt er na het FLOK ervaring in Ecuador?

Dankzij een publiek forum dat open is voor wereldwijde commoners wordt er verder gewerkt aan beleid dat gedreven wordt en gericht is op gemeengoed. Het doel is om workshops en ontmoetingen te organiseren waar steden, gemeenschappen en groepen bij elkaar kunnen komen om ervaringen uit te wisselen en deze te vertalen in beleidsvoorstellen. Het Commons Transition Plan opgesteld voor Ecuador, heeft een grote waarde voorbij de lokale schaal. Of Ecuador nou wel of niet de voorstellen accepteert, de beweging gaat door. Het plan vormt een belangrijke input voor andere coalities op verschillende schalen – lokaal, regionaal, en zelfs globaal.
Michel Bauwens

Michel Bauwens bracht in 2013 het boek ‘De Wereld Redden’ uit in samenwerking met Oikos.
Zaterdag 31 januari 2015 zal hij aanwezig zijn tijdens het Feestcongress van Oikos.
Foto bron: Wikipedia

0dc7b111-816c-444d-987a-590d8a0ab264

Het collectieve heruitvinden

door Dirk Holemans

Originele tekst uit Rekto Verso, tijdschrift voor Cultuur en Kritiek

Dit artikel maakt deel uit van het dossier Samen ik

Elk duurzaam model voor de toekomst zal een antwoord moeten bieden op de vraag hoe je bevrijde individuen tot meer samenwerking krijgt. Het peer-to-peermodel dat Michel Bauwens voorstelt in zijn boek De wereld redden, biedt alvast heel wat inspiratie. Het confronteert ook de kunstwereld met een paar fundamentele vragen.

In 1772 ronden Diderot en d’Alembert een ambitieus project af: het concept van de kennis veranderen. Zoals Diderot schrijft, ‘is het doel van een encyclopedie het verzamelen van de kennis die over de wereld verspreid is en haar als systeem aan onze samenleving te presenteren’. Dit werk staat symbool voor een trendbreuk in de visie op kennis. Gold tot dan de kerk als de traditionele autoriteit op vlak van wetenschap, dan is voortaan het uitgangspunt dat menselijke kennis voortkomt uit de mens zelf. En om alle menselijke kennis in kaart te brengen, engageren Diderot en d’Alembert 160 experts uit verschillende maatschappelijke domeinen. Dit model zal meer dan twee eeuwen dominant blijven, tot technologische innovaties de wereld helemaal veranderen.

Twee eeuwen later dus. Ten behoeve van zijn twee schoolgaande zonen koopt mijn vader de Nederlandstalige Standaard Encyclopedie. Een fors werk in twaalf banden van rood kunstleer. Het staat symbool voor de naoorlogse welvaartsstaat, waarin de middenklasse geniet van toenemende koopkracht, scholing en kennis. Tegelijk blijven, om een oud woord vanonder het stof te halen, de productieverhoudingen onveranderd. Een encyclopedie maken blijft het werk van een selecte groep experts. Aan de ene kant zijn er de commerciële uitgaven waar middenklassers veel geld aan uitgeven, omdat kennis toen nog een stevige investering waard was. Aan de andere kant is er de universiteit, ook een hiërarchische organisatie bij uitstek. Ik herinner me nog hoe ik als student aan de Universiteit Gent naar de Boekentoren trok, misschien wel de sterkste veruitwendiging van dit verticale type van kennismaatschappij. Het was een echte burcht: je meldde je aan bij een nukkige man in stofjas aan de balie en, als je geluk had, moest je geen uur wachten op het boek dat je wou ontlenen.

En dan nu: slechts een generatie later, mijn tieners thuis. De loodzware encyclopedie is vervangen door de vederlichte iPod, elke kennisvraag is vijf seconden later draadloos beantwoord door Wikipedia. Deze encyclopedie staat voor een heel ander kennis- en productiemodel, voor andere sociale verhoudingen. Hij wordt niet langer samengesteld door een kleine groep experten, maar door een groot netwerk van burgers. En zij doen het niet voor het geld, of voor een academische titel, maar uit intrinsieke motivatie. Iedereen kan bijdragen tot Wikipedia, de kwaliteitscontrole gebeurt achteraf, door mensen die daar de merites voor hebben. Een product dus van inzet onder gelijken, of peer-to-peer (p2p). Een team dat samenwerkt in een concurrentieomgeving, zoals bij de voormalige redactie van de Standaard of Winkler Prins, is gewisseld voor een samenwerkingsomgeving waarbinnen concurrentie speelt. We gaan van ‘coöperatie binnen competitie’ naar ‘competitie binnen coöperatie’.

