Categorie archief: deeleconomie

12006159_10207424606596276_8552091078701843873_n

Niet de deeleconomie, maar de commonseconomie kan de wereld redden

door Jean Lievens
P2P Foundation Belgium

Eerst verschenen op De Wereld Morgen op 29 mei 2016 (blog Jean Lievens – originele tekst)

De deeleconomie staat steeds meer in de belangstelling, maar over de commonseconomie wordt helaas veel minder gesproken. Waarschijnlijk blijft dit voor velen te abstract, maar als we het hebben over de noodzaak van een transitie naar een duurzame economie en naar een meer rechtvaardige en democratische samenleving, dan is de commonseconomie wel de hefboom.

We leven in een verandering van tijdperk, gekenmerkt door economische en financiële crisissen, sociale onrust en politieke instabiliteit. Ons sociaale-conomisch systeem functioneert niet meer en “de politiek” draagt geen oplossingen aan. Anderzijds opent de technologische vooruitgang enorme mogelijkheden om de huidige ecologische, economische en sociale problemen op te lossen, maar binnen de oude structuren en denkschema’s werkt ze de financieel-economische en sociale crisis juist in de hand.

Er is veel sociaal verzet tegen de neoliberale tegen-hervormingen van de afgelopen jaren, maar vaak blijven protestbewegingen beperkt tot “tegen iets zijn” en is er een gebrek aan coherent alternatief. Ook klassieke linkse formules schijnen niet meer te werken of worden de nek omgedraaid binnen een vijandige internationale context, wat de Grieken aan de lijve mochten ondervinden.

Wel zijn overal in de wereld mensen actief betrokken in allerhande initiatieven om te bouwen aan een betere wereld. Velen hebben zich afgekeerd van de politiek en bouwen “het nieuwe binnen het oude”. Ze zijn actief op gebied van sociale rechtvaardigheid en solidariteit (vakbonden, coöperatieven, NGO’s, fairtradeorganisaties, noord-zuidbewegingen etc.), openheid en transparantie (open source beweging, open designgemeenschappen…) en duurzaamheid (circulaire economie, microfabrieken…).

Tussen deze verschillende groepen bestaat echter weinig interactie en ook binnen deze groepen is de fragmentatie vaak groot. Maar ze dragen wel de kiemen van een nieuw systeem, waarbij “de commons” het bindmiddel kan zijn. Een van de organisaties die hierbij een verbindende en katalyserende rol kan spelen, is volgens mij Hart boven Hard, zowel in haar hoedanigheid van netwerk als van beweging.

Maar laat ik eerst even beknopt de kern van het transitiemodel uitleggen dat de P2P Foundation voorstelt. Het boek De Wereld Redden bevat heel wat ideeën, maar vaak pikken mensen alleen dat eruit wat in hun kraam past. Om te beginnen hebben we nooit beweerd dat de “deeleconomie” de wereld zal redden, zoals Rogier De Langhe schrijft in een van zijn opiniestukken in De Morgen van 17 mei (Welke deeleconomie willen we?). In ons boek hebben we het over peer-to-peer, maar maken we een onderscheid tussen peer-to-peer marktplaatsen (waar de deeleconomie zich grotendeels afspeelt) en peer-productie van commons. Ons transitieverhaal steunt vooral op de tweede pijler.

De deeleconomie (alleen) zal de wereld niet redden

De deeleconomie zoals ze zich tot nu toe heeft ontwikkeld, wordt vooral gedomineerd door commerciële platformen die vraag en aanbod van markttransacties tussen individuen (denk aan de “gig”-jobs, het “delen” van autoritten tegen betaling, het verhuren van appartementen…) regelen via algoritmes en daar flink wat geld aan verdienen. De belangrijkste voordelen van deze modellen is dat ze voor de gebruikers vaak performanter en goedkoper zijn dan de traditionele modellen en dat ze zorgen voor een beter gebruik van de bestaande infrastructuur (het “deel”aspect) waardoor ze deel uitmaken van een noodzakelijke evolutie naar een meer duurzame economie.

Maar de keerzijde is ook niet mals: ze ontwijken allerhande wetgevingen waaraan de traditionele modellen wel aan moeten beantwoorden (sociale wetgeving, voorschriften inzake veiligheid en gezondheid etc.), ze investeren zelf niet in infrastructuur en wentelen alle risico’s af op degenen die hun platform gebruiken om geld te verdienen. Zelfs degenen die voor de vrije markt zijn en pleiten voor een gelijk speelveld, kunnen toch niet anders dan vaststellen dat we hier te maken hebben met oneerlijke concurrentie. Je kan dan twee zaken doen: ofwel het speelveld gelijkschakelen door deze platformen te onderwerpen aan dezelfde regels die gelden voor andere bedrijven, ofwel de regels voor andere bedrijven ook afschaffen. Dus hier pleiten we uiteraard voor klassieke regulering.

Alternatieven op commerciële platformbedrijven

Maar er zijn andere manieren om dergelijke kapitalistische platformen van antwoord te dienen. Laten we Uber nemen als voorbeeld. Zo heeft sharing city Seoel Uber ronduit verboden. Maar tegelijk ontwikkelde de stad wel een even gebruiksvriendelijk alternatief: een mobiliteitsapp op stadsniveau waarin de klassieke taxisector werd geïntegreerd. Vakbonden kunnen Uberchauffeurs organiseren en opkomen voor hun belangen (zo heeft Seattle onlangs Uberchauffeurs syndicale rechten verleend waardoor ze expliciet erkend werden als werknemers en niet als freelancers) of zelfs helpen met het opzetten van een coöperatieve die gebruik maakt van een eigen app. Zo gaan alle verdiensten naar de chauffeurs zelf en niet naar Silicon Valley. Op dat vlak zijn de initiatieven echter enorm versnipperd, want elke entiteit gebruikt andere open source applicaties en apps. Het komt er dus op aan om al deze mini-initiatieven te coördineren en te stroomlijnen binnen één netwerk.

Maar goed, we blijven hier nog altijd op het terrein van marktactiviteiten, het kopen en verkopen van diensten om geld te verdienen. Daar is niks mis mee, mensen moeten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Maar als er wordt samengewerkt rond één platform, beheerd door de stakeholders (dus niet alleen de chauffeurs , maar bijvoorbeeld ook de klanten en de overheid), dan wordt dit gemeenschappelijk platform wel de kern van de economische activiteit waaraan de marktactiviteit is ondergeschikt.

Er zijn natuurlijk ook tal van deelinitiatieven die een maatschappelijk doel voor ogen hebben, zoals autodelen op buurtniveau (vb. Dégage in Gent), of logies delen op wereldniveau (couchsurfing). Dit is de originele deeleconomie, die nog altijd bestaat én groeit, maar inmiddels in de media werd overschaduwd door Uber en Airbnb. Deze laatste is trouwens zelf begonnen binnen de reële deeleconomie, wat nog steeds vervat zit in de naam (air staat voor air matrass: het idee was een luchtbed in de living voor toeristen, in ruil voor een kleine deelname in de kosten). Met de intrede van venture capital werd het platform geprofessionaliseerd, er kwamen diensten bij (zoals een verzekering tegen vandalisme), maar bovenal vervoegden steeds meer professionele spelers het platform om appartementen te verhuren aan toeristen. Op die manier omzeilen ze stedenbouwkundige vergunningen en de wetgeving op hotels, jagen ze tegelijk de huurprijzen voor lokale bewoners omhoog en maken bepaalde buurten onleefbaar (denk aan Barceloneta in Barcelona). Tussen haakjes, het is ook belangrijk om op te merken dat alleen mensen die iets hebben iets kunnen ‘delen’ (lees verhuren). Een huurder mag meestal niet onderverhuren, ook niet via Airbnb.

De commonseconomie

Tot daar de “deeleconomie”. Wat echter veel belangrijker is in ons transitieverhaal, is de zogenaamde commons-economie en meer bepaald de creatie van commons van open software, kennis en design. Bekende commons zijn Linux, Wikipedia en Arduino, maar er bestaan duizenden andere voorbeelden. We hebben hier te maken met een postkapitalistisch model, omdat:

Het niet gebaseerd is op arbeid/kapitaal, maar op vrijwillige bijdragen
Het geen goederen of diensten voortbrengt om te verkopen op de markt (ruilwaarde), maar rechtstreekse gebruikswaarde die vrij beschikbaar is, in overvloed aanwezig, vrijwel kosteloos, oneindig reproduceerbaar en dus niet eens “vermarkt” kan worden.
Sommigen rangschikken ook deze commons onder de ‘deeleconomie’ omdat ze vrij beschikbaar zijn (en dus vrij kunnen ‘gedeeld’ worden), maar dan gooi je Uber en Wikipedia op één hoop, wat toch problematisch is. Om verwarring te vermijden is het dus aangewezen om bij elk project de volgende vragen te stellen:
wat is de hoofddoelstelling (maatschappelijk of winstgevend)?
wordt er gemeengoed gecreëerd dat vrij beschikbaar is?

Alleen in het twee geval spreken we van een commons-economie. Is de doelstelling maatschappelijk en wordt er gewerkt via een collectief deelplatform, dan is het deelplatform zelf de commons en kan je ook dit soort van deelinitiatieven tot de commons-economie rekenen. Gaat het om pure markttransacties, dan hebben we te maken met P2P marktplaatsen die strik genomen niets met delen te maken hebben, maar door deze platformen zelf en door de media wel als dusdanig genoemd worden, dus ik veronderstel dat we ermee moeten leven.

Een productiever model…

Het gemeenschappelijk creëren van open gemeengoed van kennis, softwarecode en allerhande ontwerpen blijkt in de praktijk veel sneller, efficiënter en productiever dan de traditionele (lees kapitalistische) manier om deze zaken voort te brengen. Sinds Wikipedia zijn papieren encyclopedieën alleen nog in tweedehandszaken verkrijgbaar. Wikipedia is gratis, wordt elke dag beter en volgt de actualiteit. Een paar minuten nadat de media hebben bericht over de dood van Prince, is de popster ook dood op Wikipedia. Open software is de norm binnen de softwarewereld geworden. Nasa, BMW, het CERN, het Witte Huis… gebruiken Linux, een software die vrij beschikbaar is voor iedereen. Er bestaan een dertigtal open source-auto’s (inclusief een open source zelfrijdende auto) die stuk voor stuk milieuvriendelijke en energiezuiniger zijn dan industriële wagens, alleen komen de banken niet met geld over de brug om de productie ervan te financieren, tenzij ten minste een deel van het ontwerp beschermd wordt door patenten. Tot nu toe lijkt LocalMotors, een semi-open source wagen die in een microfabriek via 3D printing kan worden geproduceerd het enige model dat ook economisch succesvol is. Maar er zijn ook open source robotten, open source landbouwmachines, open source laboratoriumapparatuur en duizenden andere open hardwaresystemen. Daarnaast is er ook het delen van kennis allerhande, zoals open wetenschap tegenover het peperduur verkopen van academische artikels door privé-uitgeverijen.

… gedomineerd door het kapitalisme

Maar net als de deeleconomie waarvan eerder sprake, wordt ook de commonseconomie volop “gerecupereerd” door het kapitalisme, hoewel “gebruikt” me een beter woord lijkt in deze context, want er is hier toch iets anders aan de hand. We krijgen namelijk een model waarbij bedrijven die elkaar beconcurreren op de markt, wel samen bouwen aan een commons. Als toemaatje krijgen ze er de bijdragen bij van vrijwilligers die voor allerhande redenen gratis bijdragen tot het gemeengoed. Neem open software. Ongeveer 75% van de programmeurs die bijdragen tot Linux, worden betaald door grote bedrijven zoals IBM en Red Hat, die net als Google, Intel, HP, Samsung, Cisco enzovoort de Linux Foundation financieren. Waarom? Omdat het stukken goedkoper en efficiënter is Linux te helpen ontwikkelen dan eigen software te ontwikkelen. Voor hen is Linux een goedkope grondstof die ze kunnen gebruiken om andere diensten aan te bieden op de markt, meestal het maken van een gebruiksvriendelijke versie op maat van hun klanten, maar ook onderhoud, training, consultancy, enzovoort.

Laten we een voorbeeld nemen uit de open hardware. Alles wat de mens maakt, moet eerst ontworpen worden. Er komen meer en meer ontwerpen tot stand door open en transparante samenwerking van bijdragers via het internet. Het internet wordt naast een goedkoop communicatie- en coördinatiemiddel dus ook meer en meer een universeel productiemiddel. Tegelijk vervaagt de grens tussen (digitaal) ontwerp en geautomatiseerde productie. Machines zijn immers gekoppeld aan computers. Voeg daaraan toe dat na de miniaturisering van de computer ook de miniaturisering van machines aan de orde van de dag is, waarbij je “meer kunt doen met minder”, en je ziet meteen het potentieel dat zich opent om ons maatschappelijk en economisch model volgens volledig andere lijnen te gaan ordenen. Maar dat kan alleen als we ons organiseren en bewust modellen ontwikkelen die dat ook in de praktijk brengen. Want tot op heden, zwaait het kapitaal nog altijd de scepter, ook in de wereld van de commons.

Je hebt immers nog altijd kapitaal nodig om iets te produceren: een fysische ruimte, grondstoffen en arbeid. Je verlaat de digitale, postkapitalistische wereld van de overvloed en betreedt in zekere zin weer de wereld van arbeid en kapitaal. Maar ook binnen dat kader heb je de keuze welk soort van organisatie je hiervoor opricht. Een coöperatieve is hier ongetwijfeld de meest geschikte bedrijfsvorm omdat haar eigendom- en beheermodel het best aansluit met de peer-to-peer waardecreatie in de commons. Omdat jonge ondernemers vaak niet vertrouwd zijn met het coöperatieve model, domineren durfkapitalisten (venture capital) die torenhoge rendementen terugeisen voor hun investering logischerwijze nog altijd de open hardwaregemeenschappen, hoewel we oog moeten hebben voor de oprukkende fablabs, hackerspaces, co-working spaces en makerspaces die vaak ondersteund door lokale overheden, scholen of universiteiten, en ook via crowdfunding.

Sociale ondernemers

Het is belangrijk hier een punt te maken over sociale ondernemers. Klassiek links haalt vaak de neus op voor ondernemers omdat ze die onterecht vereenzelvigen met “kapitalisten”. De woorden “sociaal” en “ondernemen” vinden ze een contradictio in terminis. Bovendien schieten veel politici van groene en sociaaldemocratische partijen die ondernemers omarmen (zonder evenwel een onderscheid te maken in de aard en de grootte van de bedrijven) tegelijk op de vakbonden die ze bestempelen als “conservatief”. Ze behoren historisch tot de neoliberale strekking (gelukkig op zijn retours) die de derde weg van Blair voorstaat. Maar stel je in de schoenen van een jonge ingenieur die de wereld wil verbeteren. Geloof me, ze zijn niet in de minderheid. Zo wilt 98 procent van afgestudeerde ingenieurs in Finland duurzaam ontwerpen. Alleen… als ze het geluk hebben een baan te vinden in een klassiek bedrijf, moeten ze zorgen voor ingeplante slijtage. Het alternatief is zich aansluiten bij een open hardwaregemeenschap en proberen zelf of met vrienden een bedrijfje op te starten. Als je bijdragen levert voor een open ontwerp, is er immers geen enkel reden om slijtage in te plannen. Je probeert een product zo goed mogelijk te ontwerpen.

De laatste jaren zien we meer en meer jongeren die ecologische en maatschappelijke problemen willen oplossen door zelf een bedrijf op te starten. Maar ook mensen die al jaren voor traditionele bedrijven werken, stappen voor allerhande redenen uit de ratrace en gaan zelf een sociale bedrijfsactiviteit beginnen die goed is voor de samenleving en die hun eigen leven veel meer zin geeft. Het is juist dat we hier vaak te maken hebben met een geprivilegieerde groep, maar dit fenomeen illustreert toch een uittocht uit het bestaande systeem, zowel vrijwillig als gedwongen.

Alleen… je moet natuurlijk wel geld verdienen om te overleven. Het grootste probleem vandaag is dat de commons, die een steeds grotere plaats innemen in de kapitalistische economie, nog steeds ondergeschikt zijn aan het overheersende model en alleen collectief reproduceerbaar zijn maar niet individueel. Wat bedoel ik daarmee? Als individu kan je tijdelijk gratis bijdragen tot commons (als je student bent, werkloos, of in je vrije uurtjes), maar je kan dat niet blijven doen. De commons blijven echter collectief overleven omdat er steeds nieuwe mensen bijkomen die bijdragen leveren, terwijl anderen wegvallen.

Nieuwe bedrijfsmodellen

De vraag van een miljoen is dus: hoe kunnen we bedrijfsmodellen ontwikkelen die het de commoners (bijdragers tot commons) mogelijk maakt om in hun levensonderhoud te voorzien? Gelukkig is dit geen theoretische vraag aangezien er volop aan deze modellen wordt gewerkt. Met andere woorden, er bestaan reeds ethische bedrijven die samen een commons produceren, zoals Enspiral, een jong bedrijvennetwerk dat Loomio (een samenwerkingssoftware) en Co-Budget (een app om democratische investeringsbeslissingen te nemen binnen het netwerk) heeft ontwikkeld en “Stuff that Matters” als baseline heeft. Het initiatief ontstond in Nieuw-Zeeland, maar het netwerk groei als kool en de open software Loomio is inmiddels uitgegroeid tot een zelfstandig bedrijf (een coöperatieve in eigendom en zelfbeheer van de werknemers) binnen het Enspiral netwerk, met wereldwijde vertakkingen.

Ik geef deze voorbeelden mee om ons verhaal wat concreter te maken zodat de verhaallijn duidelijker wordt. Wij denken namelijk dat er een nieuwe economie in wording is rond de commons. Deze economie wordt inderdaad gedomineerd door het kapitaal, maar veroorzaakt binnen het kapitalisme een waardecrisis: de geproduceerde gebruikswaarde groeit exponentieel, maar de gerealiseerde marktwaarde stijgt slechts lineair en wordt grotendeels “opgevangen” door het kapitaal. Maar naarmate het kapitaal investeert in peer-to-peer-netwerken en commons, versterkt ze die tegelijk en maakt aldus het potentieel alternatief sterker. Vroegere systeemovergangen vonden op dezelfde lijnen plaats: het oude systeem maakt gebruik van het nieuwe systeem om zijn bestaan te rekken, maar versterkt daardoor het nieuwe systeem tot een punt wordt bereikt waarop het nieuwe systeem kan doorbreken en dominant worden.

Vandaag wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe bedrijfsmodellen, vaak coöperatieven, die commons voortbrengen en tegelijk in het levensonderhoud voorzien van de coöperanten. Ook wordt volop geëxperimenteerd met nieuwe manieren om de waardecreatie binnen de commons te registreren (open boekhouding) en die te koppelen aan vergoedingen voor de commonors indien de projecten marktwaarde realiseren. Er ontstaan ook nieuwe solidariteitsmechanismen, zoals de broodfondsen in Nederland, een sociaal zekerheidssysteem op minischaal voor “zzp-ers” (zelfstandigen zonder personeel, hier meestal freelancers genoemd). Zo zie je dat de mutualiteiten van de vroege arbeidersbeweging vandaag nog eens dunnetjes overgedaan door mensen die buiten de mazen van het sociale zekerheidssysteem vallen.

Ook de nieuwe coöperatieven die wereldwijd groeien als kool brengen de hoogdagen van de arbeidersbeweging in herinnering. Ook zij probeerden het nieuwe te bouwen binnen het oude, maar streefden vooral naar het veroveren van de politieke macht om de economie gradueel (door hervormingen) of min of meer volledig (door revolutie) via de staat over te nemen. De traditionele coöperatieven werden echter grotendeels weggeconcurreerd door multinationals die over meer kapitaal beschikten en dankzij schaalvoordelen goedkopere producten konden op de markt brengen. Coöperatieven die overleefden, konden dit alleen door zich net te gedragen als kapitalistische bedrijven waardoor ze op de duur nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren. Toch kan de historische arbeidersbeweging een grote inspiratiebron zijn voor de open source- en commonsbeweging. Alleen is haar heroïsche geschiedenis gedurende de laatste decennia (en zelfs langer) grotendeels ondergesneeuwd door bureaucratisering en incorporatie binnen de staat.