DE REVOLUTIE VAN INTERNET

Volgens Michel Bauwens, auteur van De wereld redden. Met peer-to-peer naar een postkapitalistische samenleving, staat Wikipedia symbool voor de overgang naar een andere wereld. Het zal volgens hem uitgroeien tot dé vorm van samenwerking en productie van de eenentwintigste eeuw. En hij ziet voorbeelden in tal van domeinen, zoals opensourcesoftware. Ook daar drukte de p2p-besturingssoftware Linux grote bedrijven als IBM niet gewoon uit de markt. Nee, meer fundamenteel: het maakte dat deze besturingssoftware geen marktproduct meer is. Niet dat er niemand meer zijn brood mee verdient. Dat gebeurt nu als dienstverlener, voor het ontwerpen van specifieke toepassingen. Maar de broncode van Linux blijft voor iedereen toegankelijk: het is een voorbeeld van een nieuwe digitale commons, of gemeengoed. En ook op vlak van goederenproductie ziet Bauwens de grote, verticale bedrijven verdwijnen voor netwerken van microfabrieken. Daar wordt terug op maat van de behoefte geproduceerd door burgers, via open design en 3D-printers.

Fora do Eixo: een gigantisch p2p-cultuurnetwerk

Een schoolvoorbeeld van culturele peer-productie is Fora do Eixo. Het is een netwerk dat eind 2005 werd opgericht door culturele producenten uit de noordelijke, de zuidelijke en de westelijke regio’s van Brazilië. Het begon met de samenwerking tussen producenten rond de circulatie van muzikale projecten, de uitwisseling van productietechnologie en de handel van culturele producten. Door de middelen voor de muziekproductie (studio’s … ), de instrumenten en de organisatie van festivals te mutualiseren, drukken de artiesten hun kosten, gaan tussenpersonen niet met het gros van de inkomsten lopen en werd een nieuw verdienmodel ontwikkeld.

Het is een model met verschillende lagen: het publiek, de cultuurproducenten en de organisatoren. Een van de belangrijke innovaties van Fora do Eixo is de introductie van een soort kredietkaart die maar liefst vier alternatieve munten hanteert. Dat betekent dat de interne processen niet door klassiek geld worden gemanaged, maar door een intern systeem dat de uitwisselingsstromen in evenwicht moet houden. Boeiend is ook dat de overheid met de Fora een partnership heeft afgesloten vanwege haar grote mobilisatiekracht. Zo ontstaat er zicht op een autonoom p2p-systeem.

Deze ontwikkelingen passen in de radicale evolutie die onze samenleving ondergaat door de laatste golf van technologische innovaties. Net als de vorige vernieuwingen, denk aan stoomkracht of elektriciteit, is deze van informatie- en communicatietechnologieën disruptive: ze verstoort de maatschappelijke orde, maakt nieuwe zaken mogelijk. Bauwens schrijft: ‘Mijn belangrijkste thesis over het internet is dat het web horizontale contacten mogelijk maakt tussen gebruikers die zich vrijwillig met elkaar verbinden om te communiceren of samen te werken, zonder daarbij een beroep te moeten doen op traditionele, hiërarchische organisaties of instellingen. Die horizontalisering maakt een zeer bijzondere vorm van socialisatie mogelijk.’ De gebruikers van het internet kunnen immers zichzelf organiseren. En ‘lokaal’ betekent met het internet meteen ook ‘globaal’: zo kunnen lokale initiatieven op vlak van bijvoorbeeld stadslandbouw samenwerken in een globaal netwerk, opgedane kennis delen … Je krijgt hier een opschaling van wat voorheen enkel in kleine groep mogelijk was. Voor Bauwens vertegenwoordigt dit een revolutie: het werkt radicaal kosten- en drempelverlagend. Dankzij internet wordt autodelen kinderspel, net als tweehandsspullen doorverkopen of het netwerk van je oude schoolkameraden heropbouwen.

HET MODEL VAN PEER-PRODUCTIE

Hoe ziet Michel Bauwens de uitbouw van een p2p-systeem, dat op termijn in staat moet zijn het kapitalisme achter zich te laten? ‘Aan de basis dragen mensen bij tot bepaalde commons. Aan dergelijke commons zijn meestal verenigingen voor maatschappelijk nut verbonden, een doelgedreven organisatie die de infrastructuur van de commons beschermt en beheert. Marktspelers maken gebruik van de commons om geld te verdienen via allerhande complementaire diensten zoals opleiding, onderhoud, softwareaanpassing op maat van de klant enzovoort.’ Het p2p-systeem kan uitgroeien tot een autonoom systeem wanneer de gecreëerde gebruikswaarde beschermd kan worden door bijvoorbeeld een bijzondere licentie. Die zou kunnen bepalen dat de commons vrij beschikbaar blijven voor iedereen die ertoe bijdraagt, inclusief ethische bedrijven gedefinieerd als verenigingen voor maatschappelijk nut. Kapitalistische bedrijven moeten nog wel betalen. En in de mate dat commoners dan zelf hun eigen organisaties oprichten, zoals coöperatieven, kan er geld verdiend worden voor de instandhouding van de commons. In technische termen: zo gebeurt de sociale reproductie van de commons binnen de commons zelf. En dergelijke ethische bedrijven zouden een netwerk kunnen opzetten van onderlinge en transparante samenwerking, zoals bij Fora do Eixo (zie kader).