Kloof tussen precariaat en salariaat dichten, niet aanwakkeren

Dat laatste verklaart waarom veel jongeren die zich wel als een vis in het water voelen in de open source- en commonsbeweging, zich niet herkennen in de huidige arbeidersbeweging. Deze laatste is dan weer al decennia in een defensieve strijd verwikkeld voor het behoud van sociale verworvenheden en vindt moeilijk aansluiting bij jongeren die opgroeien in een tijd waarin het oude sociale contract meer en meer wordt opgeblazen voor de nieuwe generatie. Sommigen concluderen daaruit dat de klassenstrijd moet wijken voor een generatiestrijd. Niet het falend systeem is verantwoordelijk, wel de oudere generatie die de rijkdom heeft opgesoupeerd waardoor er niks meer overblijft voor de jeugd . Hoewel minder brutaal (hoewel…) lijkt dit de redenering die ook economiefilosoof Rogier De Langhe volgt in zijn recente columns. Rogier geeft toe dat er een systeemcrisis is, maar vindt dat “wij daar allemaal samen” voor verantwoordelijk zijn. Zoiets kan je natuurlijk alleen maar beweren als je de klassennatuur van onze samenleving ontkent. Maar zelfs dan is het hallucinant om het volgende te beweren: ”Zoals in 2008 bleek dat bankiers niet hadden kunnen weerstaan aan de ‘hebzucht’, zo blijkt vandaag dat ook de vakbonden te ver gingen. Ze verwierven meer rechten dan duurzaam over de generaties heen konden worden voorzien. Zelfs de banksters waagden het niet het land plat te leggen uit protest tegen het instorten van het kaartenhuisje dat ze zelf hadden gebouwd.” (De Morgen van 25 mei 2016: Waarom betogers op bankiers lijken”)

Rogier vindt de vakbonden blijkbaar nog erger dan de banksters. Hij pleit wel voor meer solidariteit, maar dan wil binnen de groep van “have nots”: “Ik droom van een herverdeling van sterk naar arm, in plaats van van niet-gesyndiceerd naar gesyndiceerd en van ongeboren naar vandaag.” Dat er in de afgelopen dertig jaar 10 procent van het BNP verschoven is van Arbeid naar Kapitaal is bijzaak, want “De bedragen waar het om gaat, zijn zo gigantisch dat een vermogensbelasting weinig verschil maakt. Zeker in een land als het onze illustreert het discours over de 1 procent vooral dat het makkelijker is de schuld bij een externe vijand te zoeken, dan bij onszelf.”

Er bestaat ongetwijfeld een spanningsveld tussen de klassieke arbeidersklasse die bestaat uit (vaak oudere) werknemers die in een hiërarchisch verband voor een bedrijf werken, en de nieuwe klasse van precaire en autonome werkers die rechtstreeks voor de markt (moeten) werken. Dat kan gedwongen zijn omdat ze geen werk vinden, maar velen doen het ook vrijwillig, ook uit sociale bewogenheid. Die groep gebruikt het internet en de commons voor het opzetten van nieuwe solidariteitsmechanismen. Op dat vlak speelt Smart.be in België een voortrekkersrol. We hebben de vakbonden al vaker op de korrel genomen omdat ze deze groeiende groep precaire werkers rechts laten liggen (in Nederland is binnen het FNV al geruime tijd een fel debat aan de gang). We moeten bruggen bouwen tussen precaire en “beschermde” werknemers, niet door de rechten van de ene groep af te bouwen ten voordele van de andere, maar om samen te ijveren voor een maatschappij die eerlijkere, democratischer en meer gelijk is dan de huidige. Helaas drijft Rogier de tegenstelling tussen beide groepen op de spits en door ongenadeloos de vakbonden te viseren in hun verzet tegen de regeringsmaatregelen, staat hij objectief gezien natuurlijk 100 procent aan de kant van de regering die hij in zijn columns nooit op de korrel neemt.

De commons als nieuw bindmiddel in een positief transitieverhaal

Maar goed, terug naar mijn verhaal. Wat in het oude verhaal van de arbeidersbeweging ontbrak, was een nieuwe manier om waarde te creëren en te herverdelen, die bovendien superieur is aan het oude model. Vandaag bestaat deze nieuwe productiewijze wel. In het oude verhaal versloeg groot klein. Altijd. Vandaag kan een netwerk van veel kleintjes groot verslaan. Denk aan Linux en Wikipedia. De nieuwe platformbedrijven of “netarchische” kapitalisten (kapitalisten die heersen over het netwerk), zijn nog piepjong (Google is 20 jaar oud, Facebook 12, Uber 6) maar hebben in een mum van tijd de wereld veroverd. De vraag is hoe duurzaam die bedrijven zijn op langere termijn, gezien hun parasitair karakter en het feit dat de waarde die ze onttrekken uit menselijke samenwerking niet terugvloeit naar de mensen die deze waarde creëren.

Er bestaat volgens mij geen uniforme formule om deze bedrijven aan te pakken. Sommigen kunnen op termijn weggeconcurreerd (of weg”samengewerkt”) worden door nieuwe, coöperatieve modellen, op voorwaarde dat deze globaal opgeschaald worden (samenwerking in wereldwijde netwerken). Zowel de overheid als de traditionele organisaties van de arbeidersbeweging kunnen daarin een stimulerende rol spelen. Anderen zoals Google of Facebook worden best “openbare nutsbedrijven”, zoals destijds de spoorwegen en de elektriciteitsbedrijven. Natuurlijk zijn deze privéplatformen wereldwijd actief, maar ze zijn wel ingebed in een staat (meestal de VS) waarbinnen een politieke strijd kan gevoerd worden om ze om te turnen in door stakeholders beheerde nutsbedrijven (geen traditionele staatsbedrijven dus). Buiten de VS kunnen en worden ze via regulering meer aan banden gelegd, hoewel de resultaten nog niet spectaculair te noemen zijn (bv. Europa versus Facebook en Google).

Om te resumeren, wil ik de volgende stellingen poneren:

De commons kunnen het bindmiddel zijn van een nieuwe progressieve beweging
De drie groepen die mondiaal actief zijn in transitiebewegingen (rond ecologie, solidariteit en open source) moeten elkaar beter leren kennen en meer gaan samenwerken

Tegelijk kan geijverd worden voor een commons-transitieprogramma dat streeft naar een nieuw economisch-maatschappeijk paradigma dat steunt op drie pijlers:
Een productieve civiele maatschappij van burgers die vrijwillig bijdragen tot commons
Een ethische bedrijvencoalitie rond deze commons
Een nieuw overheidsmodel waarbij de overheid optreedt als partnerstaat die peer-productie van vrije burgers faciliteert en ondersteunt (met geld, infrastructuur, onderwijs etc.) Deze staat vervangt de welvaartsstaat niet, maar overstijgt ze. Strijden tegen de afbouw van de welvaartsstaat blijft dus 100 procent een progressieve strijd.

Daarnaast dringt zich een herlocalisering op van de productie in microfabrieken die eveneens wereldwijd genetwerkt zijn en aldus een tegengewicht kunnen bieden op transnationaal niveau tegenover de multinationals. Op die basis kunnen we de ecologische crisis bezweren (duurzame lokale energiecoöperatieven aangesloten op een smart grid, drastische vermindering van transport- en energiekosten, transparante aanvoerketens ten dienste van een circulaire economie waardoor het generatief vermogen van de planeet volledig wordt hersteld etc.)

Voor meer info:

P2P Foundation
Enspiral
Jean Lievens

1395182_10202122479806420_1070858643_n

De deeleconomie moet open zijn, transparant en in handen van de werkers

door Jean Lievens
P2P Foundation Belgium

Verschenen in De Morgen van 14 mei 2016

Filosoof Rogier De Langhe hield in De Morgen van 11/5/2016 een vurig pleidooi voor de deeleconomie waarin hij een antwoord ziet op de huidige golf van burn-outs, depressies, vervroegde pensioneringen en zelfmoorden (DM 11/5). “Je werkt binnen structuren die jou als doel hebben, in plaats dat jij je te pletter moet lopen voor de structuren.” O ja?

Autonomie is voor veel deelnemers in de deeleconomie inderdaad een plus. Je “kiest” zelf min of meer wanneer je wilt werken en je kunt op verschillende terreinen naar keuze actief zijn. Bovendien is er een macro-economisch argument. De staat van de planeet laat niet langer toe dat we doorgaan zoals we bezig zijn. We verbruiken momenteel anderhalve planeet per jaar en als we niet radicaal overstappen naar een nieuw economisch paradigma, lijkt het doemscenario van het einde van onze soort reëel.

Op macro-economische schaal is het mutualiseren van grondstoffen en diensten de enige manier waarop we onze planeet kunnen behoeden voor roofbouw op grondstoffen die worden opgeofferd op het altaar van de groeilogica. En dit is precies waaraan de deeleconomie kan verhelpen. Alleen werkt het nu heersende model kwetsbaarheid en groeiende ongelijkheid in de hand.

Facebook, Google, Uber, Airbnb, Mechanical Turk: het zijn voorbeelden van kapitalistische bedrijven met een nieuw verdienmodel dat waarde onttrekt uit menselijke samenwerking. Ze hebben zich in ijltempo opgewerkt tot wereldspelers met zo goed als monopolieposities. Uber vergaarde in amper zeven jaar een marktwaarde van 60 miljard dollar (53 miljard euro). De vraag is of deze prille modellen gezien hun parasitair verdienmodel ooit volwassen zullen worden. Bart Eeckhout heeft dus overschot van gelijk: “Van bescheiden alternatief voor de vrije markt, heeft de deeleconomie zich ontwikkeld tot disruptieve steunbeer van deregulering.” (DM 12/5)

Deze ‘netarchische kapitalisten’ (die heersen over het netwerk), heiligen in woorden de vrije markt, maar bezondigen zich in de feiten aan oneerlijke concurrentie. Ze investeren zelf niet in infrastructuur, maar gebruiken de bestaande. Ze werken met freelancers waardoor ze sociale regressie in de hand werken.

Wat hier voor ‘deeleconomie’ doorgaat, wordt in de VS correcter omschreven als ‘gig-economie’. Een ‘gig’ is een optreden, maar betekent hier een korte klus. In de Amerikaanse verzoeknummer-economie – die niets met delen maar alles met huren en verkopen te maken heeft – bedraagt het gemiddelde uurloon amper 2,5 dollar (2,2 euro). Die ‘deeleconomie’ mag dan misschien een remedie zijn tegen de ratrace, maar of een race to the bottom zo veel beter is, durven wij sterk te betwijfelen.

Je kunt er, kortom, niet om heen dat De Langhe de huidige ‘deeleconomie’ te rooskleurig voorstelt. Want wat is je autonomie waard als je compleet afhankelijk bent van een platform dat een steeds groter deel van je omzet afleidt naar geldschieters die zelf niet investeren in een wagenpark, hotels of een uitzendbureau? Bovendien hebben werkers in deze gig-economie niet het recht om met elkaar in contact te treden waardoor hun inkomen permanent onder druk staat. Vraag en aanbod komen niet met elkaar in contact, maar vinden elkaar via ondoorzichtige algoritmes. In tegenstelling tot wat De Langhe suggereert, zijn dergelijke platformen niet ontworpen in het belang van de aanbieders, maar in dat van de eigenaars.

Wat stellen wij dan voor? Om te beginnen is regulering een must zodat de concurrentie met traditionele spelers eerlijk verloopt. Ten tweede moeten de sociale statuten worden gelijkgeschakeld. De vakbonden laten hier een kans liggen omdat ze zich vrijwel uitsluitend richten op het salariaat. Gelukkig zijn er initiatieven zoals Smart die zich met groeiend succes opwerpen als belangenverdediger van freelancers. Ten derde komt het erop aan alternatieven te ontwikkelen in de vorm van platformcoöperatieven, waarbij stedencoalities technische ontwikkelingen kunnen ondersteunen. Tegenover de extractieve kapitalistische modellen wordt meer en meer geëxperimenteerd met nieuwe coöperatieve modellen die zelf platformen en apps ontwikkelen, waardoor het eigendom- en beheermodel in lijn wordt gebracht met de peer-to-peer waardecreatie.

Het ontwikkelen van een app à la Uber is minder onoverkomelijk dan kapitaal bijeenschrapen om een staalfabriek te bouwen. Union Taxi Cooperative in Denver is maar één voorbeeld van een plaatselijk alternatief voor Uber. Steden als Seoel hebben Uber verboden en zelf een even gebruiksvriendelijke app ontwikkeld. Lokale overheden kunnen dus een belangrijke rol spelen bij het ontwikkelen van nieuwe bedrijfsmodellen die voordeliger zijn voor de werknemers. Nog een voorbeeld: in New York City bestaat een coalitie van 24 coöperatieven die eigendom zijn van hoofdzakelijk vrouwelijke werkers. De leden hebben hun uurloon van 10 tot 25 dollar zien stijgen.

Het alternatief dat wij verdedigen moet open (source) zijn, transparant en in handen van de werkers. Plus: het moet gemeengoed voortbrengen – zoals het bedrijvennetwerk Enspiral, ontstaan in Nieuw-Zeeland, dat de open samenwerkingstool Loomio en de gemeenschappelijke investeringsapp CoBudget hebben ontwikkeld – draaien op een multi-stakeholderbestuur en transnationaal georganiseerd zijn. Enkel op die manier kan de deeleconomie uitgroeien tot mondiale, democratische alternatieven voor de huidige multinationals.

schermafbeelding-2015-11-23-om-14.20.09

Kiezen om te delen: sociale deelinitiatieven zijn een maatschappelijke keuze

door Herman Peeters
Origineel op De Wereld Morgen, maandag 23 november 2015

Delen is meer aanwezig dan we vermoeden, en het belang ervan lijkt alleen maar toe te nemen. Iedereen maakt bewust of onbewust gebruik van open source software op zijn computer. Via Facebook delen we informatie met vrienden, of gewoon met iedereen. Wie een kamer vrij heeft kan die via Airbnb verhuren. Dichtbij maken deelinitiatieven opgang zoals autodelen, het delen van gebruiksvoorwerpen, het delen en gezamenlijk beheren van publieke ruimten, met complementaire munten enzovoort. Nieuwe internettoepassingen maken delen gemakkelijker dan ooit.
De recente opgang van het delen opent perspectieven op sociaal, ecologisch en economisch vlak. Maar het stelt ons ook voor vragen. Wie er zich op toelegt kan door te delen een stuiver uitsparen of bijverdienen. Dit lijkt handig voor wie het niet breed heeft, maar tegelijk blijken ook de marktspelers het delen ontdekt te hebben om nieuwe markten aan te boren, kosten te drukken of de bestaande regels te omzeilen. Deze ontwikkeling nodigt ons dan ook uit tot een reflectie over de plaats die we het delen en het beheer van gemeengoed in onze samenleving toekennen.

Eén naam, veel gezichten

Deeleconomie is een fenomeen met veel gezichten. Wanneer we spreken over deeleconomie veronderstellen we meteen de creatie van meerwaarde via het delen. Deze meerwaarde kan economisch, ecologisch of sociaal zijn, naargelang het karakter of de typologie van het deelinitiatief. Het kan commercieel of niet-commercieel van aard zijn, centraal of decentraal beheerd worden en op een lokale of globale schaal opereren. Wie iemand een lift aanbiedt via Uber deelt op een commerciële, centraal gestuurde globale wijze. Wie daarentegen zijn auto inzet bij het Gentse autodeelinitiatief Dégage participeert aan een niet-commercieel, lokaal en decentraal beheerd initiatief.

Uit economisch oogpunt zijn beide systemen effectief. Het bestaande potentieel van de wagen wordt optimaal benut. Op ecologisch vlak is de winst bij beiden eveneens duidelijk: minder auto’s op de weg betekent een lagere belasting van het milieu. Op sociaal vlak is het bepalen van de meerwaarde heel wat onduidelijker. Op microniveau lijken in beide systemen zowel de gebruiker als de aanbieder te winnen. De gebruiker hoeft zich geen wagen aan te schaffen, wat een grote kostenbesparing betekent, terwijl de aanbieder een deel van zijn investeringskost terugverdient.

Op macroniveau doen zich effecten voor die minder onder controle zijn. De zwaarder gereguleerde taxidiensten ondervinden een concurrentienadeel van Uber en dreigen uit de markt geprijsd te worden. Voor economisten is dit echter geen zwaar probleem. De chauffeur die hierdoor zijn job verliest heeft weldegelijk pech, maar is onderweg naar een productievere job. Een ander probleem dat opduikt is dat Uber mensen weghoudt van het publieke openbaar vervoer, zodat dit duurder wordt voor de gemeenschap.

Sociaal potentieel

Anderzijds zijn er uit sociaal oogpunt overwegingen te maken die voor lokale, decentraal georganiseerde non-profit initiatieven pleiten. Praktijken op lokaal vlak kunnen een grote betrokkenheid van de deelnemers organiseren. Ze zijn niet alleen vitaal, maar stimuleren tegelijk het vrijwilligerswerk en versterken het sociaal kapitaal in de buurt. De complementaire munt Toreke in het Gentse Rabot is een goed voorbeeld. Of wie bijvoorbeeld lid wordt van Dégage krijgt elk jaar een uitnodiging voor een barbecue waar de werking wordt besproken en men onderlinge vertrouwensbanden smeedt.

Uit het voorgaande besluiten om volledig in te zetten op non-profit-deelinitiatieven is nog iets te voorbarig. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat vooral de hoger opgeleide middenklasse aan deelinitiatieven participeert. Mensen met een lagere scholing bedienen zich er minder vlot van. Dit is ook de ervaring van een aantal LETS-groepen die gepoogd hebben om kwetsbare gezinnen te betrekken. Ook moet opgemerkt worden dat de deeleconomie de bestaande sociaal-economische orde eerder bevestigt dan verstoort. Wie niet bezit ziet zijn bijdrage aan het gemeengoed niet rechtstreeks omgezet in een groter vermogen. Dit komt omdat herverdeling niet wezenlijk het DNA uitmaakt van de deeleconomie. Dit in tegenstelling tot de sociale zekerheid en ons belastingsysteem. Dit geeft meteen de plaats aan die we deeleconomie moeten toekennen ten aanzien van de publieke sociale bescherming. Deeleconomie kan hier alleen aanvullend en nooit vervangend ingezet worden.

Naar een herverdeeleconomie

Deeleconomie kan gemakkelijk een horizontale solidariteit tot stand brengen. Verticale solidariteit is minder evident. Voor dit laatste zijn systemen nodig waarbij sterkeren meer bijdragen en zwakkeren meer gebruiken. De digitale omgeving waarin de deeleconomie zich vandaag veelal ontwikkelt is een doorkruisende factor. Het is niet vanzelfsprekend om in een internetomgeving waar ogenschijnlijk iedereen gelijk is en de ongelimiteerde vrijheid van ondernemen en consumeren ons toelacht, sociale correcties in te bouwen. Een digitaal platform dat dit zou doen dreigt al gauw een leeg platform te worden. Bovendien versterken digitale en sociale uitsluiting elkaar wederzijds.

Het is bijgevolg meer voor de hand liggend om zich uit sociaal oogpunt toe te leggen op lokale gedeelde systemen van ‘onderlinge hulp’ die een grote participatie van zwakkeren nastreven of op systemen die collectief bezit voorop stellen zoals we die in historische commons terugvinden. Van dit laatste is de Community Land Trust een goed voorbeeld. Een sociaal georiënteerde deeleconomie streeft naar een grotere autonomie van de deelnemer t.a.v. de factoren die zijn bestaan determineren.

Burgerinitiatieven op een sociale leest geschoeid

Kan de deeleconomie dan zo georganiseerd worden dat zij een hefboom wordt voor opwaartse sociale mobiliteit voor zwakke groepen? Zeker. Men dient hierbij als initiatiefnemer een aantal specifieke principes voorop te stellen:

Op de eerste plaats dienen initiatieven die sociale stijging als uitgangspunt nemen, een ander waardenkader te hanteren en solidariteit en sociale inclusie boven winst te stellen.
Tussen de deelnemers moeten duidelijke afspraken gemaakt worden om een vermarkting van het gemeengoed tegen te gaan en overconsumptie te vermijden.
Om zwakkere groepen te bereiken dient er ingezet te worden op specifieke werkvormen. Zo is het niet onlogisch om initiatieven op te zetten die enkel voor zwakke groepen toegankelijk zijn teneinde de bindende kracht van de lotsverbondenheid te laten werken. Deze initiatieven dient kunnen best geënt worden op bestaande netwerken waar relatief veel laaggeschoolden aan participeren, zoals volkstuinen, voetbalclubs, carnavalverenigingen… Sociaal-economisch zwakkeren hanteren immers vaak informele vormen van onderlinge hulp.
Ook dient men domeinen te selecteren die een grote betrokkenheid van de doelgroep garanderen. Door bijvoorbeeld in te zetten op een initiatief voor het delen en beheren van ruimte in een kansarme wijk, verkrijgt men het effect dat de doelgroep zelf de vruchten van het initiatief zal plukken.
Men kan zich laten inspireren door historische modellen van delen, de zogenaamde commons, die het zwakkere deel van de bevolking bevoordeelden. Deze initiatieven hadden tot doel om iedereen in zijn bestaan te laten voorzien.
Tenslotte dient de overheid in dit soort innovatieve praktijken te investeren. Zij vergen immers een specifieke aanpak en begeleiding. Er moet meer geïnvesteerd worden in mensen die met minder kansen aan de start komen.