DE TOEKOMST VEROVEREN

Michel Bauwens is niet zomaar een naïeve denker die droomt van een nieuwe utopie. Als gewezen werknemer van Belgacom en British Petroleum kent hij het harde kapitalisme. Een p2p-wereld waarin de burger en de democratie zegevieren, is een mogelijkheid, maar zeker geen evidentie. Vanuit een helder historisch inzicht stelt Bauwens dat elke technologische schok de gevestigde orde verstoort, en emancipatorische kansen biedt om meer mogelijkheden te creëren voor meer mensen. Maar tegelijk wil de gevestigde orde dezelfde technologie naar zich toe trekken. De toekomst is dus onbeslist en hangt af van een reeks factoren, waaronder sociale strijd en sociale krachtsverhoudingen. Een belangrijk strijdpunt daarbij is, als vorm van nieuwe sociale zekerheid in een p2p-samenleving, dat iedereen recht heeft op een gegarandeerd basisinkomen.

Naïef zijn is dus het domste wat we kunnen doen. We moeten juist kritische en actieve encyclopedisten 2.0 worden.De emancipatie van burgers zal afhangen van hoe sterk zij inzicht krijgen in de digitale wereld, een eerste voorwaarde om er zelf greep op te krijgen. Want niet elk p2p-systeem leidt tot een commons, of is postkapitalistisch. Integendeel, voorbeelden als Facebook zijn juist hyperkapitalistisch. Terwijl de 1 miljard gebruikers zich amuseren – dat hoop ik toch – en genieten van de gebruikswaarde die ze zelf produceren, is er de 1% die schatrijk wordt van de ruilwaarde. En sterker nog: van enige democratie is geen sprake, de code en het design van Facebook zijn strikt geheim. Bauwens roept hier op tot actie: de overheid kan besluiten dat het om een infrastructuur van algemeen belang gaat, of gebruikers kunnen zich organiseren om Facebook over te nemen. In de kennismaatschappij zijn immers niet de arbeiders, maar de kenniswerkers de emancipatorische klasse. Hun productiemiddel – hun hoofd en laptop – neem je hen niet zomaar af. Ze werken ook meer en meer op zelfstandige basis, in variabele netwerken en projecten. De belangrijke vraag is dan ook hoe ze zich kunnen verenigen om strijd te voeren voor een verdere emancipatie.

EEN ANDERE WERELD, EEN ANDER MENSBEELD

Jean Lievens, de kompaan van Bauwens, stelt in de inleiding van het boek het uitgangspunt van p2p op scherp: ‘Ons economisch systeem steunt op het absurde idee van materiële overvloed en immateriële schaarste. We doen alsof de planeet oneindig is en plegen er roofbouw op. Anderzijds bouwen we met auteursrechten en patenten artificiële muren rond menselijke kennis om delen en samenwerking zo moeilijk mogelijk te maken.’ Een heldere analyse waar ik het mee eens ben. Alleen kan je zaken als het auteursrecht niet zomaar van vandaag op morgen afschaffen. En in feite is dat zelfs niet het voorstel. De hamvraag is hoe je zaken als culturele producten opvat: gaat het over een commons, waar burgers vrije toegang toe hebben om er verder toe bij te dragen, of gaan we mee in de verdere vermarkting van alles?

Interessant is ook het mensbeeld verbonden met de p2p-beweging: het erkent de fragmentatie van de mens onder de kapitalistische moderniteit en biedt daar een antwoord op. De identiteit kan heropgebouwd worden, zonder de illusie van homogeniteit te koesteren, door engagement aan verschillende p2p-projecten. Of in technische termen: het gaat niet om de zoektocht naar een nieuwe autoritaire collectivistische socialisering, wel om een vrije socialisering op basis van wat ons verbindt. De wijze waarop mensen zich in dergelijke horizontale netwerken tot elkaar verhouden, kan hen zonder toestemming doen samenwerken om gemeenschappelijke waarde te creëren, en is dus volgens Bauwens productiever dan de bestaande modellen.

INSPIRATIE VOOR KUNST EN CULTUUR?