De overheid als partner

Bij de ontwikkeling van een sociale deeleconomie is er voor de overheid een belangrijke rol weggelegd. Ze kan tal van taken op zich nemen die de creatie van maatschappelijke meerwaarde aanmoedigen. Ze kan grids voorzien voor startende initiatieven. Dit kan de vorm aannemen van administratieve advisering. Ze kan een wettelijk kader uitbouwen voor gemeenschappelijk bezit en gebruik. Ze kan ook bijkomende regelgeving creëren voor bescherming en verzekering van vrijwilligerswerk of het fiscaal vrijstellen van kleine opbrengsten uit gemeengoed.

Ze kan fysieke ruimte vrijmaken voor de ontwikkeling van sociale burgerinitiatieven zoals het voorzien in ontmoetingsruimtes, terreinen voor coöperatieve windmolens, en dergelijke. Ze kan regels wegnemen of versoepelen die de ontwikkeling van gezamenlijke initiatieven hinderen. Denken we bijvoorbeeld aan de mogelijkheden die geloofsgemeenschappen zouden hebben mochten zij zonnepanelen op gebedshuizen kunnen plaatsen en aan leden en omwonenden een dividend uit kunnen keren. En ze kan drempels tot participatie verlagen. Zo zouden OCMW’s voorafbetalingen kunnen doen voor de aankoop van een aandeel van een coöperatieve nutsvoorziening dat naderhand in schijven kan terugbetaald worden.

Via een gericht stimulerend optreden van de overheid kunnen sociaal innovatieve praktijken in de deeleconomie een opstap bieden naar een sterkere maatschappelijke positie van zwakkere groepen. Toch is hier een belangrijke randbemerking bij te formuleren. Onderzoeken hebben aangetoond dat sociaal innovatieve praktijken beter renderen tegen de achtergrond van een herverdelende staat die er voor zorgt dat onderaan de samenleving de mazen van het net goed gesloten zijn.

Herman Peeters

Deze bijdrage verscheen in kortere vorm in Frank, het tijdschrift van Samenlevingsopbouw-Gent.

Bronnen:

http://platformsocialbusiness.nl/definities-van-de-deeleconomie/
https://about.ing.be/Over-ING/Press-room/Press-article/Deeleconomie-kent-groot-groeipotentieel-in-Belgie-2.htm
http://www.oikos.be/english/item/709-schor-over-de-deeleconomie
Bauwens, M., De wereld redden, Antwerpen, 2013
De Moor, T., Homo Coöperans, Utrecht, 2013
Van Bouchaute, B., Depraetere, A. Oosterlynck, S., Schuermans, N.: Solidariteit in diversiteit, in: Over gevestigden en buitenstaanders, Leuven, 2014
Mariën, I. en Van Audenhove, L., Digitale inclusie: het middenveld als structurele partners. In: Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting 2012, Oases, p. 320.

images

De tien geboden van peer-productie en de commons-economie

Originele tekst eerder gepubliceerd op de blog van de P2P Foundation en Wired

Voor een vrije, eerlijke en duurzame productiewijze en waardecreatie

Michel Bauwens, Berlijn, Oktober 23, 2015, voor de “Uncommons conferentie”

Zoals we elders probeerden aan te tonen, heeft het ontstaan van op commons gerichte peer-productie een nieuwe logica in het leven geroepen voor de samenwerking tussen open productieve gemeenschappen die gedeelde hulpbronnen (commons) creëren aan de hand van bijdragen, en marktgerichte entiteiten die toegevoegde waarde creëren bovenop of langs deze gedeelde commons.

Deze tekst handelt over ontluikende praktijken die een inspiratiebron kunnen zijn voor de nieuwe entiteiten van de ethische economie. De belangrijkste doelstelling is het creëren van nieuwe entiteiten die de traditionele bedrijfsvormen met hun winstmaximaliserende praktijken van waarde-extractie overstijgen. In plaats van extractieve kapitaalvormen hebben we generatieve vormen nodig die waarde co-creëren met en voor de commoners.

Voor de verklaring van de nieuwe praktijken, gebruik ik dezelfde formule als die van de Tien Geboden. Ze bestaan reeds allemaal onder verschillende gedaanten, maar moeten nog veralgemeend en geïntegreerd worden. Wat de wereld, de mensheid en alle wezens die de invloed ondergaan van onze activiteiten nodig hebben, is een productiewijze en productieverhoudingen die zowel vrij, eerlijk als duurzaam zijn.

Open en vrij

1. Gij zult open bedrijfsmodellen gebruiken die steunen op gedeelde kennis.

Gesloten bedrijfsmodellen zijn gebaseerd op artificiële schaarste. Hoewel kennis een niet- of zelfs anti-rivaliserend goed is waarvan de gebruikswaarde toeneemt naarmate het meer wordt gedeeld, en hoewel het in digitale vorm gemakkelijk kan gedeeld worden tegen zeer lage marginale kost, creëren veel extractieve bedrijven opzettelijk artificiële schaarste om rente te kunnen onttrekken aan het creëren of het gebruik van gedigitaliseerde kennis. Via legale onderdrukking of technologische sabotage worden goederen die natuurlijk kunnen worden gedeeld kunstmatig schaars gemaakt om extra winsten te genereren.

Dat is hemeltergend in een context waarin technische kennis in staat is levens te redden en de planeet te helen. Het eerste gebod is daarom het ethische gebod om te delen wat kan worden gedeeld, en om alleen marktwaarde te creëren bij hulpbronnen die schaars zijn, en toegevoegde waarde te creëren bovenop of langs deze commons. Open bedrijfsmodellen zijn marktstrategieën die gebaseerd zijn op de erkenning van natuurlijke overvloed en de weigering om een inkomen te genereren door die kunstmatig schaars te maken.

Meer informatie (in het Engels) is te vinden hier

Eerlijk

2. Gij zult werken via open coöperatieven

Er worden veel meer nieuwe ethische en generatieve entiteiten opgericht die meer in harmonie zijn met de uit bijdragen gecreëerde commons. De sleutel hierbij is om te kiezen voor postbedrijfsvormen die toelaten dat de bijdragende commoners in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

Vooral open coöperatieven komen hiervoor in aanmerking. Ze hebben de volgende kenmerken:

1. Ze zijn doelgericht en hebben een sociale doelstelling die verbonden is aan de creatie van gedeelde hulpbronnen
2. Ze worden beheerd volgens een multi-stakeholdermodel, waarbij iedereen betrokken wordt die beïnvloed wordt door de werkzaamheden of bijdragen levert tot de betrokken activiteit
3. Ze verbinden zich statutair en volgens hun eigen regels met de productieve gemeenschappen voor het co-creëren van commons.

Ik voeg daar vaak nog een vierde voorwaarde aan toe, namelijk dat ze organisatorisch een globale visie hebben ten einde een tegenmacht te kunnen creëren tegenover de extractieve multinationals.

Coöperatieven zijn maar één van de potentiële vormen die commons-vriendelijke marktentiteiten kunnen aannemen. We zien ook de opkomst van meer open entiteiten zoals neo-tribale vormen (denk aan de werkwijze van de gemeenschap rond Ouishare), of meer strak georganiseerde nieuwe modellen zoals Enspiral.org, Las Indias of de Ethos Foundation. Een nog opener vorm is het soort van netwerk waarvoor de gemeenschap rond de open wetenschappelijke hardware Sensorica heeft gekozen. Ze wil de bijdragen strakker koppelen aan de gegenereerde inkomsten door alle microtaken in het beloningssysteem toe te laten aan de hand van open value accounting of contibutory acccounting (verder meer hierover).

Gij zult hierover meer informatie (in het Engels) vinden hier

3. Gij zult gebruik maken van Open Value Accounting (“open-waarde-boekhouding”) of Contibutory Accounting (“bijdragende boekhouding”)

Peer-productie is gebaseerd op vrije, gedistribueerde taken van bijdragers die werken binnen een samenwerkingsinfrastructuur gedreven door een open gemeenschap. De traditie van een baan met vaste taakbeschrijving in ruil voor een salaris is allicht niet de meest aangewezen manier om de bijdragers tot dergelijke processen te belonen. Vandaar de geboorte van de open-waarde-boekhouding of bijdragende boekhouding, een praktijk die al bestaat bij Sensorica. Het systeem bestaat erin dat elke commoner bijdragen kan leveren, ingelogd naargelang een projectnummer, en ‘karmapunten’ krijgt na een peer-evaluatie. Als er inkomsten worden gegenereerd, dan vloeien die naargelang de gewogen bijdragen, zodat elke commoner op een eerlijke manier wordt vergoed. Bijdragende boekhouding of andere gelijkaardige oplossingen zijn belangrijk om te vermijden dat enkel een beperkt aantal bijdragers die dichter bij de markt staan zich alle waarde die door een veel grotere gemeenschap werd gecreëerd, zouden toe-eigenen. Open boekhouding verzekert een transparante (her)verdeling van de waarde voor alle deelnemers.

Gij zult meer informatie (in het Engels vinden hier

4. Gij zult een eerlijke verdeling van gemeenschappelijk gecreëerde waarde verzekeren via CopyFair Licenties

De copyleft licenties laten iedereen toe om de noodzakelijke kenniscommons te hergebruiken, op voorwaarde dat elke verandering en elke verbetering aan dezelfde commons wordt toegevoegd. Dat is een groot voordeel, maar we mogen daarbij de noodzaak tot eerlijkheid niet uit het oog verliezen. Wanneer we overgaan tot fysieke productie die middelen vergt voor gebouwen, grondstoffen en lonen, zien we dat een dergelijke licentie de onbeperkte commerciële exploitatie van de commons door extractieve modellen in de hand werkt. We moeten dus verzekeren dat het delen van kennis behouden blijft, maar wederkerigheid vragen voor de commerciële exploitatie van de commons zodat er een gelijk speelveld ontstaat voor de economisch ethische spelers die de sociale en ecologische kosten internaliseren. Dit wordt bewerkstelligd door copyfair licenties die wederkerigheid vragen in ruil voor het recht op commercialisering, met behoud van het volledig delen van de kennis.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie vinden hier

5. Gij zult solidariteit bedrijven en de levens- en werkrisico’s verminderen via commonfare-praktijken

Aangezien een van de grote gevolgen van de financiële en neoliberale globalisering de geleidelijke verzwakking van de macht van nationale staten is, bestaat er vandaag een sterke en geïntegreerde poging om de solidariteitsmechanismen, ingebed in het model van de welvaartsstaten, terug te schroeven. Zolang we de macht niet hebben om het tij te doen keren, is het noodzakelijk dat we substantiële gedistribueerde solidariteitsmechanismen heropbouwen, een praktijk die we “commonvaart” (versus welvaart) kunnen noemen. Voorbeelden als het Broodfonds (Nederland), Friendsurance (Duitsland) en de “health sharing ministries” (U.S.), of coöperatieve entiteiten zoals Coopaname in Frankrijk laten nieuwe vormen van gedistribueerde solidariteit zien die kunnen worden ontwikkeld om ons te beschermen tegen levens- en werkrisico’s

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

Duurzaam

6. Gij zult open en duurzame ontwerpen gebruiken voor een open source circulaire economie

Productieve open gemeenschappen verzekeren maximale participatie via modulariteit en granulariteit. Omdat ze opereren in een context van gedeelde en overvloedige middelen, is de praktijk van geplande slijtage -die geen fout is maar een kenmerk van winstmaximaliserende bedrijven- volledig vreemd aan hen. Ethische ondernemersentiteiten zullen daarom deze open en duurzame modellen gebruiken en duurzame goederen en diensten produceren.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

7. Gij zult verder gaan dan uitsluitend te steunen op onvolkomen prijssignalen van de markt en overgaan tot wederzijdse coördinatie van de productie via open aanvoerketens en open boekhouding.

Wat besluitvorming is voor planning en het prijsmechanisme voor de markt, is wederzijdse coördinatie voor de commons.

We zullen nooit komen tot een duurzame ‘circulaire economie’ waarbij de output van het ene productieproces gebruikt wordt als de input voor een ander, als we gesloten aanvoerketens gebruiken en als elke samenwerking onderworpen is aan pijnlijke onderhandelingen in een weinig transparante omgeving. Maar ondernemingscoalities die reeds onderling afhankelijk zijn door hun bijdragen aan collaboratieve commons kunnen ecosystemen van samenwerking creëren aan de hand van open aanvoerketens waarin de productieprocessen transparant worden en waarbij elke participant zijn gedrag kan aanpassen gebaseerd op de beschikbare kennis binnen het netwerk. Overproductie doet zich niet voor wanneer de werkelijke productie van het netwerk algemene kennis wordt.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

8. Gij zult cosmo-lokalisering bedrijven

Als het licht is, is het globaal, als het zwaar is, is het lokaal: dit is het nieuwe principe van commons gebaseerde peer-productie, waarbij kennis wereldwijd wordt gedeeld maar de productie kan plaatsvinden op basis van de vraag en gebaseerd op werkelijke noden via een netwerk van gedistribueerde co-working ateliers en microfabrieken. Sommige studies hebben aangetoond dat tot tweederden van de grondstoffen en energie niet naar de productie gaan, maar naar transport. Dit is duidelijk onhoudbaar. Een terugkeer naar plaatselijke productie via herlocalisering is een voorwaarde sine qua non voor de overgang naar duurzame productie.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier
http://p2pfoundation.net/Category:Sustainable_Manufacturing

9. Gij zult fysieke infrastructuur wederzijds delen

Platformcoöperatieven, datacoöperatieven en fairshare-vormen van gedistribueerde eigendom kunnen worden aangewend om samen de productie-infrastructuur te bezitten.

De zogenaamde deeleconomie van Airbnb en Uber is verkeerd genoemd, maar toont niettemin het potentieel aan van middelen die anders niet zouden worden gebruikt. Co-working, skill-sharing, ride-sharing zijn voorbeelden van de vele manieren waarop we middelen kunnen delen en hergebruiken om de thermodynamische efficiëntie van onze consumptie dramatisch te verhogen.

In de juiste context van co-eigendom en co-governance, kan een echte deeleconomie gigantische voordelen opleveren op het vlak van een verminderd gebruik van hulpbronnen. Onze productiemiddelen, inclusief machines, kunnen wederzijds gedeeld worden, in eigen eigendom, door al degenen die de waarde creëren.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

10. Gij zult generatief kapitaal mutualiseren

Generatieve kapitaalvormen kunnen niet steunen op een extractief geldaanbod dat gebaseerd is op samengestelde interest verschuldigd aan extractieve banken. We moeten af van de 38% rente die in alle goederen en diensten vervat is en ons geldsysteem veranderen, en het gebruik van wederzijdse kredietsystemen substantieel verhogen.

Gij zult meer (Engelstalige) informatie hierover vinden hier

Vertaling Jean Lievens

Alles suggesties voor verbeteringen aan de vertaling welkom op [email protected]

oshw-logos

Een nieuw verhaal voor links

eerst gepubliceerd in de Wereld Morgen

Links heeft een nieuw, optimistisch verhaal nodig. Het oude werkt niet meer. Welbeschouwd speelt de arbeidersbeweging al minstens drie decennia in verdediging. Met dit defensieve spel verliest ze de ene match na de andere. Als het roer niet snel wordt omgegooid, dreigt de degradatie, of erger. Een heroriëntatie naar nieuwe burgerinitiatieven en -bewegingen dringt zich op.

Het blijft nog wachten op de slaagkansen van de hervormingen in Griekenland en het effect ervan op de rest van Europa, maar tot nu toe is sociale afbraak overal de boodschap. Vaste jobs worden schaarser, studeren duurder, de ongelijkheid neemt toe, solidariteitsmechanismen gaan op de schop, de natuur gaat om zeep en het klimaat slaat op hol.

En er zijn geen sociale zekerheden meer. Leuke tijd om in op te groeien. Jongeren krijgen een negatief sociaal contract aangeboden, en velen concluderen dat de vorige generatie alles heeft opgebrast. Soylent Green, een sciencefictionfilm uit de begin jaren zeventig waarin 65-plussers tot groene koekjes worden verwerkt, komt achter het hoekje gluren.

Destructieve creatie

De creatieve destructie van Schumpeter heeft plaats geruimd voor destructieve creatie. Binnen twintig jaar zullen robots tot 50% van de huidige jobs in België hebben overgenomen. Op zich een leuk vooruitzicht, ware het niet dat alle winst naar de eigenaars van de robotten gaat. Met de automatisering kalft het salariaat zienderogen af. Het vaste arbeidscontract moet wijken voor precaire statuten van freelancers en zzp-ers (zelfstandigen zonder personeel), vandaag al goed voor een derde (tegen 2020 de helft) van de Amerikaanse werkers.

In Nederland, altijd een stapje “voorop”, is dit al een op vier. Velen vinden hun autonomie een pluspunt, maar ze hossen wel zonder sociale bescherming van de ene tijdelijke opdracht naar de andere. Permanent. Ze vallen naast het sociale vangnet van de overheid en kunnen een privéverzekering niet betalen Daarom vonden ze de broodfondsen uit, solidariteitsfondsen van ongeveer 150 man die maandelijks 25 euro in een pot leggen en bij ziekte een uitkering krijgen van 750 euro. Het is de hergeboorte van de negentiende-eeuwse mutualiteiten.

Klusjes en bullshit jobs

Daarnaast groeit het leger dat met de eigen auto taxichauffeur speelt voor Uber, een kamer op overschot verhuurt via Airbnb of (bij)klust voor een habbekrats via Taskrabbit of Mechanical Turk. Denk niet dat het gaat om onkruid wieden of de hond uitlaten: in de VS heb je al platforms voor dokters (Health Tap) en advocaten (Upcounsel).

Voor velen bieden deze platforms nog altijd een leuke bijverdienste, maar steeds meer mensen worden ervan afhankelijk om te overleven. Oorspronkelijk hadden veel platforms een sociale doelstelling: delen tegen kostprijs of zelfs gratis. Maar ze worden zienderogen gekaapt door beleggers die alleen maar uit zijn op financieel gewin. Met hun geld breiden de platforms uit en worden ze professioneler, maar de sociale logica moet wijken voor de winstlogica.

Durfkapitalisten (ze hebben hun naam niet gestolen) hebben een flink deel van de ontluikende deeleconomie gekaapt. De term had oorspronkelijk vooral betrekking op het delen (sharing) van gemeenschappelijke dingen (auto’s, boren, tuinen..) wat zowel het milieu als het sociale weefsel ten goede komt. Gelukkig bestaan er nog altijd heel wat deelplatformen waar de nadruk blijft liggen op dat laatste.

Maar dat geldt al lang niet meer voor de Airbnb’s en Ubers van deze wereld. Airbnb investeert niet in hotels, Uber niet in taxi’s. Het zijn slechts platforms die vraag en aanbod samenbrengen, maar wel met een steeds groter stuk van de koek gaan lopen. Voor jonge mensen die af en toe hun appartement verhuren aan toeristen (en dan tijdelijk bij hun ouders of vrienden logeren), biedt Airbnb een mooi extraatje. Maar als je voor je hele inkomen afhankelijk bent van dergelijke platforms, krijg je al gauw een moderne vorm van feodalisme. “Vazaleconomie” zou misschien een beter woord zijn. Op de keper beschouwd, hebben we hier te maken met een parasitair systeem van de ergste soort.

Basisinkomen

Vandaag verdien je vooral geld met geld (rente), eigendom (aandelen en obligaties) en controle over netwerken via intellectueel eigendom en marketing. Immateriële zaken dus, waarvan de waarde eigenlijk “politiek” bepaald wordt. Volgens Roland Duchatelet is in België maar 7% van de bevolking meer betrokken bij de productie van voedsel en materiële goederen. De rest zijn diensten, vaak verpakt in wat de Amerikaanse antropoloog en anarchist David Graeber “bullshit jobs” noemt: banen waarvan de betrokkenen zelf vinden dat ze eigenlijk overbodig zijn. Winsten vallen steeds minder te rapen in de productie, die grotendeels naar het zuiden is verhuist waar arbeid in overvoed en dus goedkoop is.