De overgang die Bauwens schetst naar een andere wereld, met haar nieuwe praktijken en p2p-filosofie, kan een boeiende inspiratiebron zijn voor kunst en cultuur. Ik bespreek een aantal aspecten zonder volledig te willen zijn. Een eerste punt handelt over de mate waarin p2p-projecten, en de sociale logica ervan, verwantschap vertonen met culturele en artistieke productie – voor zover daar een scherp beeld van te maken valt. Een paar zaken vallen op. P2p-productie gebeurt uit vrije wil, vanuit gedrevenheid en passie. Productie en loon zijn ontkoppeld: de kunstenaar maakt geen koopwaar, met de klassieke ruilwaarde van een verhandelbaar product, maar heeft uiteraard wel onrechtstreeks een inkomen nodig. Verder is p2p ook altijd samenwerking rond een gemeenschappelijk doel: de logica van het doel bepaalt de sociale logica, waarbij elk peer-project een eigen invulling heeft. Dit lijkt veraf te staan van de nood van waaruit artiesten opereren, tenzij men die noodzaak en hun open nieuwsgierigheid kan formuleren als een gemeenschappelijk doel. We kunnen ook een stap verder gaan, en denken aan een aantal kunstenaars die in een (wereldwijd) p2p-netwerk samenwerken rond een gemeenschappelijke droom, uitdaging of probleemstelling. Zelf lijkt me de verhouding natuur/cultuur zo’n relevant onderzoeksthema: op meer en meer plaatsen in de wereld vernietigt de dominante cultuur de omringende natuur, vraagt dat niet om een ferme blik in de artistieke spiegel?

Een andere kwestie is de organisatievorm waartoe dat kan leiden. Voor Bauwens zijn de p2p-netwerken de voorbode van de nieuwe instituties die de huidige emancipatorische groep van kenniswerkers uitbouwen als uitdrukking van hun noden als nieuwe sociale groep. Hoe zit het met de instituties die kunstenaars uitbouwen? Kunnen we, de terminologie van Bauwens aanhoudend, de kunstenaars als de flexwerkers van de cultuursector beschouwen, die dan hun eigen p2p-netwerken kunnen opbouwen, zodat ze minder afhankelijk worden van de verticale kunstinstellingen? Daarbij aansluitend is er het vraagstuk rond nieuwe productiemodellen voor de culturele sector. Kan het model dat Bauwens schetst – met culturele commons beschermd door verenigingen voor maatschappelijk nut, en daarrond eigen economische actoren zoals coöperatieven – een inspiratiebron zijn? En wanneer starten we in Vlaanderen met een eigen versie van Fora do Eixo, inclusief een eigen complementaire munt? Hier en daar zie je al mooie aanzetten in hedendaagse netwerken rond nieuwe thema’s, zoals Green Track, waarbij cultuurinstellingen zich engageren om op ecologisch gebied met elkaar samen te werken en kennis uit te wisselen.

Zo komen we terug op de sociale logica van p2p: open samenwerking. Is er verwantschap met huidige artistieke praktijken? In hoeverre bouwt dat verder op historische ijkpunten, zoals het Gesamtkunstwerk uit de periode na mei ’68? Zoals de Nederlandse filosoof Henk Oosterling schrijft in zijn artikel ‘Gesamtkunstwerk’, is ‘een van de meest vooraanstaande exponenten van het Gesamtkunstwerk in deze turbulente tijd toch Joseph Beuys. Iedereen kent zijn in 1974 in een New Yorkse galerie gehouden “Aktion” Coyote. De publieksdeelname is bij Beuys echter beperkt: vaak kunnen zijn activiteiten slechts indirect door ramen of via de schermen van de technologische media worden gadegeslagen.’ Oosterling stelt dat er rond de vraag naar de aard van dit ‘Gesamt’ minstens drie voorstellen zijn gedaan door de geschiedenis: de samenstelling van diverse media door één kunstenaar; de samenwerking van een aantal kunstenaars vanuit hun eigen medium; en een kunstpraktijk waarbij het publiek onontbeerlijk is. Binnen dat laatste voorstel zijn er nog twee opties: het publiek kan passief observeren, of het kan actief participeren, waarbij dan sprake is van interactiviteit. Zo biedt p2p nieuwe inspiratie om de autonomie van de kunstenaar te herdenken in functie van nieuwe vormen van participatie. De frequentie waarmee ik de jongste jaren toeschouwers bij een voorstelling op de theatervloer heb zien staan – soms zonder dat ze dat voorzagen bij het begin van de voorstelling, zoals bij Alexis, a Greek Tragedy van het Italiaanse gezelschap Motus – doet mij vermoeden dat er bij een aantal makers wat gist.

Dirk Holemans is coördinator van de denktank Oikos.

De wereld redden van Michel Bauwens valt te bestellen via www.oikos.be.