Onlangs kwam Rutger Bregman daarover vertellen in Reyers Laat. De Nederlandse golden boy verdedigde er op speelse wijze een andere visie op arbeid die hij koppelde aan een onvoorwaardelijk basisinkomen. Zijn standpunt botste op ongeloof bij een oogbolrollende Liesbeth Homans die zich – mondhoeken richting studiovloer – afvroeg wie dit ging betalen. Rutger Bregman repliceerde gevat dat de minister er negentiende-eeuwse opvattingen op nahield. In onze samenleving bestaan andere herverdelingsmechanismen dan via de overheid.

Er stroomt inderdaad heel wat geld naar boven, naar mensen met “bullshitjobs” die in wezen geen bijdrage leveren tot de reële economie en zelfs welvaart vernietigen. Spreekt er eigenlijk nog iemand over de bankencrisis? Nee, natuurlijk niet. De Islam, ja. En 60-plussers die op hun gat in Benidorm profiteren. Activeren dat zootje!

Rutger Bregman noemt zich liberaal in hart en nieren. Hij gelooft in meritocratie en vindt dat mensen moeten bijdragen voor hun geld. Een basisinkomen is daar niet mee in contradictie omdat dit juist de mogelijkheid biedt om te doen wat je graag doet en waar je het best in bent. Iedereen profiteert daarbij, de maatschappij al zeker. Mensen met minder prettige en zware beroepen zouden juist meer moeten verdienen. Daar kan “de wortel en de stok” nog spelen. Allemaal interessante denkpistes waar ik het in de grond mee eens ben. Alleen hebben we een transitieprogramma nodig dat steunt op een nieuw paradigma, want binnen het oude zie ik het niet gebeuren.

Peer-productie en het gemeengoed

We moeten inderdaad anders gaan aankijken tegen arbeid, maar hoe? Welk werk bedoelen we? Spreken we over loonarbeid, of nuttige bijdragen aan gemeengoed projecten, die tot nu toe meestal onbetaald blijven? Hoe komen we tot een systeem waarin mensen meer beloond worden naar werk (en minder naar bezit), maar met sterke ingebouwde solidariteitsmechanismen die de zwakkeren de nodige bescherming bieden? We bevinden ons immers voor de volgende paradox.

Onze welvaartsstaat steunt op solidariteitsmechanismen die werden uitgevonden, uitgebouwd en uiteindelijk via de staat veralgemeend door de arbeidersbeweging (mutualiteiten, pensioenkassen, werkloosheidskassen). Overal in Europa wordt dit stelsel afgebouwd. Maar dit is maar één zijde van de medaille. De andere blijft tot nu toe onderbelicht.

In de afgelopen twintig jaar zijn we immers ook getuige van een nieuw ontluikend economisch systeem dat een andere logica volgt. Dit systeem wordt aangedreven door het internet dat horizontale communicatie en collaboratie mogelijk maakt tegen zeer lage kostprijs. Daardoor kunnen steeds meer zaken beter en goedkoper geregeld worden via samenwerkingsplatformen dan via traditionele organisaties. Burgers bouwen samen software, kennis en ontwerpen.

Met meer dan 30.000 open-hardwareprojecten, van auto’s over landbouwmachines tot robotten en satellieten zien we dat de logica van delen en produceren via het internet zich ook doorzet in het productieproces. Na de miniaturisering van de computer zijn vandaag de machines aan de beurt. Het delen en kopiëren van digitale muziek, software, film, design, kennis… op het internet vloeit over naar het delen van infrastructuur in fablabs, co-working-, hackers- en makerspaces.

Helaas bestaan er nog geen uitgewerkte studies om al die nieuwe ontwikkelingen in kaart te brengen, maar in Barcelona groeide het aantal co-workingspaces van 3 naar 50 in drie jaar tijd, in Wenen was er drie jaar geleden één hackerspace, vandaag zijn er vijftien, in de VS groeide stadslandbouw door (hoofdzakelijk) collectieve groepen met 48% in twee jaar tijd… De laatste tien jaar groeit het aantal burgerinitiatieven als kool, zoals te zien is in een recente studie van Tine de Moor. Ook de coöperatieve beweging zit in de lift: vandaag werken meer mensen voor coöperatieven dan voor multinationals.

Naar een nieuw model rond de commons

Maar de belangrijkste revolutionaire verandering is volgens mij de opkomst van digitaal gemeengoed: globale, complexe projecten rond open kennis, software en design, die voor iedereen vrij beschikbaar is. Rond dit nieuw gemeengoed groeit een nieuwe economie van freelancers en allerhande bedrijven die deze “commons” als grondstof gebruiken voor het maken van producten en diensten met toegevoegde waarde.

Het gebruik van open software door bedrijven (denk aan IBM en Linux) is vrij bekend, maar nieuw is toch de snelle opkomst van allerhande open-hardwareprojecten. Het idee is eenvoudig: alles dat gemaakt wordt, moet eerst geconcipieerd worden. In klassieke bedrijven wordt die kennis beschermd door patenten. Die zijn bedoeld om innovatie te stimuleren omdat bedrijven hun onderzoekskosten willen recupereren. Maar in de praktijk zijn ze uitgegroeid tot innovatieremmers die patenthouders zolang mogelijk monopoliewinsten bezorgen.

Niet zo bij open hardware: iedereen kan de concepten verbeteren en iedereen kan ze downloaden. Met de nodige machines, eventueel gedeeld in een fablab, kan een doe-het-zelver het product zelf maken. Soms kan je een pakket onderdelen (vaak vervaardigd met 3D-printers) kopen en ze als een meubel van Ikea zelf ineen steken, of je kan het afgewerkte product kopen bij een open hardwarebedrijf. Deze laatste wint dan wel niks op het intellectueel eigendom, aangezien het ontwerp vrij beschikbaar is, maar wordt wel vergoed voor zijn arbeid. Loon naar werk dus.

Open-hardwarebedrijven zijn vaak starters die een klassieke bedrijfsvorm aannemen en voor hun financiering een beroep doen op crowdfunding en durfkapitalisten. Maar niets belet jonge ondernemers om een coöperatieve op te richten, een bedrijfsvorm die veel beter aansluit bij de praktijk van vrije bijdragen aan een gemeengoed en de deelcultuur in de virtuele wereld.

Als die productiecoöperatieven zich dan nog eens met elkaar zouden verbinden in een wereldwijd netwerk rond het open-designgemeengoed, dan krijg je een soort van gedistribueerde multinational die in staat is het klassieke model te verslaan omdat ze efficiënter en goedkoper kan werken. Als je ten slotte ook de boekhouding en aanvoerketen van die coöperatieven open en transparant maakt en alle stakeholders betrekt, dan kom je tot een nieuw economisch model dat zowel de markt als de klassieke planeconomie in de schaduw stelt.

In dit verhaal moet de overheid het geweer van schouder veranderen en evolueren van betuttelende marktstaat naar faciliterende partnerstaat: een overheid die burgerinitiatieven mogelijk maakt en stimuleert. Ook die evolutie is bezig, zij het vooral op plaatselijk vlak. Zo heeft Bologna onlangs een “reglement voor de commons” ingevoerd, die al door 25 andere gemeenten is overgenomen (Michel Bauwens en Dirk Holemans in Knack van 22/2/2015).

Burgers doen voorstellen aan de gemeente, bijvoorbeeld om hun wijk te verfraaien. Na overleg kan de gemeente middelen vrijmaken waarmee die burgers hun plannen zelf kunnen waarmaken. Dat vergt ook een ommekeer in het politieke denken, want de meeste politici willen zich vooral profileren rond wat zij doen voor de burger.

Utopisch? Misschien. Maar op microniveau wordt er al volop geëxperimenteerd en in theorie kunnen we ons vandaag voorstellen hoe dit model op macroniveau zou kunnen werken. Daarom kan het P2P-verhaal vandaag dezelfde rol spelen als het socialistisch verhaal in de negentiende eeuw. Ook toen waren er honderden en duizenden basisinitiatieven.

De arbeiders vochten niet alleen op hun werkplaats voor betere werkomstandigheden, maar creëerden ook machtige organisaties waarmee ze hun politieke stempel drukten op de twintigste eeuw. Maar hun macht kalft af. De productie is voor een groot deel verhuisd naar ontwikkelingslanden en hier proberen bedrijven de syndicale macht verder te breken, gisteren door outsourcing, vandaag door crowdsourcing.

Nieuw links

De erosie van de macht van de arbeidersbeweging weerspiegelt zich in een crisis van de sociaaldemocratie, die probeert afstand te nemen van de syndicale achterban om te kunnen verruimen (met bijzonder weinig succes), maar ook weinig aansluiting vindt bij de nieuwe bewegingen en de vele initiatieven die opborrelen vanuit de civiele maatschappij.

De nieuwe progressieve formaties in Griekenland en Spanje knopen daar wel bij aan. Het is zeer significant dat Gianni Dragasakis, de nieuwe vicepremier van de Syriza-regering in Griekenland, in zijn parlementstoespraak expliciet verwees naar het ontwikkelen van bottom-up, op gemeengoed gebaseerde peerproductiemodellen om tegemoet te komen aan de noden van de Griekse bevolking.

Dr. Vasilis Kostakis, medewerker van de P2P Foundation en samen met Michel Bauwens auteur van het boek Network Society and Future Scenarios for a Collaborative Economy, schrijft: “Het lijkt erop dat Syriza een politiek nastreeft die in de lijn ligt van het idee van de “partnerstaat” en dat op het vlak van onderwijs, overheidsbeleid en R&D. Om er een paar te vernoemen:

– Het vrijgeven van openbare data
– Het vrijgeven van alles kennis die gefinancierd wordt met belastingsgeld
– Het creëren van een omgeving die samenwerking stimuleert tussen kleine ondernemers en coöperatieven, waarbij initiatieven die steunen op open-source-technologieën en -praktijken worden aangemoedigd
– Het ontwikkelen van bepaalde participatieve processen (en het versterken van de bestaande) om burgers te betrekken bij het beleid
– Het aannemen van open standaarden en patronen voor openbare diensten en onderwijs.

Het is bij mijn weten voor de eerste keer dat een Europese regering expliciet een politiek verdedigt die aansluit bij de nieuwe economische logica in wording. Onafhankelijk van de manier waarop in België deze nieuwe politiek gestalte zal krijgen, ben ik hoopvol dat er een progressieve meerderheid kan gevonden worden rond de kernideeën van de nieuwe p2p-logica: de creatie van een nieuwe economie van ethische bedrijven rond collectief gecreëerd gemeengoed, of in de woorden van Jeremy Rifkin, commons-based peer production. Daarbij kan elke politieke partij haar eigen klemtonen leggen: duurzaamheid, sociaal ondernemerschap, solidariteit.

Maar niet alleen de rechtse partijen, ook de vakbonden en de sociaaldemocratie zijn in mijn ogen nog te veel gericht op het verdedigen van het oude systeem dat steunt op arbeid en kapitaal. Veel verder dan een vermogenswinstbelasting komt men niet.

Ik denk echter dat de ommekeer zich niet kan realiseren via een loutere herverdeling binnen het oude systeem, als dit niet gekoppeld wordt aan een heroriëntatie naar het nieuwe systeem. Dit is nu eenmaal nodig om de traditionele links-rechtsverhouding te overstijgen en een zo groot mogelijke politieke meerderheid te verwerven om een begeleide, vreedzame transitie mogelijk te maken.

Jean Lievens

2015-02-19-Figuur-Studie-Maatschappelijke-Impact-Deelinitiatieven_resultaten-1024x576

Deelinitiatieven creëren 4 miljoen euro maatschappelijke impact

overgenomen persbericht van True Price (17 februari 2015)

Achmea en True Price maken impact deeleconomie zichtbaar (for the English version, click here)

De online deelplatforms Peerby, Thuisafgehaald, SnappCar en Croqqer hebben in Nederland samen al meer dan honderdduizend huur-, leen- of deelovereenkomsten tot stand gebracht. Om te meten welke maatschappelijke impact de deelplatforms écht creëren voor klanten en de maatschappij, heeft Achmea samen met True Price en de platforms gekeken naar hun maatschappelijke impact. De studie laat zien dat de vier onderzochte deelinitiatieven samen in 2014 een maatschappelijke impact van 4 miljoen euro creëerden, die hoofdzakelijk bestaat uit meer en betere sociale relaties. Ook laat het onderzoek zien dat iedere transactie ten minste 15 euro oplevert aan sociale waarde.

Online deelplatforms spelen in op de vraag naar het delen van producten of diensten, zoals een auto of gereedschap. Vaak vindt een deelovereenkomst plaats tussen mensen die dichtbij elkaar wonen en leren mensen elkaar kennen. Dat kan zijn tijdens een ontmoeting bij de parkeerplaats voor de overhandiging van de autosleutels, of bij een regelmatige ontmoeting in een keuken voor de overhandiging van eten. Uit het onderzoek blijkt dat het onderlinge contact dat door het delen tot stand komt, bijdraagt aan het vertrouwen tussen mensen én het welzijn en de gezondheid van mensen. Daarnaast kan het delen effect hebben op de ervaren autonomie van mensen. Mensen die geïsoleerd zijn, kunnen op een betekenisvolle wijze met anderen in contact komen. In welke mate het bijdraagt is afhankelijk van de frequentie, en kwaliteit van het contact.

Dit onderzoek maakt duidelijk dat de deeleconomie naast financiële waarde ook belangrijke maatschappelijke waarde oplevert. Ook maakt het zichtbaar dat de deeleconomie in potentie een grote bijdrage kan leveren aan de maatschappij, wanneer de schaal van deze initiatieven verder toeneemt in de toekomst.

Het onderzoek is gebaseerd op de nieuwste principes van True Price om impact te meten, die zijn opgeschreven in het document ‘Principles on Methods for impact Measurement and Valuation’. Als waarderingsmethode is de Life Satisfaction Approach toegepast.

15 euro impact per transactie

De resultaten van de meting laten zien dat de vier deelplatforms een geschatte sociale waarde van 4 miljoen euro hebben gecreëerd over 2014. Ook laat het zien dat iedere transactie gemiddeld ten minste 15 euro heeft gecreëerd aan sociale waarde. De deelinitiatieven scheppen voornamelijk sociale waarde door het tot stand brengen van hogere kwaliteit en kwantiteit van sociaal contact. Bovendien blijkt dat de deelinitiatieven over het algemeen meer maatschappelijke waarde creëren voor de aanbieder dan voor de vrager.

Voor media vragen neem contact op met True Price – Michel Scholte via [email protected] of Achmea – Bert Rensen via [email protected]

Voor meer informatie kunt u ook kijken naar deze Q&A.

Open source: kledingwinkel voor zwervers


Overgenomen van Bright nl, aldaar gepubliceerd op 6/2/2015 door Bram Van Dijk

Wat een setje posters kan doen. The Street Store maakt kleding geven en nemen een stukje fijner (en hipper).

Wie goed doet, goed ontmoet. Maar dat goed ontmoeten, maakt het vaak ongemakkelijk. Je stapt niet snel naar een dakloze om te vragen of hij je trui wil hebben. Misschien wil hij wel helemaal geen trui of is het niet eens een dakloze.

The Street Store maakte het vorig jaar in Zuid-Afrika makkelijker om te delen en te ontvangen. The Street Store hangt een setje posters met tie-wraps aan een hek, de buurtgenoten hangen hun overgebleven kleding erin en de daklozen kunnen shoppen zonder geld, alsof ze over een kledingmarkt lopen.

Open Source

“Dakloosheid is niet alleen een Zuid-Afrikaans probleem”, stellen de oprichters. Daarom is het project een soort van ‘open source’. Iedereen kan zich aanmelden om ook een Street Store in hun eigen stad op te zetten.

Er zijn al Street Stores geweest in Brussel, Vancouver, Sao Paulo, Bogota, Manchester en ga zo maar even door. Nog geen Hollander heeft het aangedurfd, wie biedt?

pieter.van.de.glind_1388684537_72

Amsterdam: Sharing City!

overgenomen van blog op http://www.amsterdameconomicboard.com

Auteurs: Pieter van de Glind en Harmen van Sprang

ShareNL werkt samen met de Amsterdam Economic Board om Amsterdam de eerste Europese Sharing City te helpen worden. ShareNL is een Nederlands platform waarop een groot aantal initiatieven uit de deeleconomie samenwerken. Wij zien grote kansen voor de deeleconomie in steden als Amsterdam. Wat maakt steden bijzonder? Door de hoge dichtheid aan mensen zijn de transactiekosten laag. Het kost weinig om mensen, diensten, spullen en nieuws elkaar te laten vinden. Het uitwisselen op lokaal niveau gaat dus gemakkelijk want er zijn veel mensen dichtbij en vindbaar dankzij moderne technologie.

Dat deeleconomie-platformen het snelst aanslaan in steden is daarmee eenvoudig te verklaren. Hierdoor zijn steden efficiënter en duurzamer dan het platteland. Dit komt goed uit omdat nu al meer dan de helft van de wereldbevolking in steden woont en naar verwachting is dit percentage in 2050 opgelopen naar 75 procent. Dat biedt dus enorme kansen voor een duurzame toekomst.

Aanjager van de duurzame stad
De deeleconomie is een aanjager van de duurzame stad. Mobiliteit, goederen, voedsel, diensten, grond, geld en accommodatie worden efficiënter benut. Online platformen bieden jou als individu toegang tot stilstaande auto’s, ritten, voedsel, diensten, grond, geld en accommodatie van anderen en bieden jou de mogelijkheid om wat je zelf bezit te verhandelen. Het is dan ook niet zo gek dat veel mensen deel willen nemen aan de deeleconomie. De een vanwege de extra inkomsten, de ander vanwege het elkaar helpen en de volgende vanwege de positieve impact op het milieu. Dit blijkt ook uit mijn afstudeeronderzoek over het consumentenpotentieel van de deeleconomie onder 1300 Amsterdammers.

Uitdagingen
Het is dan ook te verwachten dat deze nieuwe economie in hoog tempo door zal groeien met alle bijkomende voordelen van dien. Er zijn echter ook uitdagingen. Huidige wet- en regelgeving en het huidige belastingstelsel zijn niet gemaakt voor deze nieuwe economie. Hierdoor lopen de grotere deeleconomie-platformen soms al tegen grote belemmeringen aan en dreigt de deeleconomie te verzanden in een politiek spel.

Samenwerken
Inmiddels zijn we op diverse terreinen bezig om samen met partijen binnen en buiten Amsterdam oplossingen te vinden voor deze belemmeringen. Zo was er op 30 januari een Ronde Tafel gesprek met deelnemers van o.a. de Amsterdam Economic Board, Peerby, SnappCar, Thuisafgehaald, Mud Jeans, FLOOW2, Achmea, gemeente Amsterdam, ministerie van Economische Zaken en de Belastingdienst.

Oproep
Wij willen dat Amsterdam San Fransisco en Seoul volgt en zichzelf uitroept tot Sharing City. Bijvoorbeeld door het ondertekenen van een resolutie zoals is gedaan door een groot aantal burgemeesters in de Verenigde Staten. Een dergelijke resolutie zou de ideale basis zijn om samen verder te bouwen aan de duurzame stad van de toekomst. Natuurlijk kijken wij verder dan Amsterdam en willen wij nog veel meer Sharing Cities. De deeleconomie en de gemeenten hebben immers gedeelde doelen: een participerende samenleving, veerkrachtig op lokaal niveau.

ShareNL platform: Sharenl.nl

Afbeelding: Onderzoek Amsterdam deeleconomie. Met dank aan Share NL voor het delen van de afbeelding met ons.

Schermafbeelding 2015-02-08 om 09.30.53

Amsterdam tweede deeleconomie ter wereld

volledig origineel plus beeldfragmenten op at5.nl (2/2/2015)

Amsterdam is maandagavond officieel uitgeroepen tot Sharing City, een initiatief om de stad als deeleconomie op de kaart te zetten.
Amsterdam is daarmee de eerste stad in Europa waar de deeleconomie met gemeentelijk beleid zal worden ondersteund. Ook wereldwijd is het een bijzonder project, alleen het Zuid-Koreaanse Seoul ging voor. Binnen een deeleconomie staat niet het bezit van goederen, maar het delen en collectief consumeren centraal. Voorbeelden zijn Airbnb, Snappcar voor het huren van de auto van de buurman en het Amsterdamse Konnektid, waarbij mensen elkaar onderling vaardigheden aanleren